Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT6854

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2005
Datum publicatie
30-09-2005
Zaaknummer
R04/106HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT6854
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

30 september 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/106HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, dvocaat: mr. J. Groen, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 523
JWB 2005/325
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R04/106HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 27 mei 2005

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

[de vrouw]

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 Eiser tot cassatie, de man, en verweerster in cassatie, de vrouw, zijn op 7 januari 1991 met elkaar op huwelijkse voorwaarden gehuwd.

1.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren [kind 1] op [geboortedatum] 1992, [kind 2] op [geboortedatum] 1994 en [kind 3] op [geboortedatum] 1996.

De kinderen wonen bij hun moeder in [woonplaats].

1.3 De vader is geboren op [geboortedatum] 1960. Hij was ondermeer werkzaam als wiskundedocent en theoretisch informaticus en was gedurende vier jaren 'Oio' aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Ten tijde van het wijzen van de beschikking van 23 augustus 2001 werkte de man niet, maar had hij plannen om zijn promotie te voltooien(2).

1.4 De moeder is geboren op [geboortedatum] 1959. Zij is, althans was, van beroep medisch-biologisch analiste en ziekenverzorgster. Ook de vrouw werkte ten tijde van het wijzen van de beschikking van 23 augustus 2001 niet.

1.5 Bij beschikking van 16 december 1998 heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat partijen dienen over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

1.6 In deze beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald:

- dat het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen voortaan alleen toekomt aan de vrouw;

- dat de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (9 maart 1999) ƒ 50,-- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw en

- dat de vrouw gerechtigd is om gedurende zes maanden na inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand, in de voormalige echtelijke woning te blijven en deze te gebruiken.

1.7 De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam, waarbij hij grieven heeft gericht tegen de onder 1.6 opgenomen beslissingen van de rechtbank. De man heeft het hof daarbij verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het gezag over de minderjarige kinderen aan hem op te dragen, het verzoek tot vaststelling van de kinderalimentatie af te wijzen en een vergoeding te bepalen die de vrouw aan de man verschuldigd is voor het gebruik van de voormalig echtelijke woning na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Dit hoger beroep heeft bij het hof rekestnummer 99/134 gekregen.

1.8 De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel appel ingesteld strekkende tot wijziging van de kinderalimentatie.

De man heeft het incidenteel appel van de vrouw bestreden.

1.9 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter zitting van 18 oktober 1999 in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming vestiging Utrecht.

1.10 Bij beschikking van 22 september 1999 heeft de rechtbank Utrecht op verzoek van de man een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vastgesteld.

Van deze beschikking is de man in hoger beroep gekomen bij wege van aanvullend beroepschrift inzake vaststelling omgangsregeling ter gelegenheid van de zitting van het hof van 18 oktober 1999. Dit hoger beroep heeft het rekestnummer 915/99 gekregen.

De man heeft daarbij om gelijktijdige behandeling verzocht met zijn eerdere hoger beroep (rekestnummer 99/134).

1.11 De vrouw heeft ook tegen dit appel verweer gevoerd en van haar zijde appel ingesteld.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

1.12 De mondelinge behandeling van deze zaak heeft op 20 december 1999 plaatsgevonden. Op laatstgenoemd tijdstip en sedertdien is de mondelinge behandeling van beide zaken steeds gelijktijdig voortgezet en wel ter zittingen van het hof van 29 mei 2000, 29 januari 2001 en 18 juni 2001(3).

1.13 Bij beschikking van 23 augustus 2001 heeft het hof in de zaak met rekestnummer 134/99 geoordeeld dat de beslissing van de rechtbank om uitsluitend de moeder met het gezag over de kinderen te belasten bij eindbeschikking zal worden bekrachtigd en heeft het de behandeling van de zaak met betrekking tot de door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen aangehouden tot 18 oktober 2001 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen die van belang zijn voor de behandeling van de financiële geschilpunten.

In de zaak met rekestnummer 915/99 heeft het hof een nieuwe omgangsregeling vastgesteld.

1.14 Op 8 oktober 2001 zijn stukken van de man ter griffie ingekomen, en op 10 oktober 2001 stukken van de vrouw.

De in het vooruitzicht gestelde mondelinge behandeling op 18 oktober 2001 heeft, op verzoek van partijen, niet plaatsgevonden.

1.15 Op 22 maart 2004 zijn stukken van de vrouw ter griffie ingekomen.

1.16 Bij brief van 26 maart 2004, ingekomen 29 maart 2004, heeft de procureur van de man het hof bericht zich als zodanig aan de procedure te onttrekken.

1.17 De zaak is op 31 maart 2004 behandeld, in aanwezigheid van de vrouw en haar advocaat, en de man. De man heeft ter zitting enige stukken overgelegd.

1.18 Vervolgens heeft het hof bij beschikking van 24 juni 2004 uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man met ingang van 9 maart 1999 per kind per maand een bedrag van € 113,45 dient te betalen met ingang van datum beschikking en de beschikking van de rechtbank van 16 december 1998 in zoverre vernietigd. Voor het overige heeft het hof de beschikking waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.19 De man heeft tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld.

De vrouw heeft afgezien van het indienen van een verweerschrift.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de man de ter zitting van 31 maart 2004 ingediende stukken niet tijdig heeft overgelegd. Dienaangaande heeft het hof als volgt overwogen:

"4.2. (...) Het hof heeft in 2004 een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling bepaald en partijen verzocht stukken over te leggen conform het uniform rekestreglement. De moeder heeft haar stukken tijdig toegezonden. Ter terechtzitting is de vader verschenen en heeft hij enige stukken overgelegd. De vader heeft op deze stukken een toelichting gegeven. De vader heeft het hof ter terechtzitting uitdrukkelijk verzocht een beslissing te geven, ondanks het feit dat geen procureur of advocaat namens de vader aanwezig was. De moeder heeft ter zitting vervolgens naar voren gebracht dat de stukken die de vader heeft overgelegd onvolledig zijn en dat zij hier slechts ten dele op heeft kunnen reageren. De moeder heeft vervolgens om aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht.

Nu de ter terechtzitting overgelegde stukken niet tijdig zijn overgelegd, zal hiermee, behoudens ten aanzien van de door de vader overgelegde alimentatieberekening en jaaropgaven, geen rekening worden gehouden. Met de door de vader overgelegde alimentatieberekening en jaaropgaven wordt wel rekening gehouden, omdat deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn. Ter terechtzitting is de moeder in de gelegenheid gesteld op deze stukken te reageren. Het verzoek van de moeder tot aanhouding zal dan ook niet worden gehonoreerd. Thans zal een inhoudelijke beslissing volgen."

2.2 Het middel klaagt "dat het hof enerzijds ervan doordrongen was dat niet werd voldaan aan het bepaalde in art. 429d lid 3 Rv. (oud) omdat geen procureur of advocaat voor de man occupeerde en dat het hof anderzijds de man verwijt dat hij niet heeft gehandeld conform het uniform rekestreglement welk reglement de man als simpele justitiabele volkomen onbekend zal zijn geweest". Volgens het middel had het hof de zaak dan ook moeten aanhouden, zoals ook door de vrouw en haar raadsvrouwe is verzocht, in plaats van de meeste stukken ter zijde te schuiven.

2.3 Onder het te dezen toepasselijke procesrecht van vóór 1 januari 2002 bepaalde art. 429l Rv. oud, voorzover hier van belang, dat iedere belanghebbende recht heeft op inzage en afschrift van de op de zaak betrekking hebbende bescheiden. Dit voorschrift is een weerslag van een van de aspecten van hoor en wederhoor(5), meer in het bijzonder het uit het beginsel van hoor en wederhoor voortvloeiende recht op tijdige kennisneming van stukken die een partij overlegt en waarop de rechter zijn beslissing baseert, en het recht om zich daarover uit te laten.

2.4 Als zodanig waarborgen deze rechten het beginsel van "equality of arms", dat in art. 6 EVRM besloten ligt(6) en waarover het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Ruiz-Mateos heeft overwogen dat dit beginsel:

"is only one feature of the wider concept of a fair trial, which also includes the fundamental right that proceedings should be adversial (...)"

The right to an adversial trial means the opportunity for the parties to have knowledge of and comment on the observations filed or evidence adduced by the other party"(7).

2.5 In zijn beschikking van 27 maart 1987, NJ 1988, 130 m.nt. WHH heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter slechts beslist aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover partijen voldoende gelegenheid is gegeven(8).

Indien de rechter aan partijen opdraagt bepaalde stukken in het geding te brengen, brengen de eisen van een goede rechtspleging mee dat partijen in de gelegenheid dienen te worden gesteld over en weer hun standpunten ten aanzien van die stukken kenbaar te maken, eer de rechter op die stukken recht doet(9).

2.6 Ook indien pas bij de mondelinge behandeling stukken worden overgelegd, geldt het onder 2.3 genoemde uitgangspunt dat de rechter slechts beslist aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover partijen voldoende gelegenheid is gegeven(10).

Aan deze eis is voldaan wanneer het gaat om overlegging of het enkele tonen ter terechtzitting van stukken die wat betreft aard en omvang geen beletsel vormen om terstond van de inhoud kennis te nemen en daarop te reageren(11).

2.7 Aard en omvang van de ter zitting overgelegde stukken zijn dus als eerste bepalend voor de door de rechter te volgen procedure. In zijn al genoemde beschikking van 29 juni 1990, NJ 1990, 732 heeft de Hoge Raad dienaangaande de volgende richtlijn gegeven:

"Indien een stuk ter terechtzitting is overgelegd zal, ook zonder uitdrukkelijke vermelding in de beschikking of het proces-verbaal, mogen worden aangenomen dat aan deze eis [dat de rechter slechts beslist aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover partijen voldoende gelegenheid is gegeven, W-vG] is voldaan, zolang het gaat om een stuk waarvan de aard en de omvang geen beletsel vormen terstond van de inhoud daarvan kennis te nemen en daarop te reageren. Dit geldt evenwel niet, wanneer het gaat om een stuk, waarvan de enkele omvang reeds noopt tot de conclusie dat het zich voor een behoorlijke kennisneming van de inhoud daarvan ter terechtzitting niet leent zonder dat daartoe door een bijzondere maatregel, zoals een onderbreking van de behandeling van de zaak van voldoende duur, de gelegenheid is gegeven. In een zodanig geval dient, met het oog op de controle in cassatie van de naleving van voormeld beginsel, uit de beschikking of het proces-verbaal te blijken hetzij dat gelegenheid tot kennisneming van en uitlating over de inhoud van het stuk heeft bestaan, hetzij dat de wederpartij ermee heeft ingestemd dat de rechter met het stuk rekening zal kunnen houden"(12).

2.8 Een partij die bij de mondelinge behandeling nog een stuk in het geding wil brengen, legt dit stuk over aan de rechter en geeft haar wederpartij dadelijk een afschrift daarvan ingeval zij haar niet reeds op voorhand een afschrift heeft gezonden, waarna de rechter nagaat of aard en omvang van het stuk geen beletsel vormen. Is dat aanwezig, dan blijft het stuk buiten het geding tenzij de rechter reden ziet(13) om de behandeling van de zaak te onderbreken of tot een latere datum aan te houden(14).

2.9 Daarnaast is de reactie van de wederpartij van belang. In het algemeen verzetten de eisen van een goede procesorde zich ertegen dat in een verzoekschriftprocedure de rechter bij zijn beslissing gebruik maakt van stukken die hem door een der partijen zijn toegezonden na het verstrijken van de door hem bij de mondelinge behandeling voor het overleggen van nadere stukken gestelde termijn. Dit is anders indien de andere partij voor het in dat stadium nog toezenden van een bepaald stuk of bepaalde stukken toestemming heeft gegeven en de rechter termen aanwezig acht de instructie van de zaak te heropenen(15).

2.10 In het uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken, dat met ingang van 1 januari 2000 is gaan gelden(16), is in artikel 5 lid 5 het volgende bepaald:

"5. Uiterlijk op de zesde werkdag voor de zitting mogen nog stukken worden overgelegd, mits in viervoud en met toezending in afschrift aan de andere partijen en belanghebbenden. Het hof draagt geen doorzending van deze stukken.

Het hof zal niet letten op later aan de partijen en het hof overgelegde stukken, tenzij deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn. Als de wederpartij geen bezwaar heeft, kan het hof desgewenst op latere stukken letten."

2.11 Het reglement is gepubliceerd in de Staatscourant en vormt aldus recht in de zin van art. 79 (99 oud) RO, zodat het in cassatie kan worden getoetst(17).

2.12 In zijn beschikking van 23 augustus 2001 heeft het hof geoordeeld dat het zich nog niet in staat achtte te beslissen op het geschilpunt van de kinderalimentatie en dat partijen uiterlijk veertien dagen vóór de voortzetting van de mondelinge behandeling op 18 oktober 2001 kopieën dienden toe te zenden van alle stukken die voor de behandeling van dit geschilpunt van belang kunnen zijn.

Partijen hebben vervolgens op 8 en 10 oktober stukken toegezonden, doch de mondelinge behandeling is niet op 18 oktober 2001 voortgezet. Het hof heeft in 2004 een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling bepaald en partijen verzocht stukken over te leggen conform het uniform rekestreglement(18).

2.13 Kort voor de mondelinge behandeling (zie 1.16) heeft de procureur van de man bericht zich als zodanig aan de procedure te onttrekken.

Door deze onttrekking wordt de zaak niet geschorst, omdat onttrekking niet op één lijn kan worden gesteld met de dood of het verlies van de betrekking van de gestelde procureur(19).

Naar het oordeel van de Hoge Raad is de beëindiging door de procureur van zijn opdracht een de cliënt persoonlijk betreffende omstandigheid en brengt de rechtsverhouding tussen de zich onttrekkende procureur en zijn (voormalige) cliënt mee dat op eerstgenoemde de plicht rust zijn (voormalige) cliënt te wijzen op de gevolgen van de onttrekking en op de noodzaak om een nieuwe procureur te doen optreden, als hij zich in het rechtsgeding wil doen vertegenwoordigen.

2.14 Ter zitting van het hof op 31 maart 2004 heeft de man aangegeven dat ook zijn advocaat zich heeft teruggetrokken en heeft hij met betrekking tot de behandeling van de zaak en het overleggen van stukken het volgende verklaard(20):

"Ik hoor u constateren dat ik hier zonder advocaat of procureur aanwezig ben. Dit is een bewuste keuze. Ondanks het feit dat mijn advocaat zich heeft teruggetrokken en mijn procureur zich heeft onttrokken wil ik dat de zaak wordt behandeld. Ik kan zelf naar voren brengen wat ik heb te zeggen. Ik heb enige financiële stukken meegenomen en gekopieerd. Ik leg de stukken aan u en aan de wederpartij over. Het was mijn voornemen om relevante stukken aan de advocaat van de vrouw te doen toekomen uiterlijk de avond voor de zitting. Dit is mij niet gelukt."

2.15 De man heeft er allereerst dus bewust voor gekozen zelf ter zitting te verschijnen.

In de tweede plaats blijkt dat de man zich ervan bewust was dat hij relevante stukken vóór de zitting aan de advocaat van de vrouw moest doen toekomen, in zijn bewoordingen, uiterlijk de avond voor de zitting.

2.16 Nadat de man stukken had overgelegd, heeft de advocaat van de vrouw bezwaar gemaakt tegen de handelwijze van de man en heeft zij het volgende verklaard(21):

"De vader zou de stukken gisteravond bij mij in de brievenbus komen stoppen. Dat is niet gebeurd. Ik wil graag even de tijd om de stukken, die de vader nu overlegt te bestuderen."

2.17 Vervolgens heeft de voorzitter de mondelinge behandeling geschorst om de vrouw en haar advocaat in de gelegenheid te stellen de door de man overgelegde stukken door te nemen.

Na de schorsing heeft de advocaat van de vrouw verklaard dat zij zich behoorlijk op de stukken van de man wilde voorbereiden en dat zij daarom het liefst de behandeling van de zaak aangehouden zag.

2.18 De man heeft daarop verklaard(22):

"Ik hoor u nogmaals constateren dat ik ter zitting niet word bijgestaan door een advocaat of procureur. Ik acht aanhouden van de zaak niet nuttig, ik wil het liefst een beslissing. Het heeft nu lang genoeg geduurd."

2.19 Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling op 31 maart 2004 acht ik het bestreden oordeel van het hof niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk.

Indien een partij tijdens de mondelinge behandeling nog een stuk in het geding brengt dat niet reeds op voorhand in afschrift naar de wederpartij is gezonden, gaat de rechter, tenzij de wederpartij ermee instemt, na of aard en omvang van het stuk geen beletsel daartoe vormen. Is dat er wel, dan blijft het stuk buiten het geding tenzij de rechter reden ziet om de behandeling van de zaak te onderbreken of tot een latere datum aan te houden.

2.20 In de onderhavige zaak waren de stukken niet op voorhand aan de (advocaat van de) vrouw toegezonden, stemde de vrouw niet met overlegging van alle stukken in, vormden aard en omvang een beletsel om terstond te reageren en verzocht de man de zaak niet uit te stellen. In dergelijke omstandigheden dient de rechter dan, zoals uit de hiervoor weergegeven rechtspraak blijkt, de niet eenvoudig te doorgronden stukken terzijde te leggen.

2.21 Het door het middel veronderstelde verband tussen enerzijds het ontbreken van juridische bijstand omdat de man noch een procureur noch een advocaat meer had en anderzijds het niet op de hoogte zijn van termijnen van overleggen van stukken in het uniform rekestreglement, komt voor risico van de man. De man wist trouwens kennelijk, blijkens zijn toezegging de stukken uiterlijk de avond vóór de mondelinge behandeling in de brievenbus van de advocaat van de vrouw te deponeren, dat het van belang was dat de stukken tijdig zou worden overgelegd.

2.22 Ten overvloede wijs ik erop dat de man ook zonder deze bijstand het woord mocht voeren ter zitting van het hof (art. 429f leden 5 en 6 in verbinding met art. 429q Rv. oud) en dat zijn persoonlijke verschijning tot tweemaal toe door het hof met de man is besproken.

De nadruk die thans door de man in het middel wordt gelegd op het feit dat de vrouw om aanhouding heeft verzocht, acht ik daarnaast in tegenspraak met de opvatting van de man ter terechtzitting van het hof dat hij aanhouden van de zaak niet nuttig vond.

2.23 Het middel faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voorzover thans van belang. Zie voor een volledig overzicht van de feiten de beschikking van het hof Amsterdam van 23 augustus 2001 onder 2.1 t/m 2.25 en de beschikking van 24 juni 2004 onder 2. Zie voor het procesverloop de beschikking van het hof van 23 augustus 2001 onder 1 en de beschikking van het hof van 24 juni 2004 onder 1.

2 In het cassatieverzoekschrift wordt gesteld dat de man sedert 7 januari 1998 psychisch overspannen is geraakt en dat hij volledig arbeidsongeschikt is.

3 Het hof heeft de reden van deze aanhoudingen vermeld in de rov. 2.14 t/m 2.22 van zijn beschikking van 23 augustus 2001. De aanhoudingen houden verband met het feit dat het hof de Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht het ABJ een onderzoek te laten instellen, welke onderzoeksopdracht door het ABJ te Den Bosch vervolgens is teruggegeven, omdat het niet mogelijk is gebleken om met de man tot overeenstemming te komen over de wijze waarop de communicatie tussen hem en het ABJ tijdens de voorfase van het onderzoek tot stand kan komen, alsmede omdat de contacten van de man hierover op een uiteindelijk zeer onplezierige wijze zijn verlopen. Voorts is de behandeling van de zaak aangehouden met het verzoek aan de Raad het ABJ, vestiging Leiden, te verzoeken onderzoek te verrichten en rapportage uit te brengen. Het ABJ te Leiden heeft op 19 januari 2001 onder meer met betrekking tot de persoonlijkheid van de man gerapporteerd dat hij imponeert als een bovengemiddeld intelligente man die het gelijk aan zijn zijde meent te hebben en onvoldoende in de gaten heeft dan wel niet lijkt te willen inzien wat het mogelijke effect van zijn handelen op andere mensen heeft. De man heeft hierop een klacht ingediend, waarna het ABJ te Leiden bij brief van 23 maart 2001 de opdracht heeft teruggegeven.

4 Het verzoekschrift is op 22 september 2004 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

5 Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Wesseling-van Gent, art. 429l, aant. 2.

6 Zie over het recht op tegenspraak in verband met art. 6 EVRM: P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, 1996, blz. 99-107.

7 EHRM 23 november 1993, Series A no. 262, § 63. Zie ook EHRM 28 juni 2001, EHRC 2001, 61 § 36: "Nevertheless, the concept of fair trial also implies in principle the right for the parties to a trial to have knowledge of and comment on all evidence adduced or observations filed" en EHRM 20 juli 2001, EHRC 2001, 72 § 44: "Pourtant, la Cour rappelle à cet égard que le droit à une procédure contradictoire, qui est l'un des éléments d'une procédure équitable au sens de l'article 6 par. 1, implique que chaque partie à un procès, pénal ou civil, doit en principe avoir la faculté de prendre connaissance et de discuter toute pièce ou observation présentée au juge en vue d'influencer sa décision".

8 Sindsdien vaste rechtspraak, zie laatstelijk HR 12 maart 1999, NJ 1999, 400.

9 HR 3 juni 1988, NJ 1989, 5 m.nt. JBMV.

10 HR 29 juni 1990, NJ 1990, 732.

11 HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 5; HR 4 november 1994, NJ 1995, 98.

12 Rov. 3.2, herhaald in HR 25 oktober 1991, NJ 1992,5. Zie tevens: HR 15 januari 1993, NJ 1993, 594; HR 12 februari 1993, NJ 1993, 596; HR 4 november 1994, NJ 1995, 98 rov. 3.1. Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, art. 429l oud, aant. 3

13 Zie ook HR 5 december 2003, RvdW 2003, 184.

14 HR 27 juni 1997, NJ 1998, 328 m.nt. HJS.

15 HR 4 september 1998, NJ 1998, 827. Zie ook HR 22 oktober 1999, NJ 1999, 797.

16 Stcrt 1999, nr. 251, p. 47. Het reglement is gewijzigd bij de regeling van 7 juni 2004, Stcrt. 105.

17 Zie HR 28 juni 1996, NJ 1997, 495 m.nt. HJS; HR 4 april 1997, NJ 1998, 220 m.nt. HJS en HR 16 november 2001, NJ 2002, 401 m.nt. HJS en mijn conclusie vóór dat arrest onder 3.4.

18 Zie rov. 4.2 van de bestreden beschikking.

19 HR 2 februari 2001, NJ 2002, 372, waarin de Hoge Raad zijn arrest van 1 maart 1974, NJ 1975, 6 bevestigde.

20 P-v. van de zitting van 31 maart 2004, p. 1.

21 P-v. van de zitting van 31 maart 2004, p. 2.

22 P-v. van de zitting van 31 maart 2004, p. 3.