Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT6836

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-10-2005
Datum publicatie
07-10-2005
Zaaknummer
C04/240HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT6836
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

overeenkomst tussen advocaat en cliënt op basis van "no cure no pay"; uitleg van overeenkomst; bewijsthema; art. 81 RO.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 552
JWB 2005/340
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C04/240HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 3 juni 2005

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen:

[verweerder]

1. Inleiding

1.1. In cassatie wordt geklaagd over het feit dat en de wijze waarop het hof door middel van uitleg van de tussen partijen gesloten 'no cure no pay'-overeenkomst heeft vastgesteld dat het behaalde resultaat als 'cure' kan worden aangemerkt.

1.2. Het middel kan m.i. niet tot cassatie leiden. Rechtsvragen die nopen tot beantwoording in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (in de zin van art. 81 Wet R.O.) heb ik niet aangetroffen.

2. Feiten(1) en procesverloop

2.1. [Verweerder] heeft in zijn hoedanigheid van advocaat werkzaamheden verricht in opdracht van [eiser].

2.2. [Verweerder] heeft [eiser] voor deze werkzaamheden op 7 augustus 2000 een factuur gezonden tot een bedrag van f 34.884,34.

2.3. [Eiser] heeft deze factuur onbetaald gelaten.

2.4. Bij inleidende dagvaarding van 30 november 2000 heeft [verweerder] [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en daarbij gevorderd dat [eiser] zal worden veroordeeld om aan [verweerder] te betalen een bedrag van f 37.884,34, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2000.

2.5. [Eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat [verweerder] zal worden veroordeeld tot afgifte aan hem van zijn dossiers, op straffe een dwangsom, alsmede tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.6. [Verweerder] heeft de vordering in reconventie gemotiveerd bestreden.

2.7. Bij tussenvonnis van 20 maart 2001 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 20 juni 2001 heeft de rechtbank [eiser] toegelaten 'te bewijzen dat hij met [verweerder] is overeengekomen dat [verweerder] zijn werkzaamheden als advocaat zou verrichten op basis van "no cure no pay", inhoudende dat [verweerder] zijn uren alleen zou declareren als hij zou kunnen bereiken dat de zaak van [eiser] zou worden "opengebroken" en [eiser] een aanzienlijk geldbedrag zou krijgen, ofwel uit de boedelscheiding ofwel als schadevergoeding van de Staat'.

2.8. [Eiser] heeft ter voldoening aan de bewijsopdracht twee getuigen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], doen horen en zichzelf als partijgetuige, en voorts een schriftelijke verklaring van [betrokkene 3] overgelegd.

[Verweerder] heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.

2.9. Bij eindvonnis van 22 januari 2003 heeft de rechtbank weliswaar bewezen geacht dat [verweerder] en [eiser] een overeenkomst op basis van 'no cure no pay' hebben gesloten, doch niet dat onder 'cure' moet worden verstaan dat [verweerder] zijn uren alleen zou declareren als hij zou kunnen bereiken dat de zaak van [eiser] zou worden 'opengebroken' en [eiser] een aanzienlijk geldbedrag zou krijgen, ofwel uit de boedelscheiding, ofwel als schadevergoeding van de Staat. De rechtbank heeft het behaalde resultaat (dat de veroordeling van [eiser] om f 200.000,- aan zijn ex-vrouw te betalen in hoger beroep is teruggebracht tot f 100.000,-) opgevat als 'cure'. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de (nader betwiste) vordering in conventie. Zij heeft de vordering in reconventie afgewezen.

2.10. Bij exploot van 14 april 2003 is [eiser] van dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, onder aanvoering van drie grieven. [Verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.11. Het hof heeft bij arrest van 29 april 2004 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. De in cassatie relevante overwegingen luiden als volgt:

'3. In het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Grief 1 is tegen dit oordeel gericht. Volgens de toelichting op de grief heeft de rechtbank innerlijk tegenstrijdig geoordeeld, aangezien zij tevens voldoende bewezen heeft geacht dat [verweerder] en [eiser] met elkaar een overeenkomst op basis van "no cure no pay" hebben gesloten.

4. De grief ziet eraan voorbij dat, naar de rechtbank terecht heeft geoordeeld, de bewezenverklaring van het eerste deel van het probandum niets zegt over de inhoud van die overeenkomst, te weten de gestelde inhoud van het overeengekomen "no cure no pay", waarop het tweede deel van het probandum zag. De beide zojuist weergegeven oordelen van de rechtbank zijn, ook in hun samenhang beschouwd, niet innerlijk tegenstrijdig. De grief is derhalve ongegrond.

5. Volgens grief II heeft de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verdere geschil, dat ziet op de hoogte van de declaratie.

6. In de toelichting op de grief wordt het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft de rechtsfeiten aangevuld met een onjuiste uitleg van het begrip "no cure no pay". Dergelijke afspraken worden meestal gemaakt tussen de rechtszoekende en de advocaat ingeval de rechtszoekende de advocaat niet kan of niet wil betalen zolang er geen positief resultaat komt, uit de opbrengst waarvan meer kan worden betaald dan wanneer het honorarium naar redelijke maatstaven in rekening worden gebracht. [Verweerder] heeft geen positief eindresultaat bereikt. De rechtbank heeft ten onrechte het terugbrengen van de door [eiser] aan zijn ex-vrouw te betalen voorschot op de boedelscheiding van f 200.000,-- tot f 100.000,-- opgevat als "cure".

7. De grief berust op een onjuiste lezing van het vonnis. De rechtbank heeft geen eigen invulling gegeven aan hetgeen onder "no cure no pay" pleegt te worden volstaan, doch geoordeeld dat [eiser], nu geen van de getuigen tijdens de verhoren iets heeft verklaard omtrent de inhoud van de overeenkomst, niet is geslaagd in het bewijs dat onder "cure" moet worden verstaan dat [verweerder] zijn uren alleen zou declareren als hij zou kunnen bereiken dat de zaak van [eiser] zou worden "opengebroken" en [eiser] een aanzienlijk geldbedrag zou krijgen, ofwel uit de boedelscheiding, ofwel als schadevergoeding van de Staat. Dat oordeel is in hoger beroep niet bestreden, en is overigens juist.

8. De overweging van de rechtbank dat de inspanningen van [verweerder] in de procedure tegen de ex-echtgenote tot een voor [eiser] gunstig resultaat hebben geleid, dat door de rechtbank is opgevat als "cure", dient zo te worden begrepen dat - nu [eiser] geen bewijs heeft geleverd van de inhoud van de overeenkomst - partijen geacht moeten worden te zijn overeengekomen dat [eiser] slechts dan de uren van [verweerder] niet zou behoeven te betalen indien in die procedure het door [eiser] aan zijn ex-vrouw te betalen voorschot in hoger beroep niet zou worden verminderd. Het hof acht dit, nu geen nadere gegevens omtrent de tussen partijen gemaakte afspraken voorhanden zijn, gelet op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, een juiste uitleg van de overeenkomst.

9. Op het vorenstaande stuit grief II af.'

2.12. Van dit arrest is [eiser] - tijdig(2) - in cassatieberoep gegaan. [Verweerder] heeft zijn conclusie tot verwerping van het beroep schriftelijk toegelicht.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. Het middel tot cassatie omvat twee onderdelen.

3.2. Onderdeel I komt op tegen 's hofs oordeel in rov. 4 van het bestreden arrest, dat 'de bewezenverklaring van het eerste deel van het probandum niets zegt over de inhoud van die overeenkomst, te weten de gestelde inhoud van het overeengekomen "no cure no pay", waarop het tweede deel van het probandum zag'. Op zichzelf is dit oordeel volgens het onderdeel juist, maar het hof heeft hierbij miskend dat de bewezenverklaring van deel 1 van het probandum afdoende was om het gelijk aan de zijde van [eiser] te krijgen. De betekenis van de term 'no cure no pay' is volgens het onderdeel immers van algemene bekendheid, maar ook vooral bekend bij partijen en de gehoorde getuigen, te weten betaling bij een positief eindresultaat zoals de berging van een schip, een succesvolle incasso, de opvulling van een vacature en de verkrijging van schadevergoeding bij letselschade. De nadere invulling, zoals [eiser] desgevraagd gaf, kan bij niet-bewezenverklaring niet tot gevolg hebben dat de afspraak 'no cure no pay' niet is gemaakt. Een verminderd negatief (eind-)resultaat is nog altijd niet een positief resultaat, aldus het onderdeel. Het hof heeft in ieder geval nagelaten aan te geven waarom ook bewezenverklaring van deel 2 van het probandum nodig was, zodat de gedachtegang van het hof niet is te volgen.

3.3. Het betreffende probandum van de rechtbank luidde als volgt (nummering (i) en (ii) van mijn hand, A-G):

'De rechtbank: in conventie:

laat [eiser] toe te bewijzen (i) dat hij met [verweerder] is overeengekomen dat [verweerder] zijn werkzaamheden als advocaat zou verrichten op basis van "no cure no pay", (ii) inhoudende dat [verweerder] zijn uren alleen zou declareren als hij zou kunnen bereiken dat de zaak van [eiser] zou worden "opengebroken" en [eiser] een aanzienlijk geldbedrag zou krijgen, ofwel uit boedelscheiding ofwel als schadevergoeding van de Staat.'

Noch onjuist, noch onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd is 's hofs oordeel dat de enkele bewezenverklaring van deel 1 van het probandum (inhoudende dat partijen een overeenkomst op basis van 'no cure no pay' hadden gesloten) niet tot afwijzing van de vordering van [verweerder] kon leiden. Een overeenkomst op basis van 'no cure no pay' houdt immers slechts in dat uitsluitend bij het behalen van een bepaalde 'cure' salaris in rekening wordt gebracht(3) en om te kunnen bepalen of al dan niet aan de voorwaarden voor salarisbetaling is voldaan, moet daarnaast eerst door middel van uitleg van de overeenkomst worden vastgesteld welke 'cure' partijen hebben afgesproken en vervolgens worden beoordeeld of die 'cure' is bereikt. Hierbij is geenszins uitgesloten dat tot die 'cure' ook een in hoger beroep behaald gunstiger resultaat dan in eerste instantie wordt gerekend, ook al is daarmee (lang) niet het (hypothetisch) maximaal positieve eindresultaat verkregen. Onderdeel I faalt dan ook.

3.4. Onderdeel II richt zich tegen 's hofs oordeel in rov. 8, laatste zin. Volgens het onderdeel zoekt het hof hier kennelijk aansluiting bij de Haviltex-doctrine. Dit doet het hof ten onrechte, omdat het begrip 'no cure no pay' duidelijk is en identiek is aan het begrip 'contingency fee'. Bij een contingency-overeenkomst is het honorarium slechts voorwaardelijk verschuldigd en wel alleen bij een positief eindresultaat, hetgeen voor beide partijen met een hoog intelligentieniveau duidelijk moet zijn geweest. Het hof heeft zonder nadere motivering onbegrijpelijk een verkeerde uitleg aan het begrip 'cure' en aan het beding gegeven, aldus het onderdeel.

3.5. Waar het onderdeel klaagt dat het hof - bij de vaststelling van hetgeen tussen partijen als 'cure' heeft te gelden - ten onrechte de Haviltexmaatstaf heeft gehanteerd, faalt het, omdat het hof deze maatstaf terecht heeft gehanteerd.(4) Het onderdeel ziet over het hoofd dat in geval van geschil daarover bij een dergelijke afspraak (of men van 'no cure no pay' of 'contingency fee' spreekt) door middel van uitleg moet worden vastgesteld bij welk resultaat oftewel onder welke voorwaarde(n) er aanspraak op honorarium zal zijn.(5) Zie ook nr. 3.3 in fine. Aldus wordt ook onderdeel II tevergeefs voorgesteld.

4. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan rov. 1.1-1.3 van het tussenvonnis van de rechtbank van 20 juni 2001, waarvan het hof blijkens rov. 1 van het bestreden arrest ook is uitgegaan.

2 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 23 juli 2004.

3 Art. 2 lid 1 Verordening op de praktijkuitoefening en art. 25 lid 2 Gedragsregels spreken over een bepaald gevolg.

4 Zie in dit verband P-G Hartkamp in zijn conclusie onder 15 en 18, voor HR 23 mei 2003, C01/308, NJ 2003, 518 ([...]/[...] c.s.).

5 Zie voor Nederlandse publicaties over no cure no pay en contingency fee bijv. Quant en Ulrici, Loon naar werk?, AA 1998, p. 474; Kerkmeester, Contingency fees en letselschade: een rechtseconomische analyse, Verkeersrecht 1999, p. 257; Van de Laar, No cure, no pay, of naar keuze no cure no pay, NJB 1999, afl. 7, p. 302; Van Dort en Schirmeister, Honorering en kwaliteit van rechtsbijstand: 'no cure no pay' of 'by the hour'?, TVP 2002, p. 47; De Vaan, 'Nu cure no pay' in de praktijk, NJB 2002, afl. 44, p. 2174