Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AT1093

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
03-06-2005
Zaaknummer
R04/072HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT1093
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

3 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/072HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. I. de Vink, t e g e n STICHTING SINT JANS GASTHUIS, gevestigd te Weert, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. D. Stoutjesdijk. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 317
JWB 2005/206
WBP 2009/9
GJ 2005/95
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R04/072HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 8 februari 2005

Conclusie inzake:

[verzoeker]

tegen

Stichting Sint Jans Gasthuis

(hierna: de Stichting)

1. Inleiding

1.1. In deze zaak is de vraag aan de orde of het hof heeft kunnen oordelen dat een op [verzoeker] betrekking hebbend dossier, genaamd '[verzoeker]' - welk dossier een rol gespeeld heeft bij de opzegging door de Stichting van de toelatingsovereenkomst met neuroloog [verzoeker] - niét valt onder de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Het gevolg was dat [verzoeker]'s op de Wbp gebaseerde verzoeken in de bijzondere procedure van art. 46 Wbp faalden wegens niet-toepasselijkheid van die wet.

1.2. Het middel kan m.i. niet tot cassatie leiden. Ik betwijfel of het middel rechtsvragen aan de orde stelt, die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (in de zin van art. 81 R.O.) tot beantwoording nopen. Hoewel Richtlijn 95/46/EG een rol speelt, zie ik geen aanleiding tot prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EG.

2. Feiten(1)

2.1. [Verzoeker] is per 1 september 2001 toegelaten tot de Stichting Sint Jans Gasthuis te Weert, eerst als chef de clinique en per 1 oktober 2001 als medisch specialist voor neurologie.

2.2. Al snel na de aanvang van de werkzaamheden zijn problemen over het functioneren van [verzoeker] ontstaan. Dat is onder andere aan de orde gekomen tijdens de vergaderingen van de neurologen, waarvan verslagen zijn opgemaakt. De Stichting heeft voorts informatie over het functioneren van [verzoeker] ingewonnen bij medewerkers van de afdeling Klinische Neurofysiologie (KNF) en de afdeling neurologie. De afdeling KNF en de afdeling neurologie hebben informatie verzameld en deze informatie - door [verzoeker] 'zwartboeken' genoemd - doorgezonden aan de Stichting. Daarnaast heeft de Stichting de Inspectie voor de Gezondheidszorg ingeschakeld. Deze heeft de Stichting bij brief van 1 december 2002 geadviseerd om met onmiddellijke ingang maatregelen te nemen. Daarop heeft de Stichting een deskundige, [betrokkene 1], ingeschakeld die in februari 2003 een rapport over de expertise en het functioneren van [verzoeker] heeft uitgebracht.

2.3. De Stichting heeft [verzoeker], die zich op 15 november 2002 had ziek gemeld, op 21 januari 2003 op non actief gesteld, nadat deze te kennen had gegeven zijn praktijk weer te willen hervatten.

2.4. Naar aanleiding van het advies van [betrokkene 1] heeft de Stichting de toelatingsovereenkomst met [verzoeker] op 18 februari 2003 met onmiddellijke ingang opgezegd. Tegen die beslissing heeft [verzoeker] op 14 maart 2003 een procedure bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg aanhangig gemaakt. In de bodemprocedure is nog geen uitspraak gedaan.

Wel heeft de voorzitter van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg bij arbitraal vonnis in kort geding van 16 september 2003 de vorderingen van [verzoeker] tot - onder meer - toelating van [verzoeker] tot het ziekenhuis ter hervatting van zijn werkzaamheden als neuroloog, afgewezen.

3. Procesverloop

3.1. Bij brieven d.d. 30 januari 2003, 2 februari 2003 en 26 maart 2003 heeft [verzoeker] zich tot de arrondissementsrechtbank van Roermond gewend. De in die brieven opgenomen verzoeken houden in dat aan de Stichting wordt bevolen op grond van artikel 46 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) uit haar bestand te verwijderen en te vernietigen:

1. de zogenaamde zwartboeken (de bijlagen bij de brief van 2 november 2002 van de afdeling neurologie aan de Stichting en de bijlagen bij de brief van de afdeling KNF van 4 november 2002 aan de Stichting) (brief d.d. 30 januari 2003);

2. de informatie verstrekt aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (brief d.d. 2 februari 2003);

3. het rapport van [betrokkene 1] 'Groningen, februari 2003' met bijlagen (brief d.d. 26 maart 2003).

Daarnaast heeft [verzoeker] aan de rechtbank verzocht de Stichting te bevelen dat zij de Inspectie voor de Gezondheidszorg laat weten dat de verstrekte informatie niet mag worden gebruikt (brief d.d. 26 maart 2003).

3.2. Bij beschikkingen van 6 augustus 2003 heeft de rechtbank de verzoeken van [verzoeker] afgewezen, daartoe - kort gezegd - overwegende dat de door [verzoeker] bedoelde gegevens niet kunnen worden aangemerkt als te zijn opgenomen in een bestand als bedoeld in de Wbp, zodat die wet toepassing mist.

3.3. [Verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen genoemde beschikkingen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Hij heeft twee grieven voorgedragen met de strekking de zaken in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen.

3.4. Het hof heeft bij beschikking van 2 maart 2004 de beschikkingen van de rechtbank, onder aanvulling van gronden, bekrachtigd. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, overwogen:

'4.5. Onweersproken is dat de stichting van alle in haar ziekenhuis werkzame medisch specialisten, waaronder [verzoeker], een dossier bijhoudt, in welk dossier algemene gegevens worden opgenomen, zoals personalia, de toelatingsovereenkomst en - bijvoorbeeld - correspondentie met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden elders dan in het ziekenhuis. Onweersproken is dat deze dossiers bij elkaar in een dossierkast worden bewaard.

4.6. Het dossier "[verzoeker]" is een afzonderlijk dossier dat zich niet in voormelde dossierkast bevindt.

De kernvraag luidt of het opnemen in dit dossier van chronologisch geordende gegevens, die alle verband houden met de problemen rond het functioneren van [verzoeker] en bestaan uit correspondentie, verslagen van besprekingen, het rapport van [betrokkene 1] en de zogenaamde zwartboeken in de periode 5 december 2001 tot en met 18 februari 2003, verwerking van persoonsgegevens betreft die in een bestand zijn opgenomen of bestemd zijn om daarin te worden opgenomen (artikel 2, lid 1 Wbp).

De definitie van "bestand" in artikel 1 sub c Wbp luidt:

"Elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens (...) dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen".

4.7. Voorzover [verzoeker] heeft bedoeld te betogen dat het dossier "[verzoeker]" zelf een bestand is als bedoeld in artikel 1 sub c Wbp faalt dit betoog, nu dit dossier - anders dan [verzoeker] heeft gesteld - geen betrekking heeft op verschillende personen. Overigens kan het enkele feit dat het dossier "[verzoeker]" chronologisch is geordend niet tot de conclusie leiden dat sprake is van "een gestructureerd geheel van persoonsgegevens dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is".

4.8. [Verzoeker] heeft voorts betoogd dat het meerbedoelde dossier behoort tot de verzameling van de medisch specialisten als bedoeld in 4.5, althans bestemd is om daarin te worden opgenomen.

4.9. Evenals [verzoeker] is het hof van oordeel dat de bedoelde verzameling dossiers van de medisch specialisten, waaronder een - ander - dossier van [verzoeker] zelf, wel een bestand vormt als bedoeld in artikel 1 sub c Wbp.

Echter, het dossier "[verzoeker]" maakt noch feitelijk noch naar de aard van de inhoud deel uit van dat bestand of is bestemd om in dat bestand te worden opgenomen.

Niet alleen wordt het dossier "[verzoeker]" afzonderlijk bewaard en is het alleen voor [betrokkene 2] toegankelijk, ook bevat dit dossier geheel andere gegevens (over het functioneren van [verzoeker]) dan het bestand van dossiers van de medisch specialisten, welke dossiers slechts algemene gegevens bevatten zoals omschreven in 4.5. Gesteld noch gebleken is dat dit bestand gegevens bevat omtrent het functioneren van de medisch specialisten.

4.10. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het dossier "[verzoeker]" geen bestand is als bedoeld in artikel 1 sub c Wbp en voorts geen persoonsgegevens bevat die in het bestand van dossiers van de medisch specialisten zijn opgenomen of bestemd zijn om daarin te worden opgenomen (artikel 2 lid 1 Wbp). De Wet bescherming persoonsgegevens mist volgens het hof dan ook toepassing ten aanzien van het dossier "[verzoeker]".'

[...]

'4.12. Indien en voorzover [verzoeker] met het opwerpen van grief II beoogt in het kader van de onderhavige procedure zijn recht op bescherming van zijn persoonsgegevens geldend te maken, is het hof met de rechtbank van oordeel dat hij daarvoor een andere procedure dient te volgen.'

3.5. [Verzoeker] heeft tijdig(2) tegen 's hofs beschikking beroep in cassatie ingesteld. De Stichting heeft een verweerschrift ingediend.

4. Enige inleidende beschouwingen

4.1. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van 6 juli 2000(3) is de opvolger van de Wet Persoonsregistraties (WPR), die in 1989 in werking trad. Beide wetten strekken tot uitvoering van art. 10 lid 2 Grondwet ('De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens'). De nieuwe Wbp strekt mede tot uitvoering van de in 1995 totstandgekomen Richtlijn 95/46/EG(4) 'betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens'.

4.2. Zoals ook de WPR reeds deed, kent de Wbp aan natuurlijke personen een aantal in die wet omschreven rechten toe, van de aard als die welke [verzoeker] in deze procedure wenst in te roepen. En zoals ook de WPR reeds deed, heeft de Wbp daartoe een afzonderlijke rechtsgang geopend, een rechtsgang die [verzoeker] in deze zaak wenst te gebruiken. In de Wbp is die rechtsgang geregeld in art. 45 (voor uitoefening van die rechten tegen bestuursorganen, onder verwijzing naar de Awb) en in art. 46. Artikel 46 betreft de rechtsgang tegen niet-bestuursorganen, zoals in deze zaak aan de orde. Een van de bijzonderheden van deze rechtsgang is gelegen in art. 46 lid 4: 'De indiening van het verzoekschrift behoeft niet door een procureur te geschieden'. Van die faciliteit heeft [verzoeker] gebruik gemaakt.

4.3. Nu is aan iedere bijzondere rechtsgang eigen, dat het toepassingsgebied daarvan moet worden afgebakend.(5) Dat gebeurt in bepaalde opzichten in de aanhef van art. 46 lid 1 Wbp, dat via verwijzing naar een aantal artikelen een opsomming geeft van 'Wbp-rechten' die in deze bijzondere rechtsgang kunnen worden ingeroepen.

Prealabel voor toepasselijkheid van de bijzondere rechtsgang van art. 46 Wbp is intussen dat het gaat om rechten ten aanzien van verwerking van persoonsgegevens, waarop de Wbp als geheel van toepassing is. De Wbp omschrijft zijn toepassingsgebied in de artikelen 2-4, in verbinding met artikel 1 dat een aantal definities inhoudt. Het gaat in deze zaak met name om art. 2 lid 1 in verbinding met art. 1 sub c Wbp.

Art. 2 lid 1 Wbp bepaalt (cursivering van mij, A-G):

'Deze wet is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.'

In confesso is dat geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking in casu niet aan de orde is. Daarmee is aan de orde de uitleg van het begrip 'bestand'. Dat wordt in art. 1 onder c Wbp als volgt gedefinieerd (cursivering van mij, A-G):

'Elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen'.

4.4. Aan de orde is of het hof terecht, respectievelijk voldoende begrijpelijk gemotiveerd, heeft geoordeeld dat

(i) het dossier van de Stichting, genaamd '[verzoeker]', niet een bestand is in de zin van art. 1 sub c Wbp;

(ii) dit dossier niet deel uitmaakte van de verzameling (het bestand) van dossiers van de (alle) medische specialisten van de Stichting.

4.5. Aan de MvT bij art. 1 sub c Wbp ontleen ik de volgende, uitvoerige passage:(6)

'Het begrip "bestand" is in het onderhavige wetsvoorstel enkel van belang als criterium voor de afbakening van de reikwijdte van het wetsvoorstel en bepaalde onderdelen daarvan. Wat betreft de niet-geautomatiseerde verwerkingen vallen alleen bestanden, en dus bijvoorbeeld niet ongestructureerde dossiers onder het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel (artikel 2, eerste lid). Het wetsvoorstel beoogt in deze geen wijziging aan te brengen ten opzichte van hetgeen geldt onder de WPR. [...]

Een "bestand" kan zowel geautomatiseerde als niet-geautomatiseerde verwerkingen bevatten. Van een bestand is sprake als de persoonsgegevens onderdeel uitmaken van een gestructureerd geheel dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen. In overweging 27 van de richtlijn is aangegeven dat de nationale wetgeving een nadere invulling kan geven aan deze omschrijving.(7)

Op grond van artikel 1 van de WPR is voor de vraag of er sprake is van een persoonsregistratie van belang dat het gaat om een "samenhangende verzameling". Bij handmatige verwerkingen gaat het eveneens om de vraag of de verzameling "met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd". Beide vereisten - een samenhangend geheel en systematische toegankelijkheid - zijn eveneens bepalend voor de vraag of er sprake is van een bestand in de zin van het onderhavige artikel. In de begripsomschrijving van "bestand" hebben de vereisten echter een ruimer bereik: ook de geautomatiseerde gegevensverwerkingen moeten aan beide vereisten voldoen wil er sprake zijn van een bestand. Materieel leidt dit niet tot een wijziging ten opzichte van hetgeen onder de WPR geldt. Bij geautomatiseerde verwerkingen wordt de systematische toegankelijkheid in de WPR steeds aanwezig geacht. Wat handmatige verwerkingen betreft komt die reikwijdte van het begrip "bestand" overeen met die van het begrip "persoonsregistratie" in de WPR. Hieronder zal nader worden ingegaan op beide vereisten.

1. Een (gestructureerd) geheel

Het vereiste van een samenhangend geheel komt in de begripsomschrijving van "bestand" in artikel 1 van de WBP terug in het woord "geheel". Het vereiste "gestructureerd geheel" of "samenhangende verzameling" houdt in dat de gegevensverwerkingen of de verzameling op grond van meer dan één kenmerk een onderlinge samenhang moet(-en) vertonen. Onderlinge samenhang kan blijken uit een gemeenschappelijke bestemming of uit het feit dat de verzameling in de praktijk als geheel worden beschouwd. De samenhang kan zitten in een vooraf aangebrachte structuur van de verzameling of in een raadpleegmethodiek die samenhang brengt in de ogenschijnlijk willekeurige gegevensverwerkingen. Daarnaast zijn, vooral bij geïntegreerde systemen, het doel of de doelen van de verwerkingen en het feitelijk gebruik van de gegevens van belang voor het antwoord op de vraag of er sprake is van één of meerdere bestanden [...].

Het criterium "gestructureerd geheel" is eveneens van belang om vast te stellen of er sprake is van één of wellicht meerdere bestanden. Alsdan is niet zozeer de fysieke verschijningsvorm als wel de logische samenhang van de verzameling van belang. Dit brengt met zich dat back-ups en schaduwbestanden niet als een afzonderlijk bestand moeten worden aangemerkt maar zijn te beschouwen als hulpmiddelen bij het voeren van het bestand ten dienste waarvan zij zijn aangelegd. Een zelfde opmerking kan worden gemaakt ten aanzien van een geheel van handmatige bestanden die op verschillende lokaties worden bijgehouden. Een bestand dat zich bevindt op verschillende lokaties kan als één bestand worden aangemerkt indien de verschillende onderdelen van het bestand logisch als één geheel kunnen worden beschouwd.

2. Systematische toegankelijkheid

Het vereiste van een systematische toegankelijkheid komt in de begripsomschrijving van "bestand" in artikel 1 van de WBP terug in de woorden "gestructureerd" geheel "dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is". Het gaat hierbij vooral om de vraag of verzamelingen een duidelijke, vooraf met het oog op raadpleging aangebrachte structuur bezitten. De methode van gegevensopslag en -verwerking is van belang. De inhoud van het bestand moet met het oog op doeltreffende raadpleging volgens bepaalde criteria aangelegd zijn. Door de systematische structuur zijn de persoonsgegevens gemakkelijk toegankelijk. Kaartsystemen en gegevensverzamelingen die in hoofdzaak bestaan uit voorbedrukte formulieren voldoen aan deze eis. Dossierverzamelingen kunnen aan de eis van systematische toegankelijkheid voldoen, bijvoorbeeld in combinatie met een al dan niet geautomatiseerd bestand met een verwijsfunctie naar de dossiers. Dossierverzamelingen die uitsluitend bestaan uit een hoeveelheid op alfabet gerangschikte dossiers, met losse aantekeningen en min of meer chronologisch geordende documenten van velerlei aard, zullen niet voldoen aan het vereiste van systematische toegankelijkheid. De vraag of handmatige dossierverzamelingen aan deze criteria voldoen, is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden.

Naast bovenstaande vereisten dient tot slot - wil er sprake zijn van een bestand - het gestructureerd geheel van gegevens betrekking te hebben op verschillende personen. Deze voorwaarde werd ook in de WPR gesteld. Het advies van de Registratiekamer dit vereiste te schrappen wordt niet overgenomen. De reikwijdte van het begrip bestand met het oog op dossierverzamelingen is thans in de jurisprudentie(8) enigszins uitgekristalliseerd. Het is onwenselijk daarin nu weer wijziging te brengen.

Gegevens die op grond van de hierboven omschreven criteria niet worden geacht te zijn opgenomen in een bestand, vallen bijvoorbeeld onder de bescherming van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). [...]'

4.6. Hoewel deze passages niet in alle opzichten uitmunten door eenduidige, klare taal, blijkt wél de duidelijke wens van de regering om in ieder geval niet als bestanden in de zin van de Wbp aan te merken: (i) de 'dossierverzamelingen die uitsluitend bestaan uit een hoeveelheid op alfabet gerangschikte dossiers, met losse aantekeningen en min of meer chronologisch geordende documenten van velerlei aard', en (ii) dossiers, ook als zij een 'gestructureerd geheel van gegevens' zouden opleveren, die niet betrekking hebben op verschillende personen.

De regering heeft deze wensen bij het verdere verloop van de behandeling in de Tweede Kamer consequent en met klaarblijkelijk succes verdedigd, want er zijn - óók niet ten aanzien van het zo-even onder (ii) vermelde punt, waarbij de regering te kampen had met het door haar gemelde andersluidende advies van de Registratiekamer(9) - geen amendementen ten deze ingediend. Kritische vragen over deze door de regering gehuldigde wensen van de zijde van de PvdA en het CDA in het Verslag(10), kregen van de regering een ferm antwoord in de Nota naar aanleiding van het verslag(11), waarbij van het standpunt MvT geen duimbreed afgeweken werd. Niet anders zijn mijn bevindingen op basis van het Verslag van het wetgevingsoverleg van maart 1999(12), alsmede op basis van nadere brieven naar aanleiding van dat overleg van eerst de minister van justitie alleen(13) en vervolgens de ministers van justitie en voor grote steden- en integratiebeleid samen(14), en ten slotte de Lijst van vragen en antwoorden(15).

4.7. Zoals reeds vermeld, strekt de Wbp mede tot implementatie van Richtlijn 95/46/EG.

Art. 3 van de Richtlijn omschrijft de werkingssfeer. Het hier van belang zijnde lid 1 luidt:

'De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.'

Art. 3 lid 1 van de Richtlijn en art. 2 lid 1 Wbp zijn dus (zo goed als) identiek.

Art. 2 van de Richtlijn, dat definities omvat, bepaalt onder c wat verstaan wordt onder 'bestand van persoonsgegevens':

'c. "bestand van persoonsgegevens", hierna "bestand" te noemen, elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd dan wel gedecentraliseerd is of verspreid op een functioneel of geografisch bepaalde wijze'.

Deze omschrijving is vrijwel gelijk aan die van art. 1 sub c Wbp, maar de voorwaarde dat het gestructureerde geheel van persoonsgegevens 'betrekking heeft op verschillende personen' ontbreekt.

4.8. Richtlijnconsiderans 27 luidt evenwel, met cursiveringen mijnerzijds:

"(27) Overwegende dat de bescherming van personen zowel op automatische als op niet-automatische verwerking van toepassing is; dat de reikwijdte van deze bescherming in feite niet afhankelijk mag zijn van de gebruikte technieken, omdat zulks ernstig gevaar voor ontduiking zou opleveren; dat niettemin wat de niet- automatische verwerking betreft alleen bestanden en geen ongestructureerde dossiers onder de Richtlijn vallen; dat met name de inhoud van een bestand moet zijn gestructureerd volgens specifieke criteria met betrekking tot personen, welke criteria de persoonsgegevens gemakkelijk toegankelijk maken; dat overeenkomstig de definitie in art. 2, onder c), de verschillende criteria waarmee de elementen van een gestructureerd geheel van persoonsgegevens en de verschillende criteria die de toegang tot dit geheel van gegevens regelen door de Lid-Staten zelf kunnen worden bepaald; dat dossiers of een verzameling dossiers, evenals de omslagen ervan, die niet volgens specifieke criteria gestructureerd zijn in geen geval onder de toepassingsfeer van de onderhavige Richtlijn vallen;".

De woorden 'de verschillende criteria waarmee de elementen van een gestructureerd geheel van persoonsgegevens' (die door de Lid-Staten zelf kunnen worden bepaald) zijn niet helder. Er moet sprake zijn van een weggevallen woord of een vertaalfout. De Engelse tekst is duidelijker (mijn cursiveringen):

'(27) Whereas the protection of individuals must apply as much to automatic processing of data as to manual processing; whereas the scope of this protection must not in effect depend on the techniques used, otherwise this would create a serious risk of circumvention; whereas, nonetheless, as regards manual processing, this Directive covers only filing systems, not unstructured files; whereas, in particular, the content of a filing system must be structured according to specific criteria relating to individuals allowing easy access to the personal data; whereas, in line with the definition in Article 2 (c), the different criteria for determining the constituents of a structured set of personal data, and the different criteria governing access to such a set, may be laid down by each Member State; whereas files or sets of files as well as their cover pages, which are not structured according to specific criteria, shall under no circumstances fall within the scope of this Directive;'.

Uit de Engelstalige verheldering blijkt dat, wat de niet-automatische verwerking betreft, aan de bevoegdheid van de lidstaten is overgelaten de regeling van de verschillende criteria die de elementen van een gestructureerd geheel van persoonsgegevens bepalen. Dat brengt weer mede dat de niet met zo veel woorden in art. 2 sub c van de Richtlijn, maar wel in art. 1 sub c Wbp voorkomende voorwaarde dat een onder die wet vallend gestructureerd geheel van persoonsgegevens 'betrekking heeft op verschillende personen', inderdaad(16) met de Richtlijn in overeenstemming is.

Uit Richtlijnconsiderans 27 blijkt voorts dat hetgeen in de MvT bij de Wbp is gezegd over de uitsluiting van niet volgens specifieke criteria gestructureerde dossiers en dossierverzamelingen eveneens richtlijnconform is, zo niet door de Richtlijn is voorgeschreven.

4.9. Zoals hierboven in nr. 4.5 (in fine) bleek, beriep de regering zich bij haar opvatting dat 'wil er sprake zijn van een bestand - het gestructureerd geheel van gegevens betrekking [dient] te hebben op verschillende personen', zich mede op toen (begin 1998) enigszins uitgekristalliseerde jurisprudentie, toen over het begrip 'persoonsregistratie' in art. 1 WPR. De regering vond het onwenselijk daarin nu weer wijziging te brengen.

Hoewel eigenlijk overbodig, omdat de voorwaarde dat een bestand 'betrekking heeft op verschillende personen' in de wet zelf is neergelegd, vermeld ik in een voetnoot een arrest van de strafkamer van de Hoge Raad, dat inderdaad aan de opvatting van de regering steun geeft, en enige verdere jurisprudentieverwijzingen.(17)

5. Bespreking van het cassatiemiddel

5.1. Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen.

5.2. Onderdeel I komt op tegen de hierboven weergegeven rechtsoverweging 4.5 van de beschikking, waarin het hof, kort gezegd, heeft overwogen dat onweersproken is dat in de door de Stichting van de medisch specialisten bijgehouden dossiers alleen algemene gegevens zijn opgenomen en dat onweersproken is dat deze dossiers bij elkaar in een dossierkast worden bewaard.

5.3. De klacht (onderaan p. 3, overlopend naar p. 4 van het verzoekschrift) luidt dat het hof met zijn oordeel dat in de dossiers van de medische specialisten alleen algemene gegevens zijn opgenomen, de stellingen van [verzoeker] wezenlijk heeft miskend en zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Betoogd wordt dat de Stichting in feitelijke instanties niet aannemelijk heeft gemaakt dat de van de medisch specialisten bijgehouden dossiers alleen algemene gegevens zouden bevatten. Daarin zouden over (vele) andere specialisten (veel) meer gegevens voorkomen, zoals die ook in het dossier '[verzoeker]' voorkomen.

Het onderdeel verwijst daartoe, zowel op blz. 3 als op blz. 4-6 van het verzoekschrift in cassatie, naar stellingen waarvan - zonder vermelding van vindplaatsen - gezegd wordt dat [verzoeker] die in eerdere instanties naar voren zou hebben gebracht(18), respectievelijk waarvan in het geheel niet wordt aangegeven of die door [verzoeker] in eerdere instanties naar voren zijn gebracht.

5.4. M.i. heeft [verzoeker] bij dit onderdeel geen belang. Ook als de klacht op zichzelf zou slagen, is daarmee niet van tafel 's hofs oordeel in rov. 4.9 dat het afzonderlijke dossier '[verzoeker]' niet behoort tot de in rov. 4.5 bedoelde verzameling van dossiers (waaronder een ander dossier over [verzoeker]), en dus niet tot de verzameling dossiers waarvan het hof (in rov. 4.9) oordeelt dat die wél een bestand vormt als bedoeld in art. 1 sub c Wbp.

5.5. Als [verzoeker] bij het onderdeel toch belang heeft, faalt het onderdeel niettemin: hetzij omdat er bij deze stellingen sprake is van een ontoelaatbaar novum in cassatie, hetzij omdat het onderdeel niet voldoet aan de daaraan ingevolge art. 426a lid 2 in verbinding met art. 407 lid 2 Rv. te stellen eisen.(19)

5.6. Onderdeel II richt zich tegen de hiervoor weergegeven rechtsoverweging 4.6 waarin het hof heeft overwogen dat het dossier '[verzoeker]' een afzonderlijk dossier zou zijn, dat zich niet in voormelde dossierkast zou bevinden.

5.7. Dit oordeel is volgens het onderdeel onvoldoende inzichtelijk en onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het steunt volgens het onderdeel uitsluitend op de eerdergenoemde opmerking van de directeur van de Stichting 'dat het dossier [verzoeker] alleen voor hem toegankelijk was', terwijl deze opmerking aantoonbaar onjuist is volgens het onderdeel, onder andere omdat het dossier aan verschillende instanties en personen is overgelegd.

Het onderdeel verwijst daarbij naar het beroepschrift, evenwel zonder daarbij bepaalde vindplaatsen te noemen.

5.8. Ook dit onderdeel faalt. Het onderdeel miskent dat uit het feit van latere toezending of overhandiging of overlegging van een dossier aan derden, of het aan derden inzage geven daarin, geen gevolgtrekkingen kunnen worden gemaakt voor de vraag óf een dossier onder de Wbp valt.

Men moet niet in een cirkel terechtkomen. Het systeem van de Wbp is nu juist, dat in het geval dat een document of dossier op grond van art. 2 in verbinding met art. 1 sub c niét onder de Wbp valt, de Wbp daarop niet van toepassing is, en dat de betrokken persoon door hem als ongeoorloofd ervaren handelingen met betrekking tot dat dossier niet op grond van de Wbp kan bestrijden. De omstandigheid dat het gaat om handelingen die men vanuit privacy-oogpunt zou willen en misschien zou kunnen bestrijden, kan niet omgekeerd tot toepasselijkheid van de Wbp leiden.

Dat laat onverlet eventuele op andere rechtsgrondslagen gebaseerde bezwaren, in een 'gewone' procedure: maar niet die van art. 45 of 46 Wbp. De achterliggende gedachte van de wetgever is uiteraard dat bij de wettelijke toekenning van enerzijds meer procedurele faciliteiten dan die volgens het gewone procesrecht, en anderzijds ook potentieel meer materieelrechtelijke aanspraken, voorzichtigheid geboden is.

5.9. Onderdeel III richt zich tegen 's hofs oordeel in rov. 4.7 (tweede volzin) dat het enkele feit dat het dossier '[verzoeker]' chronologisch is geordend, niet tot de conclusie kan leiden dat sprake is van een gestructureerd geheel van persoonsgegevens dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is. Het onderdeel betoogt dat het hof met deze overweging wederom wezenlijke stellingen, zoals deze door [verzoeker] in de feitelijke instanties zijn aangevoerd, zonder voldoende begrijpelijke motivering heeft miskend.

5.10. 's Hofs oordeel dat het enkele feit dat het dossier '[verzoeker]' chronologisch is geordend, niet tot de conclusie kan leiden dat sprake is van 'een gestructureerd geheel van persoonsgegevens dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is' in de zin van art. 1 sub c Wbp, is juist. Ik verwijs naar hetgeen ik hiervoor onder 4.3-4.9 heb geschreven.

Het onderdeel, dat tegen 's hofs hier bestreden oordeel geen rechtsklacht aanvoert, miskent dat een rechtsoordeel niet met motiveringsklachten kan worden bestreden. Terzijde merk ik op dat de motiveringsklachten, blijkens de toelichting, voortbouwen op de onderdelen I en II, waarvan ik al aangaf dat die m.i. ook niet tot cassatie kunnen leiden.

5.11. In onderdeel IV wordt met rechts- en motiveringsklachten opgekomen tegen 's hofs rov. 4.9. Het hof overwoog daar, kort gezegd, dat het dossier '[verzoeker]' noch feitelijk (omdat het bestand afzonderlijk wordt bewaard en alleen voor de directeur van de Stichting toegankelijk is), noch naar de aard van de inhoud (het bevat andere gegevens) deel uitmaakt van het bestand van de verzameling van dossiers van de (alle) medisch specialisten of bestemd is om daarin te worden opgenomen.

5.12. Het onderdeel klaagt dat het hof met de overweging dat de omstandigheid dat het dossier [verzoeker](20) afzonderlijk bewaard wordt van de verzameling dossiers van de medisch specialisten, met zich mee zou brengen dat dit dossier hiervan geen deel zou uitmaken, art. 1 sub c in verbinding met art. 2 lid 1 van de Wbp zou hebben geschonden.

Verder lees ik in het onderdeel de klacht dat het hof in de bestreden overweging belang heeft gehecht aan het feit dat het dossier '[verzoeker]' alleen toegankelijk is voor de directeur van de Stichting.

De rechtsklachten van het onderdeel behelzen dat het hof bij de beoordeling van de vraag of het dossier '[verzoeker]' onderdeel is van het 'bestand', bestaande uit 'de verzameling dossiers van medisch specialisten' van de Stichting, is uitgegaan van onjuiste criteria.

5.13. Het onderdeel berust op onjuiste lezing van de beschikking, en mist daarom feitelijke grondslag.

Onmiskenbaar onderscheidt het hof in rov. 4.9 (en elders in de beschikking) twee verschillende dossiers die op [verzoeker] betrekking hebben, en wel:

(i) het niet voor niets in 's hofs beschikking (en in deze conclusie) tussen aanhalingstekens geplaatste (uitvoerige) dossier(21) '[verzoeker]' en

(ii) een op [verzoeker] betrekking hebbend (beperkt) dossier deel uitmakend van de (algemene) in rov. 4.9 bedoelde verzameling (beperkte) dossiers van de medische specialisten, van welke dossierverzameling het hof oordeelde dat die wél een bestand vormt als bedoeld in art. 1 sub c Wbp.

5.14. Welnu, zóu het hof ten aanzien van het onder (ii) bedoelde dossier geoordeeld hebben zoals het in rov. 4.9 heeft geoordeeld, dán zou het onderdeel slagen waar het klaagt over - kort gezegd - de afzonderlijke bewaarplaats, en de sterk geclausuleerde toegang, als argumenten om dat dossier niet te rekenen tot de als 'bestand' beschouwde verzameling van de dossiers van de medische specialisten. Het behoeft vanzelfsprekend geen nader betoog dat een onder de Wbp vallend dossier, als onderdeel van een onder de Wbp vallend bestand, niet vervolgens daaraan onttrokken kan worden door de relatief eenvoudige maatregel om dat dossier op een andere plaats op te bergen, of de toegang ertoe nader te beperken.

5.15. Maar, zoals gezegd, het hof onderscheidt het dossier '[verzoeker]' nu juist als een dossier van een andere soort of categorie. Dat het op een andere plaats bewaard wordt en alleen voor de directeur van de Stichting toegankelijk is, zijn daarbij geen dragende, doch hoogstens ondersteunende argumenten. Het dragende argument is dat het dossier 'geheel andere gegevens (over het functioneren van [verzoeker])' bevat. Zoals gezegd stuiten hierop de rechtsklachten, wegens verkeerde lezing van het de beschikking, af.

5.16. Ook de motiveringsklachten falen. 's Hofs oordeel ten deze is - om te beginnen - verre van onbegrijpelijk nu het goed voorstelbaar is dat er, naast de persoonsgegevens omtrent een persoon in een of meer bestaande bestanden (in de zin van de Wbp), onder specifieke - niet reguliere - omstandigheden aanleiding kan zijn tot het aanleggen van een afzonderlijk dossier met betrekking tot die persoon.

5.17. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd dat het dossier '[verzoeker]' geheel andere gegevens bevat dan het bestand van dossiers van medisch specialisten (met alleen algemene gegevens, waarbij het hof verwees naar rov. 4.5), bouwt het voort op onderdeel I en deelt het het lot daarvan.

5.18. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof niet zou zijn ingegaan op de stellingen van [verzoeker] in het appelschrift aangevoerd dat het dossier '[verzoeker]' onderdeel uitmaakte van het bestand van de Stichting, bestaande uit de personeelsadministratie, doch in ieder geval van de dossiers van alle bij de Stichting werkzame medisch specialisten, mist het feitelijke grondslag: het hof is daar nu juist wel op ingegaan (zie hierboven nrs. 5.13-5.15). Voor zover het onderdeel zou verwijzen naar afzonderlijke stellingen met betrekking tot deel uitmaken van het 'dossier [verzoeker]' van een 'personeelsadministratie' buiten het bestand bestaande in de verzameling van de dossiers van de medische specialisten, voldoet het met de loutere ongespecificeerde verwijzing naar het beroepschrift niet aan de eisen van artikel 426a lid 2 Rv.

5.19. De laatste klacht van onderdeel IV betoogt dat het hof het bewijs van de stelling dat de dossiers uit het bestand van specialisten slechts algemene gegevens bevatten, aan de Stichting had moeten opdragen.

De klacht bouwt voort op onderdeel I, waaromtrent ik in nr. 5.5 heb moeten opmerken, dat hierbij hetzij sprake is van een ontoelaatbaar novum in cassatie, hetzij van niet-voldoening aan de ingevolge art. 426a lid 2 in verbinding met art. 407 lid 2 Rv. aan een middel te stellen eisen. Deze klacht deelt dan ook het lot van onderdeel I.

5.20. Onderdeel V richt zich tegen rechtsoverweging 4.12. Het onderdeel bouwt geheel voort op de voorafgaande onderdelen en deelt het lot daarvan.

6. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 4.1 van de bestreden beschikking.

2 Het rekest is ter griffie van de Hoge Raad ontvangen op 28 mei 2004.

3 Stb. 302, zoals nadien gewijzigd, laatstelijk bij de wet van 30 juni 2004, Stb. 2004, 315.

4 PbEG L281/31.

5 Vgl. bijv. ook art. 6 Handelsnaamwet over het toepassingsgebied van de daar bedoelde bijzondere procedure, die openstaat bij het voeren van een handelsnaam 'in strijd met deze wet'.

6 Kamerstukken II 1997-1998, 25 892, nr. 3, pp. 53-55. (De MvT bij het 83 artikelen tellend ontwerp besloeg 200 pagina's, waarover bij de parlementaire behandeling gemopperd is).

7 Zie nader in par. 4.7-4.8, toevoeging A-G.

8 Zie nader in par. 4.9, toevoeging A-G.

9 De Registratiekamer is de voorganger van het huidige College bescherming persoonsgegevens (art. 51 Wbp).

10 Kamerstukken II 1997-1998, 25 892, nr. 5, pp. 16-17.

11 Kamerstukken II 1998-1999, 25 892, nr. 6, pp. 28-29.

12 Kamerstukken II 1998-1999, 25 892, nr. 8, p. 12, m.k. (mevrouw Wagenaar, PvdA), p. 13 r.k. en p. 14 l.k. (minister Korthals en de ministeriële ambtenaar Patijn).

13 Kamerstukken II 1998-1999, 25 892, nr. 9, p. 2 (tweede volle alinea).

14 Kamerstukken II 1998-1999, 25 892, nr. 11, p. 3, onder 2, tweede alinea.

15 Kamerstukken II 1998-1999, 25 892, nr. 13, pp. 2-3 (onder 2).

16 Eerder, onder 4.5, citeerde ik een passage uit de MvT (p. 53 aldaar), waarin dit door de regering gesteld was.

17 HR (strafkamer) 15 maart 1994, NJ 1994, 745 m.nt. Sch ('Tapjournalen', over het met het begrip persoonsregistratie in de WPR overeenkomende begrip politieregister), rov. 5.5-5.6:

'5.5. In het onderhavige geval heeft het Hof vastgesteld dat de tapjournalen zijn te beschouwen als de schriftelijke weerslag van via een bepaald telefoonnummer gevoerde telefoongesprekken en slechts de chronologische vastlegging daarvan bevatten. Dit feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk.

5.6. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat tapjournalen als evenbedoeld niet opleveren "een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens." Daaraan doet naar 's Hofs oordeel niet af dat het tapmateriaal wel gegevens kan bevatten die zich lenen voor systematische ordening, noch dat in de tapverslagen versneld kan worden gezocht via de ingangen tijd, datum, gespreksnummer en telefoonnummer, aangezien die ingangen niet op het aantreffen van persoonsgegevens zijn gericht. Deze oordelen zijn juist.'

Vgl. - vóór de inwerkingtreding van de Wbp - nog de conclusie van A-G Koopmans voor HR 15 april 1994, NJ 1994, 608 m.nt. WH-S (Valkenhorst), onder 24; en Afd. Rechtspraak RvS 7 januari 1992, nr. K02.91.0654, NJB-katern 1992, blz. 155, (Informatie uit strafdossiers aan KNVB), waarin is geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis bij art. 1 WPR (MvT w.v. 19 095, nr. 3, p. 17) naar voren komt dat enkelvoudige dossiers en dossierverzamelingen die alleen alfabetisch lexicografisch toegankelijk zijn gemaakt niet als persoonsregistratie in de zin van de WPR kunnen worden aangemerkt.

Zie omtrent het begrip persoonsregistratie in de WPR voorts G. Overkleeft-Verburg, De Wet persoonsregistraties, 1995, pp. 620-639.

Vgl. ook - na de inwerkingtreding van de Wbp -: HR (strafkamer) 24 oktober 2000, NJ 2001, 33 ('Belastingdossier'), rov. 4.5-4.6.

Zie voor enige verdere rechtspraak J.M.A. Berkvens e.a. (red.), Wet bescherming persoonsgegevens, leidraad voor de praktijk, Art. 1, Jurisprudentie, aant. 2.3.

18 Ervan uitgaande dat een zodanige stelling bij het hof naar voren ís gebracht, volgt uit de omstandigheid dat de directeur van de Stichting ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hof op 27 januari 2004 heeft gesteld dat zich in de dossiers over de medisch specialisten ook correspondentie tussen de Stichting en de medisch specialisten bevonden, nog niet, zoals het onderdeel betoogt, dat deze correspondentie ook betrekking heeft op het functioneren van de specialisten.

19 Vgl. bijv. HR 11 januari 2002, nr. C00/101, NJ 2002, 82 (Gen. Accident/Bergen), rov. 3.3.2, laatste alinea en rov. 3.4.

20 Cursivering, evenals de volgende twee cursiveringen in dit nr. van mij, A-G.

21 Deel uitmakend van de voor de Hoge Raad kenbare processtukken: zie prod. 3 bij MvA