Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT3439

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
29-04-2005
Zaaknummer
C04/055HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT3439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

29 april 2005 Eerste Kamer Nr. C04/055HR JMH/AW Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de erven van [betrokkene 1], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], 1. [Eiseres 1], in haar hoedanigheid van curatrice van [betrokkene 2], wonende te [woonplaats], 2. [Eiseres 2], wonende te [woonplaats], 3. [Eiseres 3], wonende te [woonplaats], 4. [Eiser 4], wonende te [woonplaats], Canada, 5. [Eiseres 5], wonende te [woonplaats], Canada, 6. [Eiseres 6], wonende te [woonplaats], 7. [Eiser 7], wonende te [woonplaats], 8. [Eiseres 8], wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n 1. [Verweerster 1], wonende te [woonplaats], 2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats], 3. [Verweerster 3], wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 265
JWB 2005/175
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C04/055HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 11 februari 2005

Conclusie inzake

de erven van [betrokkene 1](1)

(hierna de erven [betrokkene 1])

tegen

1. [verweerster 1],

2. [verweerder 2] en

3. [verweerster 3]

(hierna: [verweerder] c.s.)

(niet verschenen)

1. Inleiding

1.1. De nu aan de Hoge Raad voorgelegde zaak is bij de rechtbank ingeleid met een dagvaarding d.d. 15 september 1997, dus ruim zeven jaar geleden. De rechtsstrijd tussen partijen dateert echter al van ongeveer 20 jaar her (midden jaren '80 van de vorige eeuw), en heeft in 1996 al tot een eerder arrest van de Hoge Raad geleid in een zaak tussen wijlen [betrokkene 1] en [verweerder] c.s.(2)

1.2. Rechtsvragen die nopen tot beantwoording in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling heb ik niet aangetroffen.

2. Feiten(3) en procesverloop

2.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

a. Tussen onder meer wijlen [betrokkene 3], echtgenoot en rechtsvoorganger van [betrokkene 1], en zijn broer [betrokkene 4], rechtsvoorganger van [verweerder] c.s., heeft gedurende een aantal jaren een vennootschap onder firma bestaan, in het kader waarvan een boerderij, gelegen te [plaats] aan de [a-straat 1], met bijbehorende landerijen, in totaal groot 22.29.32 ha, werd geëxploiteerd.

b. [Betrokkene 3] en [betrokkene 4] waren gezamenlijk eigenaar van de boerderij en de landerijen, ieder voor de helft.

c. [Betrokkene 3] is op 15 januari 1983 overleden. Het hem toekomende aandeel in de eigendom van de boerderij is toegescheiden aan [betrokkene 1].

d. De vennootschap onder firma is op 30 juni 1984 ontbonden.

e. Bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 24 november 1986 is de scheiding en deling bevolen van de tussen partijen bestaande ontbonden gemeenschap.

f. Op 3 februari 1989 is [betrokkene 4] overleden.

g. Op 20 juni 1989 is ten overstaan van notaris mr. A.A.P.M. Geldens een proces-verbaal van zwarigheden opgemaakt.

h. Bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 31 januari 1992 is bepaald dat een akte van boedelscheiding zal worden opgemaakt van de mede-eigendom ten aanzien van voormelde onroerende goederen, aldus dat

(i) aan [verweerder] c.s. wordt toegescheiden de in genoemd vonnis breder omschreven landerijen;

(ii) [betrokkene 1] haar medewerking zal verlenen aan de toescheiding aan [verweerder] c.s. van de helft van de op het gehele areaal betrekking hebbende referentiehoeveelheid melk, en dit aldus te laten registreren bij de Directeur voor de Landbouw- en Voedselvoorziening.

(iii) aan [betrokkene 1] wordt toegescheiden de boerderij met erf aan de [a-straat 1] te [plaats] .

i. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 14 oktober 1994 laatstgenoemd vonnis bekrachtigd, met dien verstande dat bij het opmaken van de akte van boedelscheiding aan [verweerder] c.s. toekomt een door drie deskundigen op voor partijen bindende wijze vast te stellen vergoeding voor het gebruik van alle onroerende goederen behorende tot de mede-eigendom van 1 juli 1984 tot het tijdstip van de scheiding en deling.

j. De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 januari 1996 (nr. 15866, NJ 1996, 366) het beroep in cassatie van [betrokkene 1] tegen het even genoemde arrest van 14 oktober 1994 verworpen.

k. Bij notariële akte van verdeling en levering verleden op 21 december 1996 ten overstaan van mr. J.C.C.M. Jaspers, destijds notaris te Naaldwijk, is de scheiding en deling uitgevoerd zoals bevolen met uitzondering van (onder meer) de toescheiding aan [verweerder] c.s. van het hen toekomende deel van het melkquotum.

l. Het totale melkquotum bedroeg in 1983 173.000 kilogram.

m. Op 8 juni 1998 is [betrokkene 1] overleden(4).

2.2. In deze (nieuwe) procedure hebben [verweerder] c.s. bij exploit van dagvaarding d.d. 15 september 1997 [betrokkene 1] gedagvaard voor de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd hen te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 346.000,-- met rente alsmede om te doen overgaan tot verkoop aan (een) derde(n) van de helft van de op het gehele oorspronkelijke areaal betrekking hebben melkquotum. Daarnaast vorderden [verweerder] c.s. de veroordeling van de erven [betrokkene 1] om binnen een maand hun medewerking te verlenen aan de overdracht van het aan [verweerder] c.s. toekomende deel van het melkquotum ter grootte van 86.500 kilogram zoals omschreven in het petitum van de inleidende dagvaarding, een en ander met veroordeling in de proceskosten.

2.3. Aan deze vorderingen hebben [verweerder] c.s. ten grondslag gelegd(5), primair, dat nu [betrokkene 1] door het voeren van talloze procedures jarenlang de scheiding en deling zoals die door de Rotterdamse rechtbank in 1992 was bevolen, heeft geblokkeerd en de omstandigheden gedurende die periode ingrijpend zijn gewijzigd, op grond van de redelijkheid en billijkheid hun vordering jegens (de erven) [betrokkene 1] zich heeft 'opgelost' in een vergoeding door haar (hen) aan [verweerder] c.s. van de waarde van het aan deze laatsten toekomende deel van het melkquotum.

Subsidiair hebben [verweerder] c.s. zich op het standpunt gesteld dat de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat (de erven) [betrokkene 1] zich inspant (inspannen) om de helft van bedoeld melkquotum aan derden te verkopen en de opbrengst aan hen af te dragen.

Meer subsidiair menen [verweerder] c.s. dat (de erven) [betrokkene 1] gehouden is (zijn) tot medewerking aan de toescheiding van de helft van het melkquotum door hen begroot op 86.500 kilogram.

2.4. (De erven) [betrokkene 1] heeft (hebben) gemotiveerd en gedocumenteerd verweer gevoerd.

2.5. Nadat het geding in verband met het overlijden van [betrokkene 1] enige tijd was geschorst en haar erven de procedure hadden overgenomen, heeft de rechtbank bij vonnis d.d. 23 juni 1999 een schikkings- en inlichtingencomparitie gelast.

Uiteindelijk heeft de rechtbank na verdere stukkenwisseling bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 3 januari 2001 de erven [betrokkene 1] veroordeeld om binnen een maand na betekening van het vonnis medewerking te verlenen aan de overdracht van het aan [verweerder] c.s. toekomende deel van het melkquotum ter grootte van 86.500 kilogram, op straffe van een dwangsom van ƒ 100,-- per dag, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde en compensatie van de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.6. Van dit vonnis zijn de erven [betrokkene 1] in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

[verweerder] c.s. hebben tegen dit principale appel zich verweerd en hebben, op hun beurt, incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van drie grieven. In het incidenteel appel hebben de erven [betrokkene 1] verweer gevoerd.

2.7. Bij het arrest van 26 november 2003 heeft het hof in het principale en in het incidentele beroep het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de erven [betrokkene 1] veroordeeld om binnen een maand na betekening van het arrest de tegenwaarde van ƒ 346.000,--, zijnde € 157.007,95 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag gerekend vanaf de datum van verlijden van de akte van verdeling en levering tot de dag der algehele voldoening te voldoen aan [verweerder] c.s. en het arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof heeft de erven [betrokkene 1] veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

2.8. De erven [betrokkene 1] hebben tegen dit arrest tijdig(6) beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] c.s. zijn in cassatie niet verschenen. De erven [betrokkene 1] hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten.

3. Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1. Met het oog op de bespreking van middel 1 citeer ik eerst rov. 2-4 van het bestreden arrest (waarbij het hof op zijn beurt de rechtbank citeert):

'2. Het geschil betreft de omvang van het aan [verweerder] cs toe te scheiden gedeelte van het melkquotum. [verweerder] cs maken aanspraak op 86.500 kilogram omdat het totale melkquotum het gevolg is van de exploitatie van het land aan de [a-straat] en aan de [b-straat], terwijl de erven [betrokkene 1] 38.545,50 kilogram aanbieden op grond van hun uitgangspunt dat slechts 77.091 kilogram voor verdeling in aanmerking komt, nu dat het melkquotum was dat rustte op het land aan de [a-straat] te [plaats].

3. De erven [betrokkene 1] stellen in hun grief dat de rechtbank in het vonnis waarvan beroep in rov. 2.3 ten onrechte heeft overwogen:

Eisers hebben gemotiveerd aangegeven dat [het in 1983 aan de productie van melk dienstbare land] alleen het land aan de [a-straat] was, nu het bedrijf aan de [b-straat] alstoen geen melkinstallatie had en nu men zich op het bedrijf aan de [b-straat] vanaf het eind van de jaren 70, begin jaren 80 is gaan bezig houden met het fokken van jongvee voor de verkoop, terwijl uit de jaarstukken overigens is af te leiden, dat op het bedrijf aan de [a-straat] in de bewuste periode substantiële investeringen zijn gedaan ten behoeve van de melkproduktie, terwijl op het bedrijf aan de [b-straat] die investeringen niet zijn gedaan.

Deze stellingen zijn bij de voortgang van de procedure niet inhoudelijk door gedaagden weersproken. [De erven [betrokkene 1]] hebben slechts volstaan ter griffie een groot aantal jaarstukken te deponeren, waaruit in de visie van [de erven [betrokkene 1]] zou moeten blijken, dat het gehele melkquotum de resultante is van de exploitatie van zowel het land aan de [a-straat], als het land aan de [b-straat].

Gezien het achterwege blijven van inhoudelijk commentaar op de stellingen van [[verweerder] c.s.] te dezer zake en in aanmerking nemende, dat uit de door [de erven [betrokkene 1]] overgelegde jaarstukken op geen enkele wijze duidelijk wordt (en zeker niet zonder meer), dat de melkproduktie gerealiseerd werd (en het melkquotum dan ook ziet) op de beide door [de erven [betrokkene 1]] genoemde landerijen, gaat de rechtbank er van uit, dat het melkquotum, dat thans in de verdeling moet worden betrokken het melkquotum is dat rust op de [a-straat] en dat dat 173.000 kilogram groot is.'

alsmede dat de rechtbank hen ten onrechte heeft veroordeeld om mee te werken aan de overdracht van de helft van het totale melkquotum aan [verweerder] cs. Zij voeren hiertoe aan dat niet uitsluitend het land aan de [a-straat] dienstbaar was aan de melkproductie in 1983, waar de rechtbank ten onrechte van uit is gegaan, maar ook het land aan de [b-straat]. De totale melkproductie werd volgens hen gerealiseerd op beide landerijen, zodat, nu [verweerder] cs slechts aanspraak kunnen maken op de helft van de gronden aan de [a-straat], zij ook slechts de helft van de op die gronden rustende melkproductierechten toebedeeld behoeven te krijgen en dus niet de helft van het totale melkquotum. De erven [betrokkene 1] bestrijden deze grief gemotiveerd.

4. Het hof is van oordeel dat de rechtbank er terecht van uit is gegaan dat het melk-quotum uitsluitend ziet op de gronden aan de [a-straat], zodat het totale melkquotum in de verdeling tussen partijen moet worden betrokken, nu de erven [betrokkene 1] niet aannemelijk hebben gemaakt dat het melkquotum ziet op zowel het land aan de [a-straat] als het land aan de [b-straat]. Zij stellen weliswaar dat het melkquotum een gevolg is van de exploitatie van beide landerijen en dat sprake was van één bedrijf, alsmede dat bij de aanvraag van het melkquotum het bedrijf te [b-straat] volledig is meegerekend en het melkvee op beide gronden rondliep, maar ondersteunen deze stellingen niet met bewijsstukken, noch maken zij dit anderszins aannemelijk. In de door hen overgelegde jaarstukken is in het geheel geen ondersteuning voor hun stellingen te vinden. Ook voor het overige hebben zij in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de beslissing van de rechtbank op dit punt niet in stand kan blijven. Weliswaar bieden de erven [betrokkene 1] bewijs aan van hun stelling, maar aangezien dit bewijsaanbod ook in hoger beroep niet nader wordt onderbouwd, zal het hof aan dit aanbod als te vaag voorbijgaan. De grief in het principaal appèl treft derhalve geen doel.'

3.2. Middel 1 komt met een rechtsklacht en motiveringsklacht op tegen rov. 4, 'onderaan'. Volgens het cassatiemiddel heeft het hof ten onrechte het bewijsaanbod van de erven [betrokkene 1] gepasseerd op de grond dat het 'te vaag' en 'niet nader onderbouwd' was.

Het middel stelt verder dat het hof uitgaat van een prognose zonder aan te geven waar 'zij' (lees: het hof) die prognose op baseert en betoogt ten slotte dat het Hof meer gemotiveerd had moeten aangeven waarom de erven [betrokkene 1] niet tot het bewijs werden toegelaten.

3.3. De erven [betrokkene 1] hebben bij memorie van grieven bewijs aangeboden van 'haar posita (...) en met name dat het ten deze niet relevant is of in [b-straat] een melkinstallatie stond en voorts (...) dat destijds het gehele bedrijf ten behoeve van de melkproductie gebruikt werd'(7).

3.4. In zijn arrest van 9 juli 2004, C03/079HR, RvdW 2004, 94, JOL 2004, 399 (OZ Export/[...])(8) heeft de Hoge Raad zijn jurisprudentie over het aanbod van getuigenbewijs in hoger beroep en de daaraan te stellen eisen van specificatie als volgt verwoord:

'3.6. Uitgangspunt bij de beoordeling van het middel is dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv., een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.'

3.5. Anders dan middel 1 stelt, is het hof in rov. 4 niet uitgegaan van een 'prognose' - waarmee kennelijk wordt bedoeld: een ongeoorloofd vooruit lopen op het resultaat van een bewijsvoering die nog moet plaatsvinden - en mist het middel in zoverre feitelijke grondslag. Het hof is klaarblijkelijk, zoals hij ook verwoordt, afgegaan op de onvoldoende specificering van het bewijsaanbod.

Voor het overige kan middel 1 niet tot cassatie leiden omdat het niet voldoet aan de eisen van artikel 407, tweede lid, Rv. nu in de cassatiedagvaarding geen vindplaatsen in de gedingstukken zijn vermeld waaruit kan worden opgemaakt dat de erven [betrokkene 1] in de feitelijke instanties, en in het bijzonder in hoger beroep, het door hen aangeboden bewijs nader hebben gespecificeerd in die zin dat zij daar voldoende concreet hadden aangegeven wie over hun stelling(en) een verklaring zouden kunnen afleggen.

Ten overvloede merk ik op dat het bestreden oordeel van het hof voldoende is gemotiveerd om begrijpelijk te zijn.

3.6. Middel 2 komt, in vier onderdelen, met verschillende rechts- en motiveringsklachten op tegen rov. 5 waar het hof heeft overwogen:

'5. [Verweerder] cs stellen in grief 1 in het incidentele appel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen:

2.5 Dienaangaande overweegt de rechtbank, dat noch uit hetgeen partijen over en weer onbestreden gesteld hebben, noch uit de overgelegde produkties blijkt, dat het voeren van de talloze procedures in zo overwegende mate aan de rechtsvoorgangster van [de erven [betrokkene 1]] moet worden toegeschreven, dat naar redenen van redelijkheid en billijkheid de scheiding en deling anders dan door feitelijke toescheiding gerealiseerd moet worden. De door eisers genoemde wijziging van omstandigheden maakt het vorenstaande niet anders, nu het niet kunnen starten van een eigen melkveehouderbedrijf door [[eiser 4]] in de visie van de rechtbank mede veroorzaakt wordt door omstandigheden die zijn toe te rekenen aan [[verweerder] c.s.], c.q. een hunner, waarbij de rechtbank doelt op het verkopen van een deel van het aan [[verweerder] c.s.] toebehorende land aan de ontwikkelingsmaatschappij ITOM.

2.6. De primaire vordering van [[verweerder] c.s.] zal dan ook worden afgewezen. (...)

alsmede dat de rechtbank ten onrechte hun primaire en subsidiaire vordering heeft afgewezen. Zij vorderen het melkquotum in geld vergoed te krijgen. Ter toelichting hierop voeren zij, blijkens de punten 8 tot en met 10 van de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, aan, dat overdracht van het melkquotum uitsluitend mogelijk is als naast het melkquotum tevens een bepaalde hoeveelheid grond van de erven [betrokkene 1] aan hen (in pacht) overgaat voor de duur van tenminste één jaar. De erven [betrokkene 1] zijn echter niet bereid een pachtovereenkomst met hen aan te gaan, zodat overdracht van het melkquotum en daarmee de uitvoering van het bestreden vonnis niet mogelijk is. Zij achten derhalve vergoeding van het melkquotum in geld de beste oplossing. De erven [betrokkene 1] kunnen zich hier niet mee verenigen, stellende dat in alle redelijkheid niet van hen kan worden verlangd dat zij het melkquotum in geld uitkeren ofwel dat zij voor de duur van één jaar gronden aan [verweerder] cs gaan verpachten.

Uit een brief van 30 maart 2001 van het [A] rentmeesterskantoor BV en een brief van de Centrale Organisatie Superheffing van 27 april 2001 blijkt, zoals [verweerder] cs terecht hebben gesteld, dat overdracht van het melkquotum uitsluitend mogelijk is als de erven [betrokkene 1] voor de duur van één jaar een bepaalde hoeveelheid grond aan hen verpachten. Nu de erven [betrokkene 1] niet bereid zijn aan een pachtovereenkomst mede te werken is het vonnis van de rechtbank illusoir geworden. Immers, [verweerder] cs hebben weliswaar recht op de helft van het totale melkquotum, maar zullen dit recht gelet op het bovenstaande niet kunnen realiseren. Het hof acht het alleszins redelijk - gelet op de weigerachtige houding van de erven [betrokkene 1] - om in plaats van de helft van het melkquotum de waarde daarvan in geld aan [verweerder] cs uit te keren. De eerste grief in het incidentele appel is mitsdien terecht voorgesteld.

In eerste aanleg hebben [verweerder] cs in punt 13 van de memorie van grieven [het hof zal hier hebben bedoeld: van de inleidende dagvaarding, A-G] een bedrag gevorderd van ƒ 346.000,--, zijnde 86.500 kilogram maal ƒ 4,--. De erven [betrokkene 1] hebben het bedrag van ƒ 4,-- onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof de vordering van [verweerder] cs zal toewijzen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het verlijden van de akte van verdeling en levering tot aan de voldoening van de hoofdsom. Hetgeen de erven [betrokkene 1] hebben aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.'

Ik zal de onderdelen 1 t/m 4 van middel 2 hierna aanduiden met: onderdelen 2.1 t/m 2.4.

Onderdeel 2.1 richt motiveringsklachten tegen rov. 5, laatste volzin.

In onderdeel 2.2 wordt met een motiveringsklacht en in onderdelen 2.3 en 2.4 met rechtsklachten opgekomen tegen hetgeen het hof in de tweede, derde en vierde volzin van de voorlaatste alinea van deze rechtsoverweging heeft geoordeeld en beslist. Hieronder zal ik de rechtsklachten, als van de verste strekking, eerst bespreken.

3.7. Bij deze bespreking stel ik voorop dat in cassatie onbestreden is gebleven de feitelijke vaststelling van het hof in rov. 5 dat de erven [betrokkene 1] niet bereid waren (zijn) om aan een pachtovereenkomst met [verweerder] c.s. mee te werken.(9)

3.8. Onderdeel 2.3 neemt tot uitgangspunt dat het hof met juistheid heeft overwogen dat in het algemeen overdracht van het melkquotum niet kan geschieden zonder grond. Geklaagd wordt dat het hof echter in zijn daarop gegeven beslissing heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het hof de erven [betrokkene 1] heeft verweten niet mee te werken aan de verpachting van grond gedurende één jaar terwijl deze verpachting [verweerder] c.s. de mogelijkheid zou verschaffen te beschikken over het melkquotum.

Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat deze 'oplossing' echter strijdig is met de Regeling superheffing 1993(10) en niet voldoet aan de eisen die deze regeling stelt nu voorgeschreven wordt dat gedurende dat ene jaar daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van het melkquotum en dit ook wordt volgemelkt. Ter adstructie van deze rechtsklacht wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 15.4 van deze regeling(11):

'De ingevolge het eerste lid met een referentiehoeveelheid over te dragen grond dient gedurende een periode van één jaar voorafgaande aan de overdracht daadwerkelijk voor de melkproductie op het betrokken bedrijf in gebruik te zijn geweest. Voorts dient de met een referentiehoeveelheid over te dragen grond gedurende een periode van één jaar na de overdracht daadwerkelijk voor de melkproductie op het betrokken bedrijf in gebruik te blijven. In geval van beëindiging van een pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onder a, c en d, dient de terug over te dragen grond gedurende een periode van één jaar voorafgaande aan de beëindiging van een pachtovereenkomst daadwerkelijk voor de melkproductie op het betrokken bedrijf in gebruik te zijn geweest.

Betoogd wordt dat het verwijt dat de erven [betrokkene 1] weigerden mee te werken aan een pachtovereenkomst, onterecht is, nu ondanks medewerking niet zou worden voldaan aan de eisen van de Regeling superheffing 1993 hetgeen het hof zou hebben miskend.

Onderdeel 2.4 voegt hieraan toe de klacht - kort samengevat - dat het hof bij zijn 'afweging op grond van redelijkheid en billijkheid' in rov. 5 geen rekening heeft gehouden met de belangen van de erven [betrokkene 1] door veel waarde te hechten aan hun weigering om mee te werken aan een 'éénjarig pachtcontract' waar zij de gronden dringend nodig hebben en anders hun eigen bedrijf niet kunnen voortzetten. Volgens dit onderdeel heeft het hof zonder verder onderzoek aangenomen dat overdracht van het melkquotum middels een éénjarig pachtcontract de enige oplossing is terwijl de erven [betrokkene 1] in de procedure meerdere oplossingen hebben aangedragen.

Deze middelonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.9. Zo de thans geponeerde stelling in onderdeel 2.3 dat de 'oplossing' tot verpachting van de gronden strijdig is met de Regeling superheffing 1993 niet als ontoelaatbaar feitelijk novum buiten beschouwing moet blijven, nu deze stelling in de feitelijke instanties niet van de zijde van (de erven) [betrokkene 1] is aangevoerd, faalt de rechtsklacht van dit onderdeel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.

In de bestreden rov. 5 heeft het hof de erven [betrokkene 1] niet verweten ten onrechte niet mee te werken aan de verpachting van grond 'gedurende één jaar' maar heeft het hof vastgesteld dat de erven [betrokkene 1] niet bereid waren (zijn) om in overeenstemming met het advies van het Productschap Zuivel in zijn brief d.d. 27 april 2001 (Centrale Organisatie Superheffing)(12) een pachtovereenkomst met [verweerder] c.s. te sluiten voor de duur van 'tenminste één jaar' die op hun beurt de gepachte gronden dan weer voor de duur van tenminste één jaar aan derden zouden (kunnen) onderverpachten(13). Zoals [verweerder] c.s. hadden gesteld(14), zou op deze wijze toescheiding in natura van het melkquotum kunnen plaatsvinden ondanks het feit dat [verweerder] c.s. zelf niet van de gronden zelf gebruik behoefden te maken. Anders dan onderdeel 2.3 veronderstelt, was de pachttermijn in de gedachtegang van het hof niet beperkt tot (maximaal) één jaar(15).

Voor het overige voldoet de rechtsklacht van onderdeel 2.3 niet aan de eisen van artikel 407, tweede lid, Rv. nu daarin niet wordt aangegeven op welke andere gronden de beslissing van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting waar de 'oplossing' van verpachting van de gronden strijd oplevert met dan wel niet voldoet aan eisen in de Regeling superheffing 1993, en daarmee van de Hoge Raad een verdergaande toetsing van het bestreden oordeel vraagt dan art. 79 RO mogelijk maakt(16).

3.10. Voor zover onderdeel 2.4 erover klaagt dat het hof in rov. 5 bij zijn 'afweging op grond van redelijkheid en billijkheid' geen rekening heeft gehouden met de belangen van de erven [betrokkene 1] door veel waarde te hechten aan hun weigering om mee te werken aan een 'éénjarig pachtcontract', gaat dit onderdeel uit van eenzelfde onjuiste lezing van het arrest als onderdeel 2.3 en deelt het zijn lot.

Voor het overige voldoet het onderdeel niet aan de eisen van artikel 407, tweede lid, Rv nu in de cassatiedagvaarding een vermelding van de vindplaats(en) van de door (de erven) [betrokkene 1] aangedragen 'oplossingen' in de stukken van het geding in de feitelijke instanties ontbreekt en zonder deze vermelding voor de Hoge Raad en de wederpartij onvoldoende duidelijk is waar deze 'oplossingen' zijn aangevoerd(17).

3.11. Onderdeel 2.1 richt enkele motiveringsklachten tegen de 'simpele mededeling' van het hof in de laatste alinea van rov. 5 dat 'hetgeen de erven [betrokkene 1] hebben aangevoerd niet tot een ander oordeel [kan] leiden' en betoogt dat het hof hier geen enkele rekening heeft gehouden met de stellingen van de erven [betrokkene 1] bij memorie van antwoord in het incidenteel appel en niet zonder nadere motivering had mogen volstaan met een kennelijke 'afweging op basis van redelijkheid en billijkheid'. Volgens het onderdeel had het hof - zakelijk weergegeven - hier in aanmerking moeten nemen alle omstandigheden van het geval welke van de zijde van beide partijen in de feitelijke instanties waren aangedragen, waarbij in het bijzonder in zijn beoordeling had moeten worden betrokken:

(i) het verweer van de erven [betrokkene 1] dat de ontstane situatie aan niemand anders is te wijten dan aan gerequireerden zelf die hierin zijn beland door de grondverkoop aan de Stichting ITOM zonder maatregelen te treffen;

(ii) hun stelling dat [verweerder] c.s. bij deze verkoop de kwestie van het melkquotum afdoende hadden moeten regelen(18) wat [verweerder] c.s. niet hebben gedaan met als gevolg dat zij de ontstane situatie aan zichzelf hebben te wijten, zoals ook de rechtbank in rov. 2.5 had geoordeeld;

(iii) de omstandigheid dat (de erven van) [betrokkene 1] zich bereid heeft (hebben) verklaard hun medewerking te verlenen aan de tenaamstelling ten behoeve van [verweerder] c.s. van de juiste helft van het melkquotum(19), en

(iv) de stelling dat (de erven) [betrokkene 1] de gronden zelf dringend nodig heeft (hebben)(20).

3.12. Voor zover onderdeel 2.1 erover klaagt dat het hof in rov. 5 heeft volstaan met de 'simpele mededeling' in de laatste volzin 'Hetgeen de erven [betrokkene 1] hebben aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden', faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu uit de daaraan voorgaande alinea's blijkt dat het hof de stellingname van de zijde van (de erven) [betrokkene 1] wel degelijk in zijn beoordeling heeft betrokken waarbij - anders dan het onderdeel veronderstelt - het hof niet heeft volstaan met een enkele 'afweging op basis van de redelijkheid en billijkheid'.

Blijkens de eerstvolgende alinea na de aangehaalde rov. 2.5 en rov. 2.6 in het eindvonnis van de rechtbank heeft het hof in rov. 5 niet enkel acht geslagen op de stellingen van [verweerder] c.s. maar ook op die van de erven [betrokkene 1]. Waar - in de hiervoor bedoelde weergave van het hof (zie p. 4 arrest) - [verweerder] c.s. hadden aangevoerd dat overdracht van het melkquotum uitsluitend mogelijk is als naast het melkquotum tevens een bepaalde hoeveelheid grond aan hen (in pacht) zou overgaan voor de duur van tenminste één jaar maar een vergoeding van het melkquotum in geld thans de beste oplossing is nu de erven [betrokkene 1] niet bereid zijn om een pachtovereenkomst met [verweerder] c.s. aan te gaan zodat overdracht van het melkquotum en daarmee de uitvoering van het bestreden vonnis van de rechtbank niet mogelijk is, heeft het hof het standpunt van de zijde van de erven [betrokkene 1] samengevat als volgt weergegeven:

'(...) De erven [betrokkene 1] kunnen zich hier niet mee verenigen, stellende dat in alle redelijkheid niet van hen kan worden verlangd dat zij het melkquotum in geld uitkeren ofwel dat zij voor de duur van één jaar gronden aan [verweerder] cs gaan verpachten'.

Onderdeel 2.1 gaat in zoverre uit van een te beperkte lezing van rov. 5. Voor het overige kan het onderdeel niet tot cassatie leiden op grond van het volgende.

3.13. De hiervoor onder (i) bedoelde klacht dat het hof zonder enige motivering het verweer van de erven [betrokkene 1] heeft gepasseerd dat de ontstane situatie aan niemand anders is te wijten dan aan gerequireerden zelf die hierin zijn beland door de grondverkoop aan de Stichting ITOM zonder maatregelen te treffen, voldoet (strikt genomen) niet aan de eisen van artikel 407, tweede lid, Rv, nu in de cassatiedagvaarding een vermelding van de vindplaats(en) van de litigieuze stelling in de stukken van het geding in de feitelijke instanties ontbreekt en zonder deze vermelding voor de Hoge Raad en de wederpartij onvoldoende duidelijk is waar deze stelling is aangevoerd.(21)

Laat ik evenwel uitgaan van een welwillende lezing, in samenhang met de klacht onder (ii), dat het hof is voorbij gegaan aan de stelling dat [verweerder] c.s. het aan zichzelf te wijten hebben dat zij bij de grondverkoop aan deze stichting de kwestie van het melkquotum niet afdoende hadden geregeld. Aldus bezien kan men zeggen dat de klacht onder (i) aan genoemde eisen voldoet, nu de steller van het middel dáár, onder (ii), een duidelijke vindplaats in de MvA in het incidenteel appel noemt, waar het hiervoor genoemde verweer is terug te vinden (zie aldaar onder 3, p. 3).

3.14. Beide motiveringsklachten worden m.i. evenwel tevergeefs voorgesteld omdat, zoals het hof (in cassatie onbestreden gelaten) heeft vastgesteld, uit de in rov. 5 genoemde brieven van het [A] rentmeesterskantoor BV d.d. 30 maart 2001 en het Produktschap Zuivel, de Centrale Organisatie Superheffing, d.d. 27 april 2001(22) overdracht van het melkquotum uitsluitend mogelijk was als de erven [betrokkene 1] voor de duur van tenminste één jaar een bepaalde hoeveelheid grond aan hen zouden verpachten en het daarmee voor de beoordeling van het hof van de vraag of het in deze zaak redelijk zou zijn om in plaats van de helft van het toegescheiden melkquotum de waarde ervan in geld aan [verweerder] c.s. te laten uitkeren, beslissend was of de erven [betrokkene 1] bereid waren met [verweerder] c.s. - tijdelijk - een pachtovereenkomst te sluiten. Het hof kon bij dát oordeel zonder nadere motivering verder buiten beschouwing laten de stelling van (de erven) [betrokkene 1] of het (ooit) aan [verweerder] c.s. zelf te wijten zou zijn geweest dat zij bij de grondverkoop aan Stichting ITOM niet de kwestie van de melkquotum afdoende hebben geregeld.

3.15. Ook de klacht onder (iii), dat het hof is voorbijgegaan aan de stelling van (de erven) [betrokkene 1] dat zij zich bereid heeft (hebben) verklaard medewerking te verlenen aan de tenaamstelling ten behoeve van [verweerder] c.s. van de juiste helft van het melkquotum, wordt tevergeefs voorgesteld.

In de feitelijke instanties is van de zijde van (de erven) [betrokkene 1] inderdaad herhaaldelijk gewezen op de hier bedoelde bereidheid tot medewerking aan registratie(23), maar daaraan heeft - zoals het hof heeft geoordeeld - eerst wijlen [betrokkene 1] en hebben vervolgens haar erven steeds toegevoegd niet bereid dan wel gehouden te zijn om de gronden voor de duur van één jaar aan [verweerder] c.s. te verpachten(24). Binnen dat kader hebben de erven [betrokkene 1] ook te aangehaalder plaatse in de MvA in het incidenteel appel gesteld de gronden zelf nodig te hebben en die gronden absoluut niet te kunnen missen. Op die laatste stelling behoefde het hof niet meer afzonderlijk in te gaan, zodat de motiveringsklacht onder (iv) evenzeer tevergeefs is voorgesteld. Onderdeel 2.1 faalt derhalve.

3.16. Onderdeel 2.2 klaagt vervolgens - samengevat - over de onbegrijpelijkheid van de beslissing van het hof dat [verweerder] c.s. aanspraak kunnen maken op een vergoeding in geld terwijl het hof eerder in precies dezelfde samenstelling in zijn arrest van 14 oktober 1994, door verwerping van de toenmalige grieven I en II, tot het onherroepelijk oordeel was gekomen dat toescheiding van het melkquotum in natura (en dus niet in geld) moest plaatsvinden. De thans bestreden beslissing van het hof is volgens dit onderdeel ook onbegrijpelijk in het licht van het oordeel van de rechtbank dat redelijkheid en billijkheid hier niet ertoe kunnen leiden dat van het uitgangspunt in natura kan worden afgeweken.

3.17. Daargelaten dat de rechtbank in haar vonnis(sen) waarvan beroep niet had geoordeeld en beslist op de wijze als door onderdeel 2.2 thans wordt gesteld, kan ook overigens deze motiveringsklacht niet tot cassatie leiden. Het onderdeel ziet hier eraan voorbij dat het hof door zijn gegrondbevinding van de eerste grief van [verweerder] c.s. in hun incidenteel appel als gevolg van de devolutieve werking van het hoger beroep verplicht was de toewijsbaarheid van hun primaire en subsidiaire vordering opnieuw te beoordelen en daarop te beslissen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in rov. 5 doorslaggevend geoordeeld dat de erven [betrokkene 1] in hoger beroep hadden volgehouden niet bereid te zijn de gronden voor de duur van één jaar aan [verweerder] c.s. te verpachten(25), waardoor niet meer mogelijk was om het aan hen toekomende gedeelte van het melkquotum door de erven [betrokkene 1] te laten overdragen op de wijze als bedoeld in het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 31 januari 1992 in de eerdere procedure en in het beroepen vonnis van de rechtbank Den Haag in deze procedure. Het bestreden oordeel van het hof behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn(26).

3.18. Middel 3 is gericht tegen tweede volzin uit de laatste alinea van rov. 5 waar het hof heeft geoordeeld dat de erven [betrokkene 1] het bedrag van ƒ 4,- onvoldoende hebben betwist. Betoogd wordt - zakelijk weergegeven - dat het hof eraan voorbij heeft gezien dat het bedrag van ƒ 4,- van de zijde van (de erven) [betrokkene 1] in eerste aanleg was betwist in de conclusie van antwoord (p. 7 onder 'ad 13') met het verweer dat de waarde van het melkquotum erg fluctueert en aanzienlijk is gedaald. Volgens het onderdeel heeft het hof zijn taak als appelrechter miskend door in hoger beroep dat duidelijke en voldoende verweer niet in zijn oordeel te betrekken nu de rechtbank daaraan niet was toegekomen. Aan deze rechtsklacht wordt een motiveringsklacht verbonden.

3.19. In eerste aanleg is van de zijde van [betrokkene 1] t.a.p. inderdaad bij conclusie van antwoord de juistheid van het bedrag van ƒ 4,-- per kilogram betwist op grond van het verweer dat de waarde van het melkquotum toen ('op dit moment') geen ƒ 4,-- per kilogram was maar wisselend en de prijs aanzienlijk daalde gezien het grote aanbod en de vrij beperkte vraag. Bij conclusie van repliek (p. 9, ad 13) hebben [verweerder] c.s., vervolgens gemotiveerd gewezen op de alstoen geldende prijs van ongeveer f 4,-- per kg. op basis van f 0,88,5 per procent vet, ter nadere adstructie waarvan zij als productie 2 in het geding hebben gebracht 'een copie van een advertentie van de toonaangevende Steegro Index, gepubliceerd in het Agrarisch dagblad van 19 maart 1998'. Volgens [verweerder] c.s. vloeit uit die prijs voort dat de waarde van het melkquotum toen ('op dit moment') ongeveer ƒ 4,00 per kilogram bedroeg omdat het vetpercentage van een melkquotum gemiddeld 4 tot 4,5 bedroeg, onder aantekening dat de prijs van het vetpercentage en daarmee van het melkquotum uiteraard fluctueert. Bij conclusie van dupliek (onder 4, p. 7) heeft (hebben) (de erven) [betrokkene 1] daarop ermee volstaan 'met klem' maar niet gemotiveerd de prijs van f 0,88,5 per kg te betwisten, onder aantekening dat het 'geen enkele zin [heeft] om over bedragen te praten, daar eisers absoluut niet kunnen overgaan tot verkoop aan een derde.'

Vervolgens hebben de erven [betrokkene 1] in eerste aanleg bij antwoordakte d.d. 12 september 2000 (sub 6) volstaan met handhaving van 'hetgeen zij had aangegeven terzake van de aanspraak welke eisers maximaal op het quotum kunnen maken'. In hoger beroep hebben zij dit verweer niet nader uitgewerkt en hebben zij hun verweer terzake beperkt tot het totaal aantal kilogram aan melkquotum per hectare grond(27).

3.20. Door in rov. 5 na zijn gegrondbevinding van de eerste appelgrief in het incidenteel hoger beroep overgegaan tot de beoordeling van de toewijsbaarheid van de primaire vordering tot vergoeding van de waarde van het aan [verweerder] c.s. toekomende deel van het melkquotum en daarbij het verweer van de erven [betrokkene 1] tegen het gestelde bedrag van ƒ 4,-- te betrekken, heeft het hof acht geslagen op de devolutieve werking van het hoger beroep en aldus in het bestreden arrest niet zijn taak als appelrechter miskend. De rechtsklacht van middel 3 is daarmee tevergeefs voorgesteld.

Zijn oordeel dat de erven [betrokkene 1] het bedrag van ƒ 4,-- onvoldoende gemotiveerd hadden betwist, behelst een aan het hof als feitenrechter voorbehouden lezing van de gedingstukken, waarvan de juistheid in cassatie niet kan worden getoetst en is niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen in beide feitelijke instanties over en weer is aangevoerd. Daarbij is in aanmerking te nemen (A) dat [verweerder] c.s. gevorderd hadden (zie inleidende dagvaarding, onder 11 en petitum II) een op de hoeveelheid van 86.500 kg x f 4,-- gebaseerd van f 346.000,-- 'vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf de datum van verlijden van de akte verdeling en levering', (B) dat die datum (zie hierboven nr. 2.1 sub k) 21 december 1996 was, (C) dat het hof op ten deze niet in cassatie niet (succesvol) betwiste gronden de vordering aldus heeft toegewezen, en (D) dat (de erven) [betrokkene 1] ook in eerste instantie niet gemotiveerd betwist hebben dat op 21 december 1996 de prijs per kg ca. f 4,-- bedroeg. Nu [verweerder] c.s. met de bij conclusie van repliek in het geding gebrachte advertentie van de Steego Index(28) waarin de prijs van het melkquotum (ook op dat moment werd) gesteld op ƒ 0,88,5 per procent vet, neerkomend op ca. f 4,-- per kg, en nu de erven [betrokkene 1] de juistheid daarvan niet meer inhoudelijk hebben bestreden noch in hun verdere gedingstukken hebben gesteld dan wel aannemelijk gemaakt dat de gestelde prijs van het melkquotum vóór 1998 erg had gefluctueerd en op 21 december 1996 anders zou zijn geweest, behoefde het hof zijn oordeel in het licht van de stellingname in eerste aanleg niet nader te motiveren, zodat ook de motiveringsklacht van middel 3 faalt.

4. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de weergave van de naam in het bestreden arrest. In de cassatiedagvaarding wordt bij wijlen [betrokkene 1] en bij verweerders in cassatie kennelijk per abuis '[...]' vermeld. De familienaam bij eisers tot cassatie onder 2 t/m 8 wordt wél als '[...]' geschreven.

2 HR 26 januari 1996, nr. 15866, NJ 1996, 366.

3 Ontleend aan de in cassatie onbestreden rov. 1 van het arrest waarvan beroep. De onder a t/m g vermelde feiten staan vrijwel letterlijk ook zo in rov. 4.1 (i) t/m (vii) van het eerdere arrest van HR 26 januari 1996, nr. 15866, NJ 1996, 366.

4 Derhalve: in deze procedure hangende het geding in eerste aanleg. Zie ook het tussenvonnis van de rechtbank d.d. 15 december 1998 tot schorsing van het geding.

5 Zie ook het tussenvonnis van de rechtbank d.d. 23 juni 1999, onder 2, p. 3.

6 Het arrest dateert van 26 november 2003; de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 23 januari 2004.

7 MvG, p. 6 onderaan.

8 Zie over dit arrest ook V. van den Brink, NbBW 2004/9, p. 128 en de kroniek van R.J.B. Boonekamp in TCR 2005/1.

9 Onderdeel 2.1 klaagt in dit verband alleen dat (de erven) [betrokkene 1] in feitelijke instanties heeft (hebben) aangeboden medewerking te verlenen aan 'tenaamstelling' ten behoeve van [verweerder] van de juiste helft van het melkquotum. Zoals hierna zal blijken, faalt die motiveringsklacht bij gebrek aan feitelijke grondslag wegens een te beperkte lezing van rov. 5.

10 Het onderdeel doelt hier op de thans vervallen regeling van 26 maart 1993, Stcrt. 1993, 60 zoals laatstelijk gewijzigd bij de regeling van 22 maart 2002, Stcrt. 60 (S&J 110-II 1994, p. 22 e.v. en S&J 110 2002, p. 85 e.v.), waarvan de citeertitel - voorheen: 'Beschikking superheffing 1993' - is gewijzigd bij de regeling van 25 januari 1996, Stcrt. 23 (i.w.tr. 3 februari 1996).

De Regeling superheffing 1993 is m.i.v. 1 april 2004 vervallen en vervangen door de bepalingen in de Regeling superheffing en melkpremie 2004 (regeling van 23 maart 2004, Stcrt. 2004, 60 zoals laatstelijk gewijzigd bij regeling van 2 april 2004, Stcrt. 2004, 68).

11 Thans art. 6, vierde lid, van de Regeling superheffing en melkpremie 2004.

12 Productie 2 bij MvA tevens houdende incidenteel appel.

13 Zie over de overdracht van melkquota (overgang van de referentiehoeveelheid) en (onder)verpachting van de voor de melkproductie gebruikte grond in de zin als bedoeld in artt. 15 t/m 23 Rs 1993 de Memo Superheffing 96/97 (Van Ittersum e.a.), Deventer 1996, p. 41-56 i.h.b. 50-52 (bedrijfsgebondenheid). Zie ook de toelichting bij de regelgeving inzake de superheffing in de losbladige Wetgeving Landelijk Gebied 3, p. 1 e.v. i.h.b. 12-23. Zie voor (lagere) jurisprudentie en toelichtingen bij eerdere regelgeving de losbladige Agrarisch grondverkeer 2, onderdeel C 3A (Pacht en superheffing), over de overdracht van grond met melkquota het algemeen commentaar in onderdeel C 7, par. 5.3.2.1 en i.h.b. p. C 7-5-8 e.v. en, tegen de achtergrond van Europese regelgeving en jurisprudentie van het Hof van Justitie EG, Agrarisch grondverkeer 3, onderdeel D (produktierechten), nrs. 78 e.v.

14 Zie de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, onder 8 en in hun toelichting op de grieven 2 en 3, p. 8-9.

15 Onderdeel 2.3 behelst m.i. niet de rechtsklacht dat de overdracht van het melkquotum aan [verweerder] c.s. voor de duur van tenminste één jaar door middel van een pachtovereenkomst en onderverpachting van de gronden aan derden rechtens ongeoorloofd zou zijn.

16 Vgl. HR 6 juni 2003, nr. C02/058, NJ 2003, 707 m.nt. DA ([...]/[...] c.s.), rov. 3.1.7.

17 Vgl. bijv. HR 11 januari 2002, nr. C00/101, NJ 2002, 82 (Gen. Accident/[...]), rov. 3.3.2, laatste alinea en rov. 3.4.

18 Verwezen wordt naar de MvA in het incidenteel appel, onder 3 (zie p. 3 aldaar).

19 Zie vorige noot.

20 Verwezen wordt naar de conclusie van antwoord, p. 9 onder 'Ad 14'.

21 Vgl. het eerder vermelde arrest van HR 11 januari 2002, C00/101HR, NJ 2002, 82.

22 Producties 1 en 2 bij memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel.

23 Zie de conclusie van antwoord onder 5 en onder 8, p. 9 ('Ad 15'); conclusie van dupliek onder 4, p. 6 en memorie van grieven, p. 3 midden.

24 Zie de conclusie van dupliek onder 4, p. 7; antwoordakte in eerste aanleg d.d. 12 september 2000 onder 3 en 7; memorie van antwoord in het incidenteel appel onder 3, p. 3.

25 Zie de conclusie van dupliek onder 4, p. 7; antwoordakte in eerste aanleg d.d. 12 september 2000 onder 3 en 7; memorie van antwoord in het incidenteel appel onder 3, p. 3.

26 Het onderdeel bevat niet de rechtsklacht dat het hof in het bestreden arrest heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het gezag van gewijsde van eerder gegeven beslissingen in de zin als bedoeld in art. 236 (67 oud) Rv.

27 Zie de memorie van grieven, p. 4.

28 Productie 2 bij conclusie van repliek.