Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT4038

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2005
Datum publicatie
24-06-2005
Zaaknummer
C04/086HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT4038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

24 juni 2005 Eerste Kamer Nr. C04/086HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, incidenteel verweerder in cassatie, advocaat: mr. R.A. van der Hansz, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, incidenteel eiseres tot cassatie, advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 388
JWB 2005/244
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C04/086HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 25 maart 2005

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

[de vrouw]

In het principaal cassatiemiddel wordt uitsluitend de vraag voorgelegd of het hof de man terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat hij niet van grieven heeft gediend. Het incidenteel cassatiemiddel, dat de zienswijze van het hof eveneens bestrijdt, beoogt vervolgens aan de orde te stellen of in de genomen memorie van grieven wel een grief tegen het bestreden vonnis is opgenomen.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Gelet op het debat in cassatie verwijs ik voor de feiten naar het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 25 juni 1997 onder 2. Voor enig begrip van de zaak vermeld ik hier het volgende.

1.2 Partijen zijn op 1 december 1967 te [plaats] op huwelijkse voorwaarden gehuwd, inhoudende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen, behoudens een gemeenschap van meubelen, en een Amsterdams verrekenbeding.

1.3 Bij beschikking van 20 april 1994 heeft de rechtbank Utrecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking, na tevergeefs ingesteld appel en cassatie door de man, op 27 oktober 1995 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te [plaats].

1.4 De man en de vrouw hebben ieder voor de onverdeelde helft de voormalige echtelijke woning, een garage en een boerderij in eigendom.

1.5 Partijen hebben diverse procedures tegen elkaar gevoerd. Zo heeft de vrouw bij beschikking van 28 februari 1996 van de rechtbank Utrecht een machtiging tot zelfstandige verkoop van de voormalige echtelijke woning verkregen. Deze beschikking is bekrachtigd door het gerechtshof te Amsterdam op 22 november 1996(1).

Bij kort gedingvonnis van 28 maart 1996 van de President van de rechtbank Utrecht is aan de man een straat- en contactverbod opgelegd. Dit vonnis is bij arrest van 20 februari 1997 door het hof Amsterdam bekrachtigd(2).

1.6 Bij inleidend exploot van 20 juni 1996 heeft de vrouw een proces-verbaal van zwarigheden aan de man betekend en hem gedagvaard voor de arrondissementsrechtbank te Utrecht. Daarbij heeft zij - verkort weergegeven - gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verdeling en verrekening van de aan hen gemeenschappelijk in eigendom toebehorende zaken, een en ander onder verbeurte van een dwangsom.

1.7 Deze procedure is bij de rechtbank ingeschreven onder zaaknummer/rolnummer 60319 HAZA 96-1499.

1.8 De man heeft in conventie verweer gevoerd en in reconventie gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding voor het door de vrouw in bezit nemen van ontvreemde c.q. meegenomen goederen uit de echtelijke woning, althans een nader te omschrijven hoeveelheid goederen aan de man ter hand te stellen alsmede de vrouw te veroordelen tot betaling van 50% van het door de vrouw overgespaarde geld.

1.9 De vrouw heeft de vordering in reconventie bestreden en in conventie haar vordering vermeerderd met een vergoeding voor de kosten die zij ten behoeve van de echtelijke woning nog heeft gemaakt, alsmede met de dwangsommen die de man in de periode van 28 mei tot en met 27 juli 1996 heeft verbeurd wegens herhaaldelijke overtredingen van de aan hem opgelegde verboden.

1.10 Na enkele tussenvonnissen(3) heeft de rechtbank op 19 januari 2000 in conventie de toescheiding en verrekening van het aan partijen in onverdeelde eigendom toebehorende gelast en in reconventie het gevorderde afgewezen. Bij vonnis van 8 maart 2000 heeft de rechtbank een verbetering in het vonnis van 19 januari 2000 aangebracht.

1.11 De man is bij exploot van 14 april 2000 van het eindvonnis van de rechtbank van 19 januari 2000 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam en heeft daarbij op nader aan te voeren gronden geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot afwijzing van de vordering.

1.12 Deze appelprocedure heeft als rolnummer C00-00482 gekregen.

1.13 De vrouw heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis zoals verbeterd bij vonnis van 8 maart 2000.

1.14 Het hof heeft bij arrest van 11 december 2003 geoordeeld dat de man geen conclusie van eis heeft genomen en derhalve niet van grieven heeft gediend, waarna het hof de man niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

1.15 De man heeft tegen het arrest van het hof tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld.

De vrouw heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd en tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Daarop heeft de man in het incidenteel cassatieberoep geantwoord.

Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna de man nog heeft gerepliceerd(5).

1.16 De processtukken van de procedure in eerste aanleg, alsmede die van het hoger beroep en van de onderhavige cassatieprocedure zijn door de vrouw in procesdossier B overgelegd.

Het A-dossier bevat de processtukken uit een geheel andere procedure, te weten de door de man bij dagvaarding van 1 juli 1997 ingeleide procedure waarbij hij de vrouw heeft gedagvaard voor de rechtbank Utrecht en heeft gevorderd de vrouw te verbieden de voormalige echtelijke woning lopende de zwarighedenprocedure te verkopen alsmede de vrouw te verbieden de verbeurde dwangsommen wegens het overtreden van het contactverbod van hem te vorderen(6).

In die procedure met zaaknummer/rolnummer 74727 HAZA 97-1481 heeft de man bij repliek onder meer voeging verzocht van die zaak met de hiervoor genoemde zaak onder zaaknummer/rolnummer 60319 HAZA 96-1499.

Bij vonnis van 12 augustus 1998 heeft de rechtbank het verzoek tot voeging en de overige vorderingen afgewezen. Van dit vonnis is de man bij het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep gekomen. Deze appelprocedure heeft als rolnummer 98-1350.

Het hof heeft in zijn arrest van 15 juni 2000 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Bij "dagvaarding tot request civiel" van 14 september 2000 heeft de man de herroeping van het arrest van het hof van 15 juni 2000 gevorderd.

2. Bespreking van het principaal en incidenteel cassatiemiddel

2.1 Het hof heeft in zijn bestreden arrest als volgt geoordeeld (ik laat de inleidende overweging van het hof ten aanzien van het verloop van de procedure daaraan voorafgaan):

"1.1 Appellant, hierna te noemen de man, is bij exploit van 14 april 2000 in hoger beroep gekomen van een vonnis dat door de rechtbank te Utrecht onder zaak/rolnummer 60319/HAZA 96-1499 LvR tussen partijen is gewezen en dat is uitgesproken op 19 januari 2000 en verbeterd op 8 maart 2000, met dagvaarding van geïntimeerde, hierna te noemen de vrouw, voor dit hof. In de dagvaarding vordert de man op nader aan te voeren gronden dat het hof dit vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende de vrouw alsnog in haar vordering niet-ontvankelijk verklaart, althans haar deze ontzegt, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

(...)

2.1 Gebleken is dat de man geen conclusie van eis heeft genomen en derhalve niet van grieven heeft gediend, zodat de gronden met betrekking tot de door de man ingestelde vorderingen ontbreken. Dit leidt er toe dat de man niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep."

2.2 De man komt met één cassatiemiddel tegen rechtsoverweging 2.1 op en betoogt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, aangezien het hof hem ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De man stelt dat hij op 27 februari 2003 van grieven heeft gediend, zoals blijkt uit de door hem aan de cassatiedagvaarding gehechte kopie.

2.3 In het incidentele cassatieberoep keert ook de vrouw zich tegen hetzelfde oordeel van het hof. Volgens haar heeft het hof het op 27 februari 2003 ingediende processtuk als memorie van grieven aanvaard, op welke aanvaarding het hof niet mag terugkomen.

2.4 Ik meen dat het incidentele middel daarnaast de klacht bevat dat het hof de vordering van de man had moeten afwijzen, nu het door de man op 27 februari 2003 genomen processtuk geen grief bevat en daarin evenmin een fout wordt hersteld.

Deze tweede klacht leid ik af uit de formulering van het incidentele middel in combinatie met het door de vrouw in hoger beroep bij memorie van antwoord gevoerde verweer dat in het door de man genomen processtuk geen grief is geformuleerd, alsmede uit hetgeen in de schriftelijke toelichting van de vrouw is opgemerkt(7).

Ook de man heeft het incidenteel cassatiemiddel in deze zin opgevat, nu hij bij antwoord in het incidenteel cassatieberoep betoogt dat de vrouw ten onrechte stelt dat in het door hem genomen processtuk geen grieven zijn opgenomen. In zijn schriftelijke toelichting herhaalt de man dit betoog.

2.5 Het principaal en incidenteel cassatieberoep bevatten derhalve de vragen:

1. heeft de man in de appelprocedure met rolnummer 00-482 een conclusie van eis of memorie van grieven ingediend en, zo ja,

2. heeft de man in zijn memorie van grieven ook een grief geformuleerd tegen het bestreden vonnis van de rechter in eerste aanleg (of eigen fouten uit de eerste aanleg hersteld)?

Deze vragen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.6 De stelling van de man dat hij op 27 februari 2003 van grieven heeft gediend is een toelaatbaar feitelijk novum in cassatie. De man heeft de stelling dat hij wél van grieven zou hebben gediend immers niet eerder kunnen aanvoeren, nu het hof heeft geoordeeld dat de man geen conclusie van eis heeft genomen(8).

Uit een ambtshalve door mij bij de griffie van het hof Amsterdam opgevraagd afschrift van de rolkaart, dat ik aan mijn conclusie heb gehecht, blijkt dat de man reeds op 15 juni 2000 voor grieven stond, welke grieven uiteindelijk op 27 februari 2003 zijn genomen.

Vastgesteld kan derhalve worden dat de man op 27 februari 2003 daadwerkelijk van grieven heeft gediend.

2.7 Het andersluidende oordeel van het hof is derhalve onbegrijpelijk, zodat het principaal en incidenteel cassatieberoep in zoverre slagen. Dit betekent echter niet dat het bestreden arrest ook vernietigd moet worden.

2.8 Volgens het in hoger beroep geldende grievenstelsel heeft de rechter, behoudens zijn ambtshalve taak om de openbare orde te bewaken, slechts te oordelen over behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grieven tegen het vonnis van de rechter in eerste aanleg(9). Als grieven kunnen gelden alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd(10).

2.9 Afgezien van de mogelijkheid om reeds in de appeldagvaarding grieven te formuleren, worden deze in de conclusie van eis in hoger beroep/memorie van grieven aangevoerd. Nadien is het aanvoeren van nieuwe grieven in beginsel niet meer mogelijk(11).

2.10 Aan de formulering van grieven zijn geen bepaalde vereisten verbonden. Evenmin is vereist dat de appellant zijn bezwaren tegen de bestreden uitspraak of een deel daarvan onder de benaming "grieven" in zijn conclusie van eis of memorie van grieven formuleert(12). Waar het om gaat, is dat het processtuk duidelijk maakt tegen welk oordeel van de rechter in eerste aanleg wordt opgekomen en/of welke fouten uit de eerste aanleg worden hersteld.

De appellant dient aan zowel zijn wederpartij als aan de rechter duidelijk te maken op welke gronden de bestreden uitspraak onjuist is(13).

2.11 Indien de appellant verzuimt enige grief aan te voeren tegen de bestreden uitspraak dient de appelrechter hem (ambtshalve) niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep(14). Op deze vaste rechtspraak stuit het betoog van het incidentele middel dat het hof de vordering van de man had moeten afwijzen, af.

2.12 Het processtuk dat de man aan zijn cassatiedagvaarding heeft gehecht en waarop de man zich in zijn cassatiemiddel beroept, is blijkens het ambtshalve door mij opgevraagde griffiedossier van het hof(15) hetzelfde processtuk dat op 27 februari 2003 in de procedure met rolnummer 00-482 als memorie van grieven is genomen(16).

2.13 Het desbetreffende processtuk luidt als volgt:

"REQUEST CIVIEL

(...)

Appellant, hiernavolgend [de man] heeft bij inleidende dagvaarding tot Request Civiel van 14 september 2000 (prod 1) een eis (grief) geponeerd van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam eerste meervoudige kamer rol nummer 98 01350 uitgesproken op 15 juni 2000.

Appellant biedt zichzelf aan als partijgetuige.

Appellant doet hierbij als productie de bewijzen van hetgeen gesteld is in de dagvaarding (overige producties)

MET ALS CONCLUSIE

Appellant concludeert voor eis (grief) in Request Civiel conform de eis in de Dagvaarding van 14 september 2000.

(...)"

2.14 De als productie bijgevoegde "dagvaarding tot request civiel" van 14 september 2000 strekt tot herroeping van het door het hof gewezen arrest van 15 juni 2000. Deze uitspraak betreft het door het hof Amsterdam gewezen arrest in de hiervoor onder 1.16 genoemde procedure met rolnummer 98-1350.

2.15 Het op 27 februari 2003 in de procedure met rolnummer 00-482 ingediende processtuk bevat geen grief of enige grond of bezwaar tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 19 januari 2000, waarvan de man bij dagvaarding van 14 april 2000 in hoger beroep is gekomen.

2.16 Gesteld noch gebleken is dat de man een klaarblijkelijke vergissing heeft begaan door abusievelijk "een conclusie van eis" bestemd voor een andere appelprocedure in het geding te brengen. Bovendien verwijst de man in de thans aanhangige cassatieprocedure naar deze conclusie van eis en heeft hij dit processtuk zowel bij de cassatiedagvaarding als bij het antwoord in het incidenteel cassatieberoep als bij de schriftelijke toelichting gevoegd.

De man ontkent daarnaast in zijn schriftelijke toelichting stellig dat hij een fout heeft gemaakt, maar stelt juist dat het hof een vergissing heeft begaan door uit te gaan van de dagvaarding van 14 april 2000, terwijl het hof volgens de man had moeten uitgaan van de dagvaarding tot request civiel van 14 september 2000(17).

2.17 Daargelaten dat tegen deze zogenaamde vergissing van het hof geen klacht is gericht, zou deze stelling alleen maar tot de slotsom kunnen leiden dat de man in dat geval het appel tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 19 januari 2000 ver na de appeltermijn van drie maanden heeft ingesteld, hetgeen overigens ook de niet-ontvankelijkheid van de man in zijn hoger beroep meebrengt.

2.18 De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het als memorie van grieven geldende processtuk geen grief bevat tegen het vonnis, waarvan beroep, zodat het hof terecht en begrijpelijk, zij het op andere gronden, de man niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

De beide cassatiemiddelen missen derhalve belang(18).

2.19 M.i. dient (met verbetering van de gronden van het bestreden arrest) het principaal en incidenteel cassatieberoep te worden verworpen.

3. Conclusie in het principale en incidentele cassatieberoep

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie productie 2 bij de conclusie van repliek in procesdossier A.

2 Productie III bij de memorie van grieven in procesdossier A.

3 De rechtbank Utrecht heeft drie tussenvonnissen gewezen op resp. 25 juni 1997, 17 juni 1998 en 14 april 1999.

4 De cassatiedagvaarding is op 8 maart 2004 uitgebracht.

5 De repliek ontbreekt in het B-dossier. In A-dossier bevinden zich overigens slechts de cassatiestukken, die door de man zijn genomen.

6 Het A-dossier bevat wel de door de vrouw genomen memorie van antwoord in de onderhavige procedure en het bestreden arrest.

7 S.t. van mr. Carli onder 3 c2 en 9c-10.

8 Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nr. 131; Vgl. HR 27 februari 2004, NJ 2004, 320.

9 Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 16 e.v. met verdere verwijzingen; Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 162 e.v.

10 HR 9 september 1994, NJ 1995, 6; HR 28 maart 1997, NJ 1997, 452. Zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Strikwerda vóór dit arrest met verdere verwijzingen.

11 HR 16 mei 2003, NJ 2003, 457. Snijders/Wendels, a.w., nr. 162 en 166.

12 HR 24 april 1981, NJ 1981, 495 m.nt. WHH; Snijders/Wendels, a.w., nr. 165.

13 HR 24 april 1981, NJ 1981, 495 m.nt. WHH; HR 11 november 1983, NJ 1984, 298; HR 6 januari 1984, NJ 1984, 397, m.nt. WLH (rekestprocedure); HR 21 december 1990, NJ 1992, 96, m.nt. HJS (waarin een overzicht met verdere verwijzingen); HR 5 februari 1993, 300, m.nt. HER (rekestprocedure); HR 18 maart 1994, NJ 1995, 22, m.nt. PAS; HR 12 december 2003, NJ 2004, 341 m.nt. WMK; Ras/Hammerstein a.w., nr. 26.

14 HR 6 januari 1984, NJ 1984, 396, m.nt. WLH; HR 16 mei 2003, NJ 2003, 457; Ras/Hammerstein a.w., nr. 23; Snijders, a.w., nr. 165.

15 Ik heb het griffiedossier dat het hof mij in kopie heeft toegezonden, bij het griffiedossier van de Hoge Raad gevoegd.

16 Nu de man deze memorie al aan zijn cassatiedagvaarding had gehecht en dus zowel de man als de vrouw over dit stuk beschikken, hecht ik daarvan geen kopie aan deze conclusie.

17 Zie de s.t. op p. 2, 1ste alinea.

18 Veegens/Korthals Altes/Groen, nr. 50.