Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT5554

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-09-2005
Datum publicatie
05-10-2005
Zaaknummer
R04/037HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT5554
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

23 september 2005 Eerste Kamer Nr. R04/037HR JMH/RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de naamloze vennootschap naar Nederlands-Antilliaans recht ERTCC (CARIBBEAN) N.V., gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. J.W.H. van Wijk, t e g e n [Verweerster], gevestigd op [eiland], Nederlandse Antillen, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. P. van Schilfgaarde. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 103
Wetboek van Koophandel 112
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 502
JWB 2005/333
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R04/037HR

Mr. L. Timmerman

Zitting d.d. 29 april 2005

Conclusie inzake

ERTCC (Carribean) NV,

gevestigd te Curaçao

- tegen -

[verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats]

1. Feiten en procesverloop

1.1 Op 7 mei 2001 is de algemene vergadering van aandeelhouders van [verweerster] (hierna [verweerster]) bijeen geweest. Daar vertegenwoordigd waren de aandelen van de grootste aandeelhouder [betrokkene 1] en van de aandeelhouder [betrokkene 2]. [Betrokkene 1] werd ter vergadering vertegenwoordigd door haar adviseur [betrokkene 3] terwijl [betrokkene 2] als aandeelhouder werd vertegenwoordigd door [betrokkene 4]. [Betrokkene 2] zelf was ook aanwezig en wel in zijn hoedanigheid van directeur van [verweerster].(1)

1.2 In de statuten, zoals deze werden gewijzigd bij besluit van de AVA d.d. 30 januari 2001 en neergelegd in een notariële akte gedateerd 11 juli 2001, is bepaald dat directeuren en commissarissen van de vennootschap een door de AVA vast te stellen vergoeding genieten.(2)

1.3 Tijdens de hierboven genoemde vergadering van 7 mei 2001 is besloten dat een vennootschap van [betrokkene 3], te weten ERTCC, voor de duur van één jaar tot directeur van [verweerster] wordt benoemd. Uit de notulen van deze vergadering blijkt dat het daartoe strekkende en door de vergadering aanvaarde voorstel van [betrokkene 3] tevens inhield, dat deze zijn werkzaamheden parttime zou verrichten en daarvoor Naf.25.000,-- per maand zou declareren. Daarbij heeft [betrokkene 3] te kennen gegeven weliswaar parttime ter beschikking van de vennootschap te staan, maar dat in de bezoldiging van Naf. 25.000,-- het opstellen van een plan van aanpak begrepen was.(3)

1.4 Op 8 juni 2001 is tussen [verweerster], vertegenwoordigd door haar directeur [betrokkene 2], en ERTCC, vertegenwoordigd door [betrokkene 3], een 'managementovereenkomst' gesloten die onder meer bepaalt dat ERTCC met ingang van 8 mei 2001 als manager zou optreden tegen een

'monthly fee of Naf.25.000,-- excluding 5% O.B. for the first 62,5 hours worked (...). Hours worked in excess of 62,5 hours will be billed seperately at the rate of ANG.400,-- per hour.'(4)

ERTCC heeft op 14 januari 2002 ontslag genomen als directeur van [verweerster]. [Verweerster] heeft in totaal Naf.393.120,-- ter zake van 'management fee' aan ERTCC betaald.

1.5 [Verweerster] heeft bij verzoekschrift ingekomen bij het Gerecht in Eerste Aanleg op 14 mei 2002 onder andere gevorderd ERTCC te veroordelen tot betaling van Naf.199.808,80. Aan deze vordering legt zij ten grondslag dat [betrokkene 2] niet bevoegd was een managementcontract te sluiten met ERTCC voor zover deze vennootschap daardoor recht kreeg op een vergoeding die hoger zou zijn dan Naf.25.000,-- per maand. De statuten van [verweerster] kennen de bevoegdheid tot het nemen van besluiten over de bezoldiging van directeuren bij uitsluiting toe aan de AVA; het desbetreffende besluit (dat tijdens de AVA van 7 mei 2001 was genomen) spreekt niet over een vergoeding die hoger is dan Naf.25.000,--. [Verweerster] is daarom niet gebonden aan de naderhand op 8 juni door [betrokkene 2] gesloten overeenkomst. ERTCC heeft gedurende acht maanden haar diensten verricht en heeft bijgevolg slechts recht op Naf.200.000,--. [Verweerster] heeft aan ERTCC in totaal Naf.393.120,-- betaald en vordert daarom een bedrag van Naf.193.120,-- als onverschuldigd betaald van ERTCC terug.

1.6 Het verweer van ERTCC luidt samengevat als volgt: De aandeelhouders kenden het uurtarief waarvoor [betrokkene 3] werkte, nl. Naf.400,-- en wisten daarom dat een vergoeding van Naf.25.000,-- per maand een werktijd van 62,5 uur impliceerde. Tijdens de aandeelhoudersvergadering van 7 mei 2001 is het begrip 'parttime' niet ingevuld hetgeen erop wijst dat de inhoud daarvan aan de aandeelhouders duidelijk was. De bepalingen van het op 8 juni 2001 gesloten managementcontract zijn niet in strijd met het besluit van de AVA nu het uurtarief aan de AVA bekend was; daarom is het logisch dat het aantal te werken uren voor de overeengekomen vergoeding in het contract van 8 juni wordt vermeld, en dat - volledigheidshalve - wordt vastgelegd dat uren die dit aantal overstijgen separaat in rekening worden gebracht. Deze overeenkomst is ondertekend door [betrokkene 2] en [betrokkene 3], die beiden tijdens de AVA aanwezig waren. Een eventueel openstaande rekening ter zake van kleding dient door [betrokkene 3] persoonlijk te worden voldaan, niet door ERTCC.(5)

1.7. Het GEA beoordeelt de vraag of de managementovereenkomst door [betrokkene 2] onbevoegdelijk namens [verweerster] met ERTCC is gesloten aan de hand van het voorstel door [betrokkene 3] gedaan op de AVA. In ro. 4.2 overweegt het GEA onder meer:

Als uitgangspunt moet dienen, dat het betreffende voorstel van [betrokkene 3] op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders uitdrukkelijk een parttime functie inhield tegen een beloning van Naf.25.000,-- per maand. Dat impliceert de mogelijkheid dat uren die buiten het kader van de 'parttime', die de aandeelhoudersvergadering voor ogen heeft gestaan, extra worden vergoed.

Het GEA neemt aan dat het besluit van de AVA kennelijk is uitgewerkt in de later door [betrokkene 2] gesloten overeenkomst; gezien de omstandigheid dat deze in zijn functie als directeur op de AVA aanwezig was terwijl ook zijn aandelen vertegenwoordigd waren, acht het GEA het niet onaannemelijk dat ook [betrokkene 2] heeft aangenomen, dat het aandeelhoudersbesluit een vergoeding van de extra uren impliceerde. Daarom moet de managementovereenkomst worden geacht bevoegd te zijn gesloten weshalve de betalingen niet onverschuldigd zijn gedaan.

1.8 Tegen het vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld. Het hof oordeelt dienaangaande als volgt.

4.1 Partijen verschillen van mening over de vraag of het op 8 juni 2001 door [betrokkene 3] namens ERTCC en [betrokkene 2] namens [verweerster] gesloten managementcontract [verweerster] bindt, waar het de daarin opgenomen bepaling betreft dat "hours worked in excess of 62.5 hours will be billed separately at the rate of ANG 400,- per hour". Het GEA heeft de vordering van [verweerster] afgewezen, kort gezegd, omdat het niet onaannemelijk achtte dat [betrokkene 2], zelf aandeelhouder en tijdens de AVA als directeur van [verweerster] aanwezig (als aandeelhouder was hij vertegenwoordigd door [betrokkene 4]), bij het sluiten van het managementcontract met [betrokkene 3] heeft aangenomen dat het besluit van de AVA impliceerde dat de extra uren van [betrokkene 3] afzonderlijk dienden te worden vergoed.

(...)

4.2 Uit de discussie met betrekking tot het sluiten van het managementcontract zoals hiervoor weergegeven, volgt dat de AVA bij meerderheid van stemmen heeft besloten een managementcontract met (een vennootschap van) [betrokkene 3] te sluiten. Uit de bijdrage van [betrokkene 4] aan die discussie blijkt dat hij grote aarzelingen had over de hoogte van de door [betrokkene 3] voorgestelde bezoldiging (fee) van NAF.25.000,-- per maand. [Betrokkene 4] maakte zich kennelijk ook zorgen over het mogelijk verder oplopen van die bezoldiging en hij heeft [betrokkene 3] daarom expliciet gevraagd of de vergoeding inclusief dan wel exclusief het aangekondigde "plan van aanpak" was dat [betrokkene 3] zou opstellen. Uit de reactie van [betrokkene 3] op die vraag blijkt dat het "plan van aanpak" in de voorgestelde vergoeding was begrepen; de mededeling van [betrokkene 3] luidende: "indien blijkt dat ik toch meer tijd eraan moet besteden, dan betekent dat ook meer tijd mijnerzijds, want het plan van aanpak zoals ik dat aan de algemene vergadering van aandeelhouders wil voorstellen zit in mijn fee", kan bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan dat indien het opstellen van "het plan van aanpak" meer tijd zou gaan vergen dan [betrokkene 3] zich voorstelde, de kosten daarvan niet voor rekening van [verweerster] zouden komen. De aanwezige aandeelhouders konden gelet op de discussie zoals hiervoor onder 3 weergegeven ervan uitgaan dat de ingevolge artikel 10 van de statuten(6) door hen vast te stellen bezoldiging van [betrokkene 3] (althans diens vennootschap) de NAF. 25.000,-- per maand niet te boven zou gaan. Ook indien de meerderheid van de aandeelhouders ervan op de hoogte was dat het - niet in de vergadering ter sprake gekomen - uurtarief van [betrokkene 3] NAF. 400,-- bedroeg en, uitgaande van dat tarief, de "part time" aanstelling op 62.5 uren per maand zou uitkomen, rechtvaardigt dat niet om van de algehele verbindendheid van het buiten de AVA tot stand gekomen managementcontract uit te gaan. Het gaat er immers om dat over de bezoldiging in de AVA kan worden gediscussieerd alvorens daar een besluit wordt genomen. Van [betrokkene 1] is overigens niet zeker dat zij ervan op de hoogte was dat het managementcontract waar het de bezoldiging betrof afweek van hetgeen in de AVA was besloten. Er zij hier in dat verband aan herinnerd dat [betrokkene 3] [betrokkene 1] wel op de op 7 mei 2001 gehouden AVA vertegenwoordigde, maar dat die vertegenwoordiging na afloop van de vergadering (vanzelfsprekend) is geëindigd.

4.3 Een redelijke uitleg van het besluit van de AVA brengt, gelet op de ter vergadering er aan voorafgegane discussie, mee dat [betrokkene 3] (die blijkens het gestelde in de conclusie van antwoord onder 2 van het reilen en zeilen van [verweerster] geacht moet worden goed op de hoogte te zijn geweest) een deel van zijn tijd (te bepalen aan de hand van een gangbaar in redelijkheid vast te stellen uurtarief) aan het management van [verweerster] zou wijden voor een bedrag van in totaal NAF. 25.000,-- per maand. Geconcludeerd moet daarom worden dat voorzover het managementcontract inhoudt dat aan [betrokkene 3] "hours worked in excess of 62.5 hours will be billed separately at the rate of ANG 400,-- per hour", die bepaling en de daaruit voortvloeiende bezoldiging niet steunt op het besluit van de AVA en [betrokkene 3] deswege geen aanspraak op betaling van bedoelde uren kan maken. Hij dient de ter zake reeds ontvangen vergoeding daarom aan [verweerster] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2002.

1.9 Het hof verklaart de grieven gegrond, vernietigt het bestreden vonnis en wijst de vordering van [verweerster] terzake van onverschuldigde betaling voor een bedrag van Naf. 193.120,-- toe.

1.10 Tegen het vonnis wordt door ERTCC tijdig een verzoek tot cassatie ingediend; [verweerster] voert verweer en partijen lichten hun positie schriftelijk toe.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 In het licht van de hoofdklacht is het dienstig hier kort aan te geven hoe de problematiek van vertegenwoordigingsbevoegdheid en gebondenheid van de vennootschap aan bestuurdershandelingen in het Antilliaanse vennootschapsrecht ten tijde van deze casus gestalte wordt gegeven. Toepasselijk is het oude WvKNA omdat ten tijde van dit geding het nieuwe nog niet was ingevoerd.(7) Daarin is bepaald dat behoudens beperkingen het bestuur belast is met het beheer van de zaken der vennootschap (art. 103 WvKNA). Indien de oprichtingsakte niet anders bepaalt, is iedere afzonderlijke bestuurder bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen (art. 104 WvKNA), behoudens tegenstrijdig belang. Statutaire bevoegdheidsbeperkingen aan bestuurders gesteld hebben externe werking, d.w.z. de vennootschap mag zich beroepen op de onbevoegdheid van de bestuurder en zal in dat geval niet gebonden zijn.(8) Burgers merkt zelfs op dat alle beperkingen van de bestuursbevoegdheid externe werking hebben.(9) Zoals bekend mag worden verondersteld, gaat het Nederlandse vennootschapsrecht van een andere gedachte uit. Daarin is immers bepaald dat alleen wettelijke bepalingen de vertegenwoordingsbevoegdheid van een bestuurder met werking jegens derden beperken (zie artikel 130/240 BW).

2.2 Artikel 112 WvKNA bepaalt dat, voor zover bij de akte van oprichting niet anders is vastgelegd, de algemene vergadering de bezoldiging vaststelt. Een vergelijkbare bepaling kennen we ook in Nederland. Voor de besloten vennootschap houdt artikel 2: 245 BW in dat, voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, de bezoldiging van de bestuurders door de algemene vergadering wordt vastgesteld.(10) De artikelen 112 en 245 zijn opvolgers van het oorspronkelijke artikel 48c K dat in 1928 van kracht is geworden. Dat artikel dat aanvankelijk het nummer 49a had is indertijd als volgt toegelicht: "De algemene vergadering van aandeelhouders behoort over het bedrag van het salaris in algemeene vrijheid te kunnen beschikken, voor zover althans de akte dienaangaande niet een bindend voorschrift heeft gegeven"(11). Visser merkt nog op: "De vaststelling der bezoldiging berust in beginsel bij de algemene vergadering"(12). Ik kan in deze wetsgeschiedenis geen vrijheid voor wie dan ook lezen, dat, als de aandeelhoudersvergadering krachtens de haar toekomende bevoegdheid een bezoldiging van een bestuurder heeft vastgesteld, een ander orgaan een daarvan afwijkende bezoldiging mag vaststellen. Dit geldt mijns inziens voor naar Nederlands recht opgerichte b.v.'s, ondanks dat we hier de regel kennen dat het bestuur bij vertegenwoording soms iets anders met een derde kan afspreken dan hij intern bezien mocht. Hier is immers de wettelijke regel van artikel 2: 245 BW in het geding. Deze beperkt de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur. Dit geldt a fortiori in het vennootschapsrecht van de Nederlandse Antillen. Daar kent men immers niet de regel dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur in vele gevallen van de interne besluitvorming is losgemaakt. M.i. loopt de hoofdklacht van het eerste middel op het hierboven uiteengezette vast. Het Antilliaanse vennootschapsrecht laat nu juist wel toe dat de vennootschap zich op onbevoegdheid van het bestuur beroept, voor zover het handelen van de betrokken bestuurder in strijd komt met een op wet en statuten gebaseerd besluit van de aandeelhoudersvergadering.

2.3 Het als hoofdklacht aangeduide middel is vervolgens onderverdeeld in een vijftal subklachten. De eerste subklacht betreft het miskennen door het hof van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurder [betrokkene 2] bij het sluiten van de managementovereenkomst met ERTCC. Omdat aan die bevoegdheid geen beperking was gesteld in de oprichtingsakte, was [betrokkene 2] bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen bij het sluiten van de overeenkomst met ERTCC; daarom is [verweerster] gebonden aan de overeenkomst en de daarin besloten bezoldigingsbepaling. Daaraan doet niet af dat die bezoldigingsbepaling - naar het oordeel van het hof - niet steunt op een besluit van de AVA, aangezien het bedoelde besluit de bevoegdheid van [betrokkene 2] in concreto niet beperkte, althans niet met externe werking.

2.4 Het middelonderdeel faalt. De statuten van [verweerster] bevatten in art. 9 een beperking van de bestuurdersbevoegdheid, en wel o.a. ten aanzien van het vaststellen van de bestuurdersbezoldiging. [Betrokkene 2] was in dat opzicht onbevoegd een besluit te nemen en de vennootschap te vertegenwoordigen bij een uit dien hoofde te sluiten overeenkomst.(13) Een bestuurdersbesluit van [betrokkene 2] dat aan het sluiten van de overeenkomst met ERTCC, vertegenwoordigd door [betrokkene 3], die eveneens op het moment van sluiten van de overeenkomst directeur van [verweerster] was, eventueel mocht zijn voorafgegaan zal daarom als nietig moeten worden bestempeld. Daarmee komt aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 2] voor wat betreft het bepalen van de hoogte van de bezoldiging de grond te ontvallen. Zoals artikel 112 WvKNA een inperking van bestuurshandelingen ex art. 103 WvKNA inhoudt, zo vindt in art. 9 van de statuten het bestuur van [verweerster] zijn handelen beperkt met betrekking tot de bezoldiging van bestuurders. Deze beperking is geconcretiseerd in het besluit van de AVA, dat de bezoldiging Naf.25.000,-- per maand bedroeg.

2.5 Subonderdeel 1.2 klaagt, - onder verwijzing naar HR 17 december 1982, NJ 1983/480 - dat het hof heeft miskend, dat een bevoegdheidsbeperking van een directeur, wil deze beperking externe werking hebben, krachtens art. 103 WvKNA slechts mogelijk is bij of krachtens de oprichtingsakte en niet bij besluit van de AVA, waarbij geen verschil maakt of bij de derde met wie gehandeld werd wetenschap van het AVA-besluit aanwezig was.

2.6 De bestuurder is in zijn handelen gebonden door de beperking hem door de AVA gesteld; de beperking vormt weliswaar een interne regeling van bevoegdheden maar deze interne regel heeft in het Antilliaanse vennootschapsrecht externe werking. Het leerstuk van de externe werking onthoudt in het algemeen binding van de vennootschap aan handelingen door bestuurders verricht in strijd met bevoegdheidsbeperkingen die blijken uit de statuten. Het onderdeel wordt tevergeefs voorgesteld.

2.7 Subonderdeel 1.3 stelt: mocht het hof hebben aangenomen dat ERTCC zich onder de gegeven omstandigheden in strijd met de goede trouw heeft gedragen door van [verweerster] nakoming van het managementcontract te verlangen, dan heeft het zijn oordeel in dat geval onvoldoende gemotiveerd. Van een waardering door het hof van dergelijke omstandigheden blijkt uit het vonnis niets. De enkele omstandigheid dat [betrokkene 3] op de hoogte en betrokken was bij totstandkoming van het besluit van de AVA over de bezoldiging, is onvoldoende om strijd met de goede trouw te rechtvaardigen, temeer ook in het licht van de in middel 3 en 4 nog te noemen omstandigheden.

2.8 Nu het vonnis van een dergelijke overweging geen blijk geeft, ontbeert het onderdeel feitelijke grondslag.

2.9 Subonderdeel 1.4 is voorwaardelijk geformuleerd: Indien het hof heeft aangenomen dat uit art. 112 WvKNA een (wettelijke) beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur met externe werking voortvloeit, is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. In cassatie dient ervan te worden uitgegaan, dat de (herziene) statuten niet anders bepalen dan art. 112 WvKNA inhoudt, namelijk dat de AVA de bezoldiging van bestuurders vaststelt. In dit artikel is echter geen vertegenwoordigingsbepaling te lezen die zou inhouden dat alleen de AVA, behoudens statutaire uitzondering, op genoemd vlak bevoegd is. En evenzo, nu de statutaire bepaling in art. 9 aanwezig is, dat dit artikel bij uitsluiting van toepassing is. Indien het hof art. 9 lid 8 van de statuten aldus heeft uitgelegd en hierin een vertegenwoordigingsbeperking ten aanzien van de bezoldiging heeft gelezen, en wel met externe werking, dan is het oordeel van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

2.10 De klacht in dit subonderdeel kan niet slagen. Ook al zou men in artikel 112 WvKNA zelf geen vertegenwoordigingsbepaling willen lezen, dan kan dat niettemin betekenen dat deze wetsbepaling de vertegenwoordigingsbevoegdheid beperkt. In die zin dient ook de in de s.t., p. 5 geciteerde passage uit Asser-Maeijer, 2-III, nr. 310 te worden gelezen. Maeijer zegt daarin enerzijds dat hij in art. 2: 245 BW geen vertegenwoordingsbepaling leest. Anderzijds zegt hij mijns inziens terecht dat degene die de vennootschap bij het sluiten van een overeenkomst met een bestuurder vertegenwoordigt het bedrag in acht zal hebben te nemen dat in gevolge artikel 2: 245 BW door het daartoe bevoegde vennootschappelijke orgaan is vastgesteld.

2.11 In subonderdeel 1.5 wordt geklaagd dat het hof onvoldoende aandacht heeft geschonken aan de stelling van ERTCC dat [verweerster] m.b.t. het managementcontract de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 2] heeft gewekt en aan de stelling dat ERTCC gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de toereikendheid van het AVA-besluit en de bevoegdheid van [betrokkene 2], temeer in het licht van nadere in middel 3 te noemen omstandigheden.

2.12 Vanwege de externe werking die aan statutaire bevoegdheidsbeperkingen in het Antilliaanse vennootschapsrecht toekomt, kan desondanks van gebondenheid van de vennootschap sprake zijn, als de wederpartij gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op toerekenbare schijn van bevoegdheid bij bestuurders. Het hof miskent in zijn vonnis niet, dat een vennootschap gebonden is aan een rechtshandeling die onbevoegd door een bestuurder werd verricht, als de wederpartij gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid die de vennootschap heeft laten bestaan. Het hof heeft echter in ro. 4.2 en 4.3 op basis van de feitenweergave in ro. 2.2 vastgesteld dat [betrokkene 3] goed op de hoogte was van de totstandkomingsgeschiedenis van het aandeelhoudersbesluit en de bevoegdheid die [betrokkene 2] ten aanzien van de bezoldigingsvaststelling bezat. In samenhang met de beslissing die het hof geeft in ro. 4.3 over de redelijke uitleg van het aandeelhoudersbesluit, maakt het hof op begrijpelijke en voldoende gemotiveerde wijze duidelijk, dat hier een beroep op het leerstuk van gerechtvaardigd vertrouwen op toerekenbare schijn niet aan de orde kan zijn. Het onderdeel deugt daarom niet.

2.13 Middel 2 is tegen ro. 4.2 gericht waar het hof overweegt, dat de daar geciteerde mededeling van [betrokkene 3] bezwaarlijk anders kan worden uitgelegd dan dat indien "het plan van aanpak" meer tijd zou vergen dan [betrokkene 3] zich voorstelde, de kosten daarvan niet voor rekening van [verweerster] zouden komen. Voorts tegen het hierop gegronde oordeel, (i) dat de aandeelhouders er van uit konden gaan dat de bezoldiging van [betrokkene 3] Naf.25.000,-- niet te boven zou gaan en (ii) het oordeel in ro. 4.3 dat een redelijke uitleg van het AVA-besluit meebrengt dat [betrokkene 3] een deel van zijn tijd aan het management van [verweerster] zou wijden voor een totaalbedrag van Naf.25.000,-- per maand. Het middel noemt deze gedachtengang onbegrijpelijk, aangezien uit het feit dat in die Naf 25.000,-- ook de kosten van het plan van aanpak waren begrepen, niet zonder meer volgt dat de kosten van andere managementwerkzaamheden het genoemde bedrag niet te boven zouden kunnen gaan en niet afzonderlijk gedeclareerd zouden kunnen worden. ERTCC heeft in dit verband ook gesteld dat de door haar gedeclareerde, de 62,5 uur te boven gaande extra kosten, niet zagen op het plan van aanpak maar op andere in het kader van de bedrijfsvoering te verrichten werkzaamheden. Deze stellingen zijn ten onrechte niet in 's hofs overwegingen betrokken.

2.13 De constateringen door het hof gedaan in ro. 4.2 aangaande de werkzaamheden die waren begrepen in de bezoldiging die door de AVA werd vastgesteld, zijn van feitelijke aard. Daarvan kan niet gezegd worden dat het hof op onlogische, onbegrijpelijke of ongemotiveerde wijze heeft besloten dat de werkzaamheden die [betrokkene 3] te verrichten zou hebben naast reguliere bedrijfsvoering het opstellen van een plan van aanpak insloten. Evenmin kan dit gezegd worden van de constatering dat het bedrag van Naf.25.000,-- voor de vennootschap het maximum zou zijn dat voor genoemde werkzaamheden vergoed zou worden. Het middel slaagt niet.

2.14 Middel 3 ondersteunt de klachten in middel 2 tegen oordelen (i) en (ii) met een nader argument: de oordelen zijn bovendien onbegrijpelijk in het licht van de omstandigheid dat [betrokkene 2] ook aanwezig was op de AVA van 7 mei 2001. Gelet daarop acht middel 3 geen andere conclusie mogelijk dan dat naast [betrokkene 3] - die op de AVA als vertegenwoordiger van [betrokkene 1] optrad - ook [betrokkene 2] heeft aangenomen dat het besluit van de AVA de mogelijkheid impliceerde dat extra uren zouden dienen te worden vergoed.

2.15 Voorzover dit middel geen klachten van feitelijke aard naar voren brengt, moet worden verwezen naar hetgeen hierboven, ten aanzien van middel 2 is opgemerkt; dienovereenkomstig slaagt het dan ook niet.

2.16 Middel 4 richt zich tegen ro. 4.2 waar het hof overweegt:

Van [betrokkene 1] is overigens niet zeker dat zij ervan op de hoogte was dat het managementcontract waar het de bezoldiging betrof afweek van hetgeen in de AVA was besloten. Er zij hier in dat verband aan herinnerd dat [betrokkene 3] [betrokkene 1] wel op de op 7 mei 2001 gehouden AVA vertegenwoordigde, maar dat die vertegenwoordiging na afloop van devergadering (vanzelfsprekend) is geëindigd.

Dit is onbegrijpelijk, naar het middel zegt, aangezien ERTCC onbetwist heeft gesteld dat [betrokkene 3] door [betrokkene 1] een doorlopende en algemene machtiging was verstrekt. Deze machtiging die bij CvA als productie A werd overgelegd is gedateerd 25 oktober en houdt in dat aan [betrokkene 3] een "algemene en doorlopende machtiging werd verstrekt", welke voor "onbepaalde tijd" gold, slechts te herroepen was door [betrokkene 1] of [betrokkene 3] zelf en betrekking heeft op "vertegenwoordiging in de ruimste zin des woords".

2.17 Voor de uitkomst van het onderhavige geding is beslissens het antwoord op de vraag of de bevoegdheid van bestuurder [betrokkene 2] om namens [verweerster] in de bezoldigingsaangelegenheid op te treden al dan niet beperkt was. Voor het antwoord op die vraag kan de door het middel aangevoerde omstandigheid dat [betrokkene 3] over een machtiging van [betrokkene 1] beschikte niet relevant zijn.

3. Conclusie

Deze sterkt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vonnis GEA, onder 2.1

2 Verzoekschrift in eerste aanleg, productie 3, onder IV.10; in deze akte van statutenwijziging is ook de naam van de vennootschap gewijzigd van [A] NV in [verweerster].

3 Zie ook CvA, productie B, notulen van de AVA van 7 mei 2001, regels 800-900.

4 Verzoekschrift in eerste aanleg, productie 2 onder 2.1

5 Vonnis GEA, onder 3.2

6 Een kennelijke verschrijving; bedoeld zal zijn artikel 9 van de gewijzigde statuten.

7 Vastgesteld bij Landsverordening van 29 december 2003, Publicatieblad 2004 nr. 6, in werking getreden 1 maart 2004.

8 Zie E.L. Joubert, De naamloze vennootschap naar Nederlands-Antilliaans recht, p. 42 (1984).

9 H.Th.M. Burgers, Het Antilliaans vennootschapsrecht, p. 51 (1994).

10 Voor de naamloze vennootschap geldt het op 1 oktober 2004 gewijzigde artikel 2: 135. De essentiele regel, dat de aandeelhoudersvergadering de bezoldiging van de bestuurders vaststelt, tenzij een ander orgaan is aangewezen, is echter gehandhaafd.

11 Stbl. 1928, 216, kamerstukken 1909/1910, MvT, p. 37.

12 Kist-Visser, Supplement op deel III, p. 230 (1929).

13 Art. 105 WvKNA