Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT4369

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
14-06-2005
Zaaknummer
02058/04 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT4369
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Uit de aanvrage kan niet volgen dat de aanvrager ook ttv het bewezenverklaarde feit al leed aan de daar bedoelde stoornis en evenmin dat de stoornis van dien aard was en in zodanig verband stond met het bewezenverklaarde dat het ernstig vermoeden rijst dat de rechter hem het strafbare feit niet zou hebben toegerekend wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en de aanvrager zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging. 2. Art. 457.1.2 Sv doelt met "de toepassing van een minder zware strafbepaling" op een wettelijke strafbaarstelling die - in verhouding tot de toegepaste - een minder zware straf bedreigt en niet op een veroordeling tot een minder zware straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 374
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02058/04 H

Mr. Fokkens

Zitting: 19 april 2005

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Namens [aanvrager] heeft mr. M.S. de Groene, advocate te Groningen, een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 15 juni 1999 ingediend. Bij dat vonnis is de aanvrager veroordeeld tot een geldboete van fl. 350,- wegens vernieling gepleegd op 14 april 1998.

2. Na indiening van de aanvraag, die op 22 juli 2004 bij de Hoge Raad is binnengekomen, is de aanvrager op 30 september 2004 overleden. Art. 477 Sv bepaalt dat, indien gedurende de behandeling der zaak de veroordeelde overlijdt, het geding wordt voortgezet en dat door de rechter voor wie de zaak dient of moet dienen, een bijzondere vertegenwoordiger benoemd. Op 5 april 2005 heeft de Hoge Raad mr. de Groene benoemd als bijzondere vertegenwoordiger van de veroordeelde gedurende de behandeling van de herzieningsaanvraag.

3. De aanvraag berust op de stelling dat tijdens de behandeling van de zaak die tot bovengenoemd vonnis heeft geleid de geestelijke toestand van de veroordeelde niet bekend was. Indien die geestestoestand wel bekend was geweest, zou de veroordeelde ontoerekeningsvatbaar zijn verklaard dan wel een minder zware strafbepaling zijn toegepast, aldus de aanvraag.

Ter onderbouwing van dit standpunt zijn als bewijsmiddelen overgelegd een kopie van een reclasseringsrapport van 19 december 2000 en een kopie van een brief die mr. De Groene op 6 april 2001 in verband met een andere strafzaak tegen veroordeelde aan de psychiater De Berk heeft gezonden.

4. Het reclasseringsrapport is opgemaakt ten behoeve van een strafzaak tegen de veroordeelde bij de Politierechter te Groningen. Het houdt in dat volgens de psychiater dr. De Berk, die de veroordeelde ten tijde van het opmaken van het reclasseringsrapport behandelde, [aanvrager] leed aan een ernstige psychiatrische aandoening, namelijk schizofrenie en dat hij op dat moment op een gesloten afdeling van het PCN verbleef op grond van een rechterlijke machtiging ex art. 2 BOPZ. Volgens de psychiater was de [aanvrager] ten tijde van het plegen van de misdrijven waarvoor hij werd vervolgd psychotisch.

Daarnaast houdt het rapport in dat de informatie van dr. De Berk in tegenstelling staat tot de informatie van de heer P. Roels die is verbonden aan het psychiatrisch ziekenhuis in Eindhoven. Volgens Roels kan de aanvrager geheel verantwoordelijk gehouden worden voor zijn daden, aldus het rapport.

Het voorlichtingsrapport concludeert dan ook dat er vragen over de mate van toerekeningsvatbaarheid gesteld kunnen worden, maar dat de reclassering geen uitspraak daarover kan doen.

5. De brief van 6 april 2001 bevat de weerslag van een telefonisch gesprek tussen mr. de Goede en dr. De Berk. Die brief houdt in dat de Politierechter te Groningen de veroordeelde heeft ontslagen van alle rechtsvervolging wegens het ontbreken van elk inzicht in zijn handelen voor twee vernielingen gepleegd in juni 2000. Dit had de raadsvrouwe ook bepleit op grond van de hierboven weergegeven diagnose van dr. De Berk. Tevens kan uit de brief worden opgemaakt dat dr. De Berk van mening was dat, gelet op het geringe tijdsverloop na de eerste vernielingen, hetzelfde zou moeten gelden ten aanzien van een door veroordeelde in november 2000 in Epe gepleegde vernieling.

6. Uit de overgelegde bewijsmiddelen kan mijns inziens niet volgen dat de [aanvrager] ook op 14 april 1999 - de datum van het bewezenverklaarde feit - leed aan een zodanige storing van zijn geestesvermogens dat het ernstige vermoeden rijst dat de rechter hem om die reden het feit niet zou hebben toegerekend en hem zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging. Uit de omstandigheden waaronder de vernieling werd gepleegd - uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat de veroordeelde een ruit heeft ingetrapt van een gebouw van de gemeente Utrecht, waarin vroeger zijn school gevestigd was en tegenover de politie verklaarde dat hij onvrede had met zijn functioneren in deze maatschappij, waar je niet de mogelijkheden krijgt om behoorlijk te functioneren en verder verklaarde dat de gemeente Utrecht alle wegen maar openbrak en gebouwen in bezit nam - kan worden opgemaakt dat er bij veroordeelde mogelijk sprake was van een psychiatrische problematiek. Kennelijk heeft dit gegeven de Politierechter destijds geen aanleiding gegeven - verdachte is ter terechtzitting verschenen - voor een andere beoordeling van het feit dan de gebruikelijke, gezien de opgelegde straf. Het feit dat anderhalf jaar later bij veroordeelde een zodanige stoornis werd vastgesteld dat gedwongen opname noodzakelijk was en dat vervolgens de rechter ter zake van twee ruim een jaar na dit feit gepleegde soortgelijke feiten de veroordeelde niet toerekeningsvatbaar achtte, hoeft nog niet te betekenen dat zijn geestelijke toestand ook in april 1999 zodanig was dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar was. Vgl. HR 16 april 2004, gr. nr. 02058/04, niet gepubliceerd. In dit verband wijs ik ook op de opvatting van de coördinator van het KIB, de heer Roels, die meent dat veroordeelde voor zijn daden geheel verantwoordelijk kan worden gehouden.

7. Voor zover de aanvraag ervan uitgaat dat moet worden aangenomen dat een minder zware straf zou zijn opgelegd omdat het ernstige vermoeden bestaat dat verdachte in ieder geval sterk verminderd toerekeningsvatbaar was, kan deze evenmin slagen. Dat is geen omstandigheid die leidt tot toepassing van een minder zware strafbepaling als bedoeld in art. 457, lid 1 onder 2 Sv (HR 20 april 1952, NJ 1952, 686).

8. De slotsom van dit alles is dat de aanvraag ongegrond is.

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening zal afwijzen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv.