Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT4555

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
R04/103HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT4555
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

8 juli 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/103HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2005-07-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 417
JWB 2005/275

Conclusie

R04/103HR

mr. Keus

Parket 15 april 2005

Conclusie inzake:

[verzoeker]

Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoeker] bij de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling terecht de schone lei is onthouden.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Bij arrest(1) van het hof 's-Hertogenbosch van 21 april 1999 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] uitgesproken(2). Bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 januari 2002 is het saneringsplan vastgesteld. Daarbij is de looptijd van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bepaald op vijf jaar, derhalve(3) tot 15 maart 2004.

1.2 Bij vonnis van 12 juli 2004 heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoeker] toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, met als gevolg dat de schuldsaneringsregeling is beëindigd zonder toekenning van de schone lei (art. 354 lid 1 jo 358 lid 2 Fw). De rechtbank heeft voorts verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van [verzoeker] op 15 maart 2004 eindigden.

1.3 Alvorens het hiervóór (onder 1.2) genoemde vonnis werd gewezen, zijn de schuldenaar en de bewindvoerder ter zitting van 19 april 2004 gehoord. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het verslag van de bewindvoerder als bedoeld in art. 353 Fw houdt onder meer in dat [verzoeker] naar het oordeel van de bewindvoerder zijn uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. De rechter-commissaris heeft zich in zijn brief aan de raadkamer van de rechtbank bij dit oordeel aangesloten.

1.4 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank in haar vonnis van 12 juli 2004 vastgesteld dat de schuldenaar gedurende de schuldsaneringsregeling geen betaalde baan heeft gevonden. Voorts heeft zij daarin gereleveerd dat [verzoeker] ter terechtzitting heeft verklaard dat hij onder begeleiding van (onder meer) de WSD Groep inspanningen heeft geleverd om een betaalde baan te vinden, maar binnen het traject van de WSD Groep niet in een (gesubsidieerde) baan kon worden geplaatst. In verband met die verklaring heeft de rechtbank verwezen naar een brief van de WSD Groep van 28 april 2004. Uit die brief blijkt dat [verzoeker] tot regelmatige arbeid in staat is indien een aantal noodzakelijke maatregelen wordt getroffen, maar blijk heeft gegeven niet aan het op 30 oktober 2003 geplande plaatsingsgesprek te willen meewerken, daar hij functies ambieert die, gelet op de indicatie, niet haalbaar zijn en die de WSD niet kan bieden. Om die reden is volgens de WSD geen dienstverband tot stand gekomen en staat [verzoeker] nog steeds op een wachtlijst.

1.5 Na te hebben vastgesteld dat [verzoeker] geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden mogelijkheid het gestelde in de brieven van de bewindvoerder en de WSD (schriftelijk) te weerspreken, heeft de rechtbank overwogen dat zij, gelet op het vorenstaande, niet anders kan oordelen dan dat [verzoeker] in het nakomen van zijn inspanningsplicht is tekortgeschoten, nu hij op eigen initiatief het door de WSD Groep gestarte traject heeft stilgelegd en van overige inspanningen om een betaalde baan te vinden niet is gebleken. De rechtbank heeft hierin meegewogen dat [verzoeker] zich terdege van de mogelijke consequenties van zijn handelen bewust moet zijn geweest, nu hij reeds eerder werd geconfronteerd met een verlengde looptijd(4) wegens het tekortschieten in zijn inspanningsplicht. Omdat het zich inspannen tot het vergaren van extra inkomsten voor schuldeisers door het vinden van een betaalde baan voor een zo hoog mogelijk aantal uren tot de kernverplichtingen van de schudsaneringsregeling behoort, heeft de rechtbank geoordeeld dat [verzoeker] ernstig in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. Daarbij heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor toepassing van art. 354 lid 2 Fw en mitsdien geoordeeld dat de schuldsanering zonder toekenning van de schone lei dient te worden beëindigd.

1.6 Bij beroepschrift van 20 juli 2004 heeft [verzoeker] het hof 's-Hertogenbosch verzocht het vonnis van de rechtbank van 12 juli 2004 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog met verlening van een schone lei te beëindigen.

[Verzoeker] heeft aangevoerd dat hij zich alle mogelijke inspanningen heeft getroost teneinde een betaalde dienstbetrekking te krijgen voor zoveel mogelijk uren, maar vanwege omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend, niet in het vinden van betaalde arbeid is geslaagd (beroepschrift, p. 3, bovenaan). Voorts heeft hij aangevoerd dat hij de WSD weliswaar (desgevraagd) heeft laten weten welke functies hij ambieert, maar daarbij heeft aangegeven dat alle functies welkom zijn en door hem zullen worden aangenomen (beroepschrift, p. 4, tweede alinea). Wat het plaatsingsgesprek van 30 oktober 2003 betreft, zou [verzoeker] daaraan wel degelijk hebben willen meewerken, maar zou de WSD hebben aangegeven dat de functies die [verzoeker] ambieert, niet door haar kunnen worden aangeboden. Volgens [verzoeker] is dan ook onjuist dat, zoals de rechtbank heeft aangenomen, hij het door de WSD gestarte project op eigen initiatief heeft stilgelegd (beroepschrift, p. 4, derde alinea). In zijn beroepschrift heeft [verzoeker] bovendien verwezen naar het psychologisch rapport van 20 februari 2002(5), waarin wordt geconcludeerd dat [verzoeker] niet in staat is om op een normale wijze op de vrije arbeidsmarkt arbeid te verrichten en aangewezen lijkt op arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) (beroepschrift onder 9). [Verzoeker] betoogt dat de WSD hem nooit een aanbod van passend werk heeft gedaan.

1.7 Bij verweerschrift van 10 augustus 2004 heeft de bewindvoerder het hof verzocht om de uitspraak van de rechtbank te bekrachtigen. Volgens de bewindvoerder heeft de rechtbank zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] aantoonbaar dient te solliciteren, hetgeen impliceert dat hij de bewindvoerder maandelijks kopieën van door hem verzonden sollicitatiebrieven en van door hem ontvangen reacties hierop dient te zenden. [Verzoeker] heeft (nog steeds volgens de bewindvoerder) niet aan deze verplichtingen voldaan. Volgens de bewindvoerder wordt uitsluitend deelname aan een reïntegratietraject onvoldoende geacht. De bewindvoerder heeft voorts aangevoerd dat uit het ingeroepen rapport van de GGD van 20 februari 2002(6) blijkt dat [verzoeker] weliswaar niet in staat kan worden geacht een baan op de reguliere arbeidsmarkt te verwerven, maar wel in staat kan worden geacht op een sociale werkplaats te werken. Daarbij heeft de bewindvoerder erop gewezen dat uit de brief van de WSD van 28 april 2004 blijkt dat [verzoeker] niet zijn medewerking heeft verleend aan een traject waarbij hij in aanmerking kan komen voor plaatsing op een sociale werkplaats. De bewindvoerder is derhalve, met de rechtbank, van mening dat er in deze sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de naleving van de inspanningsplicht.

1.8 Nadat op 19 augustus 2004 een mondelinge behandeling had plaatsgehad (van welke mondelinge behandeling een proces-verbaal is opgemaakt), heeft het hof bij arrest van 26 augustus 2004 het vonnis van de rechtbank van 12 juli 2004 bekrachtigd. Volgens het hof wordt het standpunt van [verzoeker] dat hij, ondanks zijn aangegeven voorkeuren, bereid was alle door de WSD aangeboden functies te accepteren, weerlegd door een aan de procureur van [verzoeker] gerichte brief van 13 augustus 2004 van [betrokkene 1], een medewerkster van GRIP, die [verzoeker] bij het plaatsingsgesprek van 30 oktober 2004(7) zou begeleiden en die in haar brief schrijft dat [verzoeker] op voornoemde datum

"netjes aangekleed en verzorgd te voorschijn (komt). Toch is hij uiteindelijk niet meegegaan naar zijn afspraak bij de WSD. Hij kan ineens niet weg vanwege zijn honden en is daarnaast sterk verongelijkt dat anderen voor hem afspraken maken zonder hem daarvoor toestemming te vragen. Bovendien moeten anderen hem vragen of hij dat wel wil en hem eerst uitleggen wat de bedoeling is. Bij navraag is hij tevens niet bereid de afspraak af te bellen noch om (meteen) contact op te nemen met [betrokkene 2]. Ook een nieuwe afspraak voor een afrondend gesprek in het kader van de fase van het loopbaanonderzoek wil hij niet meer maken."

Naar het oordeel van het hof was voornoemd plaatsingsgesprek voor [verzoeker] dé kans om via de WSD aan werk te komen, en had [verzoeker] deze kans, zeker in de situatie waarin de termijn van de schuldsaneringsregeling reeds eerder met twee jaar is verlengd en waarbij [verzoeker] uitdrukkelijk op zijn inspanningsverplichting is gewezen, moeten aangrijpen. Nu hij dit niet heeft gedaan en hij ook onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op andere manieren heeft getracht aan werk te komen, is het hof met de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] in één van de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling is tekortgeschoten.

1.9 [Verzoeker] heeft tijdig een verzoekschrift tot cassatie ingediend(8). In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Het verzoekschrift omvat twee cassatiemiddelen. Middel I richt zich met een motiveringsklacht tegen de rov. 4.2 en 5 van het bestreden arrest. Middel II richt zich met zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht tegen de rov. 4.6.1, 4.6.2 en 5.

2.2 Middel I betoogt dat het hof, in navolging van de rechtbank, ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoeker] is tekortgeschoten in zijn inspanningsverplichting door gedurende de gehele looptijd van de schuldsaneringsregeling geen betaald werk te verrichten. Het middel betoogt dat een voorwaarde, strekkende tot het verrichten van betaald werk, noch uit het arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 21 april 1999, noch uit het saneringsplan blijkt of is af te leiden, terwijl althans sedert 2001 bekend was dat [verzoeker] niet in staat was tot het verrichten van betaald werk, maar geheel op aangepast werk in het kader van de Wsw was aangewezen. Deze laatste omstandigheid maakt, nog steeds volgens het middel, dat enerzijds elke inspanning van [verzoeker] tot het vinden van een baan op de reguliere arbeidsmarkt bij voorbaat tot mislukken was gedoemd en anderzijds door plaatsing van [verzoeker] op een wachtlijst geen concrete invulling aan een werkkring binnen het verband van een sociale werkplaats werd gegeven. Het hof zou een en ander ten onrechte niet tot de feiten hebben gerekend, hoezeer ook de betrokken stellingen van [verzoeker] essentiële stellingen zijn.

2.3 Het middel berust op een feitelijk ondeugdelijke grondslag waar het betoogt dat noch uit de uitspraak van het hof van 21 april 1999, noch uit het saneringsplan een verplichting tot het verrichten van betaalde arbeid door [verzoeker] valt af te leiden. In het saneringsplan, zoals vastgesteld bij vonnis van 22 januari 2002, is onder 2 de volgende bepaling opgenomen:

"De schuldenaar zal zich inspannen een zo hoog mogelijk inkomen uit arbeid te verwerven, hetgeen minimaal de hoogte van het huidige netto inkomen zal bedragen. Op dit moment bestaat het inkomen uit een uitkering van fl. 1646, 97 (€ 747, 36) netto per maand."

Deze bepaling verwijst onmiskenbaar naar een inspanningsverplichting om betaalde arbeid te vinden en te verrichten teneinde gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling een zo hoog mogelijk inkomen te verwerven. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat ook tijdens de parlementaire behandeling van de Wet sanering van schulden van natuurlijke personen het belang van een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning van de schuldenaar om gedurende de schuldsaneringsregeling in het belang van de schuldeisers zoveel mogelijk activa in de boedel in te brengen, is benadrukt:

"Als hoofddoel van het wetsvoorstel geldt het in het leven roepen van een regeling waarmee kan worden tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat bevrediging van schuldeisers geen voorwaarde kan zijn voor het bieden van uitzicht aan natuurlijke personen om als het ware weer met een schone lei verder te kunnen gaan. Daar moet echter tegenoverstaan dat van de schuldenaar een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning moeten worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers."(9)

2.4 Het middel faalt waar het betoogt dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de stelling van [verzoeker] dat hij blijkens het GGD-rapport van 19 februari 2001 voor het verrichten van werkzaamheden op de reguliere arbeidsmarkt niet geschikt werd geacht en dat hij op werk op een sociale werkplaats was aangewezen. In rov. 4.6.2 heeft het hof geoordeeld dat het plaatsingsgesprek van 30 oktober 2003 voor [verzoeker] dé kans was om via de WSD aan werk te komen. Daarbij is het hof kennelijk uitgegaan van het belang dat [verzoeker] erbij had om via de WSD aan werk te komen, juist vanwege zijn geringe vooruitzichten op werk op de reguliere arbeidsmarkt. Dat tussen de beperkte mogelijkheden van [verzoeker] en de tussenkomst van de WSD een verband bestond, blijkt reeds uit de brief van de bewindvoerder aan de rechtbank van 8 januari 2002, waaruit kan worden afgeleid dat [verzoeker], kennelijk naar aanleiding van het Sociaal Medisch Advies van de GGD van 19 februari 2001, door de gemeente bij de WSD te Boxtel werd aangemeld. Voorts laat zich uit de opvolgende voortgangsverslagen van de bewindvoerder afleiden dat, alhoewel de inspanningen van de WSD aanvankelijk op plaatsing van [verzoeker] in het kader van de (inmiddels vervallen) Wet inschakeling werkzoekenden (hierna: Wiw) waren gericht, al spoedig onder ogen is gezien dat [verzoeker] niet in een Wiw-traject was in te passen, maar in een sociale werkplaats diende te worden geplaatst (zie in het bijzonder het op 8 mei 2002 bij de rechtbank ingekomen voortgangsverslag 4, onder 5), en dat de inspanningen van de WSD nadien op inzet van [verzoeker] in een sociale werkplaats waren gericht (zie in het bijzonder voortgangsverslag 5, onder 5, en voortgangsverslag 6, onder 9.3). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof op grond van de stukken aangenomen dat de werkzaamheden van de WSD zich inmiddels op inzet van [verzoeker] in een sociale werkplaats toespitsten(10). Het hof is dus niet ongemotiveerd voorbijgegaan aan het feit dat [verzoeker] goeddeels op werk bij een sociale werkplaats was aangewezen. Juist vanwege die omstandigheid heeft het hof het [verzoeker] aangerekend dat hij dé kans om zulk werk via de WSD te verwerven, niet heeft aangegrepen.

Aan de begrijpelijkheid van dit laatste oordeel doet ten slotte niet af dat [verzoeker] mogelijk reeds op een wachtlijst voor werk in Wsw-verband was geplaatst. Anders dan aan het middel kennelijk ten grondslag ligt, impliceert plaatsing op een dergelijke wachtlijst niet dat aan een plaatsingsgesprek als dat waarvoor [verzoeker] op 30 oktober 2003 werd verwacht, met het oog op daadwerkelijke plaatsing in een sociale werkplaats geen betekenis zou toekomen.

2.5 Middel II richt zich met zowel een motiveringsklacht als een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof in de rov. 4.6.1, 4.6.2 en 5.

Het middel betoogt ten eerste dat het niet-aanvaarden van betaald werk [verzoeker] niet mag worden tegengeworpen, aangezien uit de voortgangsrapportages (sinds 2001) blijkt dat hij niet in staat is arbeid te verrichten op de reguliere arbeidsmarkt en daarom alleen nog het kunnen verrichten van aangepast werk binnen een sociale werkplaats aan de orde is. Bewindvoerder, rechter-commissaris en hof zouden met een misvatting omtrent de mogelijkheden van [verzoeker] en diens kansen op betaald werk zijn behept.

Het middel betoogt vervolgens dat het hof is behept met een misvatting omtrent de rol van de WSD, die slechts op arbeidsbemiddeling is gericht en zinledig is, waar [verzoeker] zelf werk buiten (het verband van) een sociale werkplaats ambieert en tewerkstelling op reguliere basis niet kan plaatsvinden. Volgens het middel is het slechts de gemeente die [verzoeker] (uiteindelijk) aan betaald werk binnen een sociale werkplaats kan of moet helpen. Daarbij tekent het middel nog aan dat ter zitting van het hof aan de orde zou zijn gekomen dat [verzoeker] (nog steeds) op een wachtlijst voor een sociale werkplaats staat (en in zoverre afhankelijk is van omstandigheden buiten zijn directe invloedssfeer) en dat hij overigens in het kader van zijn bijstandsuitkering om medische en sociale redenen van de sollicitatieverplichting zou zijn ontheven. Het middel klaagt dat het hof niet heeft onderkend dat de WSD voor [verzoeker] geen aangepast werk kon vinden en hem geen aangepast werk kon aanbieden.

2.6 Ik kan het middel niet volgen in de opvatting dat het hof de beperkte mogelijkheden van [verzoeker] op de reguliere arbeidsmarkt heeft miskend. Ook het hof is er kennelijk van uitgegaan dat [verzoeker] vooral op de mogelijkheid van werk in een sociale werkplaats was aangewezen en heeft het [verzoeker] juist daarom aangerekend dat hij dé kans om via de WSD zulk werk te vinden, niet heeft aangegrepen. Evenmin zie ik enige grond voor de gedachte dat het hof de rol van de WSD niet juist zou hebben opgevat. Dat, zoals het middel wil, de WSD in het geheel geen rol zou spelen bij de uitvoering van de Wsw, vindt in de stukken geen steun en vloeit evenmin uit die wet voort. In verband met dit laatste wijs ik op art. 2 lid 3 Wsw, op grond waarvan het gemeentebestuur een rechtspersoon ten behoeve van de uitvoering van de Wsw kan aanwijzen.

2.7 Het middel richt zich ten slotte met een rechtsklacht tegen de beslissing van het hof [verzoeker] bij de beëindiging van de schuldsaneringsregeling geen schone lei te verlenen. Het middel betoogt dat deze beslissing met het vertrouwensbeginsel in strijd is, omdat reeds sinds 2001 bekend was dat [verzoeker] niet geschikt was voor werk op de reguliere arbeidsmarkt en aangepast werk behoefde (waarvoor hij op een wachtlijst werd geplaatst), zonder dat dit sedertdien tot intrekking of beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft geleid. Om die reden mocht [verzoeker] er volgens het middel op vertrouwen dat hem aan het einde van de schuldsaneringsregeling de schone lei zou worden verleend. Het middel betoogt voorts dat de door het hof aangenomen inspanningsverplichting illusoir is geworden met de rapportage waarin werd geconcludeerd tot ongeschiktheid van [verzoeker] voor werk op de reguliere arbeidsmarkt en tot diens plaatsing binnen het verband van een sociale werkplaats.

2.8 Ook deze klacht kan naar mijn mening niet tot cassatie leiden.

Het middel miskent dat het hof [verzoeker] de schone lei niet heeft onthouden omdat [verzoeker] niet voor werk op de reguliere arbeidsmarkt geschikt was en aangepast werk behoefde (welke omstandigheid - terecht - niet tot intrekking of beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft geleid), maar omdat [verzoeker] zich onvoldoende heeft ingespannen om zulk aangepast werk te vinden.

Voorts gaat het middel er ten onrechte van uit dat de inspanningsplicht van [verzoeker] met het GGD-rapport van 19 februari 2001 een einde zou hebben genomen. Nadat was vastgesteld dat [verzoeker] niet geschikt was voor werk op de reguliere arbeidsmarkt en op aangepast werk was aangewezen, bleef hij in elk geval verplicht zich in te spannen om aangepast werk te vinden en althans aan daarop gerichte inspanningen van instanties als de WSD mee te werken. In de geenszins onbegrijpelijke benadering van het hof is [verzoeker] in die (zo men wil: resterende) inspanningsplicht tekortgeschoten.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De bedoelde uitspraak draagt als aanduiding "beschikking".

2 Aldus ook rov. 4.1 van het bestreden arrest. De in de onderhavige zaak op 22 januari 2002 en 12 juli 2004 gewezen vonnissen van de rechtbank 's-Hertogenbosch vermelden - kennelijk abusievelijk - dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 maart 1999 zou zijn uitgesproken.

3 Zie met betrekking tot de datum 15 maart 1999 voetnoot 2.

4 Bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 januari 2002.

5 Prod. 3 bij het beroepschrift van [verzoeker].

6 Het door [verzoeker] ingeroepen rapport van 20 februari 2002 is niet een rapport van de GGD, maar van Arbeids Psychologisch Advies. Mogelijk wordt dit rapport verward met het Sociaal Medisch Advies van de GGD van 19 februari 2001, bijlage bij de brief van de bewindvoerder aan de rechtbank van 8 januari 2002, waarin eveneens wordt geconcludeerd dat "betrokkene op dit moment niet geschikt (is) voor het verrichten van werkzaamheden op de reguliere arbeidsmarkt" en dat hij "meer geschikt (...) (is) voor het verrichten van arbeid in een beschermde werkomgeving".

7 Kennelijk is hier sprake van een verschrijving in het bestreden arrest, daar in de brief van 13 augustus 2004 van een plaatsingsgesprek van 30 oktober 2003 sprake is.

8 Het arrest is gewezen op 26 augustus 2004: het verzoekschrift is ingediend op 3 september 2004, derhalve binnen de termijn van acht dagen zoals bedoeld in art. 355 lid 2 jo art. 342 lid 3 Fw.

9 TK 1992-1993, 22 969, nr. 3, blz. 6.

10 Aan de website van de WSD (www.wsd-groep.nl) ontleen ik dat de WSD ook daadwerkelijk bij de uitvoering van de Wsw is betrokken: "Wij zijn niet alleen een klantgerichte en commerciële organisatie. Wij zorgen ook voor wetsuitvoering op het gebied van gesubsidieerde arbeid voor een aantal gemeenten in de provincie Noord-Brabant. De WSD-Groep biedt bijvoorbeeld werk aan mensen met lichamelijke, verstandelijke, visueel gehandicapt of psychische handicaps (in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening, WSW). Ook uitkeringsgerechtigden, langdurig werklozen en werkloze jongeren worden door de WSD-Groep aan werk geholpen (in het kader van de Wet Inschakeling Werkzoekenden, WIW)