Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT5540

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-09-2005
Datum publicatie
23-09-2005
Zaaknummer
C04/193HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2004:AO5896
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT5540
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

23 september 2005 Eerste Kamer Nr. C04/193HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: STICHTING DE NOORDERBRUG, gevestigd te Groningen, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n DE ONDERLINGE VERZEKERINGMAATSCHAPPIJ UNIVÉ NOORD U.A., gevestigd te Assen, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 513
JWB 2005/312
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. C04/193HR

Mr. Hartkamp

zitting 13 mei 2005

Conclusie inzake

Stichting De Noorderbrug

tegen

Onderlinge verzekeringsmaatschappij Univé Noord u.a.

Feiten en procesverloop

1) De rechtbank heeft in r.o. 1 van haar vonnis van 15 november 2002 de volgende, tevens in cassatie vaststaande feiten vastgesteld (ook het hof is van deze feiten uitgegaan, zie r.o. 1 van zijn arrest van 17 maart 2004).

Eiseres tot cassatie, de Stichting De Noorderbrug (hierna: De Noorderbrug), is een instelling met als doelstelling het bieden van zorg en dienstverlening op het gebied van wonen en dagbesteding aan mensen met een handicap, zulks ter bevordering van hun optimaal persoonlijk en maatschappelijk functioneren.

Om dat doel te realiseren heeft De Noorderbrug onder meer wachtlijstbegeleidsters in dienst met de volgende taken en verantwoordelijkheden:

a. het zorgdragen voor de totstandkoming en bijstelling van het SamenWerkplan, door middel van o.a. het maken van afspraken, het motiveren van de cliënt en de bescherming van de privacy van de cliënt;

b. het ondersteunen van cliënten door middel van o.a. een bijdrage te leveren aan de praktische uitvoering van de afspraken (met betrekking tot huishoudelijke en recreatieve activiteiten) alsmede aan het psychische en fysieke welzijn van de cliënt (door begeleiding bij bezoek aan medici en bij sociale contacten);

c. het deelnemen aan besprekingen, zowel in- als extern;

d. het verrichten van overige werkzaamheden, zoals informatieoverdracht en een signalerende functie ten aanzien van de veiligheid van de cliënt.

In december 2000 heeft [betrokkene 2] zich tot De Noorderbrug gewend met het verzoek te bemiddelen bij het verkrijgen van een passende woonomgeving. Zij had begin 1998 een herseninfarct gehad als gevolg waarvan zij lichamelijk gehandicapt was geraakt. Bovendien kampte zij sedertdien met psychische problemen, die er o.a. toe hebben geleid dat zij twee suïcidepogingen heeft gedaan op respectievelijk 10 december 2000 en 1 maart 2001. Voorts is tussen partijen in confesso dat [betrokkene 2] het moeilijk had met de acceptatie van haar handicap, de communicatie met haar stroef verliep vanwege haar spraakstoornis, zij emotioneler was geworden en dat ze zich niet kon verenigen met het feit dat haar echtgenoot, [betrokkene 1], een vriendin had.

In januari 2001 heeft [betrokkene 2] vernielingen gepleegd in de echtelijke woning.

[Betrokkene 3] - wachtlijstbegeleidster in dienst van De Noorderbrug - was op de hoogte van voormelde vernielingen en heeft [betrokkene 2] begeleid bij het vinden van passende woonruimte. Deze begeleiding heeft er in geresulteerd dat [betrokkene 2], na een verblijf in diverse opvangcentra, op 12 maart 2001 is verhuisd naar een tehuis van de Veldman Stichting te Weiteveen.

Ter voorbereiding van die verhuizing heeft [betrokkene 2] onder begeleiding van [betrokkene 3] op 19 maart 2001 de echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [plaats] bezocht, teneinde haar toebehorende kleding en andere persoonlijke bezittingen op te halen en om afscheid te nemen van onder meer haar huisdieren. Ten tijde van dat bezoek waren [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in een echtscheidingsprocedure verwikkeld.

Tijdens dat bezoek heeft [betrokkene 3] de woning omstreeks 10.10 uur verlaten teneinde op verzoek van [betrokkene 2] een brief en een pakketje af te geven aan haar echtgenoot die in de buurt een bloemenwinkel exploiteert en om een bezoek aan haar kantoor te brengen. Toen [betrokkene 3] die dag omstreeks 10.30 uur terugkeerde bij de woning constateerde zij dat deze in brand stond. Tussen partijen is in confesso dat [betrokkene 2] deze brand tijdens de afwezigheid van [betrokkene 3] heeft gesticht.

Verweerster in cassatie, de onderlinge verzekeringsmaatschappij Univé Noord u.a. (hierna: Univé), is gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde [betrokkene 1]. De Noorderbrug is verzekerd tegen de gevolgen van het onderhavige voorval.

2) Bij exploot van 11 april 2002 heeft Univé De Noorderbrug gedagvaard voor de Arrondissementsrechtbank te Groningen. Zij heeft gevorderd, voorzover in cassatie van belang, i) De Noorderbrug te veroordelen tot betaling aan Univé van een bedrag van € 42.985,25 en ii) te verklaren voor recht dat De Noorderbrug aansprakelijk is voor de overige door Univé nog aan of namens haar verzekerde op grond van de polisvoorwaarden uit te keren schadevergoeding en De Noorderbrug tot betaling daarvan te veroordelen.

Univé heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [betrokkene 3], door [betrokkene 2] langere tijd alleen te laten in de woning van [betrokkene 1], het risico heeft veroorzaakt dat de litigieuze schade zou intreden en dat zij aldus jegens [betrokkene 1] onrechtmatig heeft gehandeld dan wel wanprestatie heeft gepleegd. De Noorderbrug zou hiervoor op grond van art. 6:170 BW of art. 6:76 BW aansprakelijk zijn.

De Noorderbrug heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3) Bij tussenvonnis van 2 augustus 2002 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze heeft op 7 oktober 2002 plaatsgevonden.

4) Bij eindvonnis van 15 november 2002 heeft de rechtbank de vordering van Univé toegewezen. Zij heeft daartoe overwogen, kort weergegeven, dat [betrokkene 3] niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [betrokkene 1] en dat De Noorderbrug is gehouden de door Univé geleden en nog te lijden schade te vergoeden aangezien [betrokkene 3] de onrechtmatige daad heeft gepleegd in haar hoedanigheid van ondergeschikte in dienst van De Noorderbrug (r.o. 4.3).

5) De Noorderbrug is onder aanvoering van acht grieven tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Univé heeft voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. Bij arrest van 17 maart 2004 heeft het hof het vonnis bekrachtigd. Het heeft daartoe, voorzover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

"3. Het onderhavige geval kenmerkt zich, mede in het licht van de door de rechtbank vastgestelde feiten, meer in het bijzonder door - zakelijk weergegeven - het volgende. In dit specifieke geval had De Noorderbrug - aansluitend op de taken zoals reeds in het beroepen vonnis is omschreven in r.o. 1.1 en 1.2 - mede tot taak het op het gebied van huisvesting begeleiden van [betrokkene 2] als psychisch gedecompenseerde cliënte (...). Destijds was bij De Noorderbrug bekend dat [betrokkene 2] - die door De Noorderbrug/[betrokkene 3] werd begeleid - kampte met zowel lichamelijke als geestelijke problemen (...) - zij had al twee suïcidepogingen gedaan - en al bij eerdere gelegenheid in haar voormalige echtelijke woning servies had stukgegooid (...). [betrokkene 3] heeft vervolgens in haar hoedanigheid van begeleidster van [betrokkene 2] (...) aan [betrokkene 1] en diens dochter te kennen gegeven het raadzaam te achten dat [betrokkene 2] niet geheel alleen naar haar oude woning zou terugkeren, omdat zij ([betrokkene 3]) voorzag dat [betrokkene 2] emotioneel zou worden - De Noorderbrug spreekt te dien aanzien (...) van een "in de war zijnde emotiehuishouding" - in welk verband [betrokkene 3] heeft gesteld dat het haar voorkeur had om [betrokkene 2] bij het bezoek aan haar oude woning te vergezellen (...). Meer in het bijzonder geldt dat [betrokkene 3] heeft aangeboden [betrokkene 2] te begeleiden naar de voormalige echtelijke woning met het oog op haar geestelijke welbevinden, waarbij zij op de hoogte was van de depressieve aard van [betrokkene 2] en haar zelfmoordpoging (...). [Betrokkene 1] heeft alstoen aangegeven zich te verenigen met het voorstel tot begeleiding door [betrokkene 3] van het bezoek van [betrokkene 2], onder mededeling aan [betrokkene 3] dat [betrokkene 2] in het verleden al vernielingen in de woning heeft aangericht (...). Voorafgaand aan het bezoek van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] aan de woning van [betrokkene 1], was het aan [betrokkene 3] bekend dat noch [betrokkene 1] noch diens dochter bij die gelegenheid aanwezig zouden zijn (...). Met het oog daarop was afgesproken tussen [betrokkene 3] en de dochter van [betrokkene 1] dat de achterdeur open zou blijven; [betrokkene 2] beschikte niet meer over een sleutel van de woning.

4. Gegeven het feit dat het initiatief tot het begeleiden van [betrokkene 2] bij het bezoek in de woning van [betrokkene 1] uitging van De Noorderbrug/[betrokkene 3] terwijl aan die zijde voorafgaand aan dat bezoek wetenschap bestond van eerdere vernielingen door [betrokkene 2], en [betrokkene 1] bij gelegenheid van het geven van diens instemming met het begeleide bezoek heeft gewezen op die eerdere vernielingen, mocht [betrokkene 1] er in de omstandigheden zoals hiervóór geschetst op vertrouwen dat [betrokkene 2] bij het bezoek aan zijn woning daadwerkelijk zou worden begeleid door [betrokkene 3] zoals laatstgenoemde aan [betrokkene 1] kenbaar heeft gemaakt, zulks (mede) ter voorkoming van mogelijke herhaling van vernielingen door [betrokkene 2] in of aan de woning van [betrokkene 1]. Dit geldt zeker nu gesteld noch gebleken is dat van de zijde van De Noorderbrug aan [betrokkene 1] voorafgaand aan het bezoek aan zijn woning duidelijk is gemaakt dat de begeleiding door [betrokkene 3] géén verband hield met de eerdere vernielingen en/of dat deze begeleiding niet strekte of kon strekken tot voorkoming van mogelijke vernielingen. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan [betrokkene 1], gelet op de toezegging van begeleiding door [betrokkene 3], redelijkerwijs er niet vanuit mocht gaan dat die begeleiding niet kon strekken tot het voorkomen van mogelijke vernielingen. Dat [betrokkene 3] daarnaast ook op andere (in de taakomschrijving van De Noorderbrug en/of in de persoon van [betrokkene 2] besloten liggende) gronden zal hebben besloten om [betrokkene 2] te vergezellen bij het bezoek aan haar voormalige woning, en dat deze (andere) gronden [betrokkene 3] niet zouden hebben genoopt tot het (voortdurend) begeleiden van [betrokkene 2] ter voorkoming van eventuele vernielingen, doet - wat daarvan ook zij - niet af aan de rechtsverhouding zoals deze naar aanleiding van de door [betrokkene 1] aanvaarde toezegging door [betrokkene 3] tot begeleiding van [betrokkene 2], is ontstaan tussen enerzijds De Noorderbrug/[betrokkene 3] en anderzijds [betrokkene 1].

5. In het midden kan verder blijven of een redelijke uitvoering van de door [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] toegezegde begeleiding van [betrokkene 2] al dan niet zou inhouden dat [betrokkene 3] aan [betrokkene 2] gelegenheid mocht bieden om gedurende korte tijd op enige plaats in de woning niet in de onmiddellijke nabijheid van [betrokkene 3] te zijn. Vast staat immers dat [betrokkene 3] gedurende een relatief langere tijd - ongeveer 20 minuten - met achterlating van [betrokkene 2] zich geheel buiten de woning van [betrokkene 1] heeft begeven, onder meer om een bezoek aan haar kantoor te brengen, in welke tijd [betrokkene 2] gelegenheid heeft gehad om in de woning van [betrokkene 1] op meerdere plaatsen brand te stichten. Daarmede heeft [betrokkene 3] - ook al kon zij menen dat het bezoek aan de woning goed verliep - de op haar op basis van de toezegging aan [betrokkene 1] rustende verplichting tot het begeleiden van [betrokkene 2] geschonden, welke normschending een toereikende grondslag biedt voor de schadevergoedingsverplichting waarvan Univé als gesubrogeerd schuldeiser thans nakoming verlangt. Gelet op die genoemde toezegging handelde [betrokkene 3] onzorgvuldig door 20 minuten de woning te verlaten. Daarbij is niet in debat dat De Noorderbrug kwalitatief aansprakelijk is voor het handelen van [betrokkene 3] binnen haar dienstverband. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, aansprakelijkheid van De Noorderbrug in het onderhavige geval voortvloeit uit door [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] toegezegde begeleiding van [betrokkene 2], zulks omdat vrees bestond voor vernielingen in de voormalige echtelijke woning, kan in het midden blijven of [betrokkene 2] voortdurend begeleiding nodig had, mede in het licht van hetgeen door specialisten daarover noodzakelijk werd geacht. Al hetgeen De Noorderbrug in dat verband heeft aangevoerd, kan derhalve onbesproken blijven. De aansprakelijkheid van De Noorderbrug is immers niet gestoeld op schending van een algemene zorgvuldigheidsnorm m.b.t. het van haar zijde verwachte toezicht op cliënten, doch op een [in, ASH] dit geval gedane toezegging.

6. Het boven overwogene leidt tot de conclusie dat de grieven I tot en met V niet tot vernietiging kunnen leiden. Verdere inhoudelijke bespreking van deze grieven kan achterwege blijven.

7. Met grief VI stelt De Noorderbrug de door de rechtbank toegepaste "omkeringsregel" met betrekking tot causaliteit, zoals deze in de jurisprudentie is ontwikkeld, aan de orde. Naar de aard van bedoelde regel gaat het thans om de vestiging van de aansprakelijkheid (de aanwezigheid van een sine qua non-verband tussen normschending en schade). Als reeds overwogen wordt de vraag van toerekenbaarheid in de zin van art. 6:98 BW door De Noorderbrug aan de orde gesteld in grief VII.

8. Blijkens de toelichting op grief VI baseert De Noorderbrug zich er in de eerste plaats op dat van haar zijde geen sprake is van een normschending. In het licht van het voorgaande dient deze stelling evenwel van de hand te worden gewezen. Daarnaast verdient de stelling van De Noorderbrug dat, zo er al een norm is geschonden, deze norm niet strekt tot voorkoming van schade aan "derden" - hetgeen een relativiteitskwestie betreft - geen bijval, nu in de rechtsverhouding tussen De Noorderbrug/[betrokkene 3] en [betrokkene 1] juist ligt besloten dat de door [betrokkene 3] te geven begeleiding van [betrokkene 2] (mede) diende te zijn gericht op de voorkoming van vernielingen van de zaken van [betrokkene 1], die derhalve (ook) niet kan worden aangemerkt als "derde".

9. Voor het overige komt hetgeen De Noorderbrug heeft gesteld ter toelichting op grief VI, voornamelijk neer op het bestrijden van de toepasselijkheid van meerbedoelde omkeringsregel op het onderhavige geval. Nu het evenwel gaat om de schending door De Noorderbrug/[betrokkene 3] van een norm die strekt tot voorkoming van de schade zoals die in casu is ingetreden, terwijl enige causale tussenschakel tussen normschending en gevolg ontbreekt, is toepassing van de omkeringsregel om te komen tot de vaststelling dat tussen normschending en schade een sine qua non-verband bestaat, niet nodig en dient te worden geoordeeld dat op basis van hetgeen ten processe is gebleken in toereikende mate vast staat dat tussen normschending en schade een sine qua non-verband aanwezig is. Voorzover uit de stellingen van De Noorderbrug zou kunnen worden opgemaakt dat zij - ook buiten toepassing van de omkeringsregel - bedoeld verband niet aanwezig acht, zal hierop in de volgende rechtsoverweging worden ingegaan.

10. Het hof volgt De Noorderbrug niet in haar stelling - in essentie weergegeven - dat het aan [betrokkene 2] ook zonder begeleid bezoek mogelijk moet zijn geweest om in de woning van [betrokkene 1] brand te stichten als ze dat zou hebben gewild, zodat een causaal verband tussen daad en schade ontbreekt. Nog daargelaten dat thans ter beoordeling voorligt dat de onderhavige brandstichting kon plaatsvinden tijdens het (begeleide) bezoek, moet de stelling dat [betrokkene 2] zichzelf te allen tijde toegang tot de woning had kunnen verschaffen en aldus brand had kunnen stichten, van de hand worden gewezen, nu toch als onweersproken uit de stukken blijkt dat [betrokkene 2] niet over sleutels van de woning van [betrokkene 1] beschikte, terwijl tussen De Noorderbrug/[betrokkene 3] en [betrokkene 1] was afgesproken dat laatstgenoemde de achterdeur van het slot zou laten om langs deze weg aan [betrokkene 3] en [betrokkene 2] gelegenheid te bieden om de woning te betreden. Dat [betrokkene 2] desgewenst ook aan de buitenzijde van de woning brand zou hebben kunnen stichten of door middel van braak zich de toegang zou kunnen hebben verschaft, zoals De Noorderbrug in dit verband verdedigd (lees: verdedigt, ASH), kan als niet aan de orde zijnde terzijde blijven. Al met al heeft De Noorderbrug geenszins aannemelijk gemaakt dat de brand ook zou zijn ontstaan indien [betrokkene 3] het bezoek van [betrokkene 2] niet zou hebben begeleid en [betrokkene 2] daarbij gedurende 20 minuten alleen zou hebben gelaten.

11. Uitgegaan dient derhalve te worden van een sine qua non-verband tussen normschending en schade. Grief VI is vergeefs voorgedragen.

12. Met betrekking tot de causale toerekening zoals bedoeld in art. 6:98 BW, welke kwestie in grief VII aan de orde wordt gesteld, overweegt het hof dat bij het vast staan van een sine qua non-verband uitgangspunt is dat de aansprakelijke dient aan te tonen dat de schade in een zodanig verwijderd verband met het bewuste feit staat, dat (volledige) causale toerekening niet is gerechtvaardigd (HR 2-10-98, NJ 98, 831).

13. Hierboven is reeds overwogen dat zich tussen feit en schade geen causale tussenschakels bevinden, zodat geenszins gesproken kan worden van een verwijderd causaal verband. De enkele omstandigheid dat het in casu gaat om een risico-aansprakelijkheid voor ondergeschikten, alsmede om zaakschade, is niet toereikend om te oordelen dat de schade niet als gevolg van de daad aan De Noorderbrug dient te worden toegerekend."

6) De Noorderbrug is (tijdig) van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Daartoe heeft zij een middel van cassatie geformuleerd dat bestaat uit zeven klachten. Univé heeft geconcludeerd voor antwoord. Vervolgens hebben partijen hun stellingen schriftelijk toegelicht, waarna De Noorderbrug nog heeft gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

7) Volgens klacht 1 (onder 1) gaat het hof blijkens r.o. 4 en r.o. 5 uit van het bestaan van een "rechtsverhouding" tussen enerzijds De Noorderbrug (en [betrokkene 3]) en anderzijds [betrokkene 1], met als inhoud de "door [betrokkene 1] aanvaarde toezegging door [betrokkene 3] tot begeleiding van [betrokkene 2]" (onder verwijzing in voetnoot 1 naar het slot van r.o. 4). Aangezien Univé niet heeft gesteld dat [betrokkene 3] haar toezegging aan [betrokkene 1] namens De Noorderbrug heeft gedaan of dat [betrokkene 1] die toezegging zo heeft mogen begrijpen, en omdat zulks ook niet valt af te leiden uit de feiten en omstandigheden, zou het hof, door aldus te overwegen, zich hebben bezondigd aan een verboden aanvulling van de feitelijke grondslag van de vordering van Univé (subonderdeel 1.1). Voorzover het hof dit wel in de stelling van Univé heeft kunnen lezen, zou dat oordeel onbegrijpelijk zijn nu De Noorderbrug heeft gesteld dat waar een contractuele verhouding tussen haar en [betrokkene 1] ontbreekt, van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verbintenis geen sprake kan zijn (subonderdeel 1.2). Door aldus te overwegen zou het hof althans een ontoelaatbare verrassingbeslissing hebben gegeven (subonderdeel 1.3).

8) Deze klacht, inhoudende - gelet op de subonderdelen 1-1.3, in onderling verband gelezen, alsmede op het cursieve opschrift van klacht 1 en op voetnoot 2 - dat (het hof ervan is uitgegaan dat) tussen De Noorderbrug en [betrokkene 1] een contractuele (rechts)verhouding bestaat in de nakoming waarvan De Noorderbrug tekort is geschoten, berust op een onjuiste lezing van 's hofs arrest. Het hof heeft in r.o. 4 overwogen dat naar aanleiding van de door [betrokkene 1] aanvaarde toezegging door [betrokkene 3] tot begeleiding van [betrokkene 2] een rechtsverhouding is ontstaan tussen enerzijds De Noorderbrug/[betrokkene 3] en anderzijds [betrokkene 1]. Wat betreft de rechtsverhouding tussen De Noorderbrug en [betrokkene 1] heeft het hof klaarblijkelijk geoordeeld (zie r.o. 5 en 13) dat De Noorderbrug jegens [betrokkene 1] kwalitatief aansprakelijk is voor het handelen van [betrokkene 3] binnen haar dienstverband (zoals door Univé als grondslag van haar vordering is aangevoerd). Klacht 1 faalt derhalve.

9) Klacht 2 (onder 2) stelt dat het hof in r.o. 4 en r.o. 5 ervan blijk heeft gegeven de toezegging van [betrokkene 3] te beschouwen als een verklaring die is gericht op het teweegbrengen van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 3:33 BW, en dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Subonderdeel 2.1 wijst er vervolgens op dat niet alle, in het dagelijks verkeer gemaakte, afspraken zijn gericht op het teweegbrengen van rechtsgevolg. Voorzover het hof heeft geoordeeld dat iedere toezegging (en de aanvaarding daarvan) een overeenkomst tot stand brengt, zou dat oordeel daarom onjuist zijn. Daarnaast voert subonderdeel 2.1 aan dat het hof heeft miskend dat de vraag of sprake is van een op rechtsgevolg gerichte wil (in de zin van art. 3:33 BW) moet worden beantwoord aan de hand van het Haviltex-criterium.

Subonderdeel 2.2 van klacht 2 is gericht tegen hetgeen het hof in r.o. 4 heeft geoordeeld omtrent [betrokkene 1]'s vertrouwen. Het hof zou hebben miskend dat het voor de vraag of tussen De Noorderbrug/[betrokkene 3] en [betrokkene 1] een overeenkomst inhoudende toezicht tot stand is gekomen, bepalend is of [betrokkene 1] aan [betrokkene 3] kenbaar heeft gemaakt dat hij een dergelijk toezicht als voorwaarde verbond aan zijn toestemming om tezamen met [betrokkene 2] zijn woning te mogen bezoeken en of [betrokkene 3] dit redelijkerwijs aldus heeft moeten begrijpen. In ieder geval zou 's hofs oordeel onbegrijpelijk zijn.

Voor het geval het hof de vraag of de toezegging van [betrokkene 3] op het teweegbrengen van rechtsgevolgen was gericht, wel onder ogen heeft gezien, is 's hofs oordeel volgens subonderdeel 2.3 van klacht 2 onvoldoende gemotiveerd. De subonderdelen 2.3.1 en 2.3.2 werken dit uit.

10) Ook klacht 2 kan bij gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft [betrokkene 3]'s toezegging niet opgevat als een op rechtsgevolg gerichte verklaring in de zin van art. 3:33 BW (de aanvaarding waarvan tot een overeenkomst met [betrokkene 1] heeft geleid). Het hof heeft daarentegen geoordeeld dat [betrokkene 3] jegens [betrokkene 1] een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich gedurende een relatief langere tijd, 20 minuten, met achterlating van [betrokkene 2] buiten de woning van [betrokkene 1] te begeven (r.o. 5), terwijl [betrokkene 3] [betrokkene 1] had toegezegd [betrokkene 2] te zullen begeleiden (mede) om te voorkomen dat [betrokkene 2] vernielingen zou plegen aan [betrokkene 1]'s woning - hetgeen, zoals [betrokkene 3] wist, eerder was voorgevallen (r.o. 3 en 4) - en [betrokkene 1] op die toezegging mocht vertrouwen (r.o. 4). Dat het hof [betrokkene 3]'s handelen als onrechtmatig heeft aangemerkt, volgt niet alleen uit de door het hof in r.o. 5 gekozen bewoordingen ("... verplichting ... geschonden", "normschending" (vgl. r.o. 9 en 11) en in het bijzonder: "Gelet op die genoemde toezegging handelde [betrokkene 3] onzorgvuldig door 20 minuten de woning te verlaten"), maar ook uit de omstandigheid dat het hof het vonnis van 15 november 2002 van de rechtbank, waarbij met zoveel woorden een onrechtmatige daad van [betrokkene 3] is aangenomen (r.o. 4.3, vgl. hierboven onder 4), zonder verbetering van gronden heeft bekrachtigd. Bovendien heeft het hof in r.o. 8 een door De Noorderbrug betrokken stelling als een relativiteitskwestie bestempeld. Relativiteit speelt (in het bijzonder) een rol bij aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (art. 6:163 BW).

11) Op het onder 10 overwogene stuit ook klacht 3 af. Deze klacht neemt immers tot uitgangspunt dat het hof heeft kunnen oordelen dat [betrokkene 3]'s toezegging op rechtsgevolg gericht is geweest (en dat tussen haar en [betrokkene 1] een overeenkomst is ontstaan).

12) Volgens klacht 4 laat r.o. 5 zich mogelijk zo lezen dat het hof heeft geoordeeld dat de "wanprestatie" van [betrokkene 3] jegens [betrokkene 1] een "fout" in de zin van art. 6:170 BW oplevert. Dit oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.

Nu ook deze klacht ervan uitgaat dat 's hofs oordeel aldus moet worden begrepen dat het hof de niet-nakoming door [betrokkene 3] van haar toezegging heeft opgevat als een (toerekenbare) tekortkoming in de nakoming van een verbintenis, strandt zij op hetgeen onder 10 is overwogen.

Ten overvloede merk ik op dat, anders dan het middel kennelijk tot uitgangspunt neemt, het niet nakomen van een toezegging, waardoor het door de toezegging opgewekte vertrouwen niet wordt gehonoreerd, wel degelijk een (toerekenbare) onrechtmatige daad kan opleveren. Zie o.a. HR 13 mei 1977, NJ 1978, 154 m.nt. ARB (Ziekenfonds/Brilmij), HR 18 november 1994, NJ 1995, 170 (NBM/Securicor), en Menu, De toezegging in het privaatrecht (diss. KUB 1994), p. 228-230 en p. 284 e.v.

13) Klacht 5 berust op een alternatieve lezing van r.o. 5, te weten dat het hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 3]'s handelen naast wanprestatie tevens een onrechtmatige daad oplevert.

Deze klacht kan gelet op het onder 10 overwogene evenmin tot cassatie leiden.

14) Klacht 6 komt op tegen hetgeen het hof in r.o. 7-11 heeft overwogen omtrent het sine qua non-verband tussen de normschending en de schade.

Subonderdeel 6.1 - onderdeel 6 dient ter inleiding - stelt dat 's hofs oordeel in r.o. 9 dat in casu geen sprake is van tussenschakels tussen normschending en schade, ofwel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip condicio sine qua non en de term 'tussenschakel' in dat verband, ofwel onbegrijpelijk is, omdat het hof eraan voorbij heeft gezien dat de tussenschakel (ja, dé schadetoebrengende oorzaak) is geweest het handelen van [betrokkene 2].

Hetzelfde geldt volgens subonderdeel 6.2 voor het oordeel van het hof in r.o. 10 dat de vraag of [betrokkene 2] aan de buitenzijde van de woning brand had kunnen stichten of door middel van braak zich de toegang tot de woning zou kunnen hebben verschaft, als niet aan de orde zijnde terzijde kan blijven. Het subonderdeel voert in dat verband aan dat het hof heeft miskend dat de vraag of de schade ook zou zijn ontstaan indien De Noorderbrug/[betrokkene 3] de verplichtingen jegens [betrokkene 1] goed zou zijn nagekomen, bij uitstek het criterium is ter vaststelling van het sine qua non-verband. Blijkens de schriftelijke toelichting (2.5.1. en 2.5.2) wordt hiermee bedoeld dat het hof niet voorbij had mogen gaan aan de stellingen van De Noorderbrug dat [betrokkene 2] ook aan de buitenzijde brand had kunnen stichten of zich door braak toegang tot de woning had kunnen verschaffen. Immers, aldus de toelichting, indien aannemelijkheid van die stellingen komt vast te staan, betekent dat dat het condicio sine qua non-verband tussen de normschending en de schade niet, althans niet zonder meer, kan worden aangenomen.

15) a) De klacht onder 6.1 mist doel. Het hof heeft er uiteraard niet aan voorbij gezien dat [betrokkene 2] de brand heeft gesticht en dat die handeling de primaire oorzaak van de schade is. Waar het ten processe om gaat, is vast te stellen of er daarnaast een zorgvuldigheidsnorm is geschonden door [betrokkene 3] en of (ook) die normschending in causaal verband met de schade staat. De bevestigende beantwoording van die vraag geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting: ook een nalaten kan immers condicio sine qua non zijn voor schade. Vgl. Asser-Hartkamp 4-I (2004), nr. 438. In deze zaak heeft het hof dat verband aanwezig geoordeeld. Die beslissing is voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt; zij is niet onbegrijpelijk.

Met de zinsnede dat enige causale tussenschakel tussen normschending en gevolg ontbreekt, heeft het hof, gelet op r.o. 13, kennelijk bedoeld dat tussen de normschending en de schade geen andere mogelijke schadeoorzaken aanwezig zijn, die het - feitelijke dan wel normatieve (art. 6:98) - causaal verband tussen het nalaten van [betrokkene 3] en de schade doorbreken. Zie daaromtrent Asser-Hartkamp 4-I (2004), nrs. 434 onder 2 en 448a.

Met het begrip tussenschakel kan het hof overigens ook hebben gedoeld op andere mogelijke oorzaken van de schade (in casu uiteraard afgezien van de brandstichting zelf), waarvan zou kunnen worden betoogd dat zij de schade hebben veroorzaakt, waardoor de causaliteitsonzekerheid met betrekking tot de aan de gedaagde toerekenbare oorzaak wordt opgeroepen; het is in die context dat de omkeringsregel zijn nut bewijst. De mogelijkheid van dergelijke andere oorzaken bestond in verschillende zaken uit de bekende jurisprudentiereeks inzake de omkeringsregel; men zie bijv. HR 19 jan. 2001, NJ 2001, 524 m.nt. JBMV ([...]/[...]) en HR 29 nov. 2002, NJ 2004, 304 (TFS/NS) en 305 ([...]/Achtkarspelen), beide met noot DA. In casu is van dergelijke andere oorzaken geen sprake.

b) Ook de klacht onder 6.2 mist doel. Of tussen een normschending en de schade condicio sine qua non-verband bestaat, moet worden beoordeeld op basis van de feitelijke toedracht die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. In die toedracht denkt men de gestelde (aan de gedaagde toerekenbare) oorzaak weg, en als men dan concludeert dat de schade zich ook had voorgedaan is het voormelde verband afwezig, zodat aansprakelijkheid ontbreekt. Niet relevant is echter de stelling dat de schade zich ook in een andere toedracht van de gebeurtenissen zou hebben kunnen voordoen (c.q. zou hebben voorgedaan), bijv. de situatie waarin [betrokkene 2] zich zonder begeleiding naar het huis van [betrokkene 1] zou hebben begeven. Die stelling van De Noorderbrug had het hof dus niet behoeven te behandelen. Het hof heeft die stelling overigens slechts ten overvloede behandeld (en verworpen). Ook daarom mist de klacht doel.

16) Klacht 7 keert zich tegen r.o. 12 en 13 met het betoog (onder 7) dat het hof geheel voorbij is gegaan aan de in grief VII vervatte (essentiële) stelling van De Noorderbrug dat de schade volstrekt onvoorzienbaar was en dat 's hofs oordeel op dit punt derhalve onvoldoende is gemotiveerd. Voorzover het hof heeft geoordeeld dat op grond van de in r.o. 3 genoemde omstandigheden de conclusie gerechtvaardigd is dat de schade voorzienbaar was, zou dat oordeel op de in de subonderdelen 5.5, 6.1 en 52 aangevoerde gronden eveneens onbegrijpelijk zijn (subonderdeel 7.1).

In hetgeen het hof in r.o. 3 en 4 heeft overwogen omtrent de wetenschap aan de kant De Noorderbrug/[betrokkene 3] van de eerdere door [betrokkene 2] aangerichte vernielingen en omtrent het doel van de toegezegde begeleiding van [betrokkene 2] door [betrokkene 3], alsmede in 's hofs vaststelling in r.o. 3 dat [betrokkene 3] voorzag dat [betrokkene 2] bij het bezoek aan [betrokkene 1]'s woning emotioneel zou worden, ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat de schade voor [betrokkene 3] voorzienbaar was. De klachten falen derhalve.

17) Subonderdeel 7.2.1 van klacht 7 - subonderdeel 7.2 dient ter inleiding - bouwt voort op de subonderdelen 6.1 en 6.2 en moet het lot daarvan delen.

18) Subonderdeel 7.2.2 van klacht 7 kan niet slagen wegens gebrek aan feitelijke grondslag aangezien het hof, anders dan het subonderdeel stelt, niet heeft bedoeld te zeggen dat met het ontbreken van causale tussenschakels de schade dus voorzienbaar is (zie ook hierboven onder 16).

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden