Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT7542

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-2005
Datum publicatie
11-11-2005
Zaaknummer
R04/127HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT7542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Nationaliteitsrecht, verlies van eerder verleend Nederlanderschap in geval van naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen?, strekking van art. 14 RWN.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 205 met annotatie van R. Ortlep
JOL 2005, 630
NJ 2006, 149
JWB 2005/381
JV 2006/2 met annotatie van prof.mr. G.R. de Groot
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R04/127HR

Mr. L. Strikwerda

Parket, 10 juni 2005

conclusie inzake

1. [verzoeker 1]

2. [verzoekster 2]

beiden optredend voor zich alsmede als wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen

a. [verzoeker 2a]

b. [verzoeker 2b]

c. [verzoeker 2c]

d. [verzoeker 2d]

e. [verzoeker 2e]

3. [verzoeker 3]

meerderjarig kind van verzoekers sub 1 en 2

tegen

De Staat der Nederlanden

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze zaak, betreffende een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, gaat het om de vraag of een naturalisatiebesluit dat met gebruikmaking van valse persoonsgegevens is aangevraagd, rechtsgevolg heeft ten aanzien van de aanvrager.

2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan, treft men aan in r.o. 2.1 t/m 2.3 van de beschikking van de rechtbank. Zij komen op het volgende neer.

(i) In 1992 zijn verzoekers tot cassatie sub 1 en 2 met hun (toen nog allen) minderjarige kinderen als vluchtelingen vanuit Irak naar Nederland gekomen.

(ii) Uit angst dat het gebruik van hun echte namen negatieve gevolgen zou hebben voor hun in Irak achtergebleven familieleden, hebben zij bij hun aanvraag om als vluchteling tot Nederland te worden toegelaten alsmede bij hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, niet hun juiste namen opgegeven. Verzoekers sub 1 en 2 hebben indertijd een aanvraagformulier ondertekend waarop zij worden aangeduid met de namen: [verzoeker 1] (verzoeker sub 1), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963 en [verzoekster 2] (verzoekster sub 2), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

(iii) Bij aanvang van hun verhoor op 19 oktober 1992 hebben zij verklaard dat hun namen niet juist zijn weergegeven en dat hun werkelijke namen zouden zijn: [verzoeker 1] (verzoeker sub 1) en [verzoekster 2] (verzoekster sub 2); de opgegeven geboortedata zouden wel juist zijn.

(iv) Op 10 april 1997 hebben verzoekers sub 1 en 2 een verzoek om naturalisatie ingediend. Zij hebben daarbij gebruik gemaakt van de hierboven onder (ii) genoemde namen en geboortedata, dus [verzoeker 1] en [verzoekster 2], geboren op resp. [geboortedatum] 1963 en [geboortedatum] 1966. Bij Koninklijk Besluit van 6 november 1997 is aan de personen met deze namen het Nederlanderschap verleend.

(v) Verzoekers zijn inmiddels in het bezit van Irakese identiteitskaarten waaruit blijkt dat hun werkelijke namen luiden [verzoeker 1] (verzoeker sub 1) en [verzoekster 2] (verzoekster sub 2). Hun geboortedata zijn resp. [geboortedatum] 1965 en [geboortedatum] 1967.

3. Nadat de Immigratie- en Naturalisatiedienst bij brief van 1 december 2003 aan de raadsman van verzoekers had medegedeeld dat het hierboven onder 2.(iv) bedoelde Koninklijk Besluit van 6 november 1997 geen rechtsgevolg heeft ten aanzien van verzoekers en hun kinderen, nu daarin hun juiste persoonsgegevens niet zijn opgenomen, hebben verzoekers op 30 maart 2004 op de voet van art. 17 RWN een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank 's-Gravenhage ter vaststelling van hun Nederlanderschap.

5. Thans verweerder in cassatie, hierna: de Staat, heeft bij brief van 27 mei 2004 aan de rechtbank als zijn standpunt kenbaar gemaakt dat het verzoek dient te worden afgewezen.

6. Nadat de mondelinge behandeling van het verzoekschrift had plaatsgevonden op 23 september 2004, heeft de rechtbank bij beschikking van 21 oktober 2004 het verzoek afgewezen. Zij was van oordeel dat het Koninklijk Besluit van 6 november 1997 geen rechtsgevolg heeft ten aanzien van verzoekers, nu daarin niet de juiste persoonsgegevens zijn opgenomen (r.o. 2.4).

7. Verzoekers zijn op de voet van art. 18 lid 2 RWN (tijdig) in cassatie gekomen tegen de beschikking van de rechtbank met één middel. De Staat heeft een verweerschrift ingediend en daarbij het middel bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

8. Het middel keert zich met een rechtsklacht tegen het oordeel van de rechtbank dat het Koninklijk Besluit van 6 november 1997 geen rechtsgevolg heeft ten aanzien van verzoekers, nu daarin niet de juiste persoonsgegevens zijn opgenomen, en verdedigt het standpunt dat een naturalisatiebesluit waarin onjuiste persoonsgegevens zijn opgenomen wél rechtsgevolg heeft, mits duidelijk is - zoals in het onderhavige geval - op welke personen het besluit het oog heeft gehad.

9. De door het middel verdedigde opvatting kan m.i. om een aantal redenen niet als juist worden aanvaard.

10. In de eerste plaats lijkt het middel uit het oog te verliezen dat onder de geadresseerde van een beschikking, zoals het onderhavige naturalisatiebesluit, is te verstaan "degene voor wie de beschikking in het bijzonder rechten of verplichtingen in het leven roept, dan wel te niet doet gaan". Zie P.J.J. van Buuren, Kring van belanghebbenden, diss. 1978, blz. 75. Zie voorts M.B. Koetser, 'Belanghebbende' volgens de rechtsprekende Afdelingen van de Raad van State, preadvies VAR 1992, blz. 117; J.C.A. de Poorter, De belanghebbende, diss. 2003, blz. 159 e.v. Geadresseerden van het onderhavige naturalisatiebesluit zijn [verzoeker 1], geboren op [geboortedatum] 1963, en [verzoekster 2], geboren op [geboortedatum] 1966. Nu deze personen, naar achteraf is gebleken, niet bestaan, mist het besluit rechtsgevolg; niet-bestaande personen kunnen niet tot Nederlander worden genaturaliseerd. Geadresseerden van het besluit zijn niet [verzoeker 1], geboren op [geboortedatum] 1965 (verzoeker sub 1), en [verzoekster 2], geboren op [geboortedatum] 1967 (verzoekster sub 2), nu de rechtbank - onbestreden in cassatie - heeft vastgesteld dat de personalia waaronder zij het verzoek om naturalisatie hebben ingediend vals zijn en het gebruik van deze valse personalia diende om hun werkelijke namen (lees: identiteit) te verhullen (r.o. 2.4). Ten aanzien van hen roept het besluit derhalve geen rechten in het leven; het heeft ten aanzien van hen geen rechtsgevolg. Vgl. Handleiding bij de Rijkswet op het Nederlanderschap, losbl., Art. 14 lid 1, aant. 2.1, met verwijzing naar (vaste) rechtspraak van de rechtbank 's-Gravenhage.

11. In de tweede plaats kan de door het middel verdedigde opvatting niet als juist worden aanvaard, omdat het aanvragen van naturalisatie met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens in de weg staat aan een behoorlijk onderzoek naar de antecedenten van de naturalisandus. Zo bepaalt art. 9 lid 1, aanhef en onder a, RWN dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. Indien de werkelijke identiteit van de naturalisandus onbekend blijft doordat het verzoek om naturalisatie wordt ingediend met gebruikmaking van valse of fictieve personalia, wordt is een behoorlijk antecedentenonderzoek niet goed mogelijk.

12. Het oordeel van de rechtbank is derhalve juist: een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve (dat wil zeggen de betrokkene niet identificerende) persoonsgegevens zijn opgenomen, kan geen rechtsgevolg hebben. Daarbij verdient aantekening dat in andere gevallen van foutieve persoonsgegevens aan het naturalisatiebesluit rechtsgevolg niet steeds behoeft te worden ontzegd. Te denken valt aan gevallen waarin de opgegeven naam of andere persoonsgegevens een kennelijke verschrijving bevatten of als gevolg van transscriptieproblemen zijn verbasterd, of aan gevallen waarin de opgegeven naam een naam is waaronder de naturalisandus (ook) bekend staat en door hem - volgens het toepasselijke recht - bevoegdelijk is gevoerd. In deze gevallen betreffen de vermelde gegevens de naturalisandus en kunnen hem ook identificeren. Zie ook HR 21 november 1997, NJ 1998, 283 nt. GRdG.

13. In de toelichting op het middel wordt nog gewezen op de in art. 14 lid 1 RWN voorziene mogelijkheid tot intrekking door de Minister van de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Voor zover het middel wil betogen dat het bestaan van de mogelijkheid van intrekking impliceert dat een naturalisatiebesluit niet zonder rechtsgevolg kan zijn, faalt dit betoog. Art. 14 lid 1 RWN ziet op gevallen waarin het Nederlanderschap daadwerkelijk door het naturalisatiebesluit is verkregen, doch niet op gevallen waarin het naturalisatiebesluit met valse of fictieve personalia is verkregen, en dus rechtsgevolg mist. Vgl. Handleiding bij de Rijkswet op het Nederlanderschap, losbl., Art. 14 lid 1, aant. 2.1. Overigens is niet ondenkbaar dat de Minister een naturalisatiebesluit dat met valse of fictieve persoonsgegevens is verkregen, óók nog intrekt, namelijk in het geval waarin de naturalisandus gebruik heeft gemaakt van persoonsgegevens van een bestaande andere persoon. In een zodanig geval heeft het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg ten opzichte van de naturalisandus, doch wellicht wel ten opzichte van die andere persoon, indien deze zich ten bewijze van zijn Nederlanderschap op het naturalisatiebesluit beroept. In dat geval zou intrekking van het naturalisatiebesluit op haar plaats kunnen zijn. De vraag of de tekst van art. 14 lid 2 RWN deze intrekking toestaat kan hier verder in het midden blijven, nu het geval waarin de naturalisandus gebruik heeft gemaakt van persoonsgegevens van een bestaande andere persoon, in de onderhavige zaak niet aan de orde is.

14. Het middel zal, zo volgt, geen doel kunnen treffen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,