Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS8523

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-03-2005
Datum publicatie
18-03-2005
Zaaknummer
C04/071HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS8523
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

18 maart 2005 Eerste Kamer Nr. C04/071HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli, t e g e n ROYAL NEDERLAND SCHADEVEREKERING N.V., gevestigd te Rotterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. J. Wuisman. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 168
JWB 2005/115
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr C04/071HR

mr J. Spier

Zitting 24 december 2004

Conclusie inzake

[eiser]

tegen

Royal Nederland Schadeverzekering N.V.

(hierna: Royal)

1. Feiten

1.1 In deze zaak heeft het Hof 's-Gravenhage in rov. 3 van zijn in cassatie bestreden arrest de navolgende feiten vastgesteld.

1.2 Artikel 1 van de toepasselijke Voorwaarden van Beroepsaansprakelijkheidsverzekering luidt:

"De verzekering verleent dekking voor aanspraken ingesteld tegen een verzekerde voor schade toegebracht aan kliënten of derden binnen Nederland door vergissingen, verzuim, nalatigheid, onachtzaamheid, onjuiste adviezen of dergelijke fouten (...) gemaakt bij werkzaamheden die een verzekerde verricht of heeft doen verrichten in zijn in het polisblad genoemde hoedanigheid. (...)"

1.3 Uit het polisaanhangsel van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering blijkt dat de verzekerde hoedanigheid van [eiser] is belastingconsulent. Op dit aanhangsel staat voorts vermeld:

"De omvang van de bovengenoemde hoedanigheid wordt bepaald door hetgeen behoort tot de werkzaamheden die gerekend kunnen worden tot de gewone praktijk van een in Nederland gevestigd Belastingconsulent-/adviseur."

1.4 De brief van [B] Assurantiën van 13 januari 1989 houdt onder meer in:

"Naar aanleiding van het door u ingevulde vragenformulier voor bovengenoemde verzekering, zenden wij u bijgaand een polisaanhangsel.

Wij wijzen u er nog op dat de aansprakelijkheid voortvloeiende uit het geven van organisatie-adviezen op onze beroepsaansprakelijkheidspolis niet is meegedekt."

1.5 De brief van fiscaal adviesburo [C] van 28 juli 1998 houdt onder meer in:

"Het bedrijf van [betrokkene 1] zijn we vanaf 1995 toen hij klant bij ons werd aan het reorganiseren. Zijn bedrijf was in betalingsmoeilijkheden gekomen doordat een debiteur een bedrag van ± f 350.00000 niet voldeed. (...)

Wij hebben met nagenoeg alle crediteuren of een betalingsregeling getroffen of een afkoopsom. Als eis stellen wij dan dat het bedrijf onder curatele staat van ons hetgeen onder andere inhoudt dat wij alle betalingen doen. Wij zijn hiervoor gemachtigd bij de bank. Door de slechte liquiditeitspositie is het ziektewetrisico niet afgedekt geweest. Met [betrokkene 1] zijn wij overeengekomen toen de liquiditeitspositie medio 1997 beter werd om de verzekeringsportefeuille door te laten lichten door [betrokkene 2] van [A] assurantieadviseurs met als doel alle verzekeringen te wijzigen c.q. in te laten gaan per 1 januari 1998.

Al op 20 februari 1997 heeft [betrokkene 2] een analyse gemaakt waarna er een bespreking is geweest op 12 maart 1997. Daarna is er overleg geweest met [betrokkene 1] waarin werd afgesproken om een ziektewetverzekering voor het personeel in te laten gaan per 1 januari 1998. (...)"

2. Procesverloop

2.1 Bij exploit van 30 juni 2000 heeft [eiser] Royal gedagvaard voor de Rechtbank Rotterdam. Hij heeft gevorderd voor recht te verklaren dat de onder 1.2 genoemde beroepsaansprakelijkheidsverzekering dekking verleent ter zake van een vordering jegens hem van [betrokkene 1]. Deze laatste is hierop gestoeld dat [eiser] tekort zou zijn geschoten in de uitvoering van een "opdracht (....) ervoor zorg te dragen dat via [A] Assurantiën (...) per 1 januari 1998 een ziektewetverzekering voor [betrokkene 1] zou worden afgesloten." Ter ondersteuning van zijn betoog beroept [eiser] zich op een bij cve als prod. 5 in geding gebrachte brief van het Nederlands College van Belastingadviseurs.

2.1.2 Bij cvr heeft [eiser] nog aangedragen dat het in casu gaat om administratieve dienstverlening "die duidelijke raakvlakken [heeft] met het gewone werk van een belastingadviseur" (onder 12).

2.2 Royal heeft - voor zover thans van belang - betwist dat sprake is van dekking onder de polis. Immers gaat het in casu (hooguit) om organisatieadvies (als interim-manager) dan wel assurantiebemiddeling.

2.3 Bij vonnis van 21 juni 2001 heeft de Rechtbank de vordering afgewezen omdat de litigieuze polis in casu geen dekking biedt. [Eiser] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld; Royal heeft het appèl bestreden en op haar beurt incidenteel geappelleerd. Aan beoordeling van het incidentele appèl is het Hof niet toegekomen (rov. 7).

2.4 Bij arrest van 4 november 2003 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het Hof overwogen:

"5.1. Partijen twisten over de vraag of een mogelijke aansprakelijkheid van [eiser] jegens [betrokkene 1] op grond van een mogelijke fout/tekortkoming van [eiser] bij het (doen) afsluiten van een ziekengeldverzekering voor [betrokkene 1] is gedekt onder de door [eiser] bij Royal afgesloten beroepsaansprakeljkheidsverzekering. Het hof stelt voorop dat het hier gaat om uitleg van de polisvoorwaarden, waarbij gelet moet worden op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de polisvoorwaarden mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.2. Naar het oordeel van het hof is bij voormelde uitleg tevens de brief van 13 januari 1989 van belang, waarbij het polisaanhangsel voor de beroepsaansprakelijkheidsverzekering aan [eiser] is toegezonden. In deze brief is er uitdrukkelijk op gewezen dat de aansprakelijkheid voortvloeiende uit het geven van organisatieadviezen niet onder de dekking valt.

Gelet op bovenstaande is het hof van oordeel dat een redelijke uitleg van de polisvoorwaarden meebrengt dat onder de dekking van de verzekering slechts de reguliere werkzaamheden van [eiser] als belastingconsulent vielen en niet de werkzaamheden (al dan niet van fiscale aard) die [eiser] verrichtte in het kader van het geven van organisatie-adviezen. Deze uitleg mochten partijen redelijkerwijs aan de polisvoorwaarden toekennen.

5.3. Uit de onder 3.4 weergegeven inhoud van de brief van [eiser] blijkt dat hij zich vanaf 1995 bezig hield met de reorganisatie van het bedrijf van [betrokkene 1]. In het kader daarvan is [eiser] met [betrokkene 1] overeengekomen om de verzekeringsportefeuille door te laten lichten, hetgeen heeft geresulteerd in het afsluiten van een ziekengeldverzekering. In dit verband is door Royal (...) gemotiveerd betoogd dat de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden in verband met het afsluiten van de ziekengeldverzekering, zo er al sprake is van assurantiebemiddeling, in ieder geval moeten worden beschouwd als organisatieadvies. Dit laatste is door [eiser] niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande hebben naar het oordeel van het hof de werkzaamheden in verband met het afsluiten van de ziekengeldverzekering plaatsgehad in het kader van een door [eiser] aan [betrokkene 1] gegeven organisatie-advies, zodat geconcludeerd moet worden dat in dit geval sprake is van een (mogelijke) aansprakelijkheid van [eiser] die voortvloeit uit een organisatieadvies, hetgeen - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - niet is meegedekt op de onderhavige beroepsaansprakelijkheidsverzekering. De vordering van [eiser] dient dan ook reeds om die reden te worden afgewezen. (...)

5.4. Het vorenstaande brengt mee dat het hof niet toekomt aan de vraag of de door [eiser] verrichte werkzaamheden in zijn algemeenheid gerekend kunnen worden tot de gewone praktijk van een in Nederland gevestigd Belastingconsulent-/adviseur. Het hof gaat om die reden dan ook voorbij aan het door [eiser] gedane bewijsaanbod als zijnde niet relevant."

2.5 [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Dat is door Royal weersproken.

3. Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1 Het eerste middel behelst een motiveringsklacht. Het Hof wordt daarin verweten in rov. 5.3 uit te gaan van de "absorptietheorie": al hetgeen [eiser] tijdens de reorganisatie deed, zou moeten worden beschouwd als "organisatieadvies".

3.2 De klacht mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft zich - terecht - niet gebogen over de vraag of "al hetgeen" in bedoeld kader werd verricht, gold als organisatieadvies. Het Hof heeft zich - wederom terecht - beperkt tot de kwestie van - in 's Hofs bewoordingen - de ziekengeldverzekering.

3.3 Voorts wordt 's Hofs oordeel dat [eiser] deze "absorptie" niet voldoende zou hebben bestreden gelaakt. In dat verband noemt hij een vindplaats in de mvg en in de mva incidenteel.

3.4 Voor zover Uw Raad - in het licht van hetgeen onder 3.2 werd gesignaleerd - al aan deze klacht toekomt, komt het m.i. alleen aan op hetgeen in de mvg is aangevoerd. Immers is het Hof niet toegekomen aan het incidenteel appèl zodat het Hof daarin betrokken stellingen begrijpelijkerwijs niet in zijn oordeel heeft betrokken.

3.5 M.i. voldoet deze klacht niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Immers wordt - ondanks de vermelding van een vindplaats in de stukken - niet aangegeven op welke stellingen nauwkeurig wordt gedoeld. Nog minder komt uit de verf waarom deze stellingen een adequate bestrijding van de door het Hof (volgens [eiser]) aangehangen "absorptietheorie" in zouden houden.

3.6 In dit verband verdient nog opmerking dat het middel niet - op een wijze die voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. - bestrijdt dat er een verband bestond tussen de litigieuze werkzaamheden en de (re)organisatiewerkzaamheden waarvan het Hof in rov. 3.4 - op basis van een brief van [eiser] - is uitgegaan.

3.7 Voor het overige kan ik slechts - met instemming - verwijzen naar hetgeen mr Wuisman onder 4 in zijn s.t. heeft aangevoerd.

3.8.1 Volgens het tweede middel heeft het Hof nagelaten aan te geven "hoe en waaraan men activiteiten herkent welke behoren tot de normale uitoefening van het beroep van een belastingconsulent/-adviseur die lid is van het Nederlands College van Belastingadviseurs en die geen lid is van andere verenigingen op dat gebied."

3.8.2 Ook overigens zou 's Hofs motivering tekort schieten; immers wordt niet aangegeven waarom "begeleiding naar een (...) ziekengeldverzekering, op inhoudelijke gronden niet [zou] behoren tot datgene wat een NC-adviseur pleegt te doen." Kennelijk in dit verband wordt nog opgemerkt dat het Hof de "mening van een insider als het NCB marginaal [had] kunnen toetsen".

3.8.3 Naar ik begrijp wordt ten slotte geklaagd over het passeren van het aanbod om deskundigenbewijs te leveren.

3.9 Al deze klachten stuiten reeds hierop af dat zij 's Hofs gedachtegang miskennen. Voor het Hof is niet beslissend welke werkzaamheden een belastingadviseur in het algemeen verricht (aldus expliciet rov. 5.4). Beslissend is wél welke betekenis partijen redelijkerwijs mochten toekennen aan de polisvoorwaarden (rov. 5.2). Het Hof overweegt vervolgens dat en waarom partijen er redelijkerwijs niet van uit konden gaan dat organisatieadviezen en hetgeen daarmee verband hield onder de dekking vielen.

3.10 Gezien dit uitgangspunt is, eenmaal aangenomen dat sprake was van werkzaamheden die verband hielden met een (re)organisatie-advies, volstrekt begrijpelijk dat het Hof tot de slotsom is gekomen dat in casu geen dekking bestaat.

3.11 Ook overigens faalt het middel. Immers was het Hof niet gehouden om zich te begeven in de onder 3.8.1 genoemde vraag nu het immers slechts aankwam op beoordeling van de onderhavige kwestie. Deze wordt nu eenmaal - naar niet wordt bestreden - mede bepaald door de onder 1.4 genoemde brief (rov. 5.2).(1)

3.12 Bij deze stand van zaken kan ook de onder 3.8.2 weergegeven klacht [eiser] niet baten. Ten overvloede: niet aanstonds duidelijk is wat de relevantie is van de - door het Hof niet vastgestelde - omstandigheid dat [eiser] lid was van NCB en niet van andere beroepsverenigingen.(2)

3.13 De onder 3.8.3 vermelde klacht ziet eraan voorbij dat de rechter, volgens vaste rechtspraak, vrij is al dan niet een deskundigenbericht in te winnen.

3.14 Middel 3 behelst, als ik het goed zie, geen afzonderlijke klacht. Het faalt daarom eveneens.

3.15 Voor zover in de s.t. van mr Carli - met name onder 8b en c - nog een of meer afzonderlijke klachten worden geformuleerd, moeten deze blijven rusten omdat ze in het middel niet zijn te lezen.

3.16 Mr Carli heeft zich nog begeven in een reeks vergelijkingen die naar zijn mening het door [eiser] verdedigde standpunt steunen. [Eiser] kan daarbij m.i. geen garen spinnen. Of een WA-dekking in de door mr Carli ten tonele gevoerde gevallen bestaat, hangt uiteraard in de eerste plaats af van de formulering van de desbetreffende polisvoorwaarden en hetgeen partijen anderszins zijn overeengekomen. Zonder daarop zicht te hebben, is een antwoord op de dekkingsvraag moeilijk te geven. A prima vista lijkt mij evenwel niet goed verdedigbaar dat de tuinman die behulpzaam is bij het opslaan van zware wekflessen (onder 7a), of de loodgieter die op een ziek kind past (onder 7b) werkzaam is binnen de werkzaamheden die een doorsnee beroepsaansprakelijkheidsverzekering zal dekken.

3.17 Ook de rechtspraak waarop in de s.t. van mr Carli onder 5a e.v. beroep wordt gedaan, kan [eiser] niet baten.

3.18 HR 2 december 1977, NJ 1978, 504 niet omdat de daarin beslechte kwestie een andere was en in het arrest geen inhoudelijke regel wordt geformuleerd die in casu van belang kan zijn.

3.19 In HR 14 oktober 1983, NJ 1984, 47 is geen verzekeringsrechtelijke kwestie aan de orde.

3.20 HR 19 april 1996, NJ 1996, 727 WMK en HR 10 januari 2003, NJ 2003, 196 PvS zien op de persoonlijke aansprakelijkheid van de curator; deze arresten zijn daarom in casu zonder belang. Het laatste arrest ziet mede op aansprakelijkheid op de voet van art. 6:170 of 6:171 BW. Ook dat is een geheel andere problematiek.

3.21 Deze zaak noopt niet tot beantwoording van vragen die van belang (kunnen) zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Zij kan daarom op de voet van art. 81 RO worden afgedaan.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 In zijn s.t. betoogt mr Carli dat het Hof terecht betekenis aan de in rov. 5.2 genoemde brief heeft toegekend.

2 In zijn s.t. onder 8g betoogt mr Carli intussen dat [eiser] wél lid was van een andere - kennelijk - beroepsvereniging.