Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT2627

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2005
Datum publicatie
24-06-2005
Zaaknummer
R04/039HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT2627
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

24 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/039HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De zoon], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. M.B.C. Kloppenburg, t e g e n [De vader], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 378
RFR 2005, 104
JWB 2005/234
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnummer R04/039HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Parket 22 maart 2005

Conclusie inzake

[de zoon]

tegen

[de vader]

Inleiding

1. In deze zaak heeft thans verzoeker tot cassatie, verder: de zoon, verzocht te bepalen dat thans verweerder in cassatie, verder: de vader, aan hem op de voet van art. 1:392 BW een bijdrage in zijn levensonderhoud betaalt. Dat verzoek is zowel door de rechtbank als door het hof afgewezen op de grond dat - kort gezegd - niet is gebleken dat aan de zijde van de meerderjarige zoon, die een WAJONG-uitkering ontvangt, sprake is van behoeftigheid zoals vereist door art. 1:392 BW. De zoon heeft cassatieberoep ingesteld.

2. Tussen partijen staat het volgende vast:

De vader is gehuwd geweest met [de moeder], hierna: de moeder. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 1981 de, thans meerderjarige, zoon geboren. Bij vonnis van de rechtbank te 's Hertogenbosch van 17 augustus 1990 is tussen de vader en de moeder de echtscheiding uitgesproken; dit vonnis is op 31 januari 1991 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij beschikking van de rechtbank te 's- Hertogenbosch van 9 oktober 1990 is bepaald dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon 113,45 euro (f 250,-) per maand dient te voldoen; ingevolge de wettelijke indexering was dit bedrag per 1 januari 2002 153,17 euro.

De vader heeft de bijdrage gestaakt met ingang van 1 januari 2003 (de zoon had toen de leeftijd van 21 jaar bereikt).

3. Bij verzoekschrift van 15 november 2002 heeft de zoon de rechtbank te 's-Hertogenbosch verzocht te bepalen dat de vader vanaf 1 januari 2003 met een bedrag van 155,00 euro per maand, dan wel met een door de rechtbank te bepalen bedrag, bijdraagt in de kosten van zijn levensonderhoud. De zoon heeft daartoe aangevoerd dat hij meervoudig gehandicapt is en dat hij niet in staat is zelfstandig inkomsten te verwerven. De zoon heeft voorts aangegeven dat hij een WAJONG-uitkering ontvangt ad 763,00 euro netto per maand, exclusief vakantietoeslag, dat hij zijn moeder, bij wie hij woont en die van een bijstandsuitkering moet leven, een bijdrage voldoet voor kosten als huur, gas, licht en water en dat hij daarnaast extra kosten heeft in de vorm een eigen bijdrage logeerhuis, autokosten, kosten zorgkantoor, kledingkosten, contributie revalidatiezwemmen, oppaskosten en contributie vereniging Ouders gehandicapten.

4. De vader heeft verweer gevoerd, stellende dat zijn zoon niet behoeftig is in de zin van art. 1:392 BW. Hij heeft daartoe gesteld dat de wetgever door middel van de WAJONG-uitkering voorziet in de financile behoefte van de meerderjarige jonggehandicapten en dat de wetgever daarmee tevens voorziet in de eindigheid van de voortgezette onderhoudsplicht van de ouders door bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd toeslagen op de uitkering te geven. Voorts heeft de vader de door de zoon gestelde extra kosten betwist, dan wel heeft hij gesteld dat deze kunnen worden vergoed op grond van een aantal bijzondere publiekrechtelijke regelingen. Ten slotte heeft de vader gesteld dat het niet van belang is dat de zoon een bijdrage dient te betalen aan de moeder nu de hoogte van de WAJONG-uitkering afhankelijk is van de woonsituatie. De vader heeft niet betwist dat hij zelf over voldoende draagkracht beschikt.

5. Bij beschikking van 23 mei 2003 heeft de rechtbank het verzoek van de zoon afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen als volgt. Op grond van de wet zijn ouders in beginsel onderhoudsplichtig jegens hun kinderen. Nu de zoon inmiddels de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, dient door hem te worden aangetoond dat sprake is van behoeftigheid. Ter zitting heeft de (procureur van) de zoon erkend dat de WAJONG-uitkering voorziet in de absolute minimumbehoefte van de zoon, doch dat de verzochte bijdrage voorziet in wat meer financiële armslag, ofwel een extra stukje levensvreugde. De zoon heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de door hem verzochte bijdrage een toegevoegde waarde voor zijn welzijn kan vormen nu meer inkomen immers meer ruimte voor materiële faciliteiten betekent. De rechtbank is echter niet gebleken dat, zoals de zoon ook heeft erkend, sprake is van behoeftigheid in de zin van art. 1:392 lid 2 BW. De rechtbank zal het verzoek dan ook moeten afwijzen.

6. De zoon is van deze beschikking in beroep gekomen bij het hof te 's-Hertogenbosch, daartoe stellende dat de rechtbank aan de term behoeftigheid een te enge betekenis heeft toegekend door ervan uit te gaan, zoals blijkt uit haar beschikking, dat er geen sprake is van behoeftigheid nu een inkomen wordt genoten dat voorziet in het absolute minimum.

De vader heeft verweer gevoerd. In zijn verweerschrift heeft hij benadrukt dat de WAJONG-uitkering boven het minimumniveau van het normbedrag van de Algemene Bijstandswet uitkomt en dat de zoon, voor zover hij extra kosten moet maken, een beroep kan doen op de diverse daarvoor in het leven geroepen regelingen.

Beide partijen hebben hun standpunten ter zitting nader toegelicht. De zoon heeft bij die gelegenheid aangegeven dat zijn uitkering zich inderdaad boven het minimumniveau bevindt, alsmede dat hij voor de kosten van vervoer inmiddels een vergoeding ontvangt. Hij heeft evenwel benadrukt dat het staken van de alimentatiebetalingen door de vader een financiële achteruitgang betekent, dat het continueren van de alimentatie een stukje extra levensvreugde impliceert en dat, gezien de extra kosten die hij vanwege zijn handicap heeft, het voor hem beschikbare bedrag uiteindelijk onder de bijstandsnorm uitkomt. De vader heeft bij die gelegenheid de extra kosten betwist doch ook aangegeven dat indien desondanks mocht blijken dat er toch nog extra kosten zijn, partijen deze bij helfte kunnen delen.

7. Bij beschikking van 16 december 2003 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

In de rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 heeft het hof - kort gezegd - als volgt overwogen. Uit het beroepschrift en uit hetgeen namens de zoon ter zitting is betoogd, is naar voren gekomen dat de zoon van mening is dat hij rechten kan doen gelden op verlenging van de onderhoudsverplichting van zijn vader jegens hem met name op grond van redenen van emotionele aard, te weten het verlenen van een extra stukje levensvreugde, hetgeen voor de zoon een toegevoegde waarde betekent in zijn (gezondsheids)situatie. Ingevolge art. 1:392 BW kan evenwel in zaken als de onderhavige uitsluitend een onderhoudsverplichting worden opgelegd ingeval er sprake is van behoeftigheid; het betoog van de zoon de vader op emotionele gronden alsnog een onderhoudsverplichting op te leggen, vindt op zichzelf geen steun in het recht.

In de rechtsoverwegingen 4.7-4.12 heeft het hof vervolgens - kort samengevat - als volgt overwogen. Voor de beoordeling van de vraag of de zoon behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage, geldt het volgende. Ter zitting is komen vast te staan dat de zoon een WAJONG-uitkering ontvangt van 801,00 euro netto per maand inclusief vakantietoeslag, dat deze uitkering per 1 januari 2004 met 11% wordt verhoogd omdat de zoon dan de 23-jarige leeftijd zal hebben bereikt (bedoeld zal zijn: de 22-jarige leeftijd) en dat deze uitkering niet is gerelateerd aan de bijstandsnorm maar is gekoppeld aan het minimumloon. Dit betekent dat de zoon met de aan hem toegekende WAJONG-uitkering kan voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud, welke kosten de minimale kosten van levensonderhoud op bijstandsniveau overstijgen. Uitsluitend indien de zoon gespecificeerd zou kunnen adstrueren dat de aan hem verstrekte uitkering onvoldoende is om de aan zijn kant te maken noodzakelijke kosten van levensonderhoud te dekken, kan er aan zijn zijde behoefte aan een aanvullende onderhoudsbijdrage van zijn vader bestaan. Ter zitting is gebleken dat de zoon een vergoeding voor de kosten van vervoer ontvangt. De zoon heeft daarnaast weliswaar ter adstructie van zijn aanvullende behoefte nog een aantal door hem te maken kosten opgevoerd, doch die kosten heeft de zoon tegenover de betwisting door de vader - mede gelet op de door deze laatste ten aanzien van die kosten in het geding gebrachte (alternatieve) mogelijkheden - niet nader onderbouwd met bescheiden, zodat aan zodanige stellingen van de zoon dient te worden voorbijgegaan.

8. De zoon heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. In zijn verzoekschrift heeft hij zich het recht voorbehouden om zijn klachten aan te vullen of te wijzigen na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting van het hof. Bij brief van 16 april 2004 heeft de zoon van dit door hem voorbehouden recht gebruik gemaakt. De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

Het cassatiemiddel

9. Middelonderdeel 3.3 dat is aangevuld bij de hiervoor onder 8 genoemde brief (de onderdelen die aan dit onderdeel voorafgaan bevatten slechts inleidende beschouwingen) klaagt dat 's hofs oordeel onbegrijpelijk is voorzover op grond van de rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 van 's hofs beschikking moet worden aangenomen dat het hof het verzoek van de zoon heeft afgewezen op de grond dat het verzoek slechts op "emotionele gronden" is gebaseerd en niet op de stelling dat de zoon behoeftig is. Het middelonderdeel betoogt in dit verband dat uit de (in het cassatieverzoekschrift weergegeven) stellingen van de zoon in eerste aanleg onmiskenbaar blijkt dat de zoon zijn verzoek om toekenning van alimentatie in verband met extra uitgaven voor een stukje "extra levensvreugde" wel degelijk op behoeftigheid heeft gebaseerd, ook al heeft hij zich ter zitting van het hof tevens op "emotionele redenen" beroepen, en dat het hof aldus door te overwegen dat de zoon zijn verzoek om "extra uitgaven" (slechts) op emotionele gronden (en dus niet op behoeftigheid) heeft gebaseerd, het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de stellingen van de zoon dan wel dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op de essentile stelling van de zoon dat ook deze "extra uitgaven" tot zijn behoefte behoren.

10. Dit middelonderdeel faalt, wat er zij van de door dit middelonderdeel gewraakte overwegingen en de daarin door het hof aan de stellingen van de zoon gegeven uitleg. Uit 's hofs bestreden beschikking, in het bijzonder uit de rechtsoverwegingen 4.8-4.12, blijkt dat het hof ervan is uitgegaan dat de zoon zijn verzoek (mede) heeft gebaseerd op de stelling dat hij behoeftig is en dat het hof het verzoek van de zoon heeft afgewezen op de grond dat aan de zijde van de zoon geen sprake is van behoeftigheid in de zin van art. 1:392 BW, zodat op de vader geen rechtens afdwingbare verplichting rust tot het bijdragen in het levensonderhoud van de zoon, daargelaten dat een bijdrage van de vader voor de zoon door de extra financile armslag een stukje "extra levensvreugde" zou kunnen opleveren en daargelaten - zo voeg ik daaraan toe - wat de verplichtingen van moraal en fatsoen kunnen meebrengen. In de overwegingen die volgen op de door het middelonderdeel gewraakte overwegingen ligt aldus besloten dat de stelling van de zoon "dat ook bedoelde "extra uitgaven" tot zijn behoefte behoren" heeft verworpen.

11. Middelonderdeel 3.4 klaagt dat indien moet worden aangenomen dat het hof bij zijn beoordeling wél mede in aanmerking heeft genomen dat de zoon zijn verzoek heeft gebaseerd op de stelling dat hij behoeftig is doch het hof heeft geoordeeld dat de post "extra uitgaven" niet tot de behoefte van de zoon behoort, 's hofs oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel dat 's hofs oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Het middelonderdeel betoogt in dit verband dat tot de behoefte naast de vaste lasten tevens de overige globaal te schatten uitgaven en reserveringen behoren voorzover deze uitgaven, mede met het oog op de mate van welstand waarin is geleefd, redelijk zijn, zodat ook de post "extra uitgaven" tot de behoefte behoren; het middelonderdeel verwijst in dit verband (via middelonderdeel 2.2 dat geen klacht bevat maar een schets geeft van het "juridische kader") naar art. 1:397 lid 1 BW. Het middelonderdeel betoogt voorts dat aan een en ander niet afdoet 's hofs feitelijke vaststelling dat een WAJONG-uitkering kan voorzien in de kosten van levensonderhoud die de minimale kosten op bijstandsniveau overstijgen, aangezien uit deze vaststelling immers niet volgt dat de WAJONG-uitkering voorziet in de volledige behoefte van de zoon inclusief de door hem gestelde behoefte aan een post "extra uitgaven".

12. De op art. 1:392 BW gebaseerde onderhoudsverplichting van ouders voor hun kinderen van 21 jaar en ouder bestaat uitsluitend in geval van behoeftigheid van het kind. Van behoeftigheid in de zin van deze bepaling is slechts sprake ingeval het onderhoudsgerechtigde kind niet beschikt en evenmin kan beschikken over de middelen waarover hij in redelijkheid zou moeten kunnen beschikken; daarbij zij overigens aan het middelonderdeel toegegeven dat het niet juist voorkomt de behoeftigheid te betrekken op het bestaansminimum, bij welke maatstaf iemand die over het allernoodzakelijkste beschikt niet behoeftig zou kunnen zijn. Voor de onderhoudsverplichting van ouders voor hun kinderen van 21 jaar en ouder geldt daarmee een andere maatstaf dan voor de onderhoudsverplichting van ouders jegens hun minderjarige kinderen en voor de onderhoudsverplichting van echtgenoten na scheiding; daaraan lijkt het middel voorbij te zien. Zie in dit verband ook De Boer in Asser-de Boer, 2002, nr. 1030, met verwijzing naar Bloembergen, NJB 1970, p. 424-425, waar Bloembergen opmerkt dat men in het kader van art. 1:392 BW wel spreekt van een behoeftigheid in absolute zin om aan te duiden dat de bloed- of aanverwant - anders dan de minderjarige kinderen en echtgenoten - alleen aanspraak kan maken op levensonderhoud als het hem aan het allernoodzakelijkste ontbreekt. Hierbij verdient overigens aantekening dat Bloembergen opmerkt dat men bij de beantwoording van de vraag wat het allernoodzakelijkste omvat, in de praktijk toch niet geheel en al zal kunnen en willen abstraheren van de stand van partijen.

Het hof is, gelet op het verhandelde ter zitting, tot de slotsom gekomen - een slotsom die door het middel niet wordt bestreden - dat de WAJONG-uitkering die de zoon met ingang van 1 januari 2003 ontvangt en die met ingang van 1 januari 2004 nog met 11% zal worden verhoogd, niet is gerelateerd aan de bijstandsuitkering maar is gebaseerd op het minimumloon, zodat de zoon met de aan hem toegekende uitkering kan voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud welke de kosten de minimale kosten van levensonderhoud op bijstandsniveau overstijgen. Het hof heeft voorts geoordeeld dat indien de zoon gespecificeerd zou kunnen onderbouwen dat de aan hem verstrekte uitkering onvoldoende is om de aan zijn kant te maken noodzakelijke kosten van levensonderhoud te dekken, aan zijn zijde behoefte aan een aanvullende onderhoudsbijdrage van zijn vader kan bestaan; het hof heeft daarop overwogen - een overweging die door middelonderdeel 3.5 tevergeefs wordt bestreden - dat de zoon daarin niet is geslaagd. Op deze gronden heeft het hof geoordeeld dat het verzoek van de zoon niet kan worden toegewezen. Aldus heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip behoeftigheid als vereist door art. 1:392 BW; 's hofs oordeel is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel moet dan ook falen.

13. Middelonderdeel 3.5 klaagt dat 's hofs overweging in rechtsoverweging 4.12 dat de zoon zijn aanvullende behoefte onvoldoende heeft onderbouwd, niet kan afdoen aan de klachten vervat in de middelonderdelen 3.3 en 3.4 nu 's hofs overweging slechts ziet op de kostenposten die verband houden met de noodzakelijke kosten van levensonderhoud (mede gerelateerd aan de handicap van de zoon).

Het middelonderdeel klaagt voorts dat mocht het hof in rechtsoverweging 4.12 wél het oog hebben gehad op de post "extra uitgaven" als hiervoor bedoeld, 's hofs oordeel rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk, is.

14. De tweede klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Voorzover de eerste klacht al is bedoeld als een klacht die zelfstandige betekenis heeft, ziet zij eraan voorbij dat het hof de vraag of op de vader uit hoofde van art. 1:392 BW jegens de zoon een onderhoudsplicht rust, ontkennend heeft beantwoord en - zoals uit het hiervoor betoogde moge blijken -ook heeft mogen beantwoorden op de grond dat de zoon met de aan hem toegekende uitkering kan voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud welke de kosten de minimale kosten van levensonderhoud op bijstandsniveau overstijgen en dat de zoon niet gespecificeerd heeft kunnen onderbouwen dat de aan hem verstrekte uitkering onvoldoende is om de aan zijn kant te maken noodzakelijke kosten van levensonderhoud te dekken.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden