Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT2899

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
02217/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT2899
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gebruik voor het bewijs van resultaten van een DNA-onderzoek. Het hof heeft vastgesteld dat de rb in haar afwijzende beschikking op de vordering verlenging gevangenhouding heeft overwogen dat “de verdenking, bezwaren en gronden die tot het bevel gevangenhouding hebben geleid niet meer in voldoende mate bestaan”. Daarmee is niet onverenigbaar dat t.t.v. het aangevochten bevel van de r-c ernstige bezwaren ex art. 195d.3 Sv (oud) tegen verdachte bestonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 402
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02217/04

Mr. Machielse

Zitting 29 maart 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 19 maart 2004 voor poging tot afpersing in vereniging veroordeeld tot vijfenveertig maanden gevangenisstraf.

2. Mr. S.R. Borderwijk, advocaat te Schiedam, heeft cassatie ingesteld. Mr. A.A. Franken en mr. W.H. Jebbink, advocaten te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1 Het middel bevat een tweetal klachten over de verwerping door het hof van het verweer dat de resultaten van het DNA-onderzoek aan het van verdachte afgenomen lichaamsmateriaal niet voor het bewijs mogen worden gebezigd.

3.2 Blijkens het proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 maart 2004 heeft de raadsman aldaar het volgende verweer gevoerd:

"Dan is er het gebruik van het DNA-materiaal van de verdachte. Het wettelijk kader vereist dat er ernstige bezwaren bestaan tegen de verdachte. Gelet op de beslissing tot afwijzing van de vordering tot eerste verlenging van de gevangenhouding van de verdachte door de rechtbank had de rechter-commissaris geen toestemming mogen geven tot het afnemen van lichaamsmateriaal bij de verdachte. Het begrip 'ernstige bezwaren' zoals dat als voorwaarde is gesteld voor het geven van een bevel ex artikel 195d (oud) van het Wetboek van Strafvordering dient op een zelfde manier te worden uitgelegd als het begrip "ernstige bezwaren" zoals dat voorkomt in het kader van de voorlopige hechtenis."

3.3 Het hof heeft in zijn arrest naar aanleiding van het bovengenoemde verweer het volgende overwogen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de uitkomsten van het door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) verrichte DNA-onderzoek aan het van de verdachte afgenomen lichaamsmateriaal niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.

De raadsman heeft daartoe - verkort en zakelijk weergegeven - zich op het standpunt gesteld dat geen bevel op de voet van het bepaalde in artikel 195d (oud) van het Wetboek van Strafvordering had mogen worden gegeven omdat niet voldaan werd aan de in dat artikel gestelde voorwaarde van het bestaan van ernstige bezwaren tegen de verdachte. In dat verband heeft de raadsman van de verdachte gesteld dat uit de beslissing tot afwijzing van de vordering tot eerste verlenging van de gevangenhouding volgt dat er geen ernstige bezwaren (meer) tegen de verdachte bestonden. Aangezien de in het derde lid van artikel 195d (oud) van het Wetboek van Strafvordering genoemde ernstige bezwaren tegen de verdachte dezelfde zijn als die, welke in het kader van (het voortduren van) de voorlopige hechtenis worden bedoeld, zou - zo begrijpt het hof de stellingen van de verdediging - het afwijzen van de vordering tot verlenging van de gevangenhouding met zich brengen dat het bevel ex artikel 195d (oud) van het Wetboek van Strafvordering ten onrechte is gegeven.

Vooropgesteld zij dat tegen de thans door de verdediging bestreden beslissing van de rechter-commissaris ex artikel 195d (oud) van het Wetboek van Strafvordering een hogere voorziening openstond ingevolge het bepaalde in artikel 195e (oud) van het Wetboek van Strafvordering. Van deze voorziening is - zij het tevergeefs - door de verdediging gebruik gemaakt. Naar het oordeel van het hof zou het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog de juistheid van het gegeven bevel wordt aangevochten. Reeds om die reden zal het hof de juistheid van het gegeven bevel niet verder ten gronde mogen toetsen.

Overigens is het hof van oordeel dat de uitkomsten van het door het NFI verrichte DNA-onderzoek aan het van de verdachte afgenomen lichaamsmateriaal tot het bewijs mogen worden gebezigd.

De hiervoor weergegeven redenering van de raadsman van de verdachte op basis waarvan hij concludeert tot afwezigheid van het bestaan van ernstige bezwaren tegen de verdachte met als gevolg dat bedoelde uitkomsten van het DNA-onderzoek niet tot bewijs van het aan de verdachte tenlastegelegde feit mogen worden gebruikt is onjuist.

In de hiervoor reeds genoemde beschikking dd. 4 juli 2000 heeft de rechtbank te Rotterdam slechts overwogen "dat de rechtbank na onderzoek is gebleken dat de verdenking, bezwaren en gronden, die tot het bevel tot gevangenhouding van verdachte hebben geleid niet meer in voldoende mate bestaan". Anders dan door de verdediging betoogd wordt, heeft de rechtbank daarmede niet als haar oordeel uitgesproken dat er geen ernstige bezwaren (meer) tegen de verdachte bestaan."

3.4 Alvorens het middel te bespreken neem ik de vrijheid een opmerking vooraf te maken. In het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 13 februari 2004 is een verklaring van verdachte opgenomen. Die verklaring houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter houdt mij voor dat een sigarettenpeuk op de plaats delict is veiliggesteld waarop mijn DNA is aangetroffen. Die sigaret kan door mij gerookt zijn. (...) Ik zal mijn sigaret hebben uitgedrukt in een asbak die op de grote tafel in de woonkamer stond. (...) Ik rook veel en normaal gesproken zware shag, maar als iemand mij een Belinda filtersigaret aanbiedt, zal ik die niet afslaan als dat betekent dat ik anders moet gaan lopen."

Deze verklaring kan aldus worden begrepen dat verdachte niet ontkent dat van hem afkomstig DNA-materiaal is aangetroffen op een filtersigaret van het merk Belinda, maar wel dat die sigaret gerookt zou zijn ten tijde van de overval. Het resultaat van het onderzoek door het NFI wordt dus niet betwist. Men zou daarom kunnen zeggen dat verdachte belang mist bij het middel. Maar gelet op het belang van het aangesneden thema zal ik het middel toch bespreken.

3.5 Uit het aan de Hoge Raad toegezonden dossier kan - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - worden opgemaakt dat de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 4 juli 2000 heeft afgewezen de vordering van de officier van justitie strekkende tot verlenging van de gevangenhouding van verdachte.

Van belang is voorts dat de rechter-commissaris in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 5 februari 2001- na een daartoe strekkende vordering van de officier van justitie d.d. 18 januari 2001 - op de voet van art. 195d (oud) Sv het bevel heeft afgegeven tot afname van bloed van verdachte ten behoeve van DNA-onderzoek als bedoeld in art. 138a Sv (onderzoek van celmateriaal dat uitsluitend is gericht op de vergelijking van DNA-profielen). Verdachte heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid tegen deze beschikking hoger beroep in te stellen op grond van het toen geldende art. 195e (oud) Sv. Op 6 maart 2001 heeft de Arrondissementsrechtbank Rotterdam het hoger beroep van verdachte tegen het bevel van de rechter-commissaris d.d. 5 februari 2001 afgewezen en het genoemde bevel bevestigd.

3.6 Blijkens de toelichting keert het middel zich in het eerste onderdeel tegen het oordeel van het hof dat de juistheid van het door de rechter-commissaris op de voet van art. 195d (oud) Sv gegeven bevel tot afname van bloed van verdachte niet opnieuw of alsnog bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting ten gronde zal mogen worden getoetst, aangezien op die wijze het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken op onaanvaardbare wijze zou worden doorkruist. Door de stellers van het middel wordt het standpunt verdedigd dat een verweer is gevoerd dat ziet op de rechtmatigheid van de wijze waarop belastend materiaal tegen verdachte is verkregen en dat in die situatie de zittingsrechter zich op de voet van art. 359a Sv een oordeel zal moeten vormen over de gegrondheid van het verweer en moeten bezien of en zo ja, welk rechtsgevolg eraan moet worden verbonden.

3.7 Vooropgesteld zij dat artikel 195e, eerste lid (oud) Sv(1) de verdachte het recht verschafte in hoger beroep te komen tegen het jegens hem gegeven bevel van de rechter-commissaris tot afname van bloed ten behoeve van een DNA-onderzoek. Het eerste lid van dit artikel luidde als volgt:

"De verdachte kan tegen het krachtens het eerste of het zevende lid van artikel 195d gegeven bevel binnen veertien dagen na de betekening in hoger beroep komen bij het gerecht waar de zaak wordt vervolgd, dat zo spoedig mogelijk beslist."

Zoals onder 3.5 opgemerkt heeft verdachte van deze appèlmogelijkheid gebruik gemaakt en de beslissing van de rechter-commissaris tot afname van bloed ten behoeve van DNA-onderzoek bestreden. Tijdens de behandeling in raadkamer in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat - gelet op de afwijzende beslissing door de rechtbank op de vordering verlenging gevangenhouding, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat "na onderzoek is gebleken dat de verdenking, bezwaren en gronden, die tot het bevel tot gevangenhouding van verdachte hebben geleid niet meer in voldoende mate bestaan"- door de rechter-commissaris geen bevel op de voet van het bepaalde in artikel 195d (oud) Sv had mogen worden gegeven omdat niet voldaan werd aan de in dat artikel gestelde voorwaarde van het bestaan van ernstige bezwaren tegen verdachte. De rechtbank was echter van oordeel dat wèl sprake was van voldoende ernstige bezwaren tegen de verdachte om de inbreuk op zijn rechten (bestaande uit afname van bloed via een overigens eenvoudige ingreep) te rechtvaardigen en dat dit onderzoek dringend noodzakelijk was voor het aan de dag brengen van de waarheid.

3.8 Zou er sprake geweest zijn van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv indien niet voldaan was aan de voorwaarden voor het afnemen van bloed ten behoeve van DNA-onderzoek? In de Memorie van Toelichting bij de wet die heeft geleid tot invoering van art. 359a Sv(2) worden vormverzuimen bij het verlenen van een machtiging tot het afnemen van bloed op de voet van art. 195d (oud) Sv - evenals vormverzuimen betreffende de bevelen tot toepassing van dwangmiddelen - niet genoemd als vormverzuimen die moeten worden begrepen onder de in art. 359a Sv bedoelde verzuimen.(3) Overigens blijkt volgens de Hoge Raad wel uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever het begrip " vormverzuim" ruim heeft willen opvatten.(4) De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, LJN AM2533, r.o. 3.4.2. het volgende overwogen met betrekking tot vormverzuimen begaan bij het voorbereidend onderzoek:

"De toepassing van art. 359a Sv is allereerst beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Ingevolge art. 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn blijkens de wetsgeschiedenis met name ook begrepen normschendingen bij de opsporing.

"Het voorbereidend onderzoek" uit art. 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Art. 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Dat doet zich onder meer voor als het vormverzuim is begaan in het voorbereidend onderzoek inzake een ander dan het aan de verdachte tenlastegelegde feit.

Art. 359a Sv is ook niet van toepassing bij vormverzuimen die betrekking hebben op bevelen inzake de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen welke kunnen worden voorgelegd aan de rechter-commissaris die krachtens de wet belast is met het toezicht op de toepassing dan wel de voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen en die aan dergelijke verzuimen rechtsgevolgen kan verbinden ten aanzien van de voortzetting van de vrijheidsbeneming. Tegen het oordeel van de rechter-commissaris dat het verleende bevel tot inverzekeringstelling niet onrechtmatig is en/of dat er geen gronden zijn het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte in te willigen, staat geen hogere voorziening open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de inverzekeringstelling die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd."

3.9 Bij mijn weten is de vraag of het beletsel van de geslotenheid van het stelsel van rechtsmiddelen ook betrekking heeft op gebreken in verband met DNA-onderzoek waartegen de verdachte tot 31 oktober 2001 in hoger beroep kon opkomen nog maar één keer aan de Hoge Raad voorgelegd. Het betreft HR 15 juni 2004, nr. 02408/03/J, waarin een verdachte onder meer was veroordeeld voor het misdrijf van art. 243 Sr. In die zaak was ook DNA-onderzoek verricht. De advocaat van verdachte had er zich ter terechtzitting in appel op beroepen dat bloed van verdachte was afgenomen ten behoeve van dat onderzoek, zonder dat de verdachte over het bevel tot bloedafname was gehoord. Het hof had het verweer verworpen omdat naar het oordeel van het hof de rechter-commissaris verdachte bij de inbewaringstelling wel had gehoord over het afnemen van lichaamsmateriaal, zij het dat de verdachte bij die gelegenheid had verklaard dat hij geen toestemming wilde geven alvorens met zijn advocaat te hebben gesproken. De conclusie van mijn ambtgenoot mr. Vellinga strekte tot verwerping van het cassatieberoep, omdat de verdachte klachten over de gang van zaken rond het DNA-onderzoek indertijd in hoger beroep aan de rechtbank had kunnen voorleggen, maar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou zijn inziens op onaanvaardbare wijze worden doorkruist als bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen die aan de rechter hadden kunnen worden voorgelegd in de afzonderlijk geregelde beroepsgang. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

3.10 In dit verband wijs ik er tevens op dat de Hoge Raad geoordeeld heeft dat, wanneer door de rechter-commissaris of, in hoger beroep door de raadkamer van de rechtbank of het gerechtshof, aan een getuige de status van bedreigde getuige in de zin van art. 226a Sv is verleend, een hernieuwde toetsing aan de voorwaarden tot het verlenen van de status van bedreigde getuige door de zittingsrechter in strijd is met de wettelijke regeling.(5) Ook hier zou men kunnen verdedigen dat er sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waartegen evenwel niet op de voet van art. 359a Sv kan worden opgekomen.

3.11 Over de in het middel aangevoerde klachten merk ik het volgende op. Het middel stelt terecht dat op grond van art. 359a Sv een van de rechtsgevolgen die door de zittingsrechter - rekening houdend met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren - kunnen worden verbonden aan een verzuim van vormen in het voorbereidend onderzoek bewijsuitsluiting is. De aan de grondslag van het middel liggende opvatting dat een verzuim van vormen door de rechter-commissaris en raadkamer op de voet van art. 359a Sv altijd door de zittingsrechter kan worden gesanctioneerd, kan in zijn algemeenheid echter niet als juist worden aanvaard. Ook de overige in het middel vervatte stellingen - zoals de op zichzelf genomen juiste stelling dat het door de raadsman gestelde verzuim in het bevel van de rechter-commissaris betrekking heeft op de formele inrichting van het onderzoek in stafzaken en dat een verweer is gevoerd dat ziet op de rechtmatigheid van de wijze waarop belastend materiaal tegen de verdachte is verkregen - zien eraan voorbij, dat door de wetgever voor de gevallen als de onderhavige, waarin geklaagd wordt over een verzuim in de beslissing van de rechter-commissaris op grond van art. 195d (oud) Sv, een afzonderlijke beroepsprocedure in het leven was geroepen, waarbij de eventuele verzuimen geredresseerd konden worden en dat daarnaast van belang is dat voorkomen moet worden dat in twee (min of meer) onafhankelijke procedures tegenstrijdige uitspraken over een (beweerdelijk) vormverzuim gedaan worden. De redenering van het middel volgend zou een beroepsmogelijkheid ontstaan, die door de wetgever niet is voorzien of is uitgesloten.

3.12 De klacht dat het verweer van de raadsman ter terechtzitting niet anders kon worden verstaan dan als onder meer betrekking hebbend op schending van het door art. 8 EVRM gegarandeerde recht op bescherming van de lichamelijke integriteit, kan evenmin slagen aangezien - nog daargelaten de vraag of hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd in zoëven bedoelde zin moet worden verstaan - de rechtbank in haar beslissing op het door verdachte ingestelde hoger beroep in de zin van art. 195e (oud) Sv bij de beantwoording van de vraag of er voldoende ernstige bezwaren tegen verdachte bestaan om het DNA-onderzoek te rechtvaardigen, uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de (zwaarte van de met de maatregel te maken) inbreuk op de lichamelijke integriteit van verdachte.

3.13 Het middel refereert voorts aan de in de Toelichting op de Nota van wijziging behorende bij het wetsvoorstel "Wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken"(6) opgenomen opmerking van de Minister, luidende dat indien de verdediging twijfels heeft over de betrouwbaarheid van het DNA-onderzoek de verdediging een contra-expertise kan laten uitvoeren en dat de rechtmatigheid van de verkrijging van het celmateriaal bovendien op de terechtzitting aan de orde kan worden gesteld.

Deze opmerking is niet nader toegelicht en geplaatst aan het slot van een passage waarin wordt uitgelegd dat tegen een bevel van de officier van justitie tot afname van celmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek in de zin van art. 151b Sv geen rechtsmiddel is opengesteld. De opmerking dient in dat kader begrepen te worden. Het middel doet daar derhalve tevergeefs een beroep op, daar zich in het onderhavige geval een andere situatie voordoet, namelijk een situatie waarin tegen een beslissing van de rechter-commissaris wél in een beroepsmogelijkheid was voorzien. Met evenveel kracht zou men kunnen betogen dat uit de woorden van de Minister nu juist is op te maken dat een toetsing der rechtmatigheid van het bevel tot afname van celmateriaal ter terechtzitting niet meer aan de orde was als er wél een rechtsmiddel openstond.

3.14 Het voorgaande voert mij tot de volgende slotsom. Het onder 3.3 weergegeven oordeel van het hof dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken op onaanvaardbare wijze zou worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog de juistheid van het bevel in de zin van art. 195d (oud) Sv wordt aangevochten getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Tegen een op basis van art. 195d Sv gegeven bevel van de rechter-commissaris stond voor verdachte immers een hogere voorziening open op de voet van art. 195e (oud) Sv, waarvan door verdachte - zij het zonder succes - gebruikt is gemaakt. Tegen de beslissing van de rechtbank was voor verdachte geen rechtsmiddel beschikbaar, zodat de beslissing onherroepelijk was. In een volgende fase van het geding kon derhalve niet met succes worden geklaagd over vormverzuimen betreffende het bevel van de rechter-commissaris op grond van art. 195d (oud) Sv.(7)

Alle klachten van het eerste onderdeel van het middel falen derhalve.

3.15 Het tweede onderdeel van het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de uitkomsten van het verrichte DNA-onderzoek aan het van de verdachte afgenomen lichaamsmateriaal tot het bewijs mogen worden gebezigd en dat de redenering van de raadsman op basis waarvan hij concludeert tot afwezigheid van het bestaan van ernstige bezwaren tegen de verdachte met als gevolg dat bedoelde uitkomsten van het DNA-onderzoek niet tot bewijs van het aan de verdachte tenlastegelegde feit mogen worden gebruikt onjuist is, omdat de rechtbank te Rotterdam in haar beschikking d.d. 4 juli 2000 met de overweging "dat de rechtbank na onderzoek is gebleken dat de verdenking, bezwaren en gronden, die tot het bevel tot gevangenhouding van verdachte hebben geleid niet meer in voldoende mate bestaan" niet als haar oordeel heeft uitgesproken dat er geen ernstige bezwaren (meer) tegen de verdachte bestaan. Volgens de stellers van het middel is dit oordeel onbegrijpelijk.

3.16 In het middel wordt een beroep gedaan op hetgeen met betrekking tot het begrip "ernstige bezwaren" in de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel "Aanvulling van het Wetboek van Strafvordering met voorzieningen ten behoeve van DNA-onderzoek in strafzaken" wordt vermeld, inhoudende dat het derde lid van art. 195d (oud) Sv als voorwaarde voor de toepassing van het bevel tot afname van lichaamscellen stelt dat er sprake is van een ernstige graad van verdenking, dat het enkele bestaan van een redelijk vermoeden van schuld niet voldoende wordt geacht en dat de de artikelen 56, 67, derde lid en 195, eerste lid Sv ook het bestaan van ernstige bezwaren eisen.(8) In tegenstelling tot de visie van de stellers van het middel komt het zojuist weergegeven oordeel van het hof mij niet onbegrijpelijk voor, aangezien met dit oordeel tot uitdrukking wordt gebracht dat de beoordeling door de rechtbank van de vordering verlenging gevangenhouding op grond van art. 66 lid 3 (oud) Sv zich niet beperkt tot de toetsing of voldaan is aan (slechts) het criterium "ernstige bezwaren", maar dat de rechtbank in haar oordeel dient te betrekken de vraag - zoals de rechtbank in het onderhavige geval ook heeft gedaan - of de factoren verdenking, bezwaren en gronden die tot het bevel gevangenhouding van verdachte hebben geleid, ten tijde van het gevraagde dwangmiddel onverkort aanwezig waren. Dit betreft een onderzoek naar aanleiding van de in art. 67 en 67a Sv neergelegde eisen. Aan de overwegingen van de rechtbank ter motivering van de afwijzing van de vordering tot verlenging van de gevangenhouding kan niet ontleend worden dat de rechtbank haar beslissing heeft gegrondvest op haar mening dat er geen ernstige bezwaren meer waren. De gebezigde woorden geven geen uitsluitsel of de rechtbank tot haar beslissing is gekomen omdat de gronden voor voorlopige hechtenis waren vervallen, of dat er geen verdenking meer zou zijn, of dat het aan de ernstige bezwaren zou ontbreken, of dat bij nader inzien er geen sprake was van een geval van voorlopige hechtenis.

Het tweede onderdeel van het middel faalt eveneens.

4. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

Het middel faalt.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Dit artikel is in werking geweest van 1 september 1994 tot en met 31 oktober 2001. De officier van justitie had op grond van art. 446, eerste lid, Sv het recht tegen een afwijzing van zijn vordering hoger beroep en vervolgens cassatie in te stellen. Het derde lid van art. 195e (oud) Sv verleende aan het instellen van hoger beroep schorsende werking. Kamerstukken II 1991-1992, 22 447, nr. 3, p. 17. De redenen voor het doen vervallen van het rechtsmiddel waren overwegend wetssystematisch van aard. Zie Kamerstukken II 1999-2000, 26 271, nr. 6, p. 16; Kamerstukken II 1999-2000, 26 271, nr. 7, p. 7.

2 Wet van 14 september 1995 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering (vormverzuimen), Stb. 1995, 441.

3 Kamerstukken II 1993-1994, 23 705, nr. 3, p. 15 e.v.

4 HR 6 april 1999, NJ 1999, 565.

5 Met dien verstande dat het zich laat denken dat aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge art. 226a en/of 226b Sv ten aanzien van een getuige gegeven bevel dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien op de voet van art. 226d Sv afgenomen verhoor van deze getuige, zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door de art. 6 EVRM en 14 IVBP; HR 30 juni 1998, NJ 1999, 88.

6 Kamerstukken II, 1999-2000, 26 271, nr. 6, p. 15-16; nr. 7, p. 5-6.

7 Vgl. HR 7 september 2004, LJN AP2257; HR 5 februari 2002, LJN AD7794, HR 30 januari 2001, LJN AD4307; HR 8 mei 2001, NJ 2001, 587; HR 18 oktober 1994, NJ 1995, 118, r.o. 5.4..

8 Kamerstukken II, 1991-1992, 22 447, nr. 3, p. 13. Zie voorts Kamerstukken I, 2000-2001, 26 271, nr. 210b, p. 10 e.v. Over de invulling van de eis van "ernstige bezwaren" zie voorts Melai c.s., aant. 5 bij art. 56, suppl. 129 (juni 2002) en aant. 3 bij art. 67, suppl. 144 (oktober 2004).