Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT6015

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-09-2005
Datum publicatie
23-09-2005
Zaaknummer
C04/188HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT6015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

23 september 2005 Eerste Kamer Nr. C04/188HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. B.D.W. Martens, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2] Beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 382a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 382c
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 388
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 512
JWB 2005/313
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C04/188HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 20 mei 2005

Conclusie inzake:

[eiseres]

tegen

1. [verweerder 1]

2. [verweerster 2]

De thans door eiseres tot cassatie ingestelde vordering betreft de herroeping van tussen partijen gewezen uitspraken wegens bedrog en het achterhouden van stukken van beslissende aard. Deze uitspraken zijn gegeven in een geschil over een na de koop van een woning geconstateerd gebrek aan de open haard.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Verweerders in cassatie, [verweerder] c.s., hebben op 2 mei 1992 de woning aan het [a-straat 1] te [plaats] van eiseres tot cassatie, [eiseres], gekocht.

1.2 [Eiseres] woonde met [betrokkene 1] in de woning.

[Betrokkene 1], buiten gemeenschap van goederen gehuwd met [eiseres], heeft als echtgenoot de koopovereenkomst mede ondertekend.

1.3 Over de zich in de woonkamer bevindende open haard heeft [betrokkene 1] bij de aan het sluiten van de koop voorafgaande bezichtiging op een vraag van [verweerder] c.s. geantwoord dat deze goed functioneert.

1.4 De woning is op 31 augustus 1992 in eigendom overgedragen.

Nadien is gebleken dat het stoken van de open haard rookoverlast veroorzaakt.

1.5 Bij brief van 16 januari 1993 hebben [verweerder] c.s. aan [betrokkene 1] melding gemaakt van de rookoverlast en om advies gevraagd, waarop [betrokkene 1] op 28 januari 1993 heeft gereageerd met een aantal stookinstructies.

1.6 Op 14 februari 1993 hebben [verweerder] c.s. zich er bij [betrokkene 1] over beklaagd dat de rookklachten bleven.

De rechtsbijstandsverzekeraar van [verweerder] c.s., ARAG, heeft [betrokkene 1] bij brief van 17 maart 1993 gesommeerd om binnen 14 dagen een voorstel te doen voor het oplossen van het stookprobleem.

1.7 Bij brief van 6 augustus 1993 heeft mr. Van Hees van ARAG namens [verweerder] c.s. aan [eiseres] en [betrokkene 1] meegedeeld dat uit onderzoek in opdracht van [verweerder] is gebleken dat de open haard niet goed functioneert en beiden aansprakelijk gesteld voor de kosten van het herstel met sommatie deze binnen 14 dagen te voldoen en met aanzegging van de wettelijke rente.

1.8 Daarna heeft in mei 1994 nog correspondentie plaatsgevonden tussen [betrokkene 1] en de raadsman van [verweerder], mr. De Vink. Deze briefwisseling heeft niet tot een oplossing van het geschil geleid.

1.9 Bij dagvaarding van 11 september 1995 hebben [verweerder] c.s. [eiseres] en haar echtgenoot [betrokkene 1] gedagvaard voor de arrondissementsrechtbank te Utrecht en gevorderd om [eiseres] en [betrokkene 1], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan [verweerder] c.s. te betalen de tot herstel en verbetering van de open haard "noodzakelijk uit te leggen kosten" van ƒ 11.338,75, verhoogd met de kosten van expertise van ƒ 940,--, alsmede met de overige herstelkosten van ƒ 1.938,75, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 1993, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

1.10 Aan deze vordering hebben [verweerder] c.s. ten grondslag gelegd dat het aansteken van de open haard rookoverlast veroorzaakt, terwijl [eiseres] en [betrokkene 1] voorafgaand aan de koopovereenkomst de garantie hebben gegeven dat de open haard goed werkte. Uit expertise is gebleken dat het rookkanaal en de schoorsteen niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen, ten gevolge waarvan [eiseres] en [betrokkene 1] uit hoofde van de koopovereenkomst aansprakelijk zijn voor de aan het herstel verbonden kosten.

[Eiseres] en [betrokkene 1] hebben de vordering bestreden.

1.11 Na een ingevolge een tussenvonnis van 6 maart 1996 op 12 augustus 1996 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 9 juli 1997 in de procedure [verweerder] c.s. tegen [betrokkene 1] de vorderingen ten aanzien van [betrokkene 1] afgewezen en in de procedure [verweerder] c.s. tegen [eiseres] de stukken in handen van partijen gesteld in verband met een te bevelen deskundigenbericht.

1.12 Bij derde tussenvonnis van 18 maart 1998 heeft de rechtbank het deskundigenbericht gelast. Na deskundigenbericht hebben [verweerder] c.s. hun eis bij akte vermeerderd en aldus gevorderd [eiseres] te veroordelen om aan [verweerder] c.s. te betalen de tot herstel en verbetering van de open haard noodzakelijk uit te leggen kosten van ƒ 29.552,99, te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten van ƒ 2.949,21.

1.13 Bij eindvonnis van 22 december 1999 heeft de rechtbank [eiseres] veroordeeld aan [verweerder] c.s. te betalen een bedrag van ƒ 30.545,31 vermeerderd met de wettelijke rente.

1.14 [Eiseres] is van de vonnissen van de rechtbank van 6 maart 1996, 9 juli 1997, 18 maart 1998 en 22 december 1999 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 7 december 2000 heeft het hof [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de vonnissen van 6 maart 1996 en 18 maart 1998 en de vonnissen van 9 juli 1997 en 22 december 1999 bekrachtigd.

1.15 Bij arrest van 15 maart 2002 heeft de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO de cassatieklachten van [eiseres] tegen het arrest van het hof verworpen(2).

1.16 Bij dit geding inleidende dagvaarding van 13 november 2002 heeft [eiseres] [verweerder] c.s. gedagvaard voor het hof Amsterdam en de vernietiging gevorderd van de vonnissen van de rechtbank Utrecht van 6 maart 1996, 9 juli 1997, 18 maart 1998 en 22 december 1999 (met rolnummer 49372 HA ZA 95-1936) alsmede van het arrest van het hof Amsterdam van 7 december 2000 (rolnummer 446/00) en gevorderd [verweerder] c.s. alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans hen deze te ontzeggen met terugbetaling van al hetgeen op grond van voornoemde uitspraken aan [verweerders] is betaald, vermeerderd met wettelijke rente.

1.17 Aan deze vordering heeft [eiseres] de stelling ten grondslag gelegd dat [verweerder] c.s. bedrog in het geding hebben gepleegd en dat zij tevens stukken hebben achtergehouden die van beslissende aard zijn, en die [eiseres] pas op 5 september 2002 in handen heeft gekregen(3).

Volgens [eiseres] houden zij en haar echtgenoot een aantal zaken strikt gescheiden, waaronder de post. Zij zijn niet op de hoogte van correspondentie die aan de ander is gericht en doen over de inhoud daarvan ook geen mededelingen aan elkaar. Uit de brieven van [betrokkene 1] zou blijken dat [verweerder] c.s. hadden dienen te begrijpen dat zij zich met betrekking tot de problemen met de open haard rechtstreeks tot [eiseres] en niet tot [betrokkene 1] dienden te richten en dat de brieven van en aan [betrokkene 1] niet kunnen worden aangemerkt als mede namens haar geschreven en aan haar gericht. Dit brengt volgens [eiseres] mee dat [verweerder] c.s. niet binnen bekwame tijd het gebrek aan de open haard aan haar hebben gemeld en dat de vordering van [verweerder] c.s. is verjaard.

[Verweerder] c.s. hebben de vordering tot vernietiging betwist, stellende dat aan geen van de voorwaarden van art. 382 Rv. is voldaan.

1.18 Bij arrest van 11 maart 2004 heeft het hof geoordeeld dat geen van de klachten van [eiseres] toereikend is om tot toewijzing van de vordering tot herroeping te kunnen komen en de vordering mitsdien afgewezen.

1.19 [Eiseres] heeft tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld. Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna [eiseres] nog heeft gerepliceerd(5).

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

Herroeping

2.1 Ingevolge het bepaalde in art. 388 lid 2 Rv. zijn de rechtsmiddelen tegen de beslissing inzake de heropening van het geding, waaronder mede wordt verstaan de (eind)uitspraak die de aangevoerde gronden afwijst en daarmee ook de vordering tot herroeping, beperkt tot cassatieberoep en verzet(6). [Eiseres] kan dus in haar cassatieberoep worden ontvangen.

2.2 [Eiseres] heeft haar vordering tot herroeping gebaseerd op door de wederpartij gepleegd bedrog (art. 382 onder a Rv.) en op het door de wederpartij achterhouden van stukken van beslissende aard (art. 382 onder c Rv.).

Beide gronden hebben geen materiële wijziging ten opzichte van de oude regeling van het rekest-civiel ondergaan, zodat de rechtspraak en literatuur met betrekking tot het oude recht van belang blijft(7).

Bedrog

2.3 Bedrog is de meest aangevoerde grond voor een rekest-civiel(8). Het begrip "bedrog" wordt, in overeenstemming met de literatuur, door de rechtspraak ruim uitgelegd en is niet onderworpen aan beperkingen die in het overeenkomstenrecht voor de uitleg van het begrip worden aangelegd(9). Volgens Cleveringa valt onder het begrip bedrog "elke oneerlijke proceshouding (...), die tot strekking heeft de waarheid te verdoezelen en hierdoor het materiële recht in zijn tegendeel te verkeren; ook een zwijgen kan aldus bedrog opleveren"(10). Ten Kate heeft bedrog omschreven als "boze toeleg, kwade trouw of grof verzuim, waardoor een in enig opzicht voor de wederpartij nadelige rechterlijke beslissing is veroorzaakt"(11). In het arrest Goosen/Goosen heeft de Hoge Raad een ruime uitleg van het begrip bedrog benadrukt en dit als volgt omschreven:

"Van bedrog in deze zin is reeds sprake wanneer een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden. Dit zal zich onder meer voordoen wanneer een partij feiten als hiervoor bedoeld verzwijgt, terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tegenpartij niet met die feiten bekend was of redelijkerwijs bekend behoorde te zijn."(12)

2.4 Snijders ziet in deze rekest-civielgrond een versterking van de algemene exhibitielast uit het burgerlijk procesrecht(13). Ook anderen hebben erop gewezen dat de thans in art. 21 Rv. opgenomen verplichting dat partijen gehouden zijn de feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, reeds voor het vóór 1 januari 2002 geldende procesrecht kan worden afgeleid uit bovengenoemd arrest(14). Tegelijkertijd is "informatievrijheid" een belangrijk kenmerk van het oude procesrecht(15), waarin elke partij ook een eigen rol toekomt en waardoor ook weer niet te snel van een oneerlijke of bedrieglijke proceshouding kan worden gesproken(16).

2.5 Bedrog kan zijn gelegen in een positieve gedraging die de proceshouding oneerlijk maakt, maar ook voortvloeien uit een niet-doen dat gepaard gaat met een oneerlijke gedraging(17). Zo wordt bedrog aangenomen als sprake is van een oneerlijke proceshouding, die kan bestaan in een zwijgen, waardoor wordt belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de wederpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden(18).

Misbruik maken van de weerloosheid of machteloosheid van de wederpartij levert ook bedrog op(19) evenals het bemoeilijken van de wederpartij in zijn verdediging, het doen van leugenachtige beweringen of ontkenningen als ook het onder bepaalde omstandigheden zwijgen of misleiden(20).

2.6 Cleveringa meent dat wanneer een partij stilzwijgt over brieven, die gunstig zijn voor de tegenpartij, welke deze, hoewel zij ze bezit of althans kent of kan kennen, niet overlegt of waarvoor zij nalaat anderszins de aandacht te vragen, geen bedrog wordt gepleegd. Volgens Cleveringa wordt zijn zwijgen of stilzitten eerst tot bedrog, spreken of handelen wordt hem eerst tot plicht, waar het hem duidelijk is of moet zijn, dat de lijdelijkheid van zijn wederpartij slechts te wijten is aan materiële of processuele onwetendheid of wanneer hij in plaats van te verbeteren, ingaat op een gebleken vergissing(21).

2.7 Wanneer het bedrog reeds tijdens de procedure bij een redelijkerwijs van de bedrogene te verwachten onderzoek had kunnen worden ontdekt of een partij in de procedure heeft nagelaten gepleegd bedrog of door de tegenpartij gestelde feiten te ontzenuwen dan wel heeft nagelaten verweer te voeren door een omstandigheid die voor haar eigen rekening komt, is van bedrog in de zin van art. 382 onder a Rv. geen sprake(22).

2.8 De uitspraak waarvan herroeping wordt gevorderd moet berusten op bedrog, dat na de uitspraak wordt ontdekt. Het vereiste dat bedrog in het geding is gepleegd wordt ruim uitgelegd. Niet nodig is dat het bedrog in de eigenlijke proceshandelingen is gepleegd. Ook bedrog in de correspondentie tussen partijen en hun advocaten kan daaronder begrepen zijn(23).

2.9 Het bedrog moet voorts door de wederpartij zijn gepleegd. Hoewel ook het begrip "wederpartij" ruim wordt opgevat, sluit dit vereiste uit dat een eiser herroeping zou kunnen vorderen op de grond dat een van zijn medestanders in het oorspronkelijke geding destijds daarin bedrog zou hebben gepleegd(24). De vordering tot herroeping strekt er niet toe eigen processuele fouten te herstellen en kan aldus geen verkapt appel zijn(25).

Achterhouden van stukken

2.10 Anders dan bij bedrog, behoeft de onder art. 382 sub c Rv. opgenomen grond geen bedrieglijk karakter te hebben. Het achterhouden van stukken heeft een zelfstandige betekenis en onderscheidt zich in die zin van bedrog(26). Voor deze grond is niet vereist dat de wederpartij ook onderkende dat de stukken van belang waren en relevant waren voor de beoordeling van het geschil. Voldoende is dat de wederpartij over deze stukken beschikt en dat zij had moeten begrijpen dat deze stukken wel een rol zouden kunnen spelen(27).

2.11 Evenals bij bedrog geldt dat herroeping slechts toewijsbaar is als het in het geding ontbreken van een beslissend stuk is veroorzaakt door toedoen van de wederpartij, niet indien dit aan een eigen fout te wijten is of aan die van een derde. Vereist is dat de stukken zijn achtergehouden. Daarvan is geen sprake als tijdens het geding melding van het stuk is gemaakt of zelfs al dan niet gedeeltelijk is overgelegd(28) en evenmin als de mogelijkheid deze op te vragen achterwege is gelaten(29).

2.12 Ook als het gedurende de procedure voldoende mogelijk is geweest om zelf de stukken in het geding te brengen(30) of de wederpartij om overlegging van de originele stukken te vragen en zonodig tot overlegging te sommeren(31), maar die gelegenheid niet is benut, kan herroeping wegens het achterhouden van stukken van beslissende aard niet worden toegewezen(32).

2.13 De stukken moeten van beslissende aard zijn, hetgeen betekent dat een vordering tot herroeping slechts zal slagen, in het geval dat indien het stuk wel was overgelegd de rechter tot een andere uitspraak zou zijn gekomen(33).

De middelen

2.14 Middel I is gericht tegen rechtsoverweging 3.3 in samenhang met rechtsoverweging 3.4 van het arrest, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

"3.3 Dit betoog stuit reeds af op de omstandigheid dat uit de enkele mededeling in genoemde brief van 2 november 1992 van [betrokkene 1] - die de koopovereenkomst betreffende de woning als echtgenoot van [eiseres] mede heeft ondertekend - dat hij iedere vorm en/of mate van aansprakelijkheid ten aanzien van een lekkage bestrijdt, niet kan worden afgeleid dat hij [eiseres] niet in kennis zal stellen van aan hem gerichte correspondentie inzake (eventuele) nader aan het licht komende gebreken. Bovendien wordt de klacht getroffen door hetgeen het hof in meergenoemd arrest in 5.6 heeft overwogen met betrekking tot het door [eiseres] ook in hoger beroep opgevoerde beroep op verjaring, waarop in 3.4 wordt ingegaan.

3.4 Ook de tweede klacht van [eiseres], die erop neerkomt dat [verweerder] c.s. uit latere brieven van [betrokkene 1] van 10 februari en 25 maart 1995 hebben moeten afleiden dat zij zich inzake gebreken aan de woning voor 6 augustus 1995 tot haar, [eiseres], dienden te richten, stuit af op hetgeen hof in genoemde rechtsoverweging 5.6 heeft overwogen, te weten dat zij de schijn heeft gewekt dat [betrokkene 1] haar gemachtigde was en [verweerder] c.s. er in redelijkheid vanuit mochten gaan dat aan hem te dezen volmacht was verleend om namens haar op te treden. Er bestaat dan ook geen grond om aan te nemen dat de uitspraken berusten op bedrog van [verweerder] c.s. of dat [eiseres] eerst na de uitspraken stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van [verweerder] c.s. waren achtergehouden."

2.15 Onderdeel 1 betoogt dat het hof in rechtsoverweging 3.3 uit de ondertekening door [betrokkene 1] van de koopovereenkomst ten onrechte een verplichting van hem heeft afgeleid om [eiseres] in kennis te stellen van aan hem gerichte correspondentie, zonder daarbij in te gaan op de in de stukken omschreven wettelijke verplichting dat [betrokkene 1] aan [eiseres] toestemming verleent het gebruik van de door [eiseres] en [betrokkene 1] samen bewoonde woning te beëindigen in de zin van art. 1:88 BW.

2.16 Het betoog dat het hof in rechtsoverweging 3.3 laat afstuiten zijn de in rechtsoverweging 3.2 opgenomen stellingen van [eiseres] dat zij niet op de hoogte was van de correspondentie die aan [betrokkene 1] was gericht en [verweerder] c.s. uit de brief van [betrokkene 1] van 2 november 1992 dat hij geen aansprakelijkheid aanvaardt voor een door hen geconstateerde lekkage in de boiler van de woning, hadden dienen te begrijpen dat zij zich ook met betrekking tot de nadien geconstateerde problemen met de open haard rechtstreeks tot [eiseres] dienden te richten.

2.17 Het hof verwerpt dit betoog vervolgens op twee gronden.

De eerste grond is dat uit de brief van 2 november 1992 van [betrokkene 1] aan [verweerders] niet kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] [eiseres] niet in kennis zal stellen van aan hem gerichte correspondentie inzake gebreken aan de woning(34).

2.18 In deze als productie 1 bij de inleidende dagvaarding gevoegde brief heeft [betrokkene 1] in de tiende alinea het volgende geschreven:

"Zuiver formeel bestrijd ik iedere vorm en/of mate van aansprakelijkheid voor de door U gesignaleerde situatie."

2.19 Het oordeel van het hof dat uit deze enkele mededeling niet kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] [eiseres] niet in kennis zal stellen van aan hem gerichte correspondentie inzake (eventuele) nader aan het licht komende gebreken, is volstrekt begrijpelijk.

2.20 Onderdeel 1, dat tot uitgangspunt neemt dat het hof zijn oordeel baseert op de medeondertekening door [betrokkene 1] als echtgenoot van [eiseres] van de koopovereenkomst, gaat uit van een onjuiste lezing van de rechtsoverweging van het hof en faalt mitsdien.

2.21 Volgens onderdeel 2 heeft het hof miskend dat die "enkele mededeling" uit alinea 10 van de brief van 2 november 1992 van [betrokkene 1] aan [verweerders] zijn oorsprong vindt in de twee daaraan voorafgaande alinea's, waarin wordt verwezen naar de telefoongesprekken van [betrokkene 1] en diens makelaar met [verweerders] en hun makelaar, waarin duidelijk is vermeld dat [verweerders] bij verkoopster [eiseres] moet zijn met klachten over de woning.

2.22 In de twee aan de tiende alinea van de brief van 2 november 1992 voorafgaande alinea's heeft [betrokkene 1] het volgende geschreven:

"Op 9.10.1992 omstreeks 20.00 u bevestigde U mij telefonisch het lekkageverhaal van Uw echtgenote waarbij U dat een "verborgen gebrek" noemde. Op 10.10.1992 omstreeks 8.30 u heb ik mijn makelaar mijn visie op het lekkage-verhaal medegedeeld en hij heeft mij toegezegd Uw makelaar zodra hij die bereiken kon mijn reactie mede te delen. (Hetgeen ook gebeurd is.)

Op de speculaties en getrokken conclusies in de alinea die begint onderaan blad 1 en eindigt bovenaan blad 2 zal ik niet ingaan omdat ik dat gezien het bovenstaande niet relevant acht.

Ik zie geen enkele reden om op Uw verzoek - om iets bij te dragen in de voor U ontstane kosten - geno[e]md in de laatste alinea van Uw brief in te gaan"

2.23 Het in deze alinea's gestelde doet m.i. niets af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof.

Dat geldt ook voor de in het middelonderdeel aangeduide derde alinea van de in het materiële geschil inleidende dagvaarding onder 3, waarin [verweerder] c.s. stellen dat zij [betrokkene 1] hebben aangeschreven voor stookinstructies en hem om een oplossing hebben gevraagd voor de niet goed werkende haard.

2.24 Het tweede middel is gericht tegen de slotzin van rechtsoverweging 3.3, waarin het hof heeft overwogen dat de klacht van [eiseres] bovendien wordt getroffen door rechtsoverweging 5.6 van het arrest van het hof in de procedure met rolnummer 446/00, de tweede grond dus voor verwerping van het in rechtsoverweging 3.2 opgenomen betoog van [eiseres].

In de desbetreffende rechtsoverweging heeft het hof als volgt geoordeeld:

"5.6 De stelling van [eiseres], dat eventuele stuitingshandelingen jegens [betrokkene 1] niet zijn aan te merken als stuitingshandelingen jegens haar, gaat niet op. [eiseres] heeft zich er niet tegen verzet dat [betrokkene 1] te dezen namens haar optrad. Dat geldt niet alleen voor de beantwoording van de brieven van [verweerders] die aan [betrokkene 1] waren gericht, maar ook voor de brieven van mr. Van Hees die aan [eiseres en betrokkene 1] waren geadresseerd. Door [betrokkene 1] aldus namens haar te laten optreden, heeft [eiseres] de schijn gewekt dat [betrokkene 1] haar gemachtigde was. [Verweerder] mocht er in redelijkheid van uitgaan dat aan [betrokkene 1] te dezen inderdaad volmacht was verleend. Op een eventueel ontbreken van volmacht kan [eiseres] zich onder die omstandigheden tegenover [verweerders] niet beroepen."

2.25 Het middel betoogt dat de omstandigheid dat [verweerder] c.s. bij [betrokkene 1] klagen, ondanks hun wetenschap dat zij bij [eiseres] moeten zijn, op geen enkele wijze gerelateerd kan worden aan rechtsoverweging 5.6. nu de brieven van mr. Van Hees nog niet waren geschreven en omdat nergens uit blijkt dat [eiseres] weet had van problemen met de open haard.

2.26 De klacht kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, nu het hof zijn oordeel heeft doen gronden op twee pijlers en de eerste pijler in het eerste middel vergeefs wordt aangevallen.

2.27 Voorzover het middel daarnaast beoogt te klagen dat het hof heeft miskend dat [verweerder] c.s. bedrog in het geding hebben gepleegd als bedoeld in art. 382 sub a Rv., voldoet het middel niet aan de daaraan te stellen eisen (art. 407 lid 2 Rv.), nu niet wordt aangegeven tegen welk oordeel de klacht zich richt en evenmin waarom dat oordeel onjuist of onbegrijpelijk zou zijn.

Overigens is de stelling dat [verweerder] c.s. (ook) met de brief van 7 december 1992 en/of die van 16 januari 1993(35) bedrog in het geding hebben gepleegd niet eerder in de herroepingsprocedure aan de orde gekomen, zodat de klacht een ontoelaatbaar feitelijk novum bevat.

2.28 Middel III klaagt in onderdeel 1 dat het hof in rechtsoverweging 3.4 voorbij is gegaan aan de inhoud van de achtergehouden brieven van 10 februari en 25 maart 1995.

2.29 De klacht faalt. Met het oordeel dat hetgeen [verweerder] c.s. uit deze brieven volgens [eiseres] hadden moeten begrijpen, afstuit op de eerder genoemde rechtsoverweging 5.6 heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de inhoud van de brieven van 10 februari en 25 maart 1995 niet afdoet aan het optreden van de echtgenoot van [eiseres], die daarmee aldus de schijn heeft gewekt voor haar op te treden in verband met de problemen met de open haard. Het hof is dus niet voorbijgegaan aan de inhoud van de brieven van 10 februari en 25 maart 1995.

2.30 Voor het overige lees ik in onderdeel 1 geen klacht die aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. voldoet.

De laatste alinea van onderdeel 1 behelst uitsluitend een stellingname.

Dit geldt tevens voor onderdeel 2 van middel III.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie voor de feiten in de procedure voorafgaande aan de herroepingsprocedure het vonnis van de arrondissementsrechtbank Utrecht van 9 juli 1997 onder 2.1 t/m 2.9 en het arrest van het hof Amsterdam van 7 december 2000 onder 5.2. Het B-dossier bevat uitsluitend de herroepingsprocedure.

2 HR 15 maart 2002, C01/102HR, LJN: AD8187. De processtukken van de cassatieprocedure bevinden zich niet in de procesdossiers.

3 In cassatie gaat het nog om de brieven van 2 november 1992, 10 februari 1995 en 25 maart 1995 van [betrokkene 1] aan [verweerders] (producties 1, 5 en 6 bij de dagvaarding) en de achterzijde van een briefkaart van 29 maart 1993 van [betrokkene 1] aan ARAG (productie 3 bij de dagvaarding).

4 De cassatiedagvaarding is op 10 juni 2004 uitgebracht.

5 Deze repliek bevindt zich niet in het B-dossier.

6 Zie HR 19 december 2003, NJ 2005, 181 m.nt. HJS (rov. 3.3 en 3.4) en de daaraan voorafgaande conclusie onder 2.10-2.18 alsmede Th.B. ten Kate en M.M. Korsten-Krijnen, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken (art. 382-393, 31 en 32 Rv), 2005, p. 145.

7 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 172.

8 F.F. Langemeijer, Het recht van de Zonnekoning, in: Het rekest-civiel herroepen, 2001, p. 12.

9 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 172.

10 Van Rossem-Cleveringa I, 4e druk, 1972, art. 382 Rv, aant. 5.

11 Th.B. ten Kate, Het request-civiel, prft. Leiden, 1962, p. 201.

12 HR 4 oktober 1996, NJ 1998, 45, m.nt. HJS onder NJ 1998, 46 (Goosen/Goosen), rov. 3.3. Zie ook HR 19 december 2003, NJ 2005, 181 m.nt. HJS.

13 Snijders in zijn noot onder HR 13 december 1996, NJ 1998, 46; zie voorts zijn noot onder HR 19 december 2003, NJ 2005, 181. Zie ook M.I.W.E. Hillen-Muns en M.P.J. Ruijpers, Request-civiel: een buitengewoon rechtsmiddel nieuw leven ingeblazen?, TCR 1997, afl. 1, p. 2; Eerste Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 26 855, nr. 16, p. 22.

14 W.A.J.P. van den Reek, Mededelingsplichten in het burgerlijk procesrecht, 1997, p. 14 en 197; B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen, 2004, p. 24-27; Reeds eerder in algemene zin Ten Kate, a.w., p. 204-205.

15 Van den Reek, a.w., p. 188.

16 R.P. Cleveringa, De gronden voor requeste-civiel, in: Rechtskundige opstellen (Meijers-bundel), p. 185; Ten Kate, a.w., p. 204-207.

17 Ten Kate/Korsten-Krijnen, a.w., p. 56-57.

18 HR 19 december 2003, NJ 2005, 181, m.nt. HJS; anders HR 5 november 1993, NJ 1994, 154, m.nt. PAS.

19 HR 17 november 1950, NJ 1951, 604, m.nt. DJV.

20 HR 27 november 1953, NJ 1955, 396, m.nt. DJV; Rb. Den Haag 4 maart 1968, NJ 1968, 432; Ktg. Haarlem 25 september 2003, NJ 2003, 340. Anders: Gem. Hof NA en Aruba 22 februari 2000, NJ 2000, 424.

21 Cleveringa, t.a.p., p. 185-186.

22 HR 20 juni 2003, NJ 2004, 569, m.nt. HJS, rov. 5.6 en 5.7 (arbitraal geding); Ten Kate/Korsten-Krijnen, a.w., p. 44-45; Hillen-Muns/Ruijpers, t.a.p., p. 3.

23 HR 27 november 1953, NJ 1955, 396; Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 172; Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Korthals Altes, art. 382, aant. 18.

24 Ten Kate/Korsten-Krijnen, a.w., p. 65; Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Korthals Altes, art. 382, aant. 11.

25 Ten Kate, a.w., p. 210; Langemeijer, t.a.p., p. 13; Ktg. Lelystad 9 oktober 2002, NJ 2002, 594.

26 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 172.

27 Ten Kate/Korsten-Krijnen, a.w., p. 91.

28 Cleveringa, t.a.p., p. 192-193.

29 Ten Kate, a.w., p. 274-275.

30 Vgl. HR 28 mei 1982, NJ 1982, 403 (arbitraal geding).

31 Cleveringa, t.a.p., p. 192; Hof Arnhem 8 maart 1972, NJ 1972, 429.

32 Ten Kate, a.w., p. 274; Van Rossem-Cleveringa, art. 382 Rv, aant. 10; Ten Kate/Korsten-Krijnen, a.w., p. 92; Burgerlijke Rechtsvordering, Korthals Altes, art. 382, aant. 24. Vgl. HR 18 februari 1972, NJ 1972, 172.

33 Cleveringa, t.a.p., p. 193; Van Rossem-Cleveringa, art. 383, aant. 10; Ten Kate, a.w., p. 362; Ten Kate/Korsten-Krijnen, a.w., p. 90; Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Korthals Altes, art. 382, aant. 24.

34 De tweede grond wordt door het tweede middel aangevallen en wordt besproken onder 2.24.

35 Deze brief is overgelegd als productie 3 bij de conclusie van antwoord en als productie 3 bij de conclusie van repliek.