Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT7310

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2005
Datum publicatie
16-09-2005
Zaaknummer
03486/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT7310
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Weigering medewerking te verlenen ex art. 37.2 jo. 37.3 Sr. HR verwerpt klacht onder verwijzing naar conclusie AG inhoudende: de stelling dat er geen sprake is van een weigerende observandus indien verdachte weigert in te stemmen met (voortzetting van) een klinische observatie, maar wel akkoord gaat met een ambulant onderzoek, vindt geen steun in de wetsgeschiedenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 481
NJ 2006, 220
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03486/04

Mr Machielse

Zitting 7 juni 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 15 juli 2004 voor poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en de terbeschikkingstelling van verdachte gelast met het bevel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Tevens heeft het hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als in het arrest aangegeven.

2. Mr F. Atto, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr G.P. Hamer, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte verdachte heeft aangemerkt als een verdachte die zijn medewerking aan een persoonlijkheidsonderzoek heeft geweigerd.

Het hof heeft hieromtrent het volgende overwogen:

"Het hof heeft de verdachte uitdrukkelijk voorgehouden dat naar het oordeel van het hof een multifunctioneel onderzoek in het Pieter Baan Centrum van groot belang is voor de bepaling van een eventuele straf en/of maatregel, temeer daar verdachte en zijn raadsman niet instemden met het gebruik in de procedure in hoger beroep van de door de deskundigen Beije en Severijn opgemaakte rapportages, welke zijn gedagtekend eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting in hoger beroep. Dergelijk onderzoek achtte het hof noodzakelijk gelet op de ernst van het feit, verdachtes justitieel verleden, de in 1998 opgemaakte rapportages, het verloop van de PIJ, de moeizaam verlopen rapportages in 2002, het adviesrapport van de reclassering Nederland in november 2002 en gelet op het feit dat een eerder onderzoek in het Pieter Baan Centrum door verdachte is geweigerd. Het hof heeft de opname in het PBC dan ook bevolen.

Verdachte heeft ten tweeden male, aldaar geplaatst, zijn medewerking aan het onderzoek in het PBC geweigerd, omtrent welke weigering de gedragskundigen een verslag hebben opgemaakt.

Het hof is van oordeel dat verdachte daarmee geweigerd heeft medewerking te verlenen aan het advies als bedoeld in artikel 37 lid 2 Wetboek van strafrecht. Het hof zal bij het bepalen van de op te leggen straf en/of maatregel derhalve acht slaan op de zich in het dossier bevindende adviezen en rapporten, waaronder de door de raadsman van verdachte ingebrachte rapportages van De Windt en Yorks."

De steller van het middel neemt het standpunt in dat art. 37 lid 3 Sr niet van toepassing is op een verdachte die niet meewerkt aan een onderzoek door deskundigen die de rechter heeft aangewezen, maar wel aan onderzoek door andere deskundigen. Dan zou art. 37 lid 3 Sr op verdachte niet van toepassing zijn.

3.2. Ik kan dat standpunt niet onderschrijven. Het is niet aan verdachte om te bepalen welke deskundigen wel en welke niet mogen rapporteren. Met de woorden "het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht" doelde de wetgever op het onderzoek dat moet worden verricht met het oog op het uitbrengen van een advies als bedoeld in het tweede lid. Het lijkt mij irrelevant van wie het initiatief tot zo een onderzoek is uitgegaan, maar als de rechter zich op dat punt wil laten adviseren doet zich de situatie van het derde lid voor indien verdachte zijn medewerking weigert. Het standpunt dat de steller van het middel inneemt zou de bedoeling van de wetgever ondermijnen. De wetgever wilde de rechter onafhankelijk maken van de beslissing van een verdachte om niet mee te werken aan een onderzoek dat ten behoeve van het advies aan de rechter verricht moet worden. De memorie van toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot de Wet van 15 december 1993, Stb. 1994, 13 zegt het als volgt:

"Indien de rechter ten aanzien van een bepaalde verdachte de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging als zijnde de meest passende sanctie overweegt, dan moet hij ook kunnen beschikken over een advies dat hem in staat stelt te beslissen of deze maatregel ook daadwerkelijk moet worden opgelegd. Ik acht het onjuist indien de door de rechter noodzakelijk geachte terbeschikkingstelling met verpleging achterwege zou blijven enkel en alleen vanwege de omstandigheid dat de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het gevraagde advies wordt verricht."(1)

Voorts houdt de memorie van toelichting nog het volgende in:

"Het komt in de praktijk steeds vaker voor dat verdachten medewerking weigeren aan het onderzoek dat ten behoeve van een - nader - advies moet worden verricht. Gelet op het bepaalde in artikel 37b, tweede volzin, WvSr is het gevolg hiervan dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging in het geheel niet kan worden opgelegd. Hiervoor heb ik reeds aangegeven waarom ik een dergelijke situatie niet aanvaardbaar acht."(2)

En:

"De weigering van de verdachte om medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies wordt verricht, mag er niet toe leiden dat door de rechter geen terbeschikkingstelling met verpleging meer kan worden opgelegd.

(...)

Om die reden stel ik voor in de wet op te nemen dat de advisering achterwege kan blijven als de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het (nader) advies wordt verricht.

Het voorstel voorziet ook in het geval dat de verdachte weliswaar bereid is om medewerking te verlenen aan een nader ambulant multidisciplinair onderzoek doch weigert medewerking te verlenen aan een voortzetting van de klinische observatie. Als de rechter een voortzetting van de klinische observatie geïndiceerd acht, dan mag een weigering van de verdachte om daaraan medewerking te verlenen niet ertoe leiden dat de rechter genoegen moet nemen met een nader ambulant onderzoek. De rechter kan dan zowel het resultaat van de klinische observatie als het resultaat van het ambulante onderzoek aan zijn beslissing ten grondslag leggen."(3)

Uit het bovenstaande blijkt dat de stelling van het middel dat er geen sprake is van een weigerende observandus indien de verdachte weigert in te stemmen met een (voortzetting van een) klinische observatie, maar wel akkoord gaat met een ambulant onderzoek, in de wetsgeschiedenis geen steun vindt, in aanmerking genomen althans dat het geen verschil zal maken of de resultaten van zo een niet-klinisch onderzoek op het moment van weigering al wel beschikbaar zijn en niet nog eerst verkregen moeten worden. Als de verdachte zou kunnen beslissen door welke deskundigen hij zich wel en door welke hij zich niet wil laten onderzoeken zou de rechter toch afhankelijk kunnen worden van de luimen van verdachte.

Ik maak een vergelijking met een weigering aan een ademanalyse mee te werken of een bloedproef te ondergaan. Ook daar is sprake van een weigering als verdachte de voorwaarden wil dicteren die vervuld moeten zijn wil hij meewerken.(4)

Het eerste middel faalt.

4.1. Het tweede middel komt op tegen het gebruik door het hof van een onderdeel van het rapport van dr. H.L. de Windt, psychiater: Het derde middel stelt dat nergens uit kan blijken dat het bewezenverklaarde delict is begaan onder invloed van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Het onderdeel van het rapport van dr. H.L. de Windt, waarop het tweede middel doelt, luidt als volgt:

"Betrokkene is wel toerekeningsvatbaar voor zijn daden, maar gezien het bovenstaande zijn er verzachtende omstandigheden.

Er is sprake van een positieve ontwikkeling zodanig dat het therapeutisch proces een positief resultaat heeft gehad."

De steller van het middel leest deze passage aldus dat volgens deze deskundige verdachte toerekeningsvatbaar is en dat behandeling niet (meer) nodig is.

4.2. Het hof heeft de passage over de positieve ontwikkeling kennelijk aldus uitgelegd dat de positieve ontwikkeling nog niet ten einde is en dat een voortgezette behandeling is geïndiceerd. Het hof heeft kennelijk het rapport van dr. H.L. de Windt niet aldus gelezen dat het dwingt tot de conclusie dat verdachte geheel toerekeningsvatbaar zou zijn geweest. Gelet op de eerste zin van het aangehaalde deel van het rapport, waarin de deskundige schrijft dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van de persoonlijkheid met als resultaat een antisociaal gestructureerde persoonlijkheid, acht ik die uitleg niet onbegrijpelijk. Overigens wijs ik er op dat tbs ook mogelijk is als het begane delict wél aan verdachte kan worden toegerekend, als maar de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis ten tijde van het begaan van het delict bestond.(5)

4.3. Het derde middel gaat uit van een andere lezing van het arrest van het hof dan de mijne, voor zover het hof verwijst naar het deskundigenverslag van de hand van de psycholoog R.E.P. Yorks. Daaraan heeft het hof immers ontleend dat indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard mag worden verwacht dat verdachtes gedragskeuzes werden beïnvloed door zijn persoonlijkheidsstoornis. Aldus heeft het hof in het voetspoor van de deskundige tot uitdrukking gebracht dat er waarschijnlijk een verband zal bestaan tussen de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis en het begane feit. Dat het hof niet met zekerheid zo een verband heeft vastgesteld lag ook niet voor de hand nu het hof zich heeft verlaten op deskundigenrapporten waarin zulke stelligheden nu eenmaal niet plegen voor te komen.

Beide middelen falen.

5.1. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken te hebben onderzocht of minder ernstige maatregelen voldoende zouden zijn geweest.

5.2. Voorop zij gesteld dat geen rechtsregel de rechter verplicht uitdrukkelijk te doen blijken te hebben onderzocht of niet met een minder ingrijpende voorziening dan de tbs kan worden volstaan.(6) In de onderhavige zaak is nou ook niet bepaald erg stellig een beroep gedaan op het subsidiariteitsbeginsel. In hoger beroep heeft de advocaat zich enkel sterk verzet tegen het opleggen van tbs.

5.3. Het hof heeft geoordeeld dat aan de voorwaarden van art. 37a Sr is voldaan en heeft zich op verschillende deskundigenrapporten gebaseerd. Al in 1998 schetste prof. dr. Th.A.H. Dorelijers een zeer somber beeld van de persoonlijkheid van verdachte met zeer grote recidivekansen. Aan verdachte is toen de PIJ-maatregel toen opgelegd, maar volgens de reclassering is verdachte in staat gebleken de behandelaars een rad voor ogen te draaien en een soort dubbelleven te leiden. Andere deskundigen spreken ook van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, die in de toekomst op termijn tot verwikkeling in soortgelijke strafbare feiten zal leiden.

Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van tbs met verpleging eist en dat minder ingrijpende voorzieningen onvoldoende bescherming van de samenleving doen verwachten. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste uitleg en is evenmin onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

6. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Kamerstukken II 1992-1993, 22909, nr. 3, p. 3

2 Ibidem p. 4.

3 Ibidem p. 5. In antwoord op vragen van kamerleden wordt deze bedoeling in de memorie van antwoord nog eens uiteengezet (nr.6, p. 2 en 3).

4 HR NJ 1987, 303; HR NJ 1988, 447.

5 HR 18 september 2001, LJN ZD2853, rov. 5.3. Zie voorts NLR 2/37a; E.J. Hofstee, TBR en TBS, 1987, p. 447.

6 HR 9 juni 1998, nr. 107.759.