Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT5722

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-07-2005
Datum publicatie
05-07-2005
Zaaknummer
02992/04
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2004:AQ0344
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT5722
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Moord; bewijs doodsoorzaak. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat het slachtoffer door verstikking om het leven moet zijn gekomen. Die bewijsmiddelen dragen ook de alternatief door het hof bewezenverklaarde gevolgtrekking dat de dood anderszins door geweld is ingetreden. Het is een feit van algemene bekendheid dat door schoppen of slaan tegen vitale lichaamsdelen bloedingen kunnen ontstaan en zelfs de dood kan worden veroorzaakt. De door het hof aangenomen mogelijkheid van veroorzaking van de dood door ander geweld dan belemmering van de ademhaling, wordt gedragen door het gebezigde bewijsmateriaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 413

Conclusie

Nr.02992/04

Mr Machielse

Zitting 10 mei 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft de verdachte op 12 juli 2004 ter zake van 1. "moord" en 2. "het een lijk begraven, verbergen of wegmaken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, heeft cassatie ingesteld. Mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel richt zich met meerdere klachten tegen het oordeel van het Hof dat het slachtoffer een onnatuurlijke dood is gestorven.

3.2 Ten laste van verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij:

"1. hij in de periode van 4 december 2001 tot en met 27 januari 2002 in Nederland opzettelijk en met voorbedachte raad [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte toen aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] gewurgd of doen stikken of die [slachtoffer] (ter verstikking) in een bosperceel begraven, in elk geval bij die [slachtoffer] op enige wijze de ademhaling belemmerd of op die [slachtoffer] anderszins geweld toegepast, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden."

3.3 Het Hof heeft aan die bewezenverklaring, voorzover hier van belang, de volgende nadere bewijsoverweging gewijd:

"A. De dood van [het slachtoffer]

1. Dat [het slachtoffer] een onnatuurlijke dood op de in de bewezenverklaring vermelde wijze is gestorven, leidt het hof af uit de volgende omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien:

de bevindingen van dr. Visser;

het bloed van [het slachtoffer] in de auto van verdachte;

het feit dat en de omstandigheden waaronder [het slachtoffer] is begraven;

de gang van zaken voordat [het slachtoffer] is begraven.

De bevindingen van dr. Visser

2. In het sectierapport concludeert dr. Visser - na gewezen te hebben op de beperkingen die voortvloeien uit de omstandigheid dat het lichaam in gevorderde staat van ontbinding verkeerde - dat het niet uitgesloten is dat verstikking, door een of andere vorm van ademhalingsbelemmering, het intreden van de dood van [het slachtoffer] heeft veroorzaakt. Ter terechtzitting van het hof heeft dr. Visser nader toegelicht dat het mogelijk is dat [het slachtoffer] gewurgd is, of gestikt is, of levend begraven is, of dat zijn ademhaling op een andere manier belemmerd is ten gevolge waarvan hij is overleden en dat de kans dat er sprake is van een natuurlijke dood, klein is.

Aan de (aanvullende) rapportage en de verklaring ter zitting van dr. Visser ligt mede ten grondslag een brief van de huisarts [betrokkene 1] van het slachtoffer, waarin deze verklaart dat bij zijn weten [het slachtoffer] geen ziekelijke afwijking van betekenis had en er geen aanwijzing in de voorgeschiedenis was om aan te nemen dat bij [het slachtoffer] een hoger risico op overlijden zou bestaan.

Het hof is van oordeel dat, gelet op het verschil in specifieke expertise tussen de deskundigen dr. Visser (forensisch patholoog van het NFI te Rijswijk) en dr. Van de Molengraft (klinisch patholoog in het Rijnstate ziekenhuis te Arnhem) en op de hieronder vermelde omstandigheden, voorbij dient te worden gegaan aan het beroep van de verdediging op het door haar ingebrachte rapport van dr. Van de Molengraft. Dr. Visser is forensisch patholoog en heeft in die hoedanigheid - anders dan dr. Van de Molengraft - jarenlange ervaring met secties van lichamen die in gevorderde staat van ontbinding verkeren, zoals bij [het slachtoffer] het geval was.

Het bloed van [het slachtoffer] in de auto van verdachte

3. In de auto van verdachte is aan de binnenzijde van het linkerachterportier bloed aangetroffen waarvan het DNA-profiel overeenkomt met dat van het slachtoffer.

Het feit dat en de omstandigheden waaronder [het slachtoffer] is begraven

4. Het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] is aangetroffen in een bosperceel, gelegen aan de Stobbenweg in de gemeente Dronten dat grenst aan de Abbertocht. De plaats waar [het slachtoffer] was begraven lag op ongeveer 43 meter van de weg en ongeveer 42,5 meter van de Abbertocht. Het graf was ongeveer 95 centimeter diep. Nabij de linkerzijde van het hoofd werd een gedeelte van een broekriem aangetroffen. In het bosperceel werden voorts enkele delen van een riem aangetroffen. Daar komt bij dat de jas van het slachtoffer - met daarin een mobiele telefoon en een bos sleutels - niet is aangetroffen in het graf maar op enige afstand van het graf bij een sloot. Eén van de broekzakken van [het slachtoffer] was naar buiten gekeerd.

Het hof acht het hoogst onwaarschijnlijk dat met het lichaam van iemand die een natuurlijke dood zou zijn gestorven op zodanige wijze wordt omgesprongen, laat staan onder dergelijke omstandigheden wordt begraven.

De gang van zaken voordat [het slachtoffer] is begraven

5. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [het slachtoffer] op de avond van 4 december 2001 een zogenaamde "blind date" had, waarbij hij er van uitging dat het een afspraak betrof met [betrokkene 2], zijnde de ex-vriendin van verdachte. Deze "blind date" was het gevolg van een telefoongesprek dat [het slachtoffer] de avond van 3 december 2001 had gevoerd. Dit telefoongesprek vond plaats vanuit een openbare telefooncel in Ede. Daar komt bij dat de persoon aan de telefoon gezegd had dat [het slachtoffer] niets aan anderen mocht vertellen. Daaruit leidt het hof af dat degene die [het slachtoffer] belde - verdachte - niet wilde dat anderen op de hoogte zouden komen van de afspraak van [het slachtoffer] op 4 december 2001 om 18.00 uur.

6. Met betrekking tot het tijdstip van overlijden van [het slachtoffer] en het tijdstip waarop hij is begraven, overweegt het hof het volgende:

Zoals hieronder nader wordt overwogen, is het verdachte geweest die [betrokkene 3] op 4 december 2001 om 20.00/20.15 uur heeft gezien toen hij met zijn auto vastzat in de berm aan de rand van het bosperceel. Voor zover uitdrukkelijk uit de bewijsmiddelen blijkt, is het laatste levensteken van [het slachtoffer] geweest het telefonisch contact dat hij op de avond van 4 december 2001 rond 17.35 uur heeft gehad. Daarvóór heeft hij zich voorbereid op de ontmoeting die hij om 18.00 uur zou hebben. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Hieronder overweegt het hof waaruit het heeft afgeleid dat verdachte dit heeft gedaan. Hoe de gebeurtenissen zich precies vanaf omstreeks 18.00 uur tot 20.00/20.15 uur hebben afgespeeld, is voor de bewezenverklaring niet relevant. Of [het slachtoffer] om 20.00/20.15 uur al dood was dan wel op een later tijdstip die dag of (korte tijd) later is gestorven, is voor de bewezenverklaring evenmin van belang. Of verdachte [het slachtoffer] op de avond van 4 december 2001 dan wel later heeft begraven, doet voor de bewezenverklaring ook niet ter zake."

3.4 De centrale klacht van het middel houdt in dat géén van de alternatief bewezenverklaarde gedragingen (voldoende) steun vindt in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, zodat de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende met redenen is omkleed.

3.5 Allereerst verdient het volgende opmerking. Voorzover in het middel wordt geklaagd dat het Hof niet zou hebben vastgesteld op welke wijze [het slachtoffer] is overleden en onderhavige zaak reeds daarom zou verschillen van de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2001, LJN ZD2853, is het tevergeefs voorgesteld. Uit de bewezenverklaring en de nadere bewijsoverweging, zoals hiervoor onder 3.2 en 3.3 weergegeven, volgt immers dat het oordeel van het Hof aldus moet worden begrepen dat het heeft geoordeeld dat [het slachtoffer] door belemmering van de ademhaling moet zijn omgekomen, maar dat niet duidelijk is of die ademhaling actief door verdachte is belemmerd (doordat hij bijvoorbeeld het slachtoffer heeft gewurgd of anderszins heeft doen stikken) danwel dat de verstikking pas is ingetreden op het moment dat verdachte die [het slachtoffer] in bewusteloze toestand - in welke toestand het slachtoffer dan door enige geweldstoepassing van verdachte moet zijn geraakt - heeft begraven. Gelet op het voormelde is er derhalve in zoverre geen noemenswaardig verschil tussen onderhavige zaak en de zaak die heeft geleid tot voornoemd arrest van de Hoge Raad waarin de bewezenverklaring de cassatietoets kon doorstaan, ondanks dat het Hof geen keuze had gemaakt tussen verschillende alternatieven betreffende de wijze waarop de verstikkingsdood van het slachtoffer zou kunnen zijn ingetreden.

3.6 Wél moeten de bewijsmiddelen natuurlijk het oordeel van het Hof dat [het slachtoffer] aan belemmering van de ademhaling is overleden kunnen dragen. In het middel wordt met een beroep op verschillende gronden aangevoerd dat dit in casu niet het geval is.

3.7 Vooropgesteld zij dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal voorbehouden is aan de feitenrechter; van het beschikbare bewijsmateriaal kan hij datgene tot bewijs bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde stellen hetgeen hij voor het bewijs van geen waarde acht.(1) Voorts gaat het in cassatie niet om de vraag of de feitenrechter terecht tot een bewezenverklaring is gekomen, maar slechts of de bewezenverklaring kán volgen uit de bewijsmiddelen.(2) Het oordeel van de feitenrechter dienaangaande kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

3.8 Het feit dat [het slachtoffer] een onnatuurlijke dood op de in de bewezenverklaring vermelde wijze is gestorven heeft het Hof blijkens de nadere bewijsoverweging, zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven, afgeleid uit de volgende omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien:

- de bevindingen van dr. Visser (bewijsmiddelen 1, 2 en 4);

- het bloed van [het slachtoffer] in de auto van verdachte (bewijsmiddelen 5 en 6)

- het feit dat en de omstandigheden waaronder [het slachtoffer] is begraven (bewijsmiddelen 7, 8 en 9);

- de gang van zaken voordat [het slachtoffer] is begraven (bewijsmiddelen 10 en 11).

3.9 Het middel stelt terecht dat van de gebezigde bewijsmiddelen slechts de bevindingen van dr. Visser direct verband houden met de doodsoorzaak van het slachtoffer. Die bevindingen houden kort gezegd in dat de staat van ontbinding van het lichaam niet zodanig was dat ernstig mechanisch geweld, zoals schieten of steken met een mes, niet als doodsoorzaak uitgesloten kon worden, dat er geen aanwijzingen waren dat er sprake zou kunnen zijn van een ziekelijke oorzaak - bijvoorbeeld een longembolie, een hersenbloeding of een hartziekte - en dat het daarom zeer wel mogelijk is dat [het slachtoffer] door verstikking om het leven is gekomen. Het Hof heeft op grond van die bevindingen, in combinatie met de overige hiervoor onder 3.8 genoemde omstandigheden, de conclusie getrokken dat het slachtoffer een niet-natuurlijke dood (door verstikking) is gestorven.

3.10 Dat oordeel acht ik, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, ook niet onbegrijpelijk. Uit die bewijsmiddelen kan namelijk, voorzover hier van belang, de volgende feitelijke toedracht worden afgeleid.

Het latere slachtoffer [het slachtoffer] heeft op de avond van 3 december 2001 tijdens een verjaardagspartijtje aan verschillende mensen verteld dat hij die dag rond 19.45 uur was gebeld door iemand van een relatiebemiddelingsbureau, die vertelde dat een van zijn cliënten in hem was geïnteresseerd. Het latere slachtoffer heeft toen aan de beller gevraagd of het zich bij deze cliënte toevallig handelde om [betrokkene 2] - de (ex-)vriendin van verdachte - omdat hij haar enkele dagen ervoor een kaartje had gestuurd met de vraag of zij een keer met hem uit zou willen gaan. De man die zich had voorgesteld als medewerker van een relatiebemiddelingsbureau heeft toen kennelijk geantwoord dat het wel héél toevallig zou zijn als dit niet zo was. Daarop heeft het slachtoffer toegestemd in een "blind date" met deze dame en werd afgesproken dat hij op 4 december 2001 om 18.00 uur thuis met een limousine zou worden opgehaald. Saillant detail is dat de man van het relatiebemiddelingsbureau in dat gesprek [het slachtoffer] nog heeft gewaarschuwd dat hij met niemand over deze "blind date" mocht praten, maar dat deze zo opgetogen was over het telefoontje en de gemaakte afspraak dat hij - zoals hiervoor al is vermeld - diezelfde avond nog met meerdere personen over dat telefoongesprek heeft gesproken. Analyse van het inkomend telefoonverkeer van de vaste aansluiting van [het slachtoffer] (een zogenaamde B-analyse) heeft later uitgewezen dat er zowel op 3 december 2001 omstreeks 19.45 uur als op 4 december 2001 omstreeks 17.35 uur is ingebeld op de vaste telefoonaansluiting van [het slachtoffer]. Beide keren werd ingebeld vanuit een telefooncel, op 3 december vanuit een telefooncel in Ede, op 4 december 2001 vanuit een telefooncel te Apeldoorn (op circa zes minuten rijden van de woning van het slachtoffer). Gelet op hetgeen [het slachtoffer] op het verjaardagspartijtje omtrent de gemaakte "blind date" heeft verteld ligt het voor de hand dat op die tijdstippen is ingebeld door de zogenaamde medewerker van het relatiebemiddelingsbureau. Het slachtoffer is op 4 december 2001 omstreeks 17.00 uur overigens nog bij zijn ouders geweest, met wie hij heeft afgesproken dat hij hen zou bellen als hij terug zou zijn van zijn afspraak. Vader [betrokkene 10] heeft - omdat het slachtoffer dit nog niet had gedaan - in de nacht van 4 op 5 december 2001 omstreeks 02.00 uur naar het huis van zijn zoon gebeld, maar de telefoon werd niet opgenomen. Ongerust geworden doordat het slachtoffer zich die nacht niet meer heeft gemeld, zijn een zwager en twee zussen van [het slachtoffer] op de ochtend van 5 december 2001 naar diens huis gegaan om te kijken of hij wel was teruggekeerd van zijn afspraak. Omdat dit niet het geval bleek te zijn is de familie van het slachtoffer die dag omstreeks 12.15 uur naar het politiebureau Zuid/West gegaan om diens vermissing te melden.(3)

Het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] is uiteindelijk drie maanden later aangetroffen in een vrij ondiep graf in een bosperceel in de buurt van de Stobbenweg en de Abbertocht te Dronten. In dat graf werd nabij de linkerzijde van het hoofd een gedeelte van een broekriem aangetroffen.(4) De overige delen van die riem zijn in de nabijheid van het graf aangetroffen en de jas van het slachtoffer - met daarin een mobiele telefoon en een bos sleutels - werd op enige afstand daarvan bij een sloot gevonden. Voorts bleek één van de broekzakken van [het slachtoffer] naar buiten te zijn gekeerd.(5)

3.11 Getuige [betrokkene 3] heeft op 27 maart 2002 verklaard dat zij op die Stobbenweg, in de directe omgeving van het graf, op 4 december 2001 omstreeks 20.00/20.15 uur aan de boszijde een Volvo type station V40, kleur donkerblauw, met een gele kentekenplaat heeft zien staan. Voorts heeft deze getuige onder meer verklaard dat bij die auto een man (die groene kuitlaarzen droeg met een hele dikke, enigszins beige/naturel getinte zool, soortgelijke laarzen als die de verdachte volgens zijn ex-vrouw destijds in zijn bezit had) midden op de weg stond te zwaaien, zodat zij moest stoppen, en dat die man vervolgens aan de getuige heeft gevraagd of zij hem kon helpen omdat hij met zijn auto vast zat in de modder. De getuige heeft op dat moment niemand anders in of bij die Volvo gezien.(6)

Tot slot houden de bewijsmiddelen, voorzover hier van belang, in dat in verdachtes auto - een donkerkleurige Volvo station V40 - een spat bloed van [het slachtoffer] is aangetroffen.(7)

3.12 Uit voormelde omstandigheden heeft het Hof dus, gelet op de onder 3.3 weergegeven nadere bewijsoverweging, een aantal conclusies omtrent de doodsoorzaak van [het slachtoffer] getrokken.

Dat oordeel - te weten dat [het slachtoffer] een onnatuurlijke dood (specifieker: een verstikkingsdood) moet zijn gestorven - acht ik, zoals ik hiervoor onder 3.10 reeds heb opgemerkt, geenszins onbegrijpelijk.

Het feit dat er van moet worden uitgegaan dat de telefoongesprekken betreffende de "blind date" door de zogenaamde medewerker van het datingbureau vanuit een telefooncel zijn gevoerd én het feit dat deze expliciet aan het slachtoffer heeft verteld dat hij niet met anderen over die "blind date" mocht praten wettigt immers de conclusie dat het slachtoffer door die zogenaamde medewerker in een val moet zijn gelokt, welke val uiteindelijk heeft geresulteerd in de dood van [het slachtoffer]. Voorts ben ik het met het Hof eens dat het onwaarschijnlijk is dat met het lichaam van iemand die een natuurlijke dood is gestorven op een zodanige wijze wordt omgesprongen als in casu het geval is, laat staan dat het onder dergelijke omstandigheden wordt begraven. Indien [het slachtoffer] een natuurlijke dood zou zijn gestorven zou er immers geen directe noodzaak zijn geweest om het lijk te verbergen, en al helemaal niet om dit te doen op een manier die identificatie van het lijk bemoeilijkt, zoals dat in casu is gebeurd (de jas van het slachtoffer, met daarin diens persoonlijke spullen, is immers op een andere plaats achtergelaten, een portemonnee of identiteitspapieren zijn in het geheel niet aangetroffen).

Voorts is dus nog in verdachtes auto, welke auto op de avond van 4 december 2001 op de Stobbenweg door een getuige is gezien, een spat bloed van [het slachtoffer] aangetroffen. Daaruit kan in ieder geval worden afgeleid dat het slachtoffer, een persoon die verdachte zegt nooit te hebben ontmoet, op enig moment voorafgaand aan zijn overlijden in verdachtes auto heeft gezeten. Tevens houdt die bloedspat een aanwijzing in dat mogelijk aan het overlijden van [het slachtoffer] enige vorm van mechanisch geweld is voorafgegaan, zij het - gelet op de geringe hoeveelheid aangetroffen bloed en de uitsluiting van ernstig mechanisch geweld als doodsoorzaak - niet een zodanige vorm van geweld dat [het slachtoffer] ten gevolge daarvan is komen te overlijden. Overigens blijkt nergens uit dat het Hof, in tegenstelling tot hetgeen in het middel wordt aangevoerd, uit die bloedspat heeft afgeleid dat deze afkomstig is van geweld dat op zichzelf bezien de dood van [het slachtoffer] heeft veroorzaakt. Voorzover het middel daarvan uitgaat faalt het derhalve.

3.13 Al deze omstandigheden heeft het Hof dus betrokken bij zijn oordeel omtrent de mogelijke doodsoorzaak van [het slachtoffer], en zij hebben voor het Hof kennelijk de doorslag gegeven om tot de vaststelling te komen dat het slachtoffer een onnatuurlijke dood moet zijn gestorven. Dat uit die tot het bewijs gebezigde omstandigheden niet kan worden opgemaakt waaraan het slachtoffer precies is overleden doet overigens niet af aan het feit dat zij een fundament bieden aan het oordeel van het Hof dat [het slachtoffer] moet zijn vermoord. Nu het rapport van dr. Visser, door middel van uitsluiting van andere mogelijke oorzaken (waaronder ernstig mechanisch geweld), verstikking als een mogelijke doodsoorzaak aanwijst stond het het Hof vrij om die conclusie tot de zijne te maken en bewezen te achten dat [het slachtoffer] door een vorm van verstikking om het leven moet zijn gekomen. Voorzover het middel de eis stelt dat buiten iedere twijfel moet zijn verheven dát belemmering van de ademhaling de doodsoorzaak is geweest, stelt het een eis die het Nederlandse bewijsstelsel niet kent.

Tevens valt niet in te zien waarom de door het Hof bewezenverklaarde alternatieven "gewurgd" en "anderszins geweld toegepast" in strijd zouden zijn met de als bewijsmiddelen 1 en 4 gebezigde bevindingen van dr. Visser, zoals in het middel wordt aangevoerd. In het als bewijsmiddel 1 gebezigde rapport van dr. Visser is immers vermeld dat het door hem onderzochte lichaam in staat van gevorderde ontbinding verkeerde en daardoor eventueel aanwezige geringe afwijkingen of geringe letsels - die bijvoorbeeld de bloedspat in de auto van verdachte zouden kunnen verklaren - mogelijk niet meer waarneembaar waren, terwijl de als bewijsmiddel 4 gebezigde verklaring van die Visser onder meer inhoudt dat verstikking vrij subtiel kan gebeuren, zodanig dat het bij een dergelijke vorm van ontbinding niet positief kan worden aangetoond. Het feit dat bij de schouwing geen wurgsporen of ander letsel zijn aangetroffen wil dus nog niet zeggen dat [het slachtoffer] niet door belemmering van de ademhaling kan zijn gestorven danwel dat dergelijke sporen er niet op een eerder moment wél zijn geweest.

3.14 Voorzover in het middel nog wordt aangevoerd dat het Hof had moeten reageren op het door de raadsman gevoerde verweer dat het niet mogelijk is dat [het slachtoffer] "ter verstikking in een bosperceel is begraven" verdient het volgende opmerking. Dr. Visser, die als getuige-deskundige is gehoord ter terechtzitting van 7 november 2003, heeft op vragen van de raadsman als volgt geantwoord:

"In theorie is het denkbaar dat iemand die levend wordt begraven zand of aarde inademt. Maar ik denk niet dat je kunt uitsluiten dat als je niets aantreft dan iemand dan dus niet levend begraven is. Het hangt ook af van de aard van de grond, ik kan mij voorstellen als deze heel fijn en droog is, dat het wel ingeademd wordt. Voorwaarde is wel dat iemand dusdanig krachtige ademhalingsbewegingen maakt dat hij het ook inademt. Maar als het een compacte grondsoort is, weet ik het niet. (...) Als de concrete vraag is of ik in de neusholten of luchtpijp en longen aarde heb aangetroffen dan lees ik in mijn rapport dat ik dat niet heb vastgesteld."

Vervolgens heeft de raadsman van verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juni 2004 onder meer het volgende aangevoerd:

"Volgens dr. Visser is ook levend begraven mogelijk. Als ik hem dan vraag of je dan niet iets moet vinden, zegt hij dat dat afhangt van de samenstelling van de grond. Dan vraag ik me af waarom dat niet grondig is onderzocht? Er is een rapport van Oranjewoud in het dossier waarin de grondsamenstelling is aangegeven maar er is geen conclusie dat die grond heel gemakkelijk bewerkbaar is. Ik ben met het voormalig districtshoofd van de boswachterij [betrokkene 12] ter plaatse geweest en we hebben vastgesteld dat de grond daar heel los is. Mijn stelling is dat je daar makkelijk kunt graven en dat de kans 100 % is dat, als je daar levend begraven wordt, de grond makkelijk ingeademd kan worden. Maar dr. Visser heeft niets gevonden in de luchtwegen wat er op duidt dat [het slachtoffer] levend begraven is. Dat zou moeten om aan te tonen dat er sprake is van leven begraven."

3.15 Het is juist dat voornoemd door de verdediging gevoerde verweer door het Hof niet expliciet is verworpen. Naar mijn mening behoefde het Hof echter aan dat verweer ook geen uitdrukkelijke overweging te wijden, zodat de klacht faalt.

Uit de door dr. Visser ter terechtzitting van 7 november 2003 afgelegde verklaring kan immers worden afgeleid dat het - ook indien de grond heel fijn en droog is, zoals door de raadsman is aangevoerd - niet kan worden uitgesloten dat als je niets aantreft iemand tóch levend begraven is. Daaruit volgt dan ook dat het ingeademd zijn van lucht volgens Visser weliswaar een indicatie vormt voor het levend begraven zijn, maar dat men niet uit het feit dat zich in de luchtwegen van een begraven slachtoffer géén aarde bevindt, kan concluderen dat die persoon dus niet levend begraven kan zijn. Naast de grondsoort is volgens de getuige-deskundige immers ook de kracht van de ademhaling van het slachtoffer van belang, een factor waaromtrent in deze zaak uit overduidelijke gronden niets kon worden vastgesteld. Gelet op de bewezenverklaring en bewijsmiddel 4 heeft het Hof kennelijk meer geloof gehecht aan het oordeel van de getuige-deskundige hieromtrent dan aan de stelling van de raadsman, hetgeen ik niet onbegrijpelijk acht. Overigens blijkt nergens uit dat de raadsman van verdachte expliciet heeft verzocht om een nader onderzoek naar de grondsamenstelling in het desbetreffende bosperceel of de waarschijnlijkheid dat een levend begraven slachtoffer de aldaar aanwezig grondsoort in zal ademen. Van een 'Meer en Vaart-gat' zoals de steller van het middel aanvoert lijkt mij derhalve in casu geen sprake.

3.16 Tot slot behelst het middel nog de klacht dat het Hof het verweer dat sprake kan zijn van een natuurlijke dood - te weten een hartinfarct - op ontoereikende gronden heeft verworpen.

3.17 De getuige-deskundige Visser heeft op de zitting van 7 november 2003 op vragen van de raadsman onder meer het volgende verklaard:

"U vraagt mij naar de verrichte microscopie en de door mij geconstateerde donkere verkleuring. U zegt mij dat u advies hebt ingewonnen bij dr. Van de Molengraft van het Rijnstate ziekenhuis uit Arnhem. U leest voor uit zijn rapport. Ik ken hem, hij is patholoog in het ziekenhuis en de pathologen daar zijn gewend om microscopische preparaten te beoordelen van ziekelijke afwijkingen. Dat zijn weefsels of een uitstrijkje die bij de patiënt worden afgenomen en direct worden gefixeerd. Die kunnen goed beoordeeld worden. Pathologen in ziekenhuizen doen ook secties maar op mensen die net overleden zijn, dus met minimale postmortale veranderingen. In dit geval ging het om iemand die al in vergevorderde staat van ontbinding verkeerde waardoor je allerlei veranderingen gaat krijgen, ook op microscopisch niveau. Dat is een klinisch patholoog niet gewend om te zien dus hij heeft daar weinig ervaring mee. Wij hebben daar meer ervaring mee.

Ook is het zo dat microscopisch onderzoek van weefsel van mensen die in vergaande staat van ontbinding verkeren, eigenlijk moeilijk te doen is. Dit omdat je allerlei vervaging krijgt van structuren, dat is ook de reden dat alleen de nieren en lever microscopisch zijn onderzocht. Uit de beschrijving blijkt ook wel dat door de postmortale veranderingen de microscopische details nauwelijks nog aanwezig en beoordelaar waren. Aan de verkleuring mag je geen conclusie verbinden. Wat van de Molengraft stelt, namelijk dat wanneer je in een stoffelijk overschot rode bloedcellen aantreft, die mogelijk zouden kunnen passen bij een acute stuwing met bloedinkjes in de longblaasjes, is voorstelbaar.

3.18 De raadsman heeft volgens zijn pleitnota op de zitting van 28 juni 2004 onder meer het volgende aangevoerd:

"In dit verband benadruk ik dat ik mij door de door mij geraadpleegde patholoog heb laten vertellen dat de donkere van het bekledend vlies van de longen zou kunnen wijzen op een daar aanwezige bloeding. Zo'n bloeding zou kunnen wijzen op een hartinfarct. Vanwege de staat van ontbinding van het stoffelijk overschot van [het slachtoffer], zo het naar de mening van deze patholoog naar alle waarschijnlijkheid echter niet mogelijk zijn daar nader onderzoek door [ik begrijp: naar; AM] te doen. Door het verval zouden de betreffende kenmerken niet meer aanwezig kunnen zijn."

3.19 Het Hof heeft omtrent het door de verdediging ingebrachte rapport van dr. Van de Molengraft - zoals hiervoor onder 3.3. reeds is vermeld - het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat, gelet op het verschil in specifieke expertise tussen de deskundigen dr. Visser (forensisch patholoog van het NFI te Rijswijk) en dr. Van de Molengraft (klinisch patholoog in het Rijnstate ziekenhuis te Arnhem) en op de hieronder vermelde omstandigheden, voorbij dient te worden gegaan aan het beroep van de verdediging op het door haar ingebrachte rapport van dr. Van de Molengraft. Dr. Visser is forensisch patholoog en heeft in die hoedanigheid - anders dan dr. Van de Molengraft - jarenlange ervaring met secties van lichamen die in gevorderde staat van ontbinding verkeren, zoals bij [het slachtoffer] het geval was."

3.20 In het middel wordt gesteld dat de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer ten onrechte is gebaseerd op een veronderstelde afwijzing door dr. Visser van de door dr. Van de Molengraft genoemde optie, omdat dr. Visser juist heeft verklaard dat die optie ook zijns inziens voorstelbaar is. Aldus zou het Hof zijn oordeel niet naar de eis der wet met redenen hebben omkleed.

3.21 Laat ik vooropstellen dat de getuige-deskundige ter terechtzitting d.d. 7 november 2003 inderdaad heeft verklaard dat het voorstelbaar is dat indien in een stoffelijk overschot rode bloedcellen worden aangetroffen, die bloedcellen mogelijk zouden kunnen passen bij een acute stuwing met bloedinkjes in de longblaasjes. Verder heeft hij evenwel óók verklaard dat door de postmortale veranderingen de microscopische details nauwelijks nog aanwezig en beoordeelbaar waren en dat men aan de verkleuring van het longvlies geen conclusie mag verbinden. Zoals ook uit zijn voor het bewijs gebezigde rapport volgt heeft dr. Visser dus bij de schouwing geen aanwijzingen voor plotseling hartfalen kunnen ontdekken. Voorts is hiervoor onder 3.12 al een keer vermeld dat de omstandigheid dat zijn rapport niet voor de volle honderd procent uitsluit dat [het slachtoffer] een natuurlijke dood is gestorven niet wegneemt dat het bruikbaar is voor het bewijs dat het slachtoffer een onnatuurlijke dood is gestorven. Overigens lijkt het middel te suggereren dat dr. Van de Molengraft - die zich in zijn schrijven baseert op het door dr. Visser opgemaakte sectieverslag - de mogelijkheid dat [het slachtoffer] aan een belemmering van de ademhaling zou zijn gestorven, zou afwijzen. Dit is echter überhaupt niet het geval. Zijn schrijven aan de raadsman van verdachte d.d. 4 augustus 2003 houdt immers onder meer in dat "de donkere verkleuring van het bekledende weivlies van de longen een postmortaal verschijnsel kan betreffen, maar in combinatie met de microscopisch in de longblaasjes aangetroffen elementen gelijkend rode bloedcellen (sectieverslag blz. 5 onderaan) ook mogelijk kan passen bij een acute stuwing met bloedinkjes in de longblaasjes zoals onder andere ook wel gezien kan worden bij een acuut hartfalen c.q. acute hartdood." Het Hof heeft uitdrukkelijk gemotiveerd waarom het voorbij gaat aan het door de verdediging in hoger beroep ingebrachte schrijven van dr. Van de Molengraft. Die overwegingen acht ik geenszins onbegrijpelijk, mede in aanmerking nemend de overige omstandigheden die het Hof voor zijn conclusie dat [het slachtoffer] een niet-natuurlijke dood is gestorven heeft aangewezen. Het stond het Hof derhalve vrij om het rapport van dr. Visser voor het bewijs te bezigen.

Uit het voorgaande volgt dan ook dat de bewezenverklaring voor wat betreft de doodsoorzaak naar mijn mening toereikend is gemotiveerd.

3.22 Het eerste middel faalt dan ook in al zijn onderdelen.

4.1 Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat verdachte op 4 december 2001 op de Stobbenweg te Dronten is geweest. Het middel komt er in de kern op neer dat de verklaring van [betrokkene 3] niet tot het bewijs had mogen worden gebezigd, omdat zij verdachte bij de fotoconfrontatie niet heeft herkend. Nu deze verklaring de enige verklaring is die verdachte zelf en niet alleen diens auto (hetgeen in hoger beroep door de verdediging niet als zodanig werd bestreden) in de directe nabijheid van het graf van [het slachtoffer] plaatst, is er volgens de steller van het middel onvoldoende bewijs dat verdachte op de avond van 4 december 2001 in de buurt van het desbetreffende bosperceel is geweest.

4.2 Verdachte zelf heeft steeds ontkend dat hij direct betrokken is geweest bij het overlijden van [het slachtoffer]. Hij heeft gedurende het proces wisselende verklaringen afgelegd over zijn betrokkenheid bij en zijn rol in het incident dat zou hebben geleid tot de (natuurlijke) dood van [het slachtoffer]. De variant die verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2003 heeft verteld komt in de kern op het volgende neer.(8)

Verdachte heeft naar eigen zeggen op 29 november 2001 voor het eerst bezoek gekregen van de "detective", genaamde [betrokkene 4], danwel [...], [...] of iets dergelijks. Deze detective vertelde verdachte dat hij problemen verwachtte met verdachtes (ex-)vriendin [betrokkene 2] omdat hij een man had gesignaleerd rondom haar huis. Verdachte zou hebben gezegd dat ze die gluurder bij de politie moesten aangeven, waarop de detective zei dat hij dit uit zijn hoofd moest laten omdat "zij" met een heterdaad bezig waren en voor alles zouden zorgen. Op 1 december 2001 heeft verdachte "de eigenaar" ontmoet, wiens dochter zou zijn verkracht door de man die nu bij het huis van [betrokkene 2] is gesignaleerd. Vervolgens heeft verdachte nog "[betrokkene 5]" ontmoet, met wiens zoon door dezelfde man onzedelijke handelingen zouden zijn gepleegd en "[betrokkene 6]", een van de twee mannen die uiteindelijk [het slachtoffer] in het bosperceel zouden hebben begraven. Op 4 december 2001 moest verdachte om 17.00 uur bij de Hoge Veluwe zijn, maar hij is die afspraak niet nagekomen omdat hij merkte dat hij door [betrokkene 5] en de detective werd gevolgd. Hij is dan ook te Bennekom gestopt (kennelijk om te vragen waarom de twee achter hem aanreden) waarop de auto van [betrokkene 5] en de detective achter de zijne tot stilstand kwam. De detective leek het een goed idee om samen met verdachtes auto verder te aan. Verdachte moest naar eigen zeggen op de achterbank van zijn eigen wagen gaan zitten. De detective heeft vervolgens een "bakkie" in zijn auto aangesloten en een split naar zijn mobiele telefoon gemaakt. Volgens verdachte is [betrokkene 5] toen met de andere wagen naar huis gereden en zijn verdachte en de detective rond gaan rijden (verdachte weet echter niet meer precies waarheen omdat hij de omgeving niet zo goed kon waarnemen daar hij zijn autobril niet op had). Op een bepaald moment zou de detective zijn gestopt bij een telefooncel en zou hij hebben gezegd dat het beter voor verdachte zou zijn als [betrokkene 5] hem naar huis bracht. Nadat [betrokkene 5] was gearriveerd om hem op te halen werd verdachte volgens eigen zeggen ontzettend kwaad omdat de detective er met zijn auto vandoor ging. Hij en [betrokkene 5] zouden nog hebben getracht om de detective te bellen en hem te volgen, maar dit zou niet zijn gelukt, waarop verdachte door [betrokkene 5] naar huis werd gebracht. Verdachte heeft toen op de thermostaat van de verwarming gezien dat het op dat moment precies 11 voor half zeven was. [Betrokkene 5] zou nog kort in zijn huis zijn geweest, maar is volgens verdachte weggegaan op het moment dat [betrokkene 7] bij verdachte, die wijnhandelaar van beroep is, langskwam om wijn te bestellen. Met deze [betrokkene 7] heeft verdachte volgens zijn verklaring gedronken en gegeten. [Betrokkene 7] zou tussen 20.30 uur en 21.00 uur weg zijn gegaan, en wel omdat [betrokkene 5] belde met de vraag hoelang het gesprek nog ging duren. Wanneer verdachte precies zijn auto heeft teruggekregen wordt in deze variant van het verhaal niet geheel duidelijk, in ieder geval zou hij daarna door [betrokkene 6] zijn benaderd die hem vertelde dat hij zijn auto goed moest schoonmaken, hetgeen hij toen maar heeft gedaan. Vervolgens heeft verdachte nog verklaard dat op 8 of 9 januari 2002 de detective en [betrokkene 5] bij hem zijn langsgekomen met het verhaal dat de gluurder - kennelijk tijdens een confrontatie - op 4 december 2001 opeens naar zijn hoofd zou hebben gegrepen en dood zou zijn neergevallen, dat [betrokkene 6] het slachtoffer zou hebben begraven en dat in dat kader verdachtes auto en diens rode kleed zouden zijn gebruikt.

4.3 Gelet op voormeld verhaal kan het dus volgens de verdediging niet zo zijn dat verdachte op 4 december 2001 bij de Stobbenweg te Dronten is gezien. Voor het bewijs dat verdachte daar wél is geweest, heeft het Hof als onderdeel van bewijsmiddel 10 onder meer de volgende verklaringen gebezigd:

" de verklaring van [betrokkene 3], e.v. [betrokkene 11], gedateerd 27 maart 2002, voor zover inhoudende (hoofdstuk V, pag 1005 ev):

"Ik kan mij herinneren dat ik op 4 december 2001 omstreeks 20.00/20.15 uur vanaf perceel Stobbenweg 8 gereden kwam. Ik reed in de richting van de Drontermeerdijk. Ik zag toen bij de watergang, aan de boszijde een Volvo type station V40, kleur donker-blauw, met een gele kentekenplaat staan. Deze auto stond in de berm met de weg mee met de voorzijde gericht naar de Drontermeerdijk. Ik zag diepe sporen achter die auto in de berm. Die sporen liepen evenwijdig aan de weg. Ik had het idee dat hij de berm in gereden was, langs de weg op. Op de Stobbenweg, bij die auto stond een man midden op de weg te zwaaien, zodat wij moesten stoppen.

Hij droeg groene kuitlaarzen met een heel dik profiel zool welke licht van kleur was, enigszins doorzichtig beige/naturel. Die zool was heel opvallend. De kleur groen was een doorsnee kleur, zoals de laarzen bij de Welkoop ook wel te koop zijn. Ik vond het vreemd dat die man op dat moment daar die laarzen aan had, want daar valt niet mee te rijden. Deze man gedroeg zich raar en gejaagd. Hij was kortaf. Hij vroeg of ik hem wilde helpen, omdat hij met zijn auto vast zat in de modder.

Ik zag vervolgens dat die auto op hetzelfde stuk waar hij was vastgeraakt draaide en over de Stobbenweg reed in de richting van de Abbertweg. Ik heb geen ander in of bij de auto gezien."

- de verklaring van [betrokkene 8] d.d. 3 april 2001, voorzover inhoudende (hoofdstuk III, blz. 91):

"[verdachte] had ook groene laarzen. Die laarzen hadden een geelachtige/beigeachtige zool."

4.4 Voorts heeft het Hof aan het daderschap van verdachte de volgende nadere bewijsoverweging gewijd:

B. Het daderschap van verdachte

(...)

Verdachtes aanwezigheid op 4 december 2001 nabij de plaats van het graf van [het slachtoffer]

10. Het hof leidt in het bijzonder uit de volgende feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang gezien en in samenhang met de hierna onder 13, 14 en 15 genoemde omstandigheden (de sporen aan en in de auto van verdachte en de sporen aan de bats) - af dat verdachte op de avond van 4 december 2001 bij de plaats is geweest waar het graf van [het slachtoffer] later is aangetroffen:

- de bevindingen van [betrokkene 3];

- de opmerkingen van verdachte in het telefoongesprek tussen hem en zijn zoon.

de bevindingen van [betrokkene 3]

11. Verdachte beschikte in de periode waarin het feit is gepleegd over een (donker)blauwe Volvo V40. Dit is de auto waarin het bloed van [het slachtoffer] is aangetroffen. Mede in samenhang gezien met de overige bewijsmiddelen leidt het hof uit de verklaring van [betrokkene 3] af dat het verdachte moet zijn geweest die zij op 4 december 2001 heeft gezien. Zij heeft verklaard dat zij op 4 december 2001 op de Stobbenweg bij de watergang aan de boszijde een Volvo type station V40, kleur donkerblauw, met een gele kentekenplaat zag staan. De auto stond met alle vier de wielen in de berm. De auto zat vast in de modder. Er waren diepe sporen achter die auto in de berm. In relatie tot het verweer van de raadsman dienaangaande is het hof van oordeel dat hieraan niet af doen - mede gelet op de omstandigheden waaronder haar waarnemingen op 4 december 2001 hebben plaatsgevonden - dat [betrokkene 3] verdachte niet aan de hand van de foto's uitdrukkelijk als eerste heeft herkend en de verschilpunten in het door haar gegeven signalement met dat van verdachte.

de opmerkingen van verdachte in het telefoongesprek tussen hem en zijn zoon

12. Uit het telefoongesprek van 26 maart 2002 tussen verdachte en zijn zoon, zoals volledig weergegeven in het overzicht tapjournaal, aangemaakt op 22 januari 2004, kan het hof niet anders afleiden dan dat verdachte verklaart dat de door [betrokkene 3] waargenomen auto de zijne was. In dat telefoongesprek verklaarde verdachte bovendien dat hij geen alibi had.

Het bloed van [het slachtoffer] in de auto van verdachte

13. In de auto van verdachte is aan de binnenzijde van het linkerachterportier bloed aangetroffen waarvan het DNA-profiel overeenkomt met dat van het slachtoffer.

De andere sporen in en aan verdachtes auto

14. In de auto zijn op de vloer bij de plaats van de bestuurder en op de vloer bij de plaats op de achterbank rechts diatomeeën aangetroffen van een soort die specifiek is voor de grond in de diepste lagen van het graf van [het slachtoffer]. In de wielkast linksvoor van de auto van verdachte zijn diatomeeën aangetroffen waarvan de soortensamenstelling goede overeenkomst vertoont met de soortensamenstelling in de monsters afkomstig van de Stobbenweg.

De sporen aan de bats

15. Aan een bats die in de tuin van verdachte is aangetroffen, bevonden zich eveneens diatomeeën van de soort die zeer sterke overeenkomst vertoont met de grond in het graf van [het slachtoffer]."

4.5 Ook bij de beantwoording van dit middel dient te worden vooropgesteld dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal voorbehouden is aan de feitenrechter en dat hij van het beschikbare bewijsmateriaal datgene tot bewijs mag bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde mag stellen hetgeen hij voor het bewijs van geen waarde acht. Zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. (9)

4.6 Blijkens het zich bij de stukken bevindende proces-verbaal van de meervoudige fotoconfrontatie die op 16 juli 2002 met de getuige [betrokkene 3] is gehouden(10) heeft deze getuige bij de confrontatie een andere persoon en níet verdachte aangewezen als degene die zij die avond op de Stobbenweg heeft gezien.(11) Zij heeft daarbij verklaard dat zij deze persoon herkende aan de vorm van het gezicht en de stand van de ogen. Voorts heeft zij nog verklaard dat het haar opviel dat de persoon afgebeeld op nummer 5 (verdachte) veel gelijkenis vertoonde met foto nr. 4 (de foto die zij had aangewezen). De overweging van het Hof dat [betrokkene 3] verdachte niet aan de hand van de foto's uitdrukkelijk als eerste heeft herkend moet dan ook aldus worden begrepen dat zij verdachte weliswaar niet heeft herkend als de persoon die zij op 4 december 2001 op de Stobbenweg heeft gezien, maar dat zij wél heeft aangegeven dat verdachte gelijkenis vertoonde met die persoon. Aldus gelezen is deze overweging geenszins onbegrijpelijk. De tegen deze overweging gerichte klacht faalt dan ook.

Voorts brengt het enkele feit dat de getuige verdachte niet heeft aangewezen als degene die zij op de avond van 4 december 2001 op de Stobbenweg heeft gezien - maar slechts heeft opgemerkt dat verdachte daar veel op lijkt - niet zonder meer met zich mee dat het Hof de door [betrokkene 3] afgelegde verklaring omtrent de gebeurtenissen die die avond op de Stobbenweg hebben plaatsgehad ook voor het overige niet voor het bewijs zou mogen bezigen. Kennelijk heeft het Hof de verklaring in zoverre wél betrouwbaar geacht. Zoals hiervoor onder 4.5 reeds is vermeld is een dergelijk betrouwbaarheidsoordeel in beginsel voorbehouden aan de feitenrechter. Hierbij verdient nog vermelding dat getuige [betrokkene 3] in eerste aanleg in het bijzijn van verdachtes raadsman(12) bij de rechter-commissaris is gehoord en dat die getuige tijdens het verhoor ook vragen van de raadsman heeft beantwoord. Voor de verdediging heeft derhalve voldoende gelegenheid bestaan om de betwiste verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen.(13)

4.7 Uit de hiervoor onder 4.4 weergegeven bewijsoverweging volgt overigens dat het Hof het oordeel dat het verdachte moet zijn geweest die [betrokkene 3] die avond in het bos heeft gezien niet enkel heeft gebaseerd op haar verklaring betreffende de man met de groene rubberen laarzen en de Volvo station V40, maar tevens op:

- het door verdachte met zijn zoon gevoerde telefoongesprek inhoudende onder meer dat verdachte weet dat zijn auto op de avond van 4 december 2001 is gezien en dat hij geen alibi heeft (bewijsmiddel 15);

- de omstandigheid dat in verdachtes Volvo bloed van [het slachtoffer] is aangetroffen (bewijsmiddelen 5 en 6)(14), dat er in en op die auto diatomeeën zijn aangetroffen van een soort die specifiek is voor de grond in de diepste lagen van het graf van [het slachtoffer] en diatomeeën waarvan de soortensamenstelling goede overeenkomst vertoont met de soortensamenstelling in de monsters afkomstig van de Stobbenweg (bewijsmiddel 17); en tot slot,

- het feit dat aan een bats die in de tuin van verdachte is aangetroffen zich eveneens diatomeeën bevonden van de soort die zeer sterke overeenkomst vertoont met de grond in het graf van [het slachtoffer] (bewijsmiddelen 18 en 19).

Voorts is nog relevant dat het Hof geen geloof heeft gehecht aan verklaringen van verdachte over wat volgens hem dan wel gebeurd zou zijn. Verdachte heeft verklaard dat 'de detective' op 4 december 2001 er met zijn auto vandoor is gegaan en dat hijzelf door '[betrokkene 5]' naar huis zou zijn gebracht, waarna hij in zijn woning met [betrokkene 7] zou hebben gegeten. Dat laatste wordt geloogenstraft onder meer door de verklaring van [betrokkene 7]. Ook daardoor is het verhaal van verdachte dat anderen van zijn auto gebruik hebben gemaakt op losse schroeven komen te staan.

4.8 Voormelde bewijsmiddelen kunnen naar mijn mening het oordeel dat het verdachte moet zijn geweest die getuige [betrokkene 3] op 4 december 2001 op de Stobbenweg heeft gezien dragen. Voor verdere toetsing van dat oordeel is in cassatie geen plaats. Het is overigens wel héél toevallig dat verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2003 heeft verklaard, zijn groene rubberen laarzen naar eigen zeggen sinds een zeiltocht in juni 2001 kwijt is en dat ook zijn bats in juli van dat jaar is verdwenen (volgens hem moet de in zijn tuin aangetroffen bats daar dan ook door een derde zijn "geplant"). In dit kader verdient tot slot nog opmerking dat het Hof uitvoering heeft gemotiveerd dat en waarom het het "detective-verhaal" - in al zijn varianten - niet aannemelijk acht.(15)

4.9 Ook dit middel is tevergeefs voorgesteld.

5.1 In het derde middel wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

5.2 Het Hof heeft in het bestreden arrest onder de kop "B. Het daderschap van verdachte" onder meer het volgende overwogen:

"7. Het hof leidt in het bijzonder uit de volgende feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien en in samenhang met de andere bewijsmiddelen - af dat het verdachte is geweest die [het slachtoffer] heeft gedood:

het onderscheppen door verdachte van de kaart of brief van [het slachtoffer] aan [betrokkene 2];

het telefoongesprek met het relatiebemiddelingsbureau daags voor de verdwijning van [het slachtoffer];

verdachtes aanwezigheid op 4 december 2001 nabij de plaats van het graf van [het slachtoffer];

het bloed van [het slachtoffer] in verdachtes auto;

de andere sporen in verdachtes auto;

de sporen aan de bats.

Het onderscheppen door verdachte van de kaart of brief van [het slachtoffer] aan [betrokkene 2]

8. Gelet op de verschillen in de verklaringen, laat het hof in het midden of [het slachtoffer] een kaart dan wel een brief aan [betrokkene 2] heeft gestuurd.

Het hof leidt uit de desbetreffende bewijsmiddelen af dat [het slachtoffer] vóór de buslichting op 29 november 2001 een kaart/brief heeft gepost aan [betrokkene 2] en dat de adressering juist was. Uit een schrijven van TPG Post blijkt dat in de laatste week van november 2001 de kwaliteitsmeting overkomstduur, uitgevoerd door Intomart, een score heeft opgeleverd van 100%. Dit betekent dat alle proefbrieven gepost in Apeldoorn en bestemd voor woonplaatsen buiten dit gebied, dus ook Bennekom, de volgende dag zijn bezorgd. De kans dat de kaart/brief niet of niet op het juiste adres bezorgd is, acht het hof daarom zo klein dat het er geen twijfel over heeft dat de kaart/brief zich in de brievenbus van [betrokkene 2] bevond. Verdachte heeft verklaard dat hij op 30 november 2001 tot tweemaal toe in de brievenbus van [betrokkene 2] is geweest en ook post in haar brievenbus heeft gezien. Nu [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij zelf de kaart/brief niet - ook niet na 30 november - bij haar post heeft aangetroffen, moet deze op 30 november 2001 in de handen van verdachte zijn gekomen.

Het telefoongesprek met het relatiebemiddelingsbureau daags voor de verdwijning van [het slachtoffer]

9. [Betrokkene 13] heeft verklaard dat [het slachtoffer] had gezegd dat hij aan de persoon van het relatie-bemiddelingsbureau had gevraagd of het de cliënte betrof die hij een kaart had gestuurd en dat die persoon toen tegen [het slachtoffer] zei dat het wel heel toevallig zou zijn als dit niet zo was. Mede in samenhang gezien met de overige bewijsmiddelen moet het verdachte zijn geweest die zich presenteerde als vertegenwoordiger van een relatiebemiddelingsbureau en een afspraak maakte voor een ontmoeting tussen verdachte en - naar het slachtoffer meende - [betrokkene 2] op 4 december 2001 om 18.00 uur."

Voorts heeft het Hof in dat arrest ten aanzien van de voorbedachte raad het volgende overwogen:

"C. Voorbedachte raad

16. Het hof leidt de voorbedachte raad af uit - in onderling verband en samenhang gezien - de volgende feiten en omstandigheden:

de onderschepping van de kaart/brief van [het slachtoffer] door verdachte;

het telefoongesprek met het relatiebemiddelingsbureau daags voor de verdwijning van [het slachtoffer].

De onderschepping van de brief/kaart van [het slachtoffer] door verdachte

17. Zoals hierboven overwogen, acht het hof bewezen dat verdachte de kaart/brief van [het slachtoffer] uit de brievenbus van [betrokkene 2] heeft gehaald. Hij heeft over die kaart/brief die dag noch de volgende dagen (noch nadien) aan [betrokkene 2] verteld. Het hof leidt hieruit af dat verdachte op dat tijdstip wist van de belangstelling van [het slachtoffer] voor [betrokkene 2].

Het telefoongesprek met het relatiebemiddelingsbureau daags voor de verdwijning van [het slachtoffer]

18. Dat verdachte reeds op 3 december 2001 van plan was [het slachtoffer] te laten verdwijnen, leidt het hof onder meer af uit het voorwenden dat de "blind date" een ontmoeting met [betrokkene 2] betrof en uit de omstandigheid dat de persoon aan de telefoon - verdachte - gezegd had dat hij niets aan anderen mocht vertellen. Het kan daarmee niet anders dan dat verdachte [het slachtoffer] heeft gedood "na kalm beraad en rustig overleg", waarvoor immers voldoende is dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven."

5.3 Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad - in deze zaak in de op moord toegesneden tenlastelegging en bewezenverklaring nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" - is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.(16)

5.4 Blijkens de hiervoor onder 5.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof als vaststaand aangenomen dat verdachte op 30 november 2001 een brief/kaart van [het slachtoffer] aan verdachtes (ex-)vriendin [betrokkene 2] heeft onderschept en dus in ieder geval vanaf die dag wist dat het slachtoffer amoureuze gevoelens koesterde voor deze vrouw. Voorts gaat het Hof er van uit dat het tevens verdachte moet zijn geweest die op 3 december 2001 naar [het slachtoffer] heeft gebeld en zich heeft voorgedaan als medewerker van een datingbureau. Dit heeft het Hof afgeleid uit de inhoud van dat gesprek, met name doordat die medewerker op de vraag van [het slachtoffer] of het zich bij de geïnteresseerde cliënte handelde om [betrokkene 2] heeft geantwoord "dat het wel héél toevallig zou zijn indien dat niet het geval zou zijn". Voornoemde vaststellingen heeft het Hof naar mijn mening uit de gebezigde bewijsmiddelen, en dan vooral uit de bewijsmiddelen 10, 12, 13 en 14, kunnen afleiden.

Vervolgens heeft het Hof mede op grond van die vaststellingen de conclusie getrokken dat verdachte reeds op 3 december 2001 het voornemen moet hebben gehad om [het slachtoffer] van het leven te beroven. Dat het verdachte er enkel om te doen zou kunnen zijn geweest om [het slachtoffer] af te houden van zijn avances jegens [betrokkene 2] is, gelet op de wijze waarop verdachte daarbij dan te werk zou zijn gegaan, door het Hof klaarblijkelijk als absurd beschouwd. Daarbij heeft het Hof blijkens de hiervoor onder 5.2 weergegeven overwegingen ook gelet op het feit dat de 'medewerker van het relatiebemiddelingsbureau' tegen [het slachtoffer] heeft gezegd dat hij met niemand over de geplande "blind date" mocht praten. Het oordeel dat verdachte derhalve reeds op dat moment het besluit moet hebben genomen om [het slachtoffer] te vermoorden is niet onbegrijpelijk - verdachte maakt immers door middel van leugens een afspraak waarvan hij niet wil dat deze bij derden bekend wordt - en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

Nu het Hof als vaststaand heeft aangenomen dat verdachte reeds op 3 december 2001 het plan had opgevat om [het slachtoffer] te vermoorden is de overweging van het Hof dat verdachte tussen dát telefoongesprek en de uiteindelijke dood van het slachtoffer voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, geenszins onbegrijpelijk. Het Hof heeft dus kunnen oordelen dat de levensberoving door de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, maar dat voor hem de tijd en de gelegenheid hebben bestaan als hiervoor onder 5.2 bedoeld. Daaruit volgt dan ook dat het oordeel van het Hof dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is.

5.5 Het middel treft geen doel.

6.1 Het vierde en laatste middel behelst allereerst de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft gereageerd op een verweer van de verdediging dat de door KPN verstrekte telefoongegevens betreffende de huisaansluiting van verdachte door verbalisant Hulshof op onjuiste wijze zijn geïnterpreteerd. Voorts wordt in dat middel geklaagd dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd gebruik heeft gemaakt van het rapport van die Hulshof betreffende door KPN telecom verstrekte gegevens omtrent het in- en uitschakelen van sterdiensten (doorschakeling).

6.2 Blijkens de aan het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2004 gehechte pleitnota heeft de raadsman op die zitting onder meer het volgende aangevoerd:

"Dat [verdachte] inderdaad met grote regelmaat zijn vaste telefoon naar zijn mobiele telefoon doorschakelde, blijkt ook het overzicht op pv 1679 e.v. Meer in het bijzonder uit (onder andere) het overzicht op pv 1682 en pv 683. Ik wijs de rechtbank op de gegevens onder het kopje "sterdiensten". Dat betreft de weergave van de gesprekken die in de periode 9 november 2001 tot 6 januari 2002 via de (vaste) telefoon van [verdachte] zijn binnengekomen en - in die gevallen, je kunt immers naar ieder willekeurige telefoon doorschakelen - naar zijn mobiele telefoon zijn doorgeschakeld.

Als het RBT ook van de vaste aansluiting van [verdachte] een zogenaamde B-analyse gemaakt had (inkomende telefoongesprekken) dan had ik u kunnen laten zien op welke momenten de telefoon van [verdachte] doorgeschakeld was en op welke momenten niet. Ik zal proberen om dat op een andere manier aannemelijk te maken en verwijs daarvoor naar de A-analyse (uitgaande telefoongesprekken) van [betrokkene 2] (productie). Op 26 november 2001 heeft zij om 22:09:36 naar [verdachte] gebeld. Als u dan kijkt naar de A-analyse van [verdachte], dan ziet u daar bij de sterdiensten geen registratie op 26 november 2001. Dat betekent dat de telefoon van [verdachte] toen niet doorgeschakeld was. Als het RBT wel een B-analyse gemaakt had, zou dit telefoontje als inkomend telefoontje op de vaste lijn van [verdachte] genoteerd zijn geweest. Ook uit de tapverslagen kan bewijs voor deze stelling geput worden. Ik verwijs u naar pv 1734. Op 31 december 2001 heeft [betrokkene 14] om 13:11:58 telefonisch contact met [verdachte]. Volgens mij belt [betrokkene 14] naar het vaste toestel van [verdachte]. Als u dan kijkt op pv 1638 dan vindt u onder de sterdiensten geen registratie. De telefoon van [verdachte] was op dat moment dus niet doorgeschakeld.

Terzijde merk ik nog op dat het niet voorzien in een B-analyse van het telefoonverkeer van [verdachte] wat mij betreft en blunder van de eerste orde is. Op die manier had een en ander eenvoudig onderzocht kunnen worden, maar wat belangrijker is, dan was er ongetwijfeld ook ontlastende informatie boven water gekomen, of had op z'n minst in kaart gebracht kunnen worden met wie [verdachte] allemaal contact gehad heeft in de onderzochte periode."(17); en

"Als het RBT ook van de vaste aansluiting van [verdachte] een zogenaamde B-analyse gemaakt had (inkomende telefoongesprekken) dan had ik u kunnen laten zien op welke momenten de telefoon van [verdachte] doorgeschakeld was en op welke momenten niet. Ik zal proberen om dat op een andere manier aannemelijk te maken en verwijs daarvoor naar de A-analyse (uitgaande telefoongesprekken) van [betrokkene 2] (productie). Op 26 november 2001 heeft zij om 22:09:36 naar [verdachte] gebeld. Als u dan kijkt naar de A-analyse van [verdachte], dan ziet u daar bij de sterdiensten geen registratie op 26 november 2001. Dat betekent dat de telefoon van [verdachte] toen niet doorgeschakeld was. Als het RBT wel; een B-analyse gemaakt had, zou dit telefoontje als inkomend telefoontje op de vaste lijn van [verdachte] genoteerd zijn geweest. Ook uit de tapverslagen kan bewijs voor deze stelling geput worden. Ik verwijs u naar pv 1734. Op 31 december 2001 heeft [betrokkene 14] om 13:11:58 telefonisch contact met [verdachte]. Volgens mij belt [betrokkene 14] naar het vaste toestel van [verdachte]. Als u dan kijkt op pv 1638 dan vindt u onder de sterdiensten geen registratie. De telefoon van [verdachte] was op dat moment dus niet doorgeschakeld.

Vast staat dus dat [verdachte] zijn telefoon op verschillende momenten wel of niet doorgeschakeld had. Dat kon zelfs op een en dezelfde dag voorkomen. Om te kunnen beoordelen of de telefoon van [verdachte] op enig moment wel of niet doorgeschakeld was, moet men beschikken over een zogenaamd doorschakeloverzicht. Met betrekking tot de telefoon van [verdachte] bestaat dat echter alleen maar voor de datum 20 november 2001 (pv 238). Uit dat overzicht blijkt het volgende:

00:01:06 deactiveren

11:09:26 activeren

12:0726 deactiveren

14:11:27 activeren

14:19:17 deactiveren

Op 20 november 2001 heeft [verdachte] de doorschakeling dus ongedaan gemaakt. Aangezien verdere gegevens ontbreken, kan niet precies vastgesteld worden wanneer de telefoon van [verdachte] doorgeschakeld was. Er kan alleen aan de hand van de A-analyses aangegeven worden of een bepaald telefoongesprek doorgeschakeld was of niet.

Er kan dus niet worden vastgesteld of de telefoon van [verdachte] op 4 december 2001 doorgeschakeld was. [Verdachte] stelt van niet!"(18)

6.3 Het Hof heeft - ter verwerping van het verweer dat verdachte de avond van 4 december 2001 thuis is geweest - als bewijsmiddel 21 een proces-verbaal d.d. 12 maart 2003 met nummer PL0631/03-223632, opgemaakt door verbalisant Hulshof (bijlage van het dossier van de meineedzaak tegen [betrokkene 7]) gebezigd, inhoudende het volgende relaas van verbalisant:

"Blijkens de gegevens verstrekt door KPN telecom, is het telefoonnummer [001] afgegeven aan [verdachte], [a-straat 1] te [plaats] en in gebruik bij verdachte voornoemd. Door KPN telecom zijn inlichtingen verstrekt over het in- en uitschakelen van sterdiensten (doorschakeling) vanaf de vaste aansluiting van de verdachte [verdachte] in de periode van 20 november 2001 tot en met 20 december 2001. Uit de verstrekte gegevens blijkt dat vanaf de telefoonaansluiting [001], slechts op 20 november 2001 een aantal activatie en deactivatie handelingen hebben plaatsgevonden. Uit een analyse van de door KPN telecom verstrekte gespreksgegevens blijkt dat onder de kop "sterdiensten" (blz. 4 en 5) van de bijlage IV, in de periode van 9 november 2001 tot en met 5 januari (lees:) 2002, 45 telefoongesprekken zijn doorgeschakeld vanaf de vaste huisaansluiting van de verdachte [verdachte], naar het telefoonnummer 06-[...]. Dit laatste telefoonnummer is het GSM toestel in gebruik bij [verdachte] voornoemd. De hierboven genoemde periode overlapt de datum van 20 november. De doorschakeling vanaf de vaste telefoonaansluiting van de verdachte [verdachte] naar zijn mobiele nummer moet dus voor 20 november 2001 zijn geactiveerd.

Uit de aangeleverde gegevens vermeld onder de kop "sterdiensten" (bijlage IV) en de gegevens over het in- en uitschakelen van sterdiensten (bijlage VI) kan worden vastgesteld dat de vaste telefoonaansluiting [001] van de verdachte [verdachte], op dinsdag 4 december 2001, stond doorgeschakeld naar zijn GSM toestel 06-[...].

Een als bijlage IV bij voormeld proces-verbaal gevoegd overzicht (tevens opgenomen op p. 1679 e.v. van het proces-verbaal in de zaak tegen verdachte), waarin onder de gespreksgegevens met betrekking tot 4 december 2001(alleen) wordt vermeld onder het kopje "sterdiensten" als tijdstip: "11:20:46"."

6.4 Voorts heeft het Hof in een nadere bewijsoverweging onder het hoofd "II. Opmerkingen over de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachte" onder meer het volgende overwogen:

"Het alibi van verdachte

28. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat hij op de avond van 4 december 2001 door een persoon genaamd [betrokkene 5] naar huis is gebracht waar hij om 18.19 uur is aangekomen, waarna hij tot ca. 20.30 uur met [betrokkene 7] gegeten heeft, toen hij op zijn vaste aansluiting is gebeld door "[betrokkene 5]".

Het hof acht deze verklaring niet aannemelijk omdat deze ongeloofwaardig is. In verdachtes lezing is dit gekoppeld aan zijn verhaal over de "detective". Dit verhaal acht het hof, zoals eerder overwogen, ongeloofwaardig. Daar komt bij dat uit een overzicht van het telefoonverkeer op de avond van 4 december 2001 blijkt dat er rond het door verdachte genoemde tijdstip geen telefoontje heeft plaatsgevonden. De verklaring van verdachte komt bovendien niet overeen met de door het hof betrouwbaar geachte verklaring die [betrokkene 7] op 28 januari 2002 heeft afgelegd dat zij verdachte op 4 december 2001 niet heeft gezien en/of gesproken."

6.5 Het Hof heeft voornoemd proces-verbaal dus gebezigd ter weerlegging van het verweer dat verdachte - kort gezegd - in de avond van 4 december 2001 thuis is geweest en niet in de bossen van Dronten. Ik moet de steller van het middel gelijk geven voorzover hij stelt dat de uit de telefoonanalyses voortgekomen gegevens verre van duidelijk en overzichtelijk zijn.(19) Gelet op het uitgebreide verweer dat de raadsman omtrent die gegevens heeft gevoerd had het het Hof niet misstaan als het nader had gemotiveerd waarom het de door verbalisant Hulshof op schrift gestelde analyse van dat telefoonverkeer toch betrouwbaar acht. Vraag is of dit consequenties moet hebben voor de door het Hof gebezigde bewijsconstructie. Ik denk dat dit niet zo is. Het Hof heeft immers uitdrukkelijk overwogen dat het de verklaring van [betrokkene 7], inhoudende dat zij in de avond van 4 december 2001 niet bij verdachte thuis is geweest, betrouwbaar acht.(20) Voorts heeft het Hof uitvoerig en niet onbegrijpelijk gemotiveerd waarom het verdachtes (diverse varianten van het) "detective-verhaal" - en dus ook het bestaan van de detective, [betrokkene 5] en [betrokkene 6] - niet geloofwaardig acht.(21) Uit het voormelde volgt derhalve kort gezegd dat - in het feitelijke scenario dat door het Hof is vastgesteld - verdachte op de avond van 4 december 2001 tijdens een ontmoeting die niet heeft plaatsgehad zou zijn gebeld door een niet bestaande persoon. Reeds daarom lijkt mij het ontbreken van een analyse van de op verdachtes vaste telefoonlijn inkomende gesprekken (een zogenaamde B-analyse) geen afbreuk doen aan de bewijsconstructie. Daarbij verdient nog opmerking dat uit de stukken niet kan volgen dat door de raadsman op enig moment in de procedure is gevraagd of een dergelijke B-analyse niet alsnog kan worden uitgevoerd of dat hij heeft verzocht om verbalisant Hulshof op de zitting als getuige te horen. Dit had toch voor de hand gelegen indien de raadsman de betrouwbaarheid van dat onderzoeksmateriaal nader had willen toetsen.

6.6 Tot slot: voorzover in het middel wordt geklaagd dat niet duidelijk is wat het Hof heeft bedoeld met zijn overweging "Ondanks alle inspanningen van de politie zijn ook overigens geen gegevens gevonden die (een van) de lezingen van verdachte kunnen bevestigen" moet nog het volgende worden vermeld. Die overweging is te vinden in de bewijsoverweging van het Hof die met name betrekking heeft op het aanzienlijk aantal personen (waaronder de detective, [betrokkene 5] en [betrokkene 6]) die door de verdachte in verband zijn gebracht met het verdwijnen van [het slachtoffer].(22) Ondanks de nogal vage verklaringen van verdachte omtrent die verschillende personen - verdachte weet van die personen immers geen (correcte) achternamen en in het geval van [betrokkene 6] niet eens de echte voornaam, maar slechts een zelfverzonnen bijnaam - heeft de politie zich ingespannen om die personen te traceren. Naar de privé-detective, die volgens verdachte een ex-politieman is, is bij alle politieregio's en daarmee gelinkte organisaties navraag gedaan. Niet bleek echter dat een persoon genaamd [betrokkene 4] of iemand met een soortgelijke naam ondertussen als detective werkzaam was.(23) Voorts zijn in ieder geval van de detective en [betrokkene 5] compositiefoto's gemaakt, hetgeen niet tot een identificatie van een van die personen heeft geleid.(24) Uit het voorgaande volgt dat er dus wel degelijk inspanningen zijn verricht om de door verdachte beschreven personen te achterhalen, maar dat dit - met name gelet op de minimale informatie die verdachte omtrent die personen wist aan te dragen - niet tot enig bruikbaar resultaat heeft geleid. Al met al lijkt mij dat de politie noch het Hof kan worden verweten dat zij verdachtes verhaal omtrent zijn belevenissen met de detective, [betrokkene 5] en [betrokkene 6] te snel van tafel zouden hebben geveegd.

6.8 Ook dit middel faalt derhalve.

7. Alle vier de middelen zijn tevergeefs voorgesteld.

8. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 G.J.M. Corstens, 'Het Nederlands strafprocesrecht, 4e druk, p. 666.

2 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e druk, p. 197.

3 Zie bewijsmiddel 10.

4 Het feit dat (een deel van) die broekriem en een stuk nylonkoord in de nabijheid van het hoofd van [het slachtoffer] is aangetroffen levert een indicatie op dat een van de twee of beide mogelijk het moordwapen zou(den) kunnen zijn. Kennelijk kon dit evenwel niet worden vastgesteld.

5 Bewijsmiddelen 7, 8 en 9.

6 Zie de bewijsmiddelen 10 en 11.

7 Bewijsmiddelen 5 en 6.

8 Voor de bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg door verdachte vertelde varianten van dit verhaal zie het bestreden arrest onder "II. Opmerkingen over de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachte".

9 G.J.M. Corstens, 'Het Nederlands strafprocesrecht, 4e druk, p. 666.

10 Zie hieromtrent het proces-verbaal nr. 0620 01-320705, als bijlage gevoegd in het dossier met nr. PL0620 02-201720.

11 Verdachte wilde overigens niet meewerken aan een Oslo-confrontatie met de getuige [betrokkene 3], omdat hij vond dat hij niet voldeed aan het door haar opgegeven signalement. Zie diens verklaring in het proces-verbaal van de zitting d.d. 18 maart 2004, p. 9.

12 Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is mr. Van Voorthuizen voor verdachte opgetreden.

13 Zie het proces-verbaal van het verhoor van de getuige [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris d.d. 5 april 2004, RC-nr. 03/656.

14 Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 november 2003 verklaard omtrent een ontmoeting met ene "[betrokkene 9]", die in de tweede helft van oktober/begin november 2001 tijdens een bespreking betreffende een wijnaankoop kort in zijn auto zou hebben gezeten. Volgens verdachte is het zeer wel mogelijk dat deze "[betrokkene 9]" [het slachtoffer] is geweest, en dat diens bloed tijdens díe ontmoeting in verdachtes auto terecht is gekomen.

15 Zie het bestreden arrest onder "II. Opmerkingen over de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachte".

16 Vgl. HR 22 februari 2002, LJN AR5714, HR 11 juni 2002, LJN AE1743 en HR NJ 2000, 605.

17 Zie p. 23 van de in hoger beroep overgelegde pleitnota.

18 Zie p. 57 van de in hoger beroep overgelegde pleitnota.

19 Zie omtrent die telefoongegevens Hoofdstuk VIII (Telecommunicatie) van het proces-verbaal van het "Dating-team", nr. PL620/02-201720.

20 [Betrokkene 7] heeft overigens bij de rechter-commissaris d.d. 9 december 2002 onder meer verklaard dat zij wél op de avond van 4 december 2001 bij verdachte op bezoek is geweest. Voor onder meer de op dit punt afgelegde verklaring is zij bij (volgens de A-G in zijn requisitoir in de zaak [verdachte] ondertussen onherroepelijk geworden) vonnis van de Politierechter d.d. 11 juni 2003 voor meineed veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur subsidiair 25 dagen hechtenis.

21 Zie het bestreden arrest onder "II. Opmerkingen over de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachte".

22 Zie het bestreden arrest op p. 10 onder "ii. Het ontbreken van een (aannemelijke) bevestiging in andere, verifieerbare gegevens".

23 Zie omtrent het onderzoek naar de identiteit van [betrokkene 4] het dossier van het "Dating-team" met nr. PL0620/02-201720, p. 278-279.

24 Zie omtrent de gemaakte compositiefoto's het dossier van het "Dating-team", p. 1925-1940.