Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT6197

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-05-2005
Datum publicatie
26-05-2005
Zaaknummer
00759/04 U II
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT6197
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belgisch uitleveringsverzoek strekkende ter tenuitvoerlegging (vervolg op tussenarresten LJN AO9921 en LJN AR6613). Nu het uitleveringsverzoek strekt ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf welke is opgelegd aan de opgeëiste persoon, die Nederlands onderdaan is, moet – gelet op het door Nederland gemaakte voorbehoud bij art. 7.1 van de Overeenkomst, opgesteld o.g.v. art. K.3 van het Verdrag betreffende de EU betreffende de uitlevering tussen Lidstaten van de EU – de uitlevering ontoelaatbaar worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 308
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00759/04 U

Mr Jörg

Zitting 12 april 2005

Schriftelijke samenvatting inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. De rechtbank te Almelo heeft op 2 maart 2004 de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van vervolging ontoelaatbaar verklaard.

2. Tegen deze uitspraak heeft de officier van justitie beroep in cassatie ingesteld.

3. Bij tussenarrest van 15 juni 2004 heeft de Hoge Raad de vernietiging uitgesproken van de beslissing van de rechtbank.

4. Er heeft een feitelijke behandeling plaatsgevonden.

5. Bij tussenarrest van 18 januari 2005 heeft de Hoge Raad het onderzoek ter zitting heropend en de stukken in handen van de Procureur-Generaal gesteld teneinde van de Belgische Minister van Justitie vóór 15 maart 2005 antwoord te krijgen op de volgende vragen:

"a. Is, indien wordt uitgegaan van de hiervoor onder 3.4. vermelde, namens de opgeëiste persoon aangevoerde feiten en omstandigheden, te dezen sprake van een verzoek tot uitlevering dat (alsnog) strekt ten uitvoerlegging van een straf?

b. Zo neen, op grond van welk voorschrift of welke jurisprudentie, met name die van het Belgische Hof van Cassatie, moet dan worden aangenomen dat de in het uitleveringsverzoek bedoelde strafzaak nog verzet openstaat?"

6. Het onder 3.4 in het tussenarrest vermelde betreft het verweer van de verdediging:

- dat de opgeëiste persoon na zijn aanhouding in verband met het uitleveringsverzoek op 9 december 2003 is gehoord;

- dat de officier van justitie hem bij dat verhoor in kennis heeft gesteld van genoemd verstekvonnis en de betekening van dat vonnis;

- dat de opgeëiste persoon tegen dat vonnis geen verzet als bedoeld in art. 187 van het Belgische Wetboek van Strafvordering heeft ingesteld, zodat gelet op de in dat artikel genoemde termijnen thans voor hem geen verzet meer openstaat en daarmee het vonnis onherroepelijk is geworden.

7. Op 6 april 2005 hebben de Belgische autoriteiten per telefax een schriftelijke reactie gestuurd. Hierin staat het volgende te lezen - voor zover relevant -:

"Uit de inhoud van uw brieven () betreffende mijn verzoek tot uitlevering van de Nederlandse onderdaan [de opgeëiste persoon] blijkt dat het verstekvonnis dd. 22 februari 1996 van de correctionele rechtbank te Brussel definitief is geworden zodat het verzoek tot uitlevering thans strekt tot tenuitvoerlegging van een straf."

8. Nu de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en Nederlanders niet ter executie van een straf aan een vreemde Staat worden uitgeleverd (zie art. 4 Uw) betekent dit dat uitlevering ter fine van executie naar België niet mogelijk is.

9. Ik concludeer derhalve tot ontoelaatbaarverklaring van het verzoek tot uitlevering.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG