Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT5575

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-09-2005
Datum publicatie
09-09-2005
Zaaknummer
R04/139HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT5575
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

9 september 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/139HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. J. Groen, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. C. Vidor. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 464
JWB 2005/291
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R04/139HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 13 mei 2005

Conclusie inzake:

[de vrouw]

tegen

[de man]

Het cassatiemiddel heeft betrekking op de vaststelling van partneralimentatie.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (hierna: de man) zijn op 21 juni 1996 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is in 1998 een dochter geboren.

1.2. Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen 14 oktober 2002, heeft de vrouw aan de rechtbank te Amsterdam verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en kinderalimentatie vast te stellen. De man heeft verweer gevoerd en heeft van zijn kant verzocht een omgangsregeling te bepalen en ten laste van de vrouw een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud vast te stellen ten bedrage van € 800,- per maand.

1.3. Bij beschikking van 17 september 2003 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken, een omgangsregeling vastgesteld en met betrekking tot de alimentatie een bewijsopdracht aan de man gegeven. De echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 2 februari 2004. Bij beschikking van 3 maart 2004 heeft de rechtbank het verzoek om kinderalimentatie afgewezen en voorts bepaald dat de vrouw € 800,- per maand aan de man moet betalen als uitkering tot zijn levensonderhoud.

1.4. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij beschikking van 30 september 2004 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

1.5. Namens de vrouw is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De man heeft in cassatie verweer gevoerd(1).

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het cassatiemiddel heeft uitsluitend betrekking op de partneralimentatie. Ingevolge art. 1:397 lid 1 BW wordt bij de vaststelling van alimentatie enerzijds rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon. Eerder is al beslist dat de rechter bij het vaststellen van de behoeften zich niet behoeft te beperken tot het bedrag dat de alimentatiegerechtigde nodig heeft om in leven te blijven, zoals de bijstandsnorm. De rechter mag bij het bepalen van de behoeften van de alimentatiegerechtigde mede in aanmerking nemen de welstand waarin partijen tijdens het huwelijk hebben geleefd(2).

2.2. In HR 19 december 2003, NJ 2004, 140 werd onder meer overwogen:

"In de eerste plaats betoogt het middel dat de behoefte van de vrouw in overeenstemming met de welstand waarin partijen hebben geleefd, niet dient te worden afgeleid uit het inkomen dat partijen gedurende de laatste jaren van hun huwelijk hadden, doch dient te worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen tijdens hun huwelijk uitgaven. Dit betoog kan echter in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard. De rechter moet immers bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte rekening houden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd." (rov. 3.4)

De rechter kan niet volstaan met een onderzoek naar de welstand in het verleden. Hij zal ook rekening moeten houden met de (door het verbreken van de samenwoning gewijzigde) actuele situatie waarin partijen verkeren. Kennelijk met het oog daarop heeft de Hoge Raad aan het voorgaande toegevoegd:

"De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld."

2.3. Onderdeel a bestrijdt het oordeel dat de man behoefte heeft aan een aanvullende uitkering tot zijn levensonderhoud. Het richt een rechtsklacht tegen de slotzin van rov. 4.2, waarin het hof verwerpt "hetgeen de vrouw in dit verband heeft aangevoerd met betrekking tot het huwelijksvermogensregime en de bestedingen ten tijde van het huwelijk in de vorm van het plegen van investeringen in de woning te Assendelft".

2.4. De vrouw had in hoger beroep aangevoerd dat partijen op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en zonder dat een verrekenbeding van toepassing is. Slechts de kosten van de gemeenschappelijke huishouding werden gedeeld. Grief I in hoger beroep hield als primair standpunt van de vrouw in, dat op grond van de huwelijkse voorwaarden elk van partijen na de beëindiging van het huwelijk is aangewezen op zijn eigen inkomsten, zodat er geen grond is voor het opleggen van enige partneralimentatie. Subsidiair heeft de vrouw aangevoerd dat voor de beoordeling van de welstand tijdens het huwelijk slechts de gemeenschappelijke huishouding maatgevend behoort te zijn zodat de eigen (financiële) huishoudens van partijen buiten beschouwing dienen te blijven(3). Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens de vrouw betoogd dat de bedragen welke de vrouw gedurende het huwelijk aan haar eigen vermogen heeft toegevoegd niet mogen worden betrokken bij de vaststelling van de welstand waarin partijen tijdens het huwelijk leefden(4). Rov. 4.2 is te beschouwen als 's hofs reactie op deze stellingname.

2.5. Zoals het hof in rov. 4.2 terecht vooropstelt, vindt de verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud haar grondslag niet in de huwelijkse voorwaarden, maar in de levensgemeenschap zoals die door het huwelijk is geschapen(5). De rechter dient bij het vaststellen van de behoeften van de alimentatiegerechtigde weliswaar op alle omstandigheden te letten, maar de behoeften, als zodanig, staan los van de verplichtingen die partijen jegens elkaar ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden. Voor de bepaling van de behoeften van de alimentatiegerechtigde is niet beslissend wie van beide echtgenoten de welstand, waarin de man en de vrouw tijdens het huwelijk hebben geleefd, heeft bekostigd: er is immers sprake van een levensgemeenschap. Overigens is het niet ongebruikelijk in echtelijke betrekkingen dat de ene partner in financieel opzicht het meeste bijdraagt, terwijl de andere partner - de eerstgenoemde partner daartoe in staat stelt doordat hij of zij - de huishouding en/of de verzorging van de kinderen op zich neemt. Tezamen dragen beide echtgenoten dan bij aan het door hen bereikte welstandsniveau: de een door middel van betaalde arbeid, de ander door middel van onbetaalde arbeid. Dit geldt ook ten aanzien van het woongenot van de echtelijke woning.

2.6. Het hof heeft uitdrukkelijk rekening gehouden met het welstandsniveau tijdens het huwelijk, de duur van het huwelijk en het verschil in inkomens tijdens het huwelijk. Het hof heeft mede gelet op het gegeven dat de man ook al tijdens het huwelijk (slechts) part-time werkte. De omstandigheid dat de vrouw privé-geld heeft geïnvesteerd in de woning kan van belang zijn voor de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling, maar leidt niet tot de gevolgtrekking dat het welstandsniveau niet mede wordt bepaald door het gebruik dat partijen van de echtelijke woning maakten (het woongenot). In het middelonderdeel (blz. 6) wordt in dit verband nog verwezen naar rov. 3.5.2 van de beschikking van HR 19 december 2003. Daar ging het om een motiveringsgebrek, verband houdend met een gesteld verschil tussen privé-opnamen uit het bedrijf en privébestedingen. Een dergelijk verschil is in het huidige geding niet aan de orde.

2.7. Aan het slot van het middelonderdeel wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is waarom het hof het fotomateriaal omtrent de staat van onderhoud van de woning en de getuigenverklaringen omtrent de geringe welstand tijdens het huwelijk heeft genegeerd(6). De vrouw had in hoger beroep aangevoerd dat sprake was van een slechte staat van onderhoud van de echtelijke woning, van oud en gebrekkig meubilair en dat ook verder sprake was van "eenvoudige leefomstandigheden"; de overgelegde schriftelijke verklaringen en foto's dienden ter ondersteuning van die stelling.

2.8. Waar het hof overweegt dat het mede heeft gelet op het welstandsniveau, gaat het om de levensstandaard van partijen tijdens hun huwelijk, dus om een globaal inzicht in het uitgavenpatroon. Ook de mogelijkheid van vermogensvorming mag in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De staat waarin de woning verkeert kan voor de rechter een aanwijzing opleveren bij het vaststellen van de levensstandaard, maar is (naast bijv. uitgaven voor voeding, kleding, vakanties, de mate waarin gebruik wordt gemaakt van diensten van derden, enz.) slechts één van de vele factoren. De vaststelling en de weging van feiten en omstandigheden met betrekking tot de behoeften van de alimentatiegerechtigde zijn, naar vaste rechtspraak, voorbehouden aan het hof als de rechter die over de feiten oordeelt; zij zijn daarmee grotendeels onttrokken aan de toetsing in cassatie. De bestreden beslissing is m.i. toereikend gemotiveerd. Met name behoefde het hof niet in detail aan te geven in hoeverre de onderhoudstoestand van de woning het welstandsniveau, waarvan bij het vaststellen van de behoeften is uitgegaan, heeft bepaald. De rechter die over de feiten oordeelt heeft de vrijheid om hierbij bewijsmateriaal dat naar zijn oordeel onvoldoende van belang is terzijde te leggen. Slechts ten overvloede merk ik op dat de in het middel bedoelde schriftelijke verklaringen tot ondersteuning veeleer kwalificaties dan feitelijke informatie bevatten, zodat niet onbegrijpelijk is te achten dat het hof in zijn beschikking niet meer met zoveel woorden op de inhoud van die verklaringen is ingegaan.

2.9. Onderdeel b komt gedeeltelijk neer op een herhaling van onderdeel a. Het middelonderdeel geeft twee voorbeelden van kosten die de vrouw uit haar eigen inkomen bestreed. Het eerste voorbeeld is de echtelijke woning. Voor zover de vrouw hiermee wil zeggen dat het door haar in de woning geïnvesteerde geld niet mag meetellen bij de bepaling van het welstandsniveau waarin partijen leefden, faalt de klacht op de hiervoor genoemde gronden. Als tweede voorbeeld noemt het middelonderdeel de kosten van de paardensport, die de vrouw tijdens het huwelijk beoefende. Uit de bestreden beschikking valt echter niet op te maken dat het welstandsniveau, waarop het hof in rov. 4.2 doelt, mede is bepaald door die kosten. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

2.10. Aan het slot van onderdeel b wordt geklaagd over onbegrijpelijkheid van de vaststelling (in rov. 2) dat de man € 400 aan huur betaalt inclusief kosten van energie. De vrouw klaagt dat dit oordeel niet door bewijsstukken wordt ondersteund. Reeds in eerste aanleg was dit een punt van geschil. De rechtbank heeft vastgesteld dat de man, die in een huis van zijn broer woont, een huurovereenkomst d.d. 26 april 2002 (volgens de man te lezen als: 26 april 2003) heeft overgelegd, waaruit de gestelde huurprijs van € 400,- blijkt(7). In hoger beroep heeft de vrouw deze huurovereenkomst bestreden als ongeloofwaardig; zij heeft gesteld dat de man gratis in een zomerhuis van zijn broer woont(8). De man heeft hiertegenover gesteld dat hij € 400 per maand betaalt(9). Het hof heeft bij de berekening van de behoeften van de man vastgehouden aan een huur van € 400 per maand. De feitelijke juistheid van dit oordeel kan in een cassatieprocedure niet worden onderzocht. Onbegrijpelijk is het oordeel niet: het hof heeft bij de vaststelling van de woonlasten klaarblijkelijk mede betekenis toegekend aan de huurovereenkomst waaruit de verplichting van de man tot betaling van dit bedrag blijkt. Onderdeel b leidt om deze redenen niet tot cassatie.

2.11. Onderdeel c bevat een motiveringsklacht, gericht tegen rov. 4.4. Het hof overweegt dat van de man op dit moment niet kan worden verwacht dat hij vijf dagen per week gaat werken. Het hof wijst op de omstandigheid dat de man reeds gedurende langere tijd vier dagen per week werkt, dat hij reuma heeft en bovendien een woensdag per veertien dagen omgang heeft met het minderjarige kind van partijen. Het middel acht dit oordeel onbegrijpelijk.

2.12. Het hof heeft hier kennelijk bedoeld dat partijen tijdens hun huwelijk hebben aanvaard dat de man slechts vier dagen per week werkt, mede in verband met zijn reuma en de zorg voor het kind, en dat op dit moment - waarop de reuma nog steeds aanwezig is en de man op één weekdag (zij het niet meer elke week, maar slechts om de week) de zorg voor het kind draagt - de vrouw niet van de man kan vergen dat hij zijn werktijd uitbreidt van vier tot vijf dagen per week. Daarmee heeft het hof aan zijn motiveringsverplichting voldaan. De redengeving kan de beslissing van het hof dragen. Ook de vrouw zelf werkt vier dagen per week. De door haar aangevoerde omstandigheid dat zij minder dan vier dagen per week zou willen werken doch dit niet kan doen omdat zij de kost voor zichzelf en voor haar (inmiddels) twee kinderen moet verdienen en ook nog eens € 800,- partneralimentatie moet betalen, noopte het hof niet tot een ander oordeel. De beslissing betreft uitsluitend het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op behoefte en draagkracht naar voren gebrachte omstandigheden en behoefde geen nadere motivering.

2.13. Onderdeel d is gericht tegen rov. 4.8, waarin het hof overweegt bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw geen rekening te zullen houden met een reservering van gelden ter bestrijding van toekomstige studiekosten van het kind van partijen. Het middel bestrijdt dit oordeel als onbegrijpelijk.

2.14. Ook deze klacht treft geen doel. Het hof heeft als reden van zijn beslissing opgegeven dat de vrouw op dit moment nog geen kosten maakt voor de studie van het kind. Die overweging verschaft voldoende inzicht in de gronden waarop de beslissing berust. Het hof was in het kader van de beoordeling van de draagkracht niet verplicht aan de reservering voor toekomstige studiekosten een hogere prioriteit toe te kennen dan aan de onderhoudsplicht jegens de man. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie ingevolge het bepaalde in art. 1:157 lid 4 BW eindigt op 2 februari 2016, dus vóórdat de dochter van partijen de leeftijd van 18 jaar zal hebben bereikt(10).

2.15. Onderdeel e richt een motiveringsklacht tegen rov. 4.9, waarin het hof overweegt dat het bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw geen rekening houdt met de door de vrouw opgevoerde representatiekosten. Het middel bestrijdt dit oordeel als onbegrijpelijk.

2.16. De rechtbank heeft de kosten van kleding, schoeisel en kapper van de vrouw begrepen geacht in het basisbedrag voor noodzakelijk levensonderhoud (de zgn. bijstandsnorm). De rechtbank heeft niet aannemelijk geacht dat de vrouw voor haar werk zodanig bijzondere representatiekosten heeft dat daarmee afzonderlijk rekening gehouden moet worden. De vrouw heeft in hoger beroep gesteld dat zij in verband met haar functie gemiddeld € 265,- per maand kosten heeft voor representatie (kleding, schoeisel en kapper) en dat in de bijstandsnorm daarmee geen rekening is gehouden. Het hof motiveert zijn andersluidende oordeel door erop te wijzen dat de vrouw hiervoor van haar werkgever een vergoeding ontvangt(11) en dat zij voor het overige het ter zake van deze kosten opgevoerde maandbedrag onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Deze motivering behoefde geen nadere uitwerking om begrijpelijk te zijn. Onderdeel e treft geen doel.

2.17. Onderdeel f is gericht tegen rov. 4.11, waarin het hof het verzoek van de vrouw afwijst om de alimentatieverplichting te beperken tot een periode van ten hoogste drie jaren. Het onderdeel, dat blijkens zijn tekst op een eigen appreciatie berust, voldoet niet aan de minimumvereisten die art. 426a lid 2 Rv aan een cassatiemiddel stelt.

2.18. Het middel noopt m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het verweerschrift in cassatie verwijst op blz. 5 naar de daarbij gevoegde bijlagen (bankafschriften en belastingaangifte). De Hoge Raad kan op die nieuwe bewijsstukken geen acht slaan. In een cassatieprocedure worden de feiten niet opnieuw onderzocht: art. 429 lid 2 i.v.m. art. 419 leden 2 en 3 Rv.

2 Zie onder meer: HR 12 februari 1988, NJ 1988, 945; HR 3 december 1999, NJ 2000, 183; Asser-De Boer (2002) nr. 622.

3 Verzoekschrift in appel, blz. 3.

4 Proces-verbaal van de terechtzitting in appel, blz. 3.

5 Zie o.m. HR 9 februari 2001, NJ 2001, 216 m.nt. SFMW.

6 Het middel doelt hier op de schriftelijke verklaringen, overgelegd bij het verzoekschrift van de vrouw in appel (zie haar stelling op blz. 4, in verbinding met de bijlagen). De foto's waren reeds bij gelegenheid van de terechtzitting in eerste aanleg als productie 9 overgelegd.

7 Eindbeschikking, blz. 3.

8 Verzoekschrift in appel, blz. 7.

9 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep, blz. 3.

10 Tussen haar 18e en haar 21e kan de dochter zich rechtstreeks tot haar ouders wenden: HR 14 mei 2004, NJ 2004, 371.

11 In de salarisstroken van de vrouw (juni, juli, augustus 2004) is een "representatiekostenvergoeding" opgenomen ten bedrage van € 124,88 per maand.