Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT5574

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-11-2005
Datum publicatie
04-11-2005
Zaaknummer
R04/136HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT5574
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, beëindiging van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 354 lid 1 F. zonder aan de schuldenaar de “schone lei” te verlenen, niet-nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F.), informatieplicht schuldenaar omtrent een vóór het toelatingsverzoek begaan strafbaar feit en de daarop gevolgde veroordeling in het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 615
NJ 2006, 135
JWB 2005/372
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R04/136HR

mr. Keus

Parket, 13 mei 2005

Conclusie inzake

[verzoekster]

Ten aanzien van [verzoekster] is de toepassing van de schuldsaneringsregeling zonder verlening van de "schone lei" beëindigd. Naar het oordeel van het hof heeft [verzoekster] onvolledige informatie verschaft over het feit dat zij in Frankrijk strafrechtelijk werd vervolgd, welke vervolging tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling in een onherroepelijke veroordeling tot een geldboete van € 21.342,87 en een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar resulteerde. In cassatie is aan de orde of het hof buiten de rechtsstrijd is getreden door de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen op andere gronden dan de rechtbank heeft gehanteerd en dan de rechter-commissaris en de bewindvoerder aan hun adviezen tot beëindiging ten grondslag hebben gelegd. Voorts is aan de orde of het hof op begrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat [verzoekster] onvolledige informatie heeft verschaft, nu zij ook zelf als gevolg van de postblokkade niet over de desbetreffende informatie beschikte.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Na een op diezelfde dag gehouden mondelinge behandeling, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2001 ten aanzien van [verzoekster] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Op 22 juli 2004 heeft de verificatievergadering en de behandeling van het saneringsplan plaatsgehad. Daarvan is eveneens proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal is het volgende opgenomen:

"De bewindvoerder verklaart, kort zakelijk weergegeven:

"schuldenares is in Frankrijk strafrechtelijk veroordeeld en heeft een boete van € 22.000,- opgelegd gekregen. Dit is een definitieve uitspraak. Deze kwestie is tijdens de regeling via de postblokkade aan het licht gekomen. Er ligt thans een uitleveringsverzoek van Frankrijk(1). Tot op heden ben ik niet op de hoogte gesteld van de stand van zaken. De Franse advocaat van schuldenares wil mij geen informatie verstrekken. De straf is niet tijdens de regeling uitgevoerd. Mijns inziens is hierdoor de boedel niet benadeeld en de voortgang van de schuldsaneringsregeling niet in gevaar gekomen."

Schuldenares verklaart, kort zakelijk weergegeven:

"ik heb vóór datum schuldsanering, in juni 2000, drugs naar Frankrijk gesmokkeld. Ik ben hiervoor opgepakt. Ik weet ook niet wat de stand van zaken is. Ik heb al lange tijd niets meer van mijn advocaat vernomen".

De rechter-commissaris heeft tijdens de zitting van 22 juli 2004 bepaald dat de behandeling van het saneringsplan en van de beëindiging op 4 augustus 2004 "pro forma" zal plaatsvinden. Bij faxbericht van 3 augustus 2004 aan de rechter-commissaris heeft de bewindvoerder zijn advies tot verlening van de "schone lei" gehandhaafd. Op 4 augustus 2004 heeft de rechter-commissaris een verslag als bedoeld in art. 337 lid 1 Fw uitgebracht. In zijn verslag heeft de rechter-commissaris geadviseerd geen "schone lei" te verlenen, nu de schuld van circa € 22.000,- (die volgens het faxbericht van de bewindvoerder geen strafrechtelijke boete maar een invoerheffing betreft) ten tijde van de schuldsaneringsregeling is ontstaan en derhalve als nieuwe schuld wordt aangemerkt. Daarnaast heeft [verzoekster] volgens het verslag van de rechter-commissaris bij de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet gemeld dat zij in Frankrijk een strafbaar feit had gepleegd. Op 22 september 2004 heeft vervolgens een inhoudelijke behandeling ten overstaan van de rechtbank plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt. Uit het proces-verbaal blijkt dat de bewindvoerder ter zitting alsnog heeft geadviseerd de "schone lei" aan [verzoekster] te onthouden.

1.2 Bij vonnis van 29 september 2004 heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling beëindigd en vastgesteld dat schuldenares in de nakoming van één of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, zodat geen "schone lei" wordt verleend. De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat [verzoekster] een nieuwe bovenmatige schuld heeft laten ontstaan, nu het gerechtshof in Parijs haar in 2002 tot het betalen van een bedrag van € 22.000,- heeft veroordeeld.

1.3 [Verzoekster] heeft hoger beroep bij het hof Amsterdam ingesteld. Het hof heeft, nadat op 23 november 2004 een mondelinge behandeling had plaatsgehad (waarvan proces-verbaal is opgemaakt), bij arrest van 7 december 2004 de uitspraak waarvan beroep bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof dat [verzoekster] tijdens de loop van de schuldsaneringsregeling bij onherroepelijk geworden arrest wegens de invoer van LSD in Frankrijk tot een langdurige gevangenisstraf en een zeer aanzienlijke geldboete (€ 21.342,87; zie rov. 2.4) is veroordeeld, zonder dat zij de bewindvoerder daaromtrent - zoals op haar weg had gelegen - aanstonds en volledig heeft ingelicht. Zulks levert volgens het hof een zodanig - verwijtbaar - tekortschieten in de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen op, dat de rechtbank deswege terecht de regeling heeft beëindigd zonder aan [verzoekster] de zogenoemde "schone lei" te verlenen (rov. 2.6).

1.4 [Verzoekster] heeft tijdig(2) cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel bevat een inleiding en geen klachten. Het tweede onderdeel houdt in dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door zijn beslissing te baseren op de schending van een informatieverplichting door [verzoekster], nu die tekortkoming noch door de bewindvoerder, noch door de rechter-commissaris aan de gevorderde beëindiging ten grondslag is gelegd en partijen daarover ook niet hebben gedebatteerd. Het advies van de rechter-commissaris strekte ertoe de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] te beëindigen op de grond dat zij een nieuwe bovenmatige schuld had laten ontstaan, welk advies de rechtbank heeft gevolgd. In hoger beroep is over deze beëindigingsgrond verder gedebatteerd, zodat het hof partijen volgens het onderdeel heeft verrast, althans buiten hun rechtsstrijd is getreden, door de schuldsaneringsregeling op grond van de niet-nakoming van een informatieplicht beëindigd te achten.

2.2 Bij de behandeling van het onderdeel stel ik voorop dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] op grond van art. 352 Fw is beëindigd en dat daarbij op de voet van art. 354 Fw is beoordeeld of van een tekortkoming sprake is en zo ja, of deze aan [verzoekster] kan worden toegerekend. De termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht was, is op 2 april 2004 verlopen(3). Anders dan het onderdeel lijkt te veronderstellen (het onderdeel spreekt van een - door de bewindvoerder en de rechter-commissaris - "gevorderde beëindiging"), was van een tussentijdse beëindiging op grond van art. 350 Fw (die onder meer op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder, maar ook ambtshalve kan plaatsvinden) derhalve geen sprake. De (zonodig ambtshalve door de rechtbank te bepalen) zitting als bedoeld in art. 352 Fw, waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling na ommekomst van de daarvoor vastgestelde termijn wordt behandeld, strekt er vooral toe dat de rechtbank toetst of de schuldenaar toerekenbaar in de nakoming van een uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting is tekortgeschoten (art. 354 lid 1 Fw) en of een eventuele toerekenbare tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing kan blijven (art. 354 lid 3 Fw)(4). Daarbij is de rechtbank niet van enige voordracht van de rechter-commissaris of verzoek van de bewindvoerder afhankelijk.

Voor zover het onderdeel betoogt dat de rechtbank is gebonden aan het in art. 353 Fw bedoelde verslag van de bewindvoerder, in die zin dat zij niet anders of op andere gronden dan de bewindvoerder zou mogen oordelen dat de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, gaat het uit van een rechtsopvatting die in de wet geen steun vindt. Hetzelfde geldt voor zover het onderdeel is gebaseerd op de gedachte dat de rechtbank zou zijn gebonden aan de opvattingen van de rechter-commissaris aangaande de wijze waarop de schuldenaar zich van de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen heeft gekweten. Daarbij verdient het overigens opmerking dat het verslag van de rechter-commissaris van 4 augustus 2004 op grond van art. 337 lid 1 Fw werd uitgebracht, dat een dergelijk verslag betrekking heeft op hetgeen in de verificatievergadering aan de orde is geweest en dat daaraan in de wettelijke systematiek in het bijzonder betekenis toekomt met het oog op de in art. 335 Fw opgesomde onderwerpen, waarover de rechtbank in de op de verificatievergadering volgende zitting dient te beslissen.

2.3 Overigens mist het onderdeel feitelijke grondslag, waar het betoogt dat de informatieverplichting van [verzoekster] tijdens de behandeling in de feitelijke instanties niet aan de orde is geweest. Niet alleen heeft de rechter-commissaris in zijn verslag op grond van art. 337 Fw gereleveerd dat de schuldenares bij de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet heeft gemeld dat zij (in Frankrijk) een strafbaar feit had gepleegd, ook is deze omstandigheid blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal (zie p. 3 en 4) tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aan de orde geweest. Van een verrassingsbeslissing, zoals aan het slot van het onderdeel bedoeld, is daarom geen sprake.

2.4 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 2.6. Het voert aan dat de daarin vervatte beslissing onjuist is, voor zover het hof heeft geoordeeld dat [verzoekster] toerekenbaar in haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten door de bewindvoerder niet over de inhoud van het Franse arrest in te lichten, niettegenstaande de omstandigheid dat [verzoekster] door toedoen van de ingevolge de schuldsanering ingestelde postblokkade daartoe niet in staat kon zijn geweest. Volgens het onderdeel heeft het hof aldus miskend dat het niet nakomen van een verplichting in een overmachtsituatie geen toerekenbare tekortkoming in de zin van art. 354 Fw oplevert. Voor zover het hof dit niet zou hebben miskend en ervan zou zijn uitgegaan dat [verzoekster] de bewindvoerder eerder over het onherroepelijk geworden Franse strafarrest had kunnen inlichten, is, nog steeds volgens het onderdeel, het oordeel van het hof in het licht van de gedingstukken en van hetgeen daaruit over de postblokkade blijkt, onbegrijpelijk. Het onderdeel wijst er in dit verband op dat de bewindvoerder zelf tijdens de verificatievergadering heeft verklaard dat hem via de postblokkade bekend was geworden dat verzoekster in Frankrijk onherroepelijk strafrechtelijk was veroordeeld. Voorts wijst het onderdeel erop dat [verzoekster], eveneens tijdens de verificatievergadering, heeft verklaard dat ook zij niet wist welke de stand van zaken was en dat zij al geruime tijd niets meer van haar advocaat had vernomen. Het onderdeel betoogt dat, gegeven deze verklaringen, in cassatie - minst genomen veronderstellenderwijze - kan worden aangenomen dat [verzoekster] door de postblokkade niet eerder dan de bewindvoerder op de hoogte was of kon zijn van de inhoud van het Franse arrest. In dit verband is volgens het onderdeel mede van belang dat de bewindvoerder in zijn verslag van 19 november 2004 aan het hof heeft opgemerkt dat verzoekster bij het eerste intake-gesprek met de bewindvoerder wel aan de orde heeft gesteld dat zij in Frankrijk strafechtelijk werd vervolgd, maar dat de bewindvoerder daaraan niet onmiddellijk gevolgen heeft verbonden, al werd de kwestie wel in de openbare verslagleggingen aan de rechter-commissaris gemeld(5).

2.5 In rov. 2.6 heeft het hof voorop gesteld dat [verzoekster] ter zitting van de rechtbank van 2 april 2001 (waarop haar verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling werd behandeld) niet heeft gemeld dat zij in juni 2000 op verdenking van invoer van LSD in Frankrijk was aangehouden en in afwachting van haar berechting in Frankrijk op vrije voeten was gesteld, en dat ook het formulier als bedoeld in art. 285 lid 1 onder e Fw daarover geen gegevens bevatte. Dit een en ander is echter niet dragend voor het oordeel van het hof dat van een toerekenbare tekortkoming van [verzoekster] sprake is. Na te hebben herinnerd aan de stellingen van [verzoekster] dat zij in het eerste intake-gesprek met de bewindvoerder aan de orde heeft gesteld dat zij in Frankrijk strafrechtelijk werd vervolgd(6) en dat daarvan ook in de openbare verslagleggingen aan de rechter-commissaris melding is gemaakt, heeft het hof (op p. 4, midden) immers overwogen (en kennelijk beslissend geacht) dat "in elk geval (...) niet (is) gebleken dat appellante de bewindvoerder tijdig en volledig omtrent het (verdere) verloop van die strafvervolging heeft ingelicht". De aan [verzoekster] verweten tekortkoming wordt (op p. 4, onderaan) aldus omschreven dat de bewindvoerder "tot dan toe (tot de verificatievergadering van 22 juli 2004; vergelijk het "tot op heden" in de hiervóór onder 1.1 geciteerde en tijdens de verificatievergadering afgelegde verklaring van de bewindvoerder; LK) niet op de hoogte was gesteld van de stand van zaken" en op p. 4/5 aldus dat "appellante tijdens de loop van de schuldsaneringsregeling bij onherroepelijk geworden arrest wegens de invoer van LSD in Frankrijk tot een langdurige gevangenisstraf en een zeer aanzienlijke geldboete is veroordeeld, zonder dat zij de bewindvoerder daaromtrent - zoals op haar weg had gelegen - aanstonds en volledig heeft ingelicht".

De klacht van het onderdeel is toegespitst op de onmogelijkheid voor [verzoekster] om de bewindvoerder over het Franse arrest te informeren, voordat deze via de postblokkade van de inhoud daarvan kennisnam(7). Naar mijn mening is de kern van het verwijt dat het hof [verzoekster] heeft gemaakt echter niet dat de bewindvoerder via de postblokkade van de inhoud van het Franse arrest heeft moeten kennisnemen en daarvan niet eerder door [verzoekster] op de hoogte is gesteld. In de hierboven opgenomen citaten ligt mijns inziens besloten dat het hof [verzoekster] niet zozeer heeft verweten dat zij heeft nagelaten de bewindvoerder over het Franse arrest te informeren, maar dat zij de bewindvoerder, na de mededelingen die zij tijdens het eerste intake-gesprek over de strafrechtelijke vervolging in Frankrijk had gedaan, niet (in meer algemene zin) van het (verdere) verloop van de strafzaak in Frankrijk op de hoogte heeft gehouden(8). Dat verwijt is op zichzelf niet onverenigbaar met het gegeven dat van een postblokkade sprake was. Aan het bedoelde strafarrest van 5 juni 2002(9) is immers (volgens de verklaring van [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep: op 28 juni 2001) een veroordeling in eerste aanleg voorafgegaan, welke veroordeling, evenals het arrest van 5 juni 2002, tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken. In de stellingen van [verzoekster] in de feitelijke instanties ligt niet besloten dat die veroordeling in eerste aanleg en het daartegen ingestelde beroep zich door de postblokkade volledig aan haar waarneming hebben onttrokken. Dat [verzoekster] met die ontwikkelingen niet bekend was, ligt evenmin besloten in de door het onderdeel aangehaalde verklaring van [verzoekster] ten overstaan van de rechtbank dat ook zij niet weet welke de stand van zaken is en dat zij al lange tijd niets meer van haar advocaat heeft vernomen. Bij die verklaring moet worden bedacht dat zij op 22 juli 2004 (ruim twee jaar na het wijzen van het Franse strafarrest op 5 juni 2002) werd afgelegd en dat zij niet impliceert dat alle ontwikkelingen die zich na het eerste intake-gesprek met de bewindvoerder in de strafzaak hebben voorgedaan (waaronder het tegen het in eerste instantie gewezen strafvonnis ingestelde beroep), aan [verzoekster] zijn ontgaan. Daarbij komt dat er geen grond is om aan te nemen dat de ontwikkelingen waarmee de bewindvoerder, ondanks de postblokkade, (kennelijk) niet bekend was (zoals in het bijzonder de veroordeling in eerste aanleg en het daartegen ingestelde beroep), door de werking van diezelfde postblokkade ook aan [verzoekster] zijn ontgaan. Het is in dit verband van tweeën één: de relevante informatie heeft of de bewindvoerder, of [verzoekster] bereikt. De postblokkade kan er niet toe hebben geleid dat beiden van die informatie verstoken bleven.

Ten slotte moet worden bedacht dat het onderdeel er weliswaar van uitgaat dat de bewindvoerder dankzij de postblokkade van het Franse strafarrest, kort nadat dit was gewezen, heeft kunnen kennisnemen, maar dat zulks niet met zekerheid uit de gedingstukken kan worden afgeleid. De bewindvoerder heeft, zowel sprekende van de onherroepelijke veroordeling als van de daarop volgende uitleveringsprocedure, tijdens de verificatievergadering (op 22 juli 2004) niet meer verklaard dan dat "(d)eze kwestie (...) tijdens de regeling via de postblokkade aan het licht (is) gekomen". Over de vraag op welk tijdstip en door de ontvangst van welke stukken de bewindvoerder de kwestie op het spoor is gekomen, laat zijn verklaring, zoals die blijkt uit de gedingstukken, geen stellige conclusies toe. Gelet op het (late) tijdstip waarop de bewindvoerder de kwestie aan de orde heeft gesteld (tijdens de verificatievergadering van 22 juli 2004), ligt het echter niet voor de hand dat de bewindvoerder reeds kort na het wijzen van het Franse strafarrest (op 5 juni 2002) van de inhoud daarvan heeft kunnen kennisnemen. Mede gelet op de inhoud van zijn mededelingen ter verificatievergadering en op zijn faxbericht aan de rechtbank van 3 augustus 2004 (welk faxbericht er geenszins op wijst dat de bewindvoerder al langer over eigen wetenschap met betrekking tot de veroordeling van [verzoekster] beschikte) is veeleer aannemelijk dat de bewindvoerder de kwestie eerst later op het spoor is gekomen, bijvoorbeeld doordat hem (dankzij de postblokkade) bepaalde informatie met betrekking tot de op het Franse strafarrest volgende(10) uitleveringsprocedure heeft bereikt. Zou de bewindvoerder de onherroepelijke veroordeling van [verzoekster] en de daarop volgende uitleveringsprocedure inderdaad eerst in een later stadium dan kort na het wijzen van het Franse strafarrest op het spoor zijn gekomen (en kennelijk is het hof daarvan uitgegaan), dan zou [verzoekster] wel degelijk mede kunnen worden verweten de bewindvoerder niet aanstonds over het Franse strafarrest en over de daarop volgende en ten tijde van de verificatievergadering kennelijk al in beroep aanhangige(11) uitleveringsprocedure te hebben geïnformeerd.

2.6 Het middel betoogt niet dat uit de schuldsaneringsregeling voor [verzoekster] geen verplichting voortvloeide de bewindvoerder van het (verdere) verloop van de Franse strafzaak op de hoogte te houden, dat het tekortschieten in de nakoming van die verplichting [verzoekster] om andere redenen dan de postblokkade niet kan worden toegerekend of dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing dient te blijven. Op die aspecten behoeft dan ook niet te worden ingegaan.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 [Verzoekster] heeft de Italiaanse nationaliteit; LK.

2 Het verzoekschrift tot cassatie is op 15 december 2004 en derhalve tijdig ter griffie van de Hoge Raad ingekomen (art. 355 jo 342 lid 3 Fw).

3 Zie het dictum van het vonnis van 29 september 2004, eerste gedachtestreepje.

4 Zie over deze toetsing R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (1998), p. 172-176. Verschoof is van oordeel dat de rechter voor de toetsing aan het einde van de looptijd, gezien het tijdsverloop en de daarmee samenhangende lange duur van de door de schuldenaar geleverde inspanningen, aansluiting zal zoeken bij het criterium van (opzettelijke) benadeling. Zie hierover ook mijn conclusie vóór HR 20 juni 2003, LJN-nummer AF7542, onder 2.12.

5 Deze openbare verslagleggingen bevinden zich niet in het in cassatie overgelegde dossier.

6 In zijn brief van 19 november 2004 en tijdens de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof op 23 november 2004 heeft de bewindvoerder erkend dat [verzoekster] bij het eerste intake-gesprek van de strafvervolging in Frankrijk melding heeft gemaakt.

7 Zie bijvoorbeeld cassatiedagvaarding, p. 3, midden: "Die constatering rust echter op de in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijke veronderstelling dat verzoekster de bewindvoerder over genoemd onherroepelijk geworden arrest eerder had kunnen inlichten." en p. 3 in fine: "Gegeven deze niet betwiste verklaringen van de bewindvoerder en verzoekster kan er in cassatie - minst genomen veronderstellenderwijs - van uit worden gegaan dat verzoekster door de postblokkade niet eerder op de hoogte was of kon zijn van de inhoud van het Franse arrest dan de bewindvoerder." (onderstrepingen toegevoegd; LK).

8 Het laatste van de drie opgenomen citaten is wellicht niet geheel eenduidig (het "daaromtrent" kan beperkt - als betrekkelijk tot de genoemde veroordeling - of ruim - als betrekkelijk tot de strafzaak in haar geheel - worden opgevat), maar de beide andere citaten laten naar mijn mening geen ruimte voor twijfel.

9 Zie voor die datum rov. 2.4.

10 Zie daarover het verslag van de rechter-commissaris van 4 augustus 2004.

11 Zie daarover het faxbericht van de bewindvoerder aan de rechtbank van 3 augustus 2004.