Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT2910

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-05-2005
Datum publicatie
24-05-2005
Zaaknummer
02409/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT2910
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De door het hof gelaste teruggave van 1 gram weed kan niet in stand blijven, gelet op art. 13a Opiumwet en in aanmerking genomen dat van algemene bekendheid is dat weed kan worden aangemerkt als hennep a.b.i. lijst II behorende bij de Opiumwet. De HR gelast de onttrekking aan het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 311

Conclusie

Nr. 02409/04

Mr Machielse

Zitting 29 maart 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte op 5 april 2004 ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, met onttrekking aan het verkeer, teruggave en bewaring van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

2. Mr. J.F. Grégoire, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1 Het middel houdt de klacht in dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

3.2 Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 26 oktober 2002 te Leiden opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 18,8 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, en ongeveer 11,9 gram, materiaal bevattende heroïne zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I."

3.3 Uit de bewijsmiddelen kan onder meer het volgende worden afgeleid. Verbalisant Hogervorst volgde op 26 oktober 2002 een groene Opel Corsa met het kenteken [AA-00-AA], waarvan de bestuurder - naar later bleek verdachte - een jongeman was van ongeveer 22 jaar met een Marokkaans uiterlijk. Hogervorst merkte op dat de auto sterk vervuild was en bovendien aan de rechterzijde in de lengterichting beschadigd was. Bij navraag bleek het voormelde kenteken afgegeven aan Europacar te Den Haag. De verbalisant heeft vervolgens aan de meldkamer van de regio Hollands Midden gevraagd een surveillanceauto te sturen in de richting van de Hoge Rijndijk te Leiden om verdachte te controleren op naleving van de bepalingen van de WVW 1994 en eventueel een controle uit te voeren op grond van de Opiumwetgeving. Zelf bleef hij ook achter de Opel aanrijden. Na de auto enkele minuten te zijn kwijtgeraakt zag Hogervorst het voertuig geparkeerd staan in de De Meij van Streefkerkstraat. De verbalisant besloot op nader onderzoek uit te gaan en keek onder meer een poortje in, gelegen tussen de De Meij van Streefkerkstraat en de Du Rieustraat, alwaar hij verdachte zag lopen. Toen deze de politieagent in het oog kreeg draaide hij zich om en rende weg, waarop Hogervorst de vervolging inzette. Tijdens de kortdurende achtervolging nam verbalisant waar dat verdachte iets weggooide in de bosschage aan de Van den Branderlerkade. Gelet op die waarneming stelde de agent, na verdachtes aanhouding enkele straten verderop, een onderzoek in in die bosschage, bij welk onderzoek hij twee mobiele telefoons aantrof (een grijs Motorola- en een bruin Nokia-toestel).(1) Voorts werden in de directe omgeving van de Opel door een collega van Hogervorst, genaamd Kapel, twee plastic zakjes met bolletjes cocaïne en heroïne aangetroffen.(2) Deze drugs zijn volgens Hogervorst gevonden in de poort waar hij verdachte zag lopen en waar deze zich omdraaide.(3) Voorts volgt uit de stukken dat er na de inbeslagneming van de in de bosjes gevonden telefoons nog diverse malen werd ingebeld op die toestellen en dat Hogervorst gesprekken heeft gevoerd met een aantal van die inbellers. Gelet op de inhoud van die gesprekken rees bij hem het vermoeden dat het hier ging om kopers van harddrugs. Door twee van de bellers werd expliciet gevraagd of [verdachte] nog langs kwam. (4)

3.4 Voornoemde bewijsmiddelen kunnen de bewezenverklaring dragen. Daaraan doet niet af dat Hogervorst niet precies heeft gezien wat verdachte weggooide op het moment dat hij langs de bosschage aan de Van den Branderlerkade rende. Uit bewijsmiddel 2 volgt immers dat de door voornoemde verbalisant in de bosjes aangetroffen mobiele telefoons droog waren, terwijl de bosschage zelf en de rommel die verder door verbalisant aldaar werd aangetroffen nat waren. Uit die vaststelling van Hogervorst heeft het Hof kennelijk de conclusie getrokken dat de telefoons daar dus nog niet lang lagen en het derhalve díe voorwerpen moeten zijn geweest die de agent verdachte zag weggooien. Dat oordeel acht ik geenszins onbegrijpelijk. Het lijkt mij ook hoogst onwaarschijnlijk dat een verdachte op de vlucht voor de politie nog de tijd en moeite neemt om zich te ontdoen van bijvoorbeeld kauwgompapiertjes of oude prullen. Voorts levert het feit dat twee van de inbellers vroegen of [verdachte] nog langs kwam een duidelijke indicatie op dat de telefoons door verdachte werden gebruikt, omdat het hier immers de voornaam van verdachte betreft. Dat er in de Arabische wereld meer mensen [verdachte] heten en dat er, hetgeen overigens feitelijk niet door het Hof is vastgesteld, diverse personen daar in de buurt waren, doet daaraan niet af.

Voorzover in het middel nog wordt geklaagd dat de in de bosschage aangetroffen telefoons niet aan verdachte kunnen worden gekoppeld omdat deze zou zijn vrijgesproken van heling van die toestellen faalt de klacht reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde betreft namelijk niet de in de bosjes aangetroffen telefoons, maar de bij de fouillering op het lichaam van verdachte aangetroffen GSM (een grijs Nokia-toestel). Van dit toestel kon worden vastgesteld dat het van diefstal afkomstig was. Kennelijk heeft het Hof in casu echter niet bewezen geacht dat verdachte "wist danwel redelijkerwijs moest vermoeden" dat het een gestolen toestel betrof.(5)

3.5 Het Hof kon dus oordelen dat de twee in de bosjes aangetroffen telefoons bij verdachte in gebruik waren, en dat de inbellers die bij [verdachte] harddrugs wilden bestellen die bestellingen dus bij verdachte wilden plaatsen. Het is dan ook niet zo vreemd dat het Hof tevens heeft aangenomen dat het verdachte moet zijn geweest die de bolletjes harddrugs in het poortje, gelegen tussen de De Meij van Streefkerkstraat en de Du Rieustraat, moet hebben gedumpt. Immers, verdachte, die kennelijk doorhad dat hij door de politie werd gevolgd, bevond zich kort voor het tijdstip van de vondst van de - overigens ook droge(6) - bolletjes op de plek alwaar deze werden aangetroffen en op de inbeslaggenomen, bij hem in gebruik zijnde telefoons kwamen na diens aanhouding nog diverse bestellingen voor harddrugs binnen. Gelet op het voormelde heeft het Hof kunnen oordelen dat het niet anders kan dan dat verdachte de harddrugs nabij het poortje heeft achtergelaten in een poging om een aanklacht wegens drugsbezit en/of -handel te voorkomen.

3.6 Het middel faalt dan ook.

4. Het middel is tevergeefs voorgesteld en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve wijs ik erop dat het Hof de teruggave aan verdachte van inbeslaggenomen drugs (nr. 10) heeft gelast. Art. 13a Opiumwet schrijft onttrekking aan het verkeer of verbeurdverklaring voor van de in lijst I of II bedoelde middelen. De Hoge Raad kan alsnog bewerkstelligen dat aan deze verplichting wordt voldaan door alsnog de onttrekking aan het verkeer van deze drugs te gelasten.

5. Deze conclusie strekt tot doorhaling in het arrest van de last tot teruggave aan verdachte van onderdeel 10 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, tot aanvulling van het bestreden arrest in dier voege dat deze inbeslaggenomen drugs zullen worden onttrokken aan het verkeer en overigens tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie bewijsmiddelen 1, 1A en 2.

2 Bewijsmiddelen 3, 5 en 6.

3 Bewijsmiddel 2.

4 Zie bewijsmiddel 4. In het als bewijsmiddel 4 gebezigde proces-verbaal d.d. 26 oktober 2002, opgemaakt door Hogervorst, is tevens de korte inhoud weergegeven van door deze gevoerde telefoongesprekken. Inbellers vroegen bijvoorbeeld hoe lang het nog duurde en zeiden dat ze een bolletje nodig hadden, vroegen specifiek om een bolletje wit of bestelden witte en bruine "bloemen".

5 De Politierechter had verdachte overigens wel voor heling van dat toestel veroordeeld. Zie daaromtrent het vonnis in eerste aanleg d.d. 27 mei 2003.

6 Zie bewijsmiddel 3.