Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT6014

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2005
Datum publicatie
17-10-2005
Zaaknummer
C04/177HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT6014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak, woonhuisverzekering, schade aan kippenschuur na instorting van het dak dat is bezweken als gevolg van daarop gelegen sneeuwmassa, een door de verzekering als “neerslag” gedekte gebeurtenis?, uitleg van betrokken polisvoorwaarden, Haviltexcriterium, motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 571
NJ 2006, 117
JWB 2005/359
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C04/177HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 20 mei 2005

conclusie inzake

Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.

tegen

[verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de uitleg van op de dekkingsomvang betrekking hebbende polisvoorwaarden van een opstalverzekering.

2. De feiten waarvan in cassatie uitgegaan dient te worden, treft men aan in r.o. 1.1 t/m 1.6 van het vonnis van de rechtbank (zie r.o. 3 van het arrest van het hof). Zij komen op het volgende neer.

(i) Op 4 februari 2001 is schade ontstaan aan een onroerende zaak van thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], te weten een kippenschuur gelegen aan de [a-straat] nr. [1] te [plaats]. Door hevige sneeuwval, regen en ijzel is deze onroerende zaak ingestort terwijl zich daarin op dat moment ca. 30.000 slachtkuikens bevonden.

(ii) [Verweerder] heeft bij thans eiseres tot cassatie, hierna: Delta Lloyd, een woonhuisverzekering met uitgebreide dekking voor onder andere deze kippenschuur afgesloten onder polisnummer [0001]. In de op de verzekering van de kippenschuur van toepassing zijnde polisvoorwaarden model B 03.2.05 G komen, voor zover van belang, de volgende bepalingen voor:

"Artikel 2 Omvang van de dekking

1. Schade aan het woonhuis

De verzekering geeft recht op een vergoeding voor materiële schade aan het woonhuis, ontstaan door een hierna vermelde gedekte gebeurtenis, ook als deze gebeurtenis het gevolg is van een eigen gebrek. (...).

2. Gedekte gebeurtenissen

(...)

12. Neerslag

Schade als gevolg van het woonhuis binnengedrongen neerslag.

Van deze dekking is uitgesloten:

- schade ontstaan door neerslag die is binnengedrongen via openstaande ramen, luiken of deuren;

- vocht- en waterdoorlating van muren of vloeren;

- reparatiekosten van daken, dakgoten en afvoerpijpen;

- neerslagschade die het gevolg is van slecht onderhoud of een constructiefout (...)."

(iii) Op 5 februari 2001 heeft [verweerder] de schade aan de kippenschuur gemeld aan zijn assurantietussenpersoon [A] B.V., hierna: [A].

(iv) Op 15 februari 2001 is door [B] met betrekking tot de schade aan de kippenschuur een rapport van expertise uitgebracht met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

"EVENEMENT

Op zondag 4 februari 2001 omstreeks 17.00 uur is het voorste deel van de schuur volledig ingestort. Een half uur later volgde het achterste deel. (...). Alle ruim 30.000 dieren kwamen om. De schuur liep zeer zware schade op.

SCHADE OORZAAK

Wij hadden een uitgebreid onderhoud met de verzekerde die ons desgevraagd meedeelde, dat de schuur was bezweken onder druk van de neerslag op het dak. Volgens hem lag er ten tijde van het evenement circa 21 centimeter sneeuw op het dak en is de instorting begonnen nadat het begon te regenen en te ijselen. De stalen vakwerk spantconstructie heeft de druk op het dak niet kunnen weerstaan. Wij zijn nog in afwachting van de rapportage van bureau Biesboer (...). Vooralsnog wijst niets op een andere oorzaak dan hiervoor omschreven. (...)."

(iv) Bij brief d.d. 21 februari 2001 heeft Delta Lloyd aan de raadsman van [verweerder], voor zover van belang, het volgende bericht:

"Uit de gegevens van de expert (...) blijkt dat er sprake is van schade ontstaan door sneeuwdruk. Onder de gedekte gebeurtenissen is deze schade-oorzaak niet terug te vinden, noch te herleiden."

(v) Op 6 maart 2001 heeft [C] B.V. gerapporteerd naar aanleiding van de door haar op 8 februari 2001 in verband met de instorting van de kippenschuur verrichte expertise. Dit rapport vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

"3. Samenvatting en conclusie

Gezien het vorenstaande kan als resultaat van de ingestelde technische expertise, daarbij gelet op de gedane mededelingen en de inhoud van de afgelegde verklaring, worden gesteld dat:

- op zondag 4 februari 2001 omstreeks 16.45 kort na elkaar de daken van een tweetal pluimveeschuren zijn ingestort;

- er geen bouwkundige gebreken zijn geconstateerd welke deze instortingen kan verklaren;

- op het moment van de schade er op de daken van de schuren een dikke sneeuwlaag heeft gelegen en voorts dat het inmiddels enkele uren ijzelde.

Resumerend moet dan ook worden gesteld dat deze dakinstortingen vrijwel zeker is veroorzaakt doordat de daken zijn bezweken onder het gewicht van de sneeuwlaag in combinatie met de ijzel. Deze sneeuw is door de ijzel een min of meer massieve laag met een aanzienlijk gewicht geworden.

Voorts kan worden gesteld dat het grootste deel van de slachtkuikens na de dakinstorting vrijwel zeker zijn overleden als gevolg van de sterke temperatuur daling. (...)."

3. Bij exploit van 24 juli 2001 heeft [verweerder] Delta Lloyd gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Delta Lloyd, gezien de van toepassing zijnde verzekeringsverhouding tussen Delta Lloyd en [verweerder], gehouden is dekking te verlenen voor de schade welke [verweerder] op 4 februari 2001 heeft geleden. [Verweerder] heeft daartoe gesteld dat de door hem geleden schade door Delta Lloyd dient te worden vergoed omdat de schade is ontstaan door een door de verzekering gedekte gebeurtenis, te weten "Neerslag".

4. Delta Lloyd heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Zij betwist dat de schade is ontstaan door een door de verzekering gedekte gebeurtenis en heeft daartoe gesteld dat sneeuw, regen en ijzel weliswaar zijn aan te merken als "Neerslag" in de zin van de polis, maar dat de schade niet is ontstaan "als gevolg van het woonhuis binnengedrongen neerslag". Oorzaak was dat het dak onder de zware laag sneeuw, ijzel en regen is bezweken en dit geschiedde voordat de neerslag het pand binnendrong. De schade aan het dak en de rest van de opstal was daarom reeds ontstaan voordat de neerslag de kippenschuur binnendrong en is daarom geen gevolg van binnengedrongen neerslag, aldus Delta Lloyd.

5. De rechtbank heeft bij vonnis van 11 september 2002 de vordering van [verweerder] toegewezen. Zij overwoog daartoe - kort gezegd - dat, gelet ook op de strekking van een verzekering als de onderhavige, [verweerder] art. 2.2.12 van de polisvoorwaarden redelijkerwijs zo heeft mogen opvatten dat daaronder alle schade aan een opstal valt voor zover die wordt veroorzaakt door onvoorziene, van buiten komende en negatieve bijwerkingen van neerslag (r.o. 3.3).

6. Delta Lloyd is van het vonnis van de rechtbank onder aanvoering van vier grieven in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam, doch tevergeefs: bij arrest van 26 februari 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

7. Met betrekking tot de grieven 1 en 2, waarmee Delta Lloyd zich beklaagde over de door de rechtbank aan art. 2.2.12 van de polisvoorwaarden gegeven uitleg, overwoog het hof:

"4.4 Het hof begrijpt dat [verweerder] op Delta Lloyd de schade wil verhalen die bestaat uit de kosten van herstel van het ingestorte dak. Het gaat niet om de schade die zich na de instorting van het dak heeft voorgedaan als gevolg van het naar beneden vallen van sneeuw, ijzel en regen.

4.5 Of het evenement door de polis is gedekt moet worden bepaald door uitleg van de van belang zijnde polisvoorwaarden. Zulks dient te geschieden met gebruikmaking van het zogenaamde Haviltexcriterium. Voorts verdient opmerking dat beide partijen ervan uitgaan dat partijen de hoedanigheden bezitten die toepassing van 6:238, tweede lid, BW mogelijk maakt en dat Delta Lloyd derhalve is aan te merken als een professionele gebruiker van de polisvoorwaarden en [verweerder] als een partij die te vergelijken is met een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Gevolg daarvan is dat - gezien de datum waarop de verzekeringsovereenkomst is gesloten - in ieder geval als gezichtspunt geldt dat ten aanzien van de polisvoorwaarden de eis mag worden gesteld dat de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld en dat bij twijfel over de betekenis van een beding de voor [verweerder] gunstigste uitleg prevaleert."

Naar het oordeel van het hof zijn bij de uitleg voorts de volgende omstandigheden van belang (r.o. 4.6):

"- onmiskenbaar is dat het samenpakken of het zich opstapelen van sneeuw, ijzel en regen (alle vallend onder de benaming: neerslag) de reden zijn geweest dat het dak van de schuur is ingestort, met alle daaruit voor [verweerder] ontstane schade. Op de vraag of in de polis neerslag als gedekt evenement staat omschreven luidt het antwoord bevestigend;

- vastgesteld moet worden dat de uitsluiting waarop Delta Lloyd zich beroept moet worden gevonden in de zin "Schade als gevolg van het woonhuis binnengedrongen neerslag" en derhalve niet in een van de expliciete uitsluitingen die onder het hoofdje "Neerslag" zijn vermeld;

- belangrijk is dat de verzekering door Delta Lloyd als een "uitgebreide opstalverzekering" wordt gepresenteerd. Door het gebruik van de woorden "uitgebreid" zal degene die van de polisvoorwaarden kennis neemt minder bedacht (behoeven te) zijn op uitsluitingen met betrekking tot zich in het normale leven voordoende evenementen en in ieder geval niet zonder meer bedacht hoeven te zijn op "verborgen" uitsluitingen in de positieve formulering van de dekking van de verzekering;

- belangrijk is voorts dat door de opname van dekking van buitengewone evenementen als vliegtuigongelukken (waaronder ook aanrakingen of botsingen met ruimtevaartuigen worden verstaan), vandalisme en rellen, zonder dat daarbij expliciete uitsluitingen zijn opgenomen, de indruk wordt gewekt dat de verzekering een ruime dekking biedt. De lezer van de polisvoorwaarden is hierdoor minder bedacht op impliciete uitsluitingen bij min of meer 'gewone' evenementen. Dit effect wordt nog versterkt door - kennisname van - de expliciete uitsluitingen in artikel 3 van de polis, waarin molest, aardbeving en vulkanisme en atoomreactie worden genoemd, alle als zeer buitenissig te beschouwen schade-oorzaken;

- het hof acht voorts van betekenis dat het evenement dat zich in de onderhavige zaak heeft voorgedaan (inzakking van een dak ten gevolge van - het gewicht van - neerslag in de vorm van sneeuw en ijzel) niet zo uitzonderlijk is dat aangenomen moet worden dat Delta Lloyd daarmee bij het opstellen van de polis geen rekening heeft kunnen houden. Het was, wanneer Delta Lloyd voor dergelijke evenementen geen dekking wilde bieden, eenvoudig geweest deze op duidelijke wijze van dekking uit te sluiten."

Op grond van deze omstandigheden, beschouwd in het licht van de in r.o. 4.5 genoemde uitgangspunten, is het hof tot het oordeel gekomen (r.o. 4.7)

"dat [verweerder] redelijkerwijze aan artikel 2.12 van de polisvoorwaarden de betekenis heeft mogen geven dat de schade, zoals deze zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan, door de verzekering was gedekt en dat Delta Lloyd er redelijkerwijs rekening mee heeft moeten houden dat een verzekerde als [verweerder] de polisvoorwaarden in deze zin zou begrijpen."

Volgens het hof kan aan dit oordeel niet afdoen het enkele gegeven dat [verweerder] de verzekering heeft afgesloten met behulp van een deskundige assurantietussenpersoon (r.o. 4.8), terwijl ook het beroep van Delta Lloyd op de zgn. causa proxima doctrine, die blijkens beslissingen van de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf heersend zou zijn in het verzekeringsrecht, Delta Lloyd niet kan baten; volgens het hof bieden die beslissingen, die zijn gedaan in een tuchtrechtelijke procedure, geen voldoende houvast bij de beantwoording van de vraag hoe in dit geval de geldende polisvoorwaarden moeten worden uitgelegd (r.o. 4.9).

8. Grief 3, waarmee Delta Lloyd betoogde dat, voor zover zij al gehouden is dekking te verlenen, de schade aan het dak ingevolge art. 2.1.12 (bedoeld is kennelijk art. 2.2.12) van de polisvoorwaarden in ieder geval niet is gedekt, verwierp het hof wegens gemis aan feitelijke grondslag, zulks omdat uit het beroepen vonnis niet kan worden opgemaakt dat de rechtbank iets anders voor ogen heeft gestaan dan een afwikkeling van de vordering van [verweerder] conform de polisvoorwaarden (r.o. 4.11).

9. Delta Lloyd is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel, dat door [verweerder] is bestreden met conclusie tot verwerping van het door Delta Lloyd ingestelde beroep. Voorts heeft [verweerder] van zijn kant incidenteel cassatieberoep ingesteld met een uit twee onderdelen opgebouwd middel, dat door Delta Lloyd is bestreden met conclusie tot verwerping van het incidenteel beroep.

10. De strekking van de in het incidenteel beroep aangevoerde klachten en de aard van de door deze klachten bestreden oordelen van het hof geven aanleiding eerst het incidenteel beroep te bespreken.

Het incidenteel beroep

11. Onderdeel 1 van het in het incidenteel beroep voorgestelde middel richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.4 - dat [verweerder] op Delta Lloyd de schade wil verhalen die bestaat uit de kosten van herstel van het ingestorte dak en dat het niet gaat om de schade die zich na de instorting van het dak heeft voorgedaan als gevolg van het naar beneden vallen van sneeuw, ijzel en regen. Volgens het onderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk, althans niet naar de eisen der wet gemotiveerd, nu uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid dat [verweerder] slechts uit is op het vergoed krijgen van de kosten van herstel van het ingestorte dak.

12. Het onderdeel is gegrond. [Verweerder] heeft bij de inleidende dagvaarding gevorderd een verklaring voor recht dat Delta Lloyd, gezien de van toepassing zijnde verzekeringsverhouding tussen Delta Lloyd en [verweerder], gehouden is dekking te verlenen voor de schade welke [verweerder] op 4 februari 2001 heeft geleden. Uit de gedingstukken van de eerste aanleg en van het hoger beroep blijkt niet dat [verweerder] enige beperking heeft aangebracht in de omvang van de schade waarop het door hen verlangde declaratoir betrekking heeft. Blijkens het debat in hoger beroep naar aanleiding van de derde grief van Delta Lloyd zijn partijen het erover eens dat, wanneer Delta Lloyd gehouden is dekking te verlenen, de vordering dan, wat de voor vergoeding in aanmerking komende schadeposten betreft, overeenkomstig de polisvoorwaarden afgewikkeld dient te worden (memorie van grieven, onder 20; memorie van antwoord, onder 17). Tegen deze achtergrond is zonder nader motivering, die ontbreekt, inderdaad niet begrijpelijk 's hofs oordeel dat [verweerder] op Delta Lloyd (slechts) de schade wil verhalen die bestaat uit de kosten van herstel van het ingestorte dak en dat het niet gaat om de schade die zich na de instorting van het dak heeft voorgedaan als gevolg van het naar beneden vallen van sneeuw, ijzel en regen.

13. Onderdeel 2 van het middel keert zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.11 - met betrekking tot de derde grief van Delta Lloyd. Het onderdeel betoogt dat, indien het oordeel van het hof zo dient te worden begrepen dat volgens het hof de rechtbank reeds heeft beslist dat in geval van instorten van een dak wegens neerslag ook de kosten van reparatie van het dak, dakgoten en afvoerpijpen van dekking zijn uitgesloten, dit oordeel niet naar de eisen der wet is gemotiveerd, nu een zodanige beslissing in het vonnis van de rechtbank niet voorkomt.

14. Het onderdeel berust m.i. op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft zich, evenmin als de rechtbank, uitgelaten over de vraag welke schadeposten wel en welke schadeposten niet onder de polis voor vergoeding in aanmerking komen, doch heeft slechts geoordeeld dat grief 3 ten onrechte ervan uitgaat dat de rechtbank zich met die vraag heeft ingelaten. Het onderdeel faalt derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

Het principaal beroep

15. Onderdeel I van het in het principaal beroep voorgestelde middel is gebaseerd op de uitleg die het hof in r.o. 4.4 aan de vordering van [verweerder] heeft gegeven en betoogt dat, uitgaande van deze uitleg, de verwerping door het hof - in r.o. 4.11 - van de derde grief van Delta Lloyd onbegrijpelijk is.

16. Het onderdeel moet wegens gebrek aan belang falen. Het oordeel van het hof in r.o. 4.4 met betrekking tot de strekking van de door [verweerder] ingestelde vordering is in het incidenteel beroep doeltreffend bestreden, zodat dat oordeel in cassatie geen stand kan houden en het uitgangspunt waarop het onderdeel is gebaseerd, daaraan ontvalt.

17. Onderdeel II van het middel is opgebouwd uit een aantal subonderdelen en neemt stelling tegen de uitleg die het hof in r.o. 4.5 t/m 4.10 heeft gegeven aan art. 2.2.12 van de polisvoorwaarden.

18. Subonderdeel II.a berust op hetzelfde uitgangspunt als onderdeel I en kan om dezelfde redenen als dit onderdeel niet tot cassatie leiden.

19. Subonderdeel II.b bestrijdt met een zevental klachten (onder (i) t/m (vii)) de juistheid en motivering van 's hofs uitleg van art. 2.2.12 van de polisvoorwaarden.

20. De klacht onder (i) komt op tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.5 - dat beide partijen ervan uitgaan dat partijen de hoedanigheden bezitten die toepassing van 6:238, tweede lid, BW (de zgn. contra proferentem-regel) mogelijk maakt. Geklaagd wordt in de eerste plaats dat 's hofs oordeel over de hoedanigheid van partijen in het licht van het partijdebat onjuist en/of zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, nu Delta Lloyd nimmer het standpunt heeft ingenomen dat [verweerder] als een niet-professionele verzekerde dient te worden aangemerkt. In de tweede plaats wordt geklaagd dat van uitleg "contra proferentem" in ieder geval geen sprake kan zijn nu de desbetreffende polisvoorwaarde volstrekt duidelijk is, de "contra proferentem"-uitleg slechts een gezichtspunt en geen bindende regel vormt, aan [verweerder] de deskundigheid van de professionele tussenpersoon die hem terzijde heeft gestaan moet worden toegerekend, en de aard van het verzekerde object er niet op wijst dat [verweerder] een "consument"-verzekerde zou zijn.

21. De eerstbedoelde klacht faalt. Het hof heeft kennelijk op grond van de - tussen partijen niet omstreden - aard van de verzekering (een opstalverzekering met betrekking tot een woonhuis met bijbehorende schuur) en op grond van de omstandigheid dat tussen partijen evenmin is omstreden dat het woonhuis door [verweerder] met zijn gezin wordt bewoont terwijl de schuur niet door [verweerder] zelf werd gebruikt doch was verhuurd aan een derde (rapport [B], blz. 2), geoordeeld dat beide partijen ervan zijn uitgegaan dat [verweerder] is aan te merken als een partij die te vergelijken is met een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en kan, feitelijk als het is, in cassatie verder niet worden getoetst.

22. Ook de laatstbedoelde klacht kan geen doel treffen.

23. Voor zover de klacht berust op de stelling dat de betrokken polisvoorwaarde volstrekt duidelijk is, mist zij feitelijke grondslag. Het hof heeft, blijkens r.o. 4.5, kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de polisvoorwaarde niet duidelijk en begrijpelijk is opgesteld.

24. Voor zover de klacht het hof verwijt te hebben miskend dat de "contra proferentem"-uitleg slechts een gezichtspunt en geen bindende regel vormt, mist zij eveneens feitelijke grondslag. Het hof heeft overwogen dat - gezien de datum waarop de verzekeringsovereenkomst is gesloten - in ieder geval als gezichtspunt geldt dat ten aanzien van de polisvoorwaarden de eis mag worden gesteld dat de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld en dat bij twijfel over de betekenis van een beding de voor [verweerder] gunstigste uitleg prevaleert. Hieruit volgt dat het hof de "contra proferentem"-uitleg slechts (in overeenstemming met vaste rechtspraak; zie HR 28 april 1989, NJ 1990, 583 nt. MMM, HR 24 september 1993, NJ 1993, 760, HR 12 januari 1996, NJ 1996, 683 nt. MMM en HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 258 nt. MMM) als gezichtspunt is aanmerking heeft genomen en met de woorden "in ieder geval" slechts tot uitdrukking heeft willen brengen dat verder in het midden kan worden gelaten of de implementatie van art. 5 van de Richtlijn nr. 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, PbEG L95/29, in art. 6:238 lid 2 BW meebrengt dat de "contra proferentem"-uitleg voor de daardoor bestreken overeenkomsten een zwaarder accent heeft gekregen en eerder het karakter van een (vuist)regel heeft gekregen. Zie daarover J. Hijma, Uitleg contra proferentem, in: T. Hartlief en C.J.J.M. Stolker, red., Contractvrijheid, 1999, blz. 461 e.v. Zie in dit verband ook HvJEG 10 mei 2001, zk C-144/99 (Commissie/Nederland), Jur. 2001, p. I-03541.

25. Voor zover de klacht het hof verwijt te hebben miskend dat aan [verweerder] de deskundigheid van de professionele tussenpersoon die hem terzijde heeft gestaan moet worden toegerekend, is de klacht ongegrond. In r.o. 4.8 heeft het hof overwogen dat het enkele gegeven dat in het onderhavige geval [verweerder] de verzekering heeft afgesloten met behulp van een deskundige assurantietussenpersoon aan het vorenoverwogene niet kan afdoen. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat naar zijn oordeel de bedoelde omstandigheid op zichzelf ("het enkele gegeven") niet voldoende is om af te zien van het doen prevaleren van de voor [verweerder] gunstigste uitleg van het beding. Dit oordeel, dat berust op een afweging van deze omstandigheid tegen de andere relevante omstandigheden bij de beoordeling van de vraag of gekozen dient te worden voor de uitleg die het minst bezwarend is voor de niet professionele verzekerde, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 28 april 1989, NJ 1990, 583 nt. MMM) en kan, verweven met feitelijke waarderingen als het is, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd, nu uit de gedingstukken niet blijkt dat Delta Lloyd heeft gesteld dat de assurantiepersoon [verweerder] zodanig over de inhoud van de polisvoorwaarden heeft ingelicht of had behoren in te lichten dat [verweerder] had moeten begrijpen dat het onderhavige evenement buiten de dekking valt. Vgl. HR 10 december 1993, NJ 1994, 686.

26. Voor zover de klacht berust op de stelling dat de aard van het verzekerde object er niet op wijst dat [verweerder] een "consument"-verzekerde zou zijn, strandt zij op dezelfde grond als waarop de eerstbedoelde klacht onder (i) moet stranden.

27. De klacht onder (ii) betoogt dat het hof met zijn oordeel - in r.o. 4.6, 5e gedachtestreepje - dat, wanneer Delta Lloyd voor een evenement als zich in de onderhavige zaak heeft voorgedaan geen dekking wilde bieden, het eenvoudig was geweest deze op duidelijke wijze van dekking uit te sluiten, heeft miskend dat het opnemen van een (expliciete) uitsluiting in de polisvoorwaarden alleen zin heeft, indien de verzekeraar een evenement wenst uit te sluiten dat als zodanig (wel) onder de dekkingsomvang valt. Daarvan is bij de schade als door [verweerder] geleden evenwel geen sprake, aldus de klacht.

28. De klacht is ongegrond. Zij ziet eraan voorbij dat het hof kennelijk - gezien ook zijn overweging in r.o. 4.6, 3e gedachtestreepje - heeft aangenomen dat een verzekerde als [verweerder] heeft mogen begrijpen dat een evenement als het onderhavige als zodanig juist wél onder de dekkingomvang van de door Delta Lloyd als "uitgebreide opstalverzekering" gepresenteerde verzekering valt en dat daarom een duidelijke uitsluiting op haar plaats was geweest.

29. De klacht onder (iii) komt op tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.6, 3e gedachtestreepje - dat door de wijze van presentatie van de verzekering door Delta Lloyd als "uitgebreide opstalverzekering" degene die van de polisvoorwaarden kennis neemt minder bedacht zal (behoeven te) zijn op uitsluitingen met betrekking tot zich in het normale leven voordoende evenementen en in ieder geval niet zonder meer bedacht zal behoeven te zijn op "verborgen" uitsluitingen in de positieve formulering van de dekking van de verzekering. Met dit oordeel zou het hof het (verzekeringstechnische) onderscheid tussen een "uitgebreide" en een "all risk"-opstalverzekering hebben miskend.

30. De klacht faalt. Uit de bestreden overweging blijkt niet dat het hof het (verzekeringstechnische) onderscheid tussen "uitgebreid" en "all risk" zou hebben miskend. De overweging heeft slechts de strekking tot uitdrukking te brengen welk effect de wijze van presentatie van een opstalverzekering als een "uitgebreide opstalverzekering" heeft op de betekenis die een niet professionele verzekeringnemer aan de polisvoorwaarden inzake dekkingsomvang en uitsluitingen zal toekennen en dat dit een omstandigheid is dat bij de uitleg van het onderhavige polisbeding in de afweging betrokken dient te worden.

31. De klacht onder (iv) tegen hetgeen het hof in r.o. 4.6, 4e gedachtestreepje, heeft overwogen, strandt op dezelfde gronden als de klacht onder (iii). De overweging heeft slechts de strekking tot uitdrukking te brengen welk effect het opnemen van dekking van buitengewone evenementen heeft op de betekenis die een niet professionele verzekeringnemer aan de polisvoorwaarden inzake de dekking en uitsluitingen ten aanzien van min of meer "gewone" evenementen zal toekennen, ongeacht welke "actuarische" argumenten er voor de verzekeraar kunnen bestaan om sommige buitengewone evenementen wel en andere niet onder de dekkingsomschrijving op te nemen.

32. De klacht onder (v) faalt op de gronden die reeds hierboven onder 25 zijn uiteengezet bij de bespreking van de klacht onder (i).

33. De klacht onder (vi) is gericht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.9 - dat het beroep van Delta Lloyd op de zgn. causa proxima-doctrine, die blijkens beslissingen van de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf heersend zou zijn in het verzekeringsrecht, Delta Lloyd niet kan baten, zulks op grond van de overweging dat die beslissingen, die zijn gedaan in een tuchtrechtelijke procedure, geen voldoende houvast bieden bij de beantwoording van de vraag hoe in dit geval de geldende polisvoorwaarden moeten worden uitgelegd. De klacht houdt - kort gezegd - in dat het hof heeft miskend dat bij de uitleg van de rechtsverhouding tussen verzekeraar en verzekerde rekening moet worden gehouden met de hier te lande levende rechtsovertuiging en dat deze rechtsovertuiging met name ook tot uitdrukking komt in de uitspraken van genoemde Raad van Toezicht, zodat het hof niet, althans niet zonder nadere motivering, aan het - als essentiële stelling aan te merken - beroep van Delta Lloyd daarop voorbij had mogen gaan.

34. De klacht acht ik niet aannemelijk. Het bestreden oordeel van het hof komt erop neer dat de omstandigheid dat uit uitspraken van de Raad van Toezicht zou blijken dat in het verzekeringsrecht de zgn. causa promixima-doctrine heersend is, weinig gewicht in de schaal legt bij de beoordeling van de vraag hoe in het onderhavige geval de polisvoorwaarde van art. 2.2.12 moet worden uitgelegd. Daaruit blijkt niet dat het hof heeft miskend dat bij de uitleg van de rechtsverhouding tussen verzekeraar en verzekerde rekening moet worden gehouden met de hier te lande levende rechtsovertuiging en dat deze rechtsovertuiging met name ook tot uitdrukking komt in de uitspraken van de Raad van Toezicht, doch slechts dat naar 's hofs oordeel de in het verzekeringsrecht heersende causaliteitsopvatting niet doorslaggevend is voor de vraag hoe in dit geval de onderhavige, op de dekkingsomvang betrekking hebbende polisvoorwaarde moet worden uitgelegd. Dit oordeel is onjuist, noch onbegrijpelijk.

35. De klacht onder (vii) houdt in dat het hof ten onrechte en/of zonder kenbare motivering is voorbijgegaan aan het door Delta Lloyd in haar memorie van grieven onder 22 gedane aanbod van getuigen- en deskundigenbewijs.

36. Kennelijk heeft het hof het in hoger beroep door Delta Lloyd gedane aanbod om "al haar stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens meer in het bijzonder door het horen van getuigen" niet een voldoende duidelijke aanduiding gezien van één of meer specifieke, door Delta Lloyd gestelde feitelijke omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de uitleg van de onderhavige polisvoorwaarde, en heeft het hof op deze grond het aanbod niet voldoende gespecificeerd en dus ondeugdelijk geoordeeld. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (zie bijv. HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 814 en HR 23 juni 2000, NJ 2000, 517) en is ook niet onbegrijpelijk. De klacht faalt derhalve.

37. Voor zover de klacht ertoe strekt te betogen dat het hier een aanbod van tegenbewijs betrof en dat het aanbod daarom geen nadere specificatie behoefde, kan zij evenmin doel treffen. De door het hof voor de uitleg van de polisvoorwaarde relevant geachte feitelijke omstandigheden, zijn door Delta Lloyd niet bestreden, zodat voor tegenbewijs geen plaats is.

38. Voor zover de klacht het hof verwijt voorbij te zijn gegaan aan het aanbod van Delta Lloyd om bewijs door deskundigen de leveren, faalt zij evenzeer: de rechter in feitelijke instanties is vrij al dan niet een deskundigenbericht te gelasten (zie bijv. HR 6 december 2002, NJ 2003, 63).

39. Onderdeel III van het middel bouwt rechtstreeks voort op de onderdelen I en II en moet het lot daarvan delen.

Conclusie

De conclusie strekt

in het principaal beroep: tot verwerping;

in het incidenteel beroep: tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te Amsterdam en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,