Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT4542

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
R04/078HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT4542
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

8 juli 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/078HR JMH/RM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], België, VERZOEKER tot cassatie, incidenteel verweerder, advocaat: mr. M.N.G.N.H. Brech, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], België, VERWEERSTER in cassatie, incidenteel verzoekster, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2005-07-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 416
JWB 2005/257

Conclusie

Rekestnr. R04/078HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 15 april 2005

Conclusie inzake:

[de man],

wonende te [woonplaats], België

(hierna: de man)

tegen:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats], België

(hierna: de vrouw)

1. Inleiding

1.1. Het gaat in het principale en incidentele cassatieberoep over de door het hof ter bepaling van de door de man te betalen alimentatie vastgestelde behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

1.2. Naar mijn mening kunnen de klachten, over en weer, niet tot cassatie leiden. Rechtsvragen die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling, in de zin van art. 81 R.O., heb ik niet aangetroffen.

2. Feiten en procesverloop(1)

2.1. Partijen zijn op 30 juli 1969 met elkaar gehuwd. Zij hebben samen geen thans nog minderjarige kinderen.

2.2. Op 19 november 2002 heeft de vrouw de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken en voorts de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een alimentatie van € 421,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Bij brief van 20 maart 2003 heeft de vrouw dit verzoek verhoogd tot een bedrag van € 600,- per maand.

2.3. De man heeft verweer gevoerd tegen het nevenverzoek betreffende alimentatie.

2.4. Bij beschikking van 16 mei 2003 heeft de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De rechtbank heeft verder - uitvoerbaar bij voorraad - ten laste van de man de alimentatie voor de vrouw bepaald op € 345,- per maand, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.5. De echtscheidingsbeschikking is op 20 januari 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.6. De man is op 11 augustus 2003 van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

2.7. De vrouw heeft een verweerschrift, tevens houdende incidenteel beroep ingediend. De man heeft hierop een verweerschrift ingediend.

2.8. Het hof heeft bij beschikking van 31 maart 2004 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De relevante overwegingen luiden als volgt:

'4. De man heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de dubbele woonlasten en reiskosten van de vrouw. Hij meent dat er geen dringende noodzaak bestaat om twee woningen aan te houden, zodat van de vrouw redelijkerwijs gevergd kan worden dat zij haar woonlasten terug brengt door te kiezen voor ofwel haar woning in Nederland, dan wel haar woning in België. Voorts stelt hij dat de opgevoerde hoge woonlasten slechts ten dele in aanmerking mogen worden genomen bij de bepaling van haar behoefte. Verder meent de man dat de vrouw haar werkzaamheden kan uitbreiden naar een voltijds dienstverband en derhalve haar inkomsten kan vergroten. De man meent voorts dat de vrouw extra inkomsten geniet uit de verkoop van antiek, van welke stelling hij een bewijsaanbod doet door het horen van getuigen. De vrouw meent in incidenteel hoger beroep dat rekening dient te worden gehouden met de door haar gemaakte advocaatkosten. Verder is bij de bepaling van de draagkracht van de man ten onrechte rekening gehouden met de opgevoerde woonlasten, nu de man volgens de vrouw samenwoont met [betrokkene 1] en de man derhalve geen danwel minimale woonlasten heeft.

5. Ten aanzien van de behoefte van de vrouw staat vast dat partijen in 1994 samen een keuze hebben gemaakt om naar België te verhuizen, terwijl de vrouw toen al een jaar op deeltijd basis in Den Haag werkte. Sinds begin 1999 voeren partijen een gescheiden huishouding. De vrouw is doordeweeks voor haar werk in Den Haag en vanaf donderdagavond tot maandagavond verblijft zij in België in haar huurwoning. Namens de vrouw is ter zitting verklaard dat de vrouw haar sociale leven in België heeft en in 1999 een twee-kamerappartement in [plaats] heeft aangekocht louter om haar werkzaamheden te kunnen blijven uitoefenen, waarbij komt dat de man vanaf 1993 tot 2002 geaccepteerd heeft dat de vrouw in Den Haag werkte en de man qua werk, afstand en bewoning daarover nooit een probleem heeft gemaakt totdat de echtscheidingsprocedure aanhangig is gemaakt, welke verklaring het hof niet onredelijk voorkomt. Het hof acht het dan ook acceptabel dat de vrouw, gelet op haar werkzaamheden, naast haar huis in België ook woonruimte beschikbaar heeft in [plaats]. Dit betekent naar 's hofs oordeel evenwel niet dat de door de vrouw gemaakte dubbele woonlasten van in totaal ruim € 800,- per maand, te vermeerderen met de in dit geval ook aanzienlijke reiskosten woon-werkverkeer, bij de bepaling van haar behoefte zonder meer als redelijk zijn aan te merken en ten volle dienen te worden meegerekend. Het betreft hier deels ook een vrije keuze van de vrouw en het is niet redelijk alle kosten daarvan op de man af te wentelen. Het hof acht de door de vrouw opgevoerde woonlasten bovenmatig en acht het redelijk om bij de bepaling van haar behoefte rekening te houden met woonlasten, gelijk aan de man zoals hierna onder 10. wordt overwogen, te weten € 424,- per maand, te vermeerderen met extra reiskosten van de vrouw, zoals door haar opgevoerd.

[...]

8. Het hof houdt evenmin rekening met extra inkomsten uit de verkoop in antiek, nu de man zijn - uitdrukkelijk betwiste - stellingen terzake niet heeft gestaafd met enig bewijs. Het gedane bewijsaanbod, dat is gebaseerd op het vermoeden van de man dat de vrouw sinds de echtscheidingsprocedure niet is gestopt met deze activiteiten, wordt als te onvoldoende gespecificeerd gepasseerd.

9. Indien dan wordt uitgegaan, met inachtneming van het bovenstaande, van het door de vrouw in hoger beroep overgelegde behoefte-overzicht, met dien verstande [dat, A-G] geen rekening wordt gehouden met de maandelijkse aflossing van de schulden ad € 200,-, nu de vrouw deze kosten kan voldoen uit de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning, volgt dat de behoefte van de vrouw niet hoger ligt dan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage.

10. Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat het hof uit van een - niet bestreden - inkomen van de man van € 25.952,- bruto per jaar. De vrouw heeft in haar verweerschrift betoogd vernomen te hebben dat de man inmiddels een betrekking heeft als sportleraar en derhalve meer inkomsten geniet dan de man doet voorkomen. Nu de vrouw haar - door de man bestreden - stelling niet nader heeft onderbouwd, gaat het hof hieraan voorbij. De vrouw stelt zich verder op het standpunt dat de man samenwoont, zodat hij geen dan wel minimale woonlasten heeft, hetgeen zijn draagkracht doet vergroten. De vrouw heeft ter onderbouwing een verklaring overgelegd van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van België, enige kadastrale gegevens en bevindingen van een deurwaarder. De man heeft in dit kader verklaard dat hij een huurovereenkomst is aangegaan met [betrokkene 1] betreffende een zelfstandige woning en dat hij aan haar maandelijks een huur betaalt van € 424,-. De man heeft ter staving een aantal huurbetalingen overgelegd.

Nu de man de samenwoning met [betrokkene 1] uitdrukkelijk heeft betwist en uit de door de vrouw overgelegde stukken niet kan worden opgemaakt dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding, is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de man de door hem opgevoerde woonlasten heeft, met welke lasten het hof rekening houdt.'

2.9. Van deze beschikking is de man - tijdig(2) - in cassatieberoep gekomen. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel cassatieberoep ingesteld. De man heeft een verweerschrift in het incidentele cassatieberoep ingediend.

3. Bespreking van het principale cassatiemiddel

3.1. Het principale cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen.

3.2. Onderdeel 1 komt op tegen rov. 8 van de bestreden beschikking, waarin het hof heeft overwogen dat het geen rekening houdt met de extra inkomsten van de vrouw uit de verkoop in antiek, nu de man zijn - uitdrukkelijk betwiste - stellingen ter zake niet heeft gestaafd met enig bewijs. Dit oordeel is volgens het onderdeel om de navolgende redenen rechtens onjuist, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd:

De vrouw heeft niet betwist de stelling van de man dat zij gedurende het huwelijk steeds verdiensten heeft gehad uit de verkoop van antiek; zij heeft die werkzaamheden na de scheiding stopgezet(3) en aldus eigener beweging ervoor geopteerd van deze inkomsten af te zien. Zoals in HR 24 april 1998, R97/129, NJ 1998, 603 is beslist, mag een inkomensvermindering van een onderhoudsgerechtigde bij de bepaling van diens behoefte slechts dan buiten beschouwing blijven indien de onderhoudsgerechtigde zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsplichtige, met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot die inkomensvermindering hebben geleid. Gelet hierop had het volgens het onderdeel op de weg van de vrouw gelegen te stellen en zo nodig te bewijzen welke relevante feiten en omstandigheden aanleiding hebben gegeven van die inkomsten uit de antiekverkoop af te zien, hetgeen zij niet heeft gedaan. Het hof had gezien de stelling van de man dat met de inkomensterugval van de vrouw geen rekening mocht worden gehouden, moeten beoordelen of de vrouw zich met het oog op de belangen van de man had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid.

3.3. Het te dezen door partijen in feitelijke instanties gevoerde debat laat zich als volgt schetsen:

- In eerste aanleg is door de man gesteld dat de vrouw extra inkomsten genereert, althans heeft gegenereerd uit de verkoop van antiek en dat de vrouw bij de procedure voorlopige voorzieningen heeft toegegeven dat zij verdiensten uit antiekverkoop had, doch dat zij hiermee sinds de echtscheidingsproblematiek is gestopt en dat de man hieruit opmaakt dat de vrouw zich in redelijkheid en kennelijk vrij eenvoudig aanvullende inkomsten kan verwerven, zodat feitelijk niet kan worden gesproken van behoeftigheid. Ik citeer: 'De vrouw heeft echter eigener beweging er voor geopteerd om van deze inkomsten af te zien. Dat hierdoor een bepaalde behoefte aan de zijde van de vrouw wordt gecreëerd, is redelijkerwijs niet maatgevend voor de gehoudenheid van de man om alimentatie te voldoen. De vrouw had zich in deze dienen te onthouden van deze gedraging die immers direct heeft geleid tot een inkomensvermindering aan haar zijde. De rechtbank dient bij de vaststelling van de behoefte aan de zijde van de vrouw dan ook rekening te houden met de 'fictieve' inkomsten die zij zich redelijkerwijs kan verwerven.'(4) Bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank is namens de man nog betoogd dat antiekhandelaren de vrouw regelmatig op zondag op antiekmarkten signaleren terwijl zij loopt in te kopen.(5)

- De vrouw heeft in eerste aanleg betoogd dat zij sinds de echtscheidingsproblematiek is gestopt met de verkoop van antiek; dat de man de goederen die daarvoor in aanmerking zouden komen heeft verduisterd; dat de vrouw in het verleden drie maal per jaar in vakanties antiek verkocht waarvan de opbrengst te verwaarlozen was, althans zo weinig was dat niet kan worden gesteld dat dit een substantiële aanvulling was op haar inkomen; dat het een hobby van de vrouw betrof; dat de vrouw niet eens in staat is om in haar vrije tijd antiek te verkopen; dat de vrouw geen antiek meer verkoopt en dit ook in het verleden geen bron van inkomsten voor haar heeft gevormd, zodat bij het bepalen van haar behoefte geen rekening dient te worden gehouden met de 'fictieve' inkomsten uit de verkoop van antiek; en dat iedere onderbouwing van de stelling van de man ontbreekt.(6) Bij de mondelinge behandeling is door de vrouw verder gesteld dat zij vroeger antiek kocht op rommelmarkten en dat in huis zette en, indien het in huis te vol werd, zij weer spullen verkocht doch dat zij voor het laatst in 1998 of 1999 op een marktje heeft gestaan.(7)

- In hoger beroep is de man bij het standpunt gebleven dat de vrouw, ook nu nog, extra inkomsten geniet uit de verkoop van antiek.(8) De man heeft een verklaring overgelegd(9) van [betrokkene 2], antiekhandelaar, die als volgt luidt: 'Les soussignés déclarent que [de vrouw] achète toujours régulièrement le dimanche matin dans la salle du Sassin à Bomal s/O pour son commerce d'antiquités.'

- De vrouw heeft in het verweerschrift in hoger beroep hetzelfde verweer gevoerd als in eerste aanleg en zij heeft de verklaring van [betrokkene 2] betwist door te betogen dat deze vals is en ondertussen is geannuleerd.(10) Zij heeft een verklaring van [betrokkene 2] overgelegd en voorts enkele verklaringen van mensen c.q. organisaties die zich bezighouden met de verkoop van antiek.(11)

- De man heeft bij brief aan het hof van 5 februari 2004(12) een verklaring van [betrokkene 3] ingebracht die inhoudelijk gelijk is aan de verklaring van [betrokkene 2], en verder foto's van de vrouw en haar auto bij antiekbeurzen en een door de vrouw opgestelde lijst met voor de antiekhandel relevante gegevens. Bij de mondelinge behandeling is zijdens de man betoogd dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij haar inkomsten blijft aanvullen met inkomsten uit de antiekhandel; dat er geen enkele deugdelijke reden is waarom zij daarmee zou mogen stoppen, waartoe in ieder geval niet kan dienen de stelling dat de vrouw een te zware baan zou hebben; dat de vrouw feitelijk nog steeds op grote schaal in antiek handelt; dat uit de overgelegde foto's blijkt dat zij in 2003 nog regelmatig als verkoopster aanwezig was op diverse antiek- en verzamelbeurzen; dat de door de vrouw gemaakte lijsten erop wijzen dat zij meer is dan een zuiver liefhebber; dat ook de twee overgelegde verklaringen, van [betrokkene 2] en [betrokkene 3], het standpunt van de man ondersteunen en dat de verklaring van [betrokkene 2] weliswaar onder druk van de vrouw is geannuleerd, maar dat de verklaring daarmee niet onjuist is. Tot slot heeft de man de door de vrouw overgelegde verklaringen betwist en de inkomsten die de vrouw met de antiekhandel genereert gesteld op € 5.000,- tot € 10.000,- netto per jaar.(13) Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling voor het hof heeft de man nog verklaard dat een goed weekend € 2.000,- à € 3.000,- oplevert.(14)

- De vrouw ten slotte heeft bij de mondelinge behandeling bij het hof haar eerdere stellingen en betwistingen herhaald. Zij heeft verder de verklaring van [betrokkene 3] in twijfel getrokken en het belang van de lijst en de foto's betwist.(15)

3.4. Het onderdeel neemt tot uitgangspunt dat de vrouw de stelling van de man dat zij gedurende het huwelijk steeds verdiensten heeft gehad uit de verkoop van antiek, niet heeft betwist. Blijkens de weergave van het partijdebat is dit uitgangspunt onjuist, nu de vrouw heeft gesteld dat de opbrengst van de verkoop van antiek te verwaarlozen was, althans zo weinig was dat niet kan worden gesteld dat dit een substantiële aanvulling was op haar inkomen.

's Hofs oordeel in rov. 8 dat geen rekening wordt gehouden 'met extra inkomsten uit de verkoop in antiek, nu de man zijn - uitdrukkelijk betwiste - stellingen terzake niet heeft gestaafd met enig bewijs' slaat kennelijk en niet onbegrijpelijk mede op de door de man weliswaar gestelde, maar door de vrouw uitdrukkelijk betwiste zodanige verdiensten in het verleden dat daarbij van een substantiële aanvulling op haar inkomen kan worden gesproken. Dit oordeel is te minder onbegrijpelijk, nu enig bewijsmateriaal met betrekking tot een wél substantiële aanvulling tijdens de huwelijkse periode (in de vorm van bijv. kopieën van mede daarop betrekking hebbende belastingaangiften uit die tijd of anderszins) niet door de man in het geding is gebracht.

3.5. Onderdeel 2 klaagt dat het hof in rov. 8 van de bestreden beschikking ten onrechte, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd het door de man gedane bewijsaanbod als te onvoldoende gespecificeerd heeft gepasseerd. De man heeft immers uitdrukkelijk bewijs aangeboden van zijn stelling dat de vrouw extra inkomsten genereert uit de verkoop van antiek, onder meer door het horen van een met name genoemde getuige, die reeds een ter zake doende schriftelijke verklaring had afgelegd.(16),(17) Een en ander is volgens het onderdeel temeer onjuist en/of onbegrijpelijk gelet op art. 166 lid 1 jo. 284 lid 2 Rv én gezien het feit dat de vrouw heeft aangegeven tegen het oproepen van deze getuige geen bezwaar te hebben.(18)

3.6. In rov. 8 heeft het hof het gedane bewijsaanbod, dat is gebaseerd op het vermoeden van de man dat de vrouw sinds de echtscheidingsprocedure niet is gestopt met deze activiteiten, als te onvoldoende gespecificeerd gepasseerd. In het licht van 's hofs kennelijke en begrijpelijke oordeel (zie hiervoor 3.4) dat geen rekening gehouden dient te worden met extra inkomsten uit de verkoop van antiek, is 's hofs verwerping van het door de man gedane bewijsaanbod niet onjuist noch onbegrijpelijk. Het bewijsaanbod van de man terzake is in dit licht inderdaad onvoldoende gespecificeerd (zo al ter zake). Het heeft immers niet betrekking op de omvang van de met de verkoop van antiek verkregen (netto-) inkomsten. Het bewijsaanbod luidt immers:

'De man biedt uitdrukkelijk aan om bewijs te leveren ter zake van zijn stelling dat [de vrouw, A-G] extra inkomsten genereert uit de verkoop van antiek. De man wenst hiertoe als getuigen onder meer te doen horen de hiervoor genoemde [betrokkene 2].'

3.7. Ook overigens - ervan uitgaande dat de man voldoende gesteld zou hebben dat de vrouw nu (c.q. sinds de scheiding) wél zodanig extra inkomen zou verwerven uit de verkoop van antiek, dat daarbij nu wél van een substantiële aanvulling op haar inkomen gesproken kan worden - kan de klacht niet tot cassatie leiden. Ik wijs daartoe op het volgende.

In het arrest HR 9 juli 2004, C03/079, RvdW 2004, 94 (OZ Export Planten/[...])(19) heeft uw Raad in rov. 3.6 enkele algemene uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van een getuigenbewijsaanbod:

'Uitgangspunt bij de beoordeling van het middel is dat ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in samenhang met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afgeven, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. (...)'

Deze uitgangspunten gelden m.i. op grond van art. 284 lid 1 Rv in gelijke mate voor alimentatieprocedures als de onderhavige.(20)

3.8. Het betreffende bewijsaanbod heb ik in nr. 3.6 al geciteerd. In het licht van de hiervoor onder 3.7 omschreven maatstaven en het onder 3.6 vermelde bewijsaanbod getuigt 's hofs oordeel in rov. 8, tweede volzin m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting, noch is dit oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. M.i. kan met name niet gezegd worden dat het hof hiermee een prognose omtrent de uitkomst van de bewijslevering geeft.

3.9. Onderdeel 3 klaagt dat 's hofs oordeel in rov. 8, dat de man zijn stellingen niet zou hebben gestaafd met enig bewijs, rechtens onjuist, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Bij brief van 5 februari 2004 heeft de man stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat de vrouw (nog steeds) in antiek handelt. Bij de mondelinge behandeling van 13 februari 2004 is de man daar uitdrukkelijk en uitvoerig op ingegaan; onder meer heeft hij aangevoerd dat op de bij brief van 5 februari 2004 overgelegde foto's die in 2003 genomen zijn de vrouw te zien is terwijl zij op een verzamelmarkt klanten helpt. Door de vrouw is niet betwist dat zij en haar auto op deze foto's te zien zijn en evenmin dat deze foto's in 2003 zijn genomen. De man heeft eveneens bij brief van 5 februari 2004 een door de vrouw geschreven zeer volledige lijst van verzamel- en antiekmarkten in het geding gebracht. De vrouw betwist niet dat zij deze lijst geschreven heeft. Verder heeft de man als productie 3 bij het appelrekest in het geding gebracht een ter zake doende verklaring van [betrokkene 2]. Door geen enkele overweging te wijden aan de hierboven aangehaalde stellingen en stukken heeft het hof volgens het onderdeel de aan elke rechterlijke beslissing te stellen motiveringseisen miskend.

3.10. Het onderdeel bouwt geheel voort op de voorafgaande onderdelen, voert - met name ook ten aanzien van een in aanmerking te nemen omvang van de met de verkoop van antiek verkregen (netto-) inkomsten - geen nieuwe stellingen aan, en deelt dus het lot van de voorafgaande onderdelen.

3.11. Onderdeel 4 komt op tegen rov. 9 waar het hof de door de vrouw overgelegde behoefteberekening, met een correctie op de woonlasten en schrapping van de post aflossing op schulden, zonder enige motivering of bespreking van de daartegen gerichte verweren heeft gevolgd, hoewel deze behoefteberekening door de man uitdrukkelijk op een groot aantal punten is betwist. De man heeft, aldus het onderdeel, ter zitting onder meer gesteld dat de hypotheekrente niet in aftrek is gebracht terwijl de vrouw dat in haar fiscale aangiften wel doet, dat de eigenaarslasten te hoog zijn gesteld en niet zijn bewezen, dat er geen noodzaak is om zowel in België als in Nederland een ziektekostenverzekering te hebben en dat alle overige kosten in de bijstandsnorm of het forfait eigenaarslasten vallen. De man heeft geconcludeerd dat de vrouw haar kosten gemakkelijk uit haar eigen inkomsten kan voldoen. Door hieraan voorbij te gaan heeft het hof volgens het onderdeel ten onrechte geen acht geslagen op essentiële stellingen van de man.

3.12. Het onderdeel kan m.i. niet tot cassatie leiden, reeds omdat het niet voldoet aan de daaraan krachtens art. 426a lid 2 Rv. te stellen eisen.

Het onderdeel verwijst weliswaar naar stellingen van de man bij de mondelinge behandeling van het hof, die ik hier citeer(21):

'De man wenst in dit kader nog even kort stil te staan bij de door de vrouw overgelegde behoefteberekening. Het daarin opgenomen inkomen van de vrouw is te laag. Het basisinkomen van de vrouw is hoger, terwijl zij nog inkomsten uit vermogen en uit antiekhandel heeft. Verder is ten onrechte de hypotheekrente niet in aftrek gebracht. De vrouw voert deze aftrekpost wel op in haar aangiften inkomstenbelasting. De huur van de woning in België dient te worden geschrapt, om eerder genoemde redenen. Het forfait overige eigenaarslasten is veel te hoog gesteld. Het maximum is € 95,00 en niet bewezen is dat de vrouw hier overheen komt. Met de ziektekostenverzekering van de vrouw in België dient geen rekening te worden gehouden nu zij niet in België verzekerd hoeft te zijn. De post aflossing schulden dient te vervallen aangezien de vrouw eventuele schulden uit haar vermogen kan inlossen. De post autokosten dient eveneens te vervallen aangezien dit geen noodzakelijke kosten zijn nu de vrouw in [plaats] woont en werkt. Alle overige kosten worden betwist. Deze kosten vallen ofwel in de bijstandsnorm of onder het forfait eigenaarslasten. Hetgeen aan kosten overblijft, kan gemakkelijk uit de eigen inkomsten van de vrouw worden bestreden. De man concludeert dan ook wederom dat er geen enkele aanleiding is om een alimentatie op te leggen.'

Dit citaat laat evenwel zien dat het niet de vindplaatsen bevat van de eerdere stellingnamen van de man ten aanzien van elk van deze betwistingen, terwijl het onderdeel die vindplaatsen ook anderszins niet aangeeft. Daarmee gaat het onderdeel, wat vindplaatsen betreft, en inhoudelijk, volledig voorbij aan het voorafgaande partijdebat in de feitelijke instanties, terwijl dat bij de toetsing van deze motiveringsklacht niet buiten beoordeling kan blijven.

Ten overvloede merk ik op dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk in de stellingen van de man bij pleidooi die onderwerp zijn van het onderdeel, een (volstrekt) onvoldoende wederbetwisting door de man heeft gezien van de gemotiveerde betwistingen van de vrouw die het volgende beeld laten zien:

- omtrent de hypotheekrente heeft de vrouw in eerste aanleg en in hoger beroep(22) aangevoerd dat zij sinds 2001 met betrekking tot haar woning in [plaats] geen belastingvoordeel geniet nu zij daar niet haar hoofdverblijf heeft, zodat dit ook niet is opgenomen in haar laatste draagkrachtberekening;(23)

- ten aanzien van het forfait overige eigenaarslasten heeft de vrouw in hoger beroep aangevoerd dat dit een hoger bedrag is dan het forfaitaire bedrag van € 95,-, namelijk € 150,-;(24)

- wat betreft de ziektekostenverzekering in België heeft de vrouw in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerd dat de man deze kosten van de vrouw tot februari 2002 betaalde(25) en voorts in hoger beroep aangevoerd dat de premie ziektekosten voor de vrouw in Nederland € 112,- per maand en in België € 8,40 per maand bedraagt, zodat in de behoefteberekening een bedrag van € 120,- is opgenomen.(26)

Ten slotte merk ik op dat het hof over het inkomen van de vrouw, over de post aflossing schulden, over de huur van de woning in België, en over de autokosten elders in de beschikking gemotiveerde en in cassatie niet of niet met succes aangevochten beslissingen heeft gegeven.

3.13. Tot slot betoogt onderdeel 5 dat het hof heeft verzuimd aandacht te besteden aan de niet betwiste stellingen van de man, geuit ter zitting, dat het verschil in reguliere inkomsten tussen de man en de vrouw slechts € 1.557,68 per jaar is en dat, rekening houdend met de omvang van ieders aandeel in de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, het verschil in basisinkomsten tussen partijen daarmee slechts € 600,- per jaar is(27). Door hieraan voorbij te gaan heeft het hof ten onrechte geen acht geslagen op essentiële stellingen van de man. Nu de woonlasten van partijen door het hof op eenzelfde bedrag zijn gesteld en er met uitzondering van extra reiskosten geen bijzondere kosten aan de zijde van de vrouw zijn, rechtvaardigt een inkomensverschil tussen partijen van € 600,- per jaar geen alimentatie van € 345,- per maand, althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt. Voor zover deze stellingen van de man als een nieuwe grief te beschouwen zouden zijn, beroept de man zich op HR 5 november 1999, R98/148, NJ 2000, 65.

3.14. Het onderdeel faalt reeds omdat het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Terwijl het onderdeel rekent op basis van een - rechtens onjuiste - vergelijking van 'reguliere inkomsten' (zonder rekening te houden met lasten), heeft het hof terecht de alimentatie bepaald aan de hand van een berekening van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

Terzijde wijs ik er nog op dat de in het onderdeel gemaakte inkomensvergelijking ('sec') onjuist is, reeds omdat het hof heeft vastgesteld en in cassatie niet is bestreden dat het bruto inkomen van de vrouw € 21.946,- bedroeg en niet, zoals in de pleitnota wordt betoogd, € 24.394,32.

4. Bespreking van het incidentele cassatiemiddel

4.1. Middel 1 stelt voorop dat de vrouw heeft uiteengezet waarom het redelijk is dat rekening wordt gehouden met haar woonlasten in België en Nederland. Daarbij heeft de vrouw gesteld dat zij secretarieel persoonlijk medewerkster is van een kamerlid van het CDA. Van algemene bekendheid is dat dit geen baan is van 09.00 tot 17.00 uur en dat een persoonlijk medewerker emplooi kan verliezen wanneer het kamerlid waaraan hij of zij is toegevoegd, bij een verkiezing niet herkozen wordt en/of de fractie bij een verkiezing uitgedund wordt. De onzekerheid over werk en inkomen na de volgende verkiezingen van de Tweede Kamer is een belangrijk kenmerk van haar baan. De rechtbank heeft daar volgens het middel oog voor gehad en overwoog dat het redelijk was om rekening te houden met de zekere woonplaats in België en met de voorshands zekere woonplaats in [plaats]. Omdat de man daartegen een grief richtte, heeft de vrouw zich daarover in haar verweerschrift, onder 3-10 en in haar pleitnota, pp. 4-5 uitgelaten. Vervolgens heeft het hof daarover beslist in rov. 5.

Onderdeel 1a klaagt dat het hof duidelijk had moeten maken waarom de woonlasten van woonplaatsen, welke door het hof zelf acceptabel werden geacht, niet ten volle zouden meetellen bij het bepalen van de behoefte van de vrouw en dat, nu het hof dit heeft nagelaten, de beschikking niet deugdelijk gemotiveerd is.

4.2. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers wel degelijk gemotiveerd waarom de woonlasten niet ten volle dienden te worden meegerekend. Ik citeer nogmaals uit rov. 5 (mijn curs., A-G):

'(...) Het betreft hier deels ook een vrije keuze van de vrouw en het is niet redelijk alle kosten daarvan op de man af te wentelen. Het hof acht de door de vrouw opgevoerde woonlasten bovenmatig en acht het redelijk om bij de bepaling van haar behoefte rekening te houden met woonlasten, gelijk aan de man zoals hierna onder 10. wordt overwogen, te weten € 424,- per maand, te vermeerderen met extra reiskosten van de vrouw, zoals door haar opgevoerd.'

4.3. Onderdeel 1b voert subsidiair aan dat de door het hof genoemde criteria, te weten of sprake is van een vrije keuze van de vrouw en of de lasten bovenmatig zijn, onjuist zijn, althans ondeugdelijk gemotiveerd.

Het door het hof genoemde criterium van vrije keuze is hier niet hanteerbaar en/of onbegrijpelijk. Enerzijds behoort in aanmerking genomen te worden dat het de vrouw (ook jegens de man) in redelijkheid niet vrij staat om haar inkomen uit arbeid bij haar huidige werkgeefster (alsmede haar [...] woning) prijs te geven en op goed geluk naar werk in België te zoeken. Anderzijds behoort in aanmerking genomen te worden dat van de vrouw niet gevergd mag worden dat zij, in verband met de genoemde onzekerheid over haar toekomst, haar woning en sociale contacten in België prijs geeft om in [plaats] in een tweekamerflatje te wonen. De vrouw behoort kennelijk tot de groep van mensen die in een uitzonderingspositie verkeren. Het hof had daarom, aldus het onderdeel, moeten uitleggen waarom geen rekening gehouden moet worden met deze uitzonderingspositie.

4.4. 's Hofs oordeel in rov. 5 van de bestreden beschikking, om vanwege het feit dat het deels een vrije keuze van de vrouw betreft en de lasten bovenmatig zijn, slechts ten dele rekening te houden met de door de vrouw opgevoerde woonlasten, is m.i. niet onjuist, noch onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd.

In het bijzonder acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof van belang heeft geacht dat het deels de vrije keuze van de vrouw betreft om zowel in België als in [plaats] woonruimte aan te houden. Hiermee zegt het hof immers iets over het noodzakelijke karakter van de betreffende lasten. Het getuigt m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting om hiermee rekening te houden op de wijze zoals het hof gedaan heeft en, in het licht van het in dit kader gevoerde partijdebat, is dit evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Hetgeen in het onderdeel wordt aangevoerd doet hieraan niet af.

4.5. Onderdeel 1c betoogt dat bij het door het hof genoemde criterium van bovenmatigheid volstrekt onduidelijk is waarom daarvan sprake is bij een woonlast van € 800,-. Het onderdeel lanceert daartoe een aantal mogelijke bedoelingen van het hof, en klaagt vervolgens dat de beschikking door niet-beantwoording van de daardoor opgeroepen vragen niet deugdelijk is gemotiveerd.

4.6. Het onderdeel noemt niet een andere, maar m.i. nu juist onmiskenbare en begrijpelijke strekking van 's hofs hier aangevochten oordeel, en mist daarmee feitelijke grondslag. Dat is de door mij onder 4.4 al aangegeven kennelijke (en juiste en begrijpelijke) gedachtegang van het hof.

4.7. In middel 2 wordt vooropgesteld dat de vrouw heeft gesteld dat de man samenwoont met [betrokkene 1], en daartoe het in het middel genoemde bewijsmateriaal heeft overgelegd. De vrouw meent dat het materiaal van dien aard is dat het vermoeden zou moeten bestaan dat haar standpunt juist is en dat daarom aan de man de gelegenheid geboden moet worden om te bewijzen dat hij niet samenwoont met [betrokkene 1]. Het hof heeft blijkens rov. 10 van de voorliggende beschikking anders beslist.

Onderdeel 2a klaagt dat in het licht van hetgeen de vrouw in het incidenteel appel onder 42-54 presenteerde, zonder nadere toelichting - die ontbreekt - onbegrijpelijk is dat het hof de niet door een officieel contract gesteunde verklaring van de man dat hij huurder is, beschouwt als een uitdrukkelijke en genoegzame betwisting van hetgeen de vrouw te berde bracht.

4.8. In het in het onderdeel genoemde gedingstuk wordt aangevoerd dat de man samenwoont met [betrokkene 1]. Ter ondersteuning heeft de vrouw met name betoogd dat inkomensspecificaties van de man al vanaf juli 2002 op het adres van [betrokkene 1] worden ontvangen; dat uit een overgelegde verklaring van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van België blijkt dat de man deel uitmaakt van het huishouden van [betrokkene 1]; dat uit een uittreksel van het bevolkingsregister blijkt dat de man pas sinds 4 dagen voor de mondelinge behandeling staat ingeschreven op het adres zoals vermeld in het huurcontract; dat uit kadastrale gegevens en door navraag bij het kadaster blijkt dat de genoemde huisnummers op één terrein liggen en in elkaar overlopen; dat uit een door een deurwaarder opgesteld proces-verbaal van constatering blijkt dat de man met zijn vriendin, [betrokkene 1] samenwoont; en dat uit een tweetal klantenkaarten volgt dat de man en [betrokkene 1] een stel vormen.

4.9. De man heeft de stellingen van de vrouw en het belang van de overgelegde producties ampel betwist.(28) Hierbij heeft hij onder meer een huurcontract(29) en kopieën van huurbetalingen(30) overgelegd.

4.10. Het hof heeft in rov. 10 geoordeeld dat de man de samenwoning met [betrokkene 1] uitdrukkelijk heeft betwist en dat uit de door de vrouw overgelegde stukken niet kan worden opgemaakt dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Dit aan het hof als feitenrechter voorbehouden oordeel is, gelet op hetgeen door de man in feitelijke instanties naar voren is gebracht, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het is voorts niet uitsluitend gebaseerd op het door de man overgelegde huurcontract. De klacht faalt dus.

4.11. Ten slotte voert onderdeel 2b aan dat in hetzelfde licht bezien zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk is dat het hof het gewicht van hetgeen de vrouw aan bewijsmateriaal naar voren bracht, niet van dien aard achtte dat het vermoeden gerechtvaardigd was dat het standpunt van de vrouw juist is en dat de man daarom het bewijsrisico behoorde te verkrijgen om te bewijzen dat hij niet samenwoonde met [betrokkene 1].

4.12. Het hof heeft het door de vrouw overgelegde bewijsmateriaal blijkens rov. 10 onder ogen gezien, doch onvoldoende geacht om daaruit te kunnen opmaken dat er sprake is van samenwoning en/of van een gezamenlijke huishouding. Dit aan het hof voorbehouden oordeel is m.i., gelet op hetgeen door partijen in feitelijke instanties naar voren is gebracht, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Evenmin is onbegrijpelijk dat het hof hieraan geen vermoeden van de juistheid van de stellingen van de vrouw heeft ontleend. Ook deze klacht kan dan ook niet tot cassatie leiden.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt, zowel in het principale beroep als in het incidentele beroep, tot verwerping daarvan.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan de bestreden beschikking, pp. 1-2.

2 Het verzoekschrift tot cassatie is op 14 juni 2004 bij de Hoge Raad binnengekomen.

3 Verwezen wordt naar het verweerschrift in eerste aanleg, onder 4 en 6.

4 Zie het verweerschrift in eerste aanleg, onder 6. Zie verder de pleitnota in eerste aanleg van mr. Manders, onder 7-8. Deze ontbreekt in het B-dossier.

5 Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 maart 2003, p. 2.

6 Zie de pleitnota in eerste aanleg van mr. Zijdenbos, p. 2.

7 Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 maart 2003, p. 2.

8 Zie het beroepschrift, onder 16.

9 Productie 3 bij het beroepschrift. Deze ontbreekt in het B-dossier.

10 Zie het verweerschrift in hoger beroep/incidenteel appel, onder 29-35.

11 Producties 9 en 10 bij het verweerschrift in hoger beroep/incidenteel appel.

12 Deze brief ontbreekt in het B-dossier.

13 Zie de pleitnota in hoger beroep van mr. Brech, onder 9-11.

14 Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 februari 2004, p. 1.

15 Zie de pleitnota in hoger beroep van mr. Zijdenbos, pp. 1-4 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 februari 2004, p. 1.

16 Het betreft de verklaring van [betrokkene 2], zie onder 3.3.

17 Verwezen wordt naar het beroepschrift, onder 17.

18 Verwezen wordt naar het verweerschrift in hoger beroep/incidenteel appel, onder 32.

19 AA 2005, p. 270 m.nt. G.R. Rutgers. Zie over dit arrest ook V. van den Brink, NbBW 2004/9, p. 128 en R. Boonekamp, TvC 2005/1 op p. 13.

20 Vgl. HR 28 mei 1999, R98/041, NJ 1999, 694 m.nt. HJS.

21 Zie de pleitnota in hoger beroep van mr. Brech, onder 19.

22 Zie de pleitnota in eerste aanleg van mr. Zijdenbos, p. 4 en het verweerschrift in hoger beroep/incidenteel appel, onder 37, p. 15.

23 Noot A-G: bij de voormalige echtelijke woning kon voor hypotheekrente wél belastingvoordeel worden genoten, maar tussen partijen is in confesso dat die in de loop van het geding verkocht is (vgl. de pleitnota in hoger beroep zijdens de man, onder 13).

24 Zie het verweerschrift in hoger beroep/incidenteel appel, onder 37, p. 15: 'De VVE-bijdrage is al € 105,- per maand en daarnaast bedraagt de bewonersvergunning € 3,36 per maand en de gekoppelde bezoekersvergunning (...) € 1,34 per maand. De waterschapsomslag is € 7,04 per maand en de WOZ belasting € 19,06 per maand. Met eventuele onderhoudskosten die buiten de bijdrage VVE vallen en gemeentelijke belastingen is dan nog niet eens rekening gehouden.' Zie ook producties 19, 20 en 31-33 aldaar.

25 Zie de pleitnota in eerste aanleg van mr. Zijdenbos, p. 6 en het verweerschrift in hoger beroep/incidenteel appel, onder 16.

26 Zie het verweerschrift in hoger beroep/incidenteel appel, onder 37, p. 16.

27 Verwezen wordt naar de pleitnota in hoger beroep van mr. Brech, onder 12 en 13.

28 Zie bijv. de pleitnota in eerste aanleg van mr. Manders (die in het B-dossier ontbreekt), onder 9, het verweerschrift in incidenteel appel, onder 4-9 en de pleitnota in hoger beroep van mr. Brech, onder 14-17.

29 Bij brief aan de rechtbank van 21 maart 2003.

30 Zie de producties bij het verweerschrift in incidenteel appel en bij de brief aan het hof van 5 februari 2004.