Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS7591

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
02869/04 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS7591
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. De rb heeft wat betreft de inbeslagneming van de administratieve bescheiden art. 552a.7 Sv – inhoudende dat als de rb het beklag gegrond acht, zij de daarmee overeenkomende last geeft – miskend door het beklag gegrond te achten en slechts het beslag op te heffen. De HR gelast de opheffing van de gelegde beslagen en gelast de teruggave van de inbeslaggenomen administratieve bescheiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 338
NJ 2005, 447
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 02869/04 B

Mr. Wortel

Zitting:15 februari 2005

Conclusie inzake:

[klaagster]

Door de officier van justitie bij het Functioneel Parket i.o. van het Openbaar Ministerie is cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de Rechtbank te Zutphen, gegeven naar aanleiding van een klaagschrift, op de voet van art. 552a Sv namens de bovengenoemde rechtspersoon ingediend.

1. Namens de bovengenoemde rechtspersoon, hierna: de klaagster, heeft mr. J.F.M. Wasser, advocaat te 's-Hertogenbosch, de door de officier van justitie voorgestelde cassatiemiddelen weersproken.

2. In de bestreden beschikking is vastgesteld dat het klaagschrift is gericht op het uitblijven van een last tot opheffing van conservatoir beslag op (de tegoeden op) vijf bankrekeningen en tegen het uitblijven van een last tot teruggave van inbeslaggenomen administratie.

De Rechtbank heeft uit de stukken afgeleid dat de beslagen ten laste van de klaagster zijn gelegd omdat deze werd verdacht van overtreding van art. 416 Sr.

3. De bestreden beschikking houdt vervolgens een bespreking in van hetgeen partijen hebben aangevoerd. Het komt er op neer dat de klaagster zich op het standpunt stelt dat zij wel degelijk betrokken is bij de ontwikkeling van een vakantiepark, terwijl de officier van justitie heeft gewezen op een verklaring van een voormalige medewerker van de klaagster, inhoudende dat hij appartementen heeft verkocht maar dat het in feite om "gebakken lucht" ging. Ook voerde de officier van justitie aan dat deze oud-medewerker feitelijk is aan te merken als bestuurder van de klaagster, terwijl de laatste nog een vordering op die oud-medewerker van ongeveer € 5 miljoen op de balans heeft staan. Ten slotte wees de officier van justitie er op dat nog verdachten en getuigen gehoord moeten worden, de administratie moet worden onderzocht, en de resultaten van een tot Bulgarije gericht rechtshulpverzoek moeten worden afgewacht.

Namens de klaagster is verder aangevoerd dat zij door de beslagleggingen in haar voortbestaan wordt bedreigd, aangezien zij niet aan (financiële) verplichtingen kan voldoen en ter zake van een prospectus geen accountantsverklaring kan verkrijgen.

4. Een en ander mondt uit in de overweging en beslissing:

"De rechtbank overweegt dat aan de hand van de stukken die de rechtbank heeft ontvangen onvoldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van een verdenking van een misdrijf gepleegd door klaagster. Derhalve zal worden beslist als na te melden.

BESLISSING

De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en heft de beslagen op."

5. Het eerste middel behelst de klacht dat de Rechtbank deze beslissing heeft genomen op grond van onvolledige stukken. Die onvolledigheid zou uit de inhoud van de stukken kenbaar zijn. Bij wege van voorbeeld wordt gewezen op een proces-verbaal waarin voor een nadere omschrijving van de verdenking naar een ander stuk wordt verwezen. De steller van het middel deelt mee dat de Rechtbank geen kennis heeft genomen van dit andere stuk, dat overigens in het kabinet van de rechter-commissaris aanwezig was.

6. Het vierde middel bevat de klacht dat het klaagschrift ten onrechte gegrond is verklaard voor zover het de inbeslaggenomen administratie betreft. De overweging dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van een verdenking van een door klaagster gepleegd misdrijf zou deze beslissing (ten aanzien van de administratie) niet kunnen dragen, aangezien de Rechtbank geen kennis heeft genomen van het proces-verbaal van doorzoeking. Daarom, zo wordt betoogd, heeft de Rechtbank niet kunnen vaststellen waarnaar is gezocht en evenmin kunnen nagaan of de doorzoeking wellicht mede in verband met een verdenking tegen andere verdachten is verricht.

7. Deze twee middelen, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, berusten naar mijn inzicht op een miskenning van de wijze waarop bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de rechter en de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie zijn verdeeld. Het is, ook bij de behandeling van een beklag tegen inbeslagneming, aan de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie om er op toe te zien dat de rechter kennis kan nemen van alle ter beschikking zijnde stukken die van belang kunnen zijn voor de door de rechter te nemen beslissing. Het is aan de rechter om te beoordelen of hij zich, gelet op de door partijen gefourneerde stukken, voldoende voorgelicht acht om de verlangde beslissing te kunnen nemen.

8. Wellicht zou zich ooit de situatie kunnen voordoen waarin zó weinig tijd is gelegen tussen de beslaglegging en de behandeling van het klaagschrift dat van het Openbaar Ministerie in redelijkheid nog geen passend weerwerk, in de vorm van (afschriften van) relevante bescheiden, kan worden verlangd. In die moeilijk voorstelbare situatie zou de rechter zich niet zonder meer voldoende voorgelicht mogen achten, en de behandeling van het klaagschrift moeten aanhouden. Moeilijk voorstelbaar noem ik die situatie, omdat niet spoedig gezegd zal mogen worden dat het Openbaar Ministerie te weinig tijd heeft gehad zich op de behandeling voor te bereiden. Beslaglegging op administraties en tegoeden kan (soms aanzienlijke) schade veroorzaken. Dat is bekend. Daarom moet van het Openbaar Ministerie worden verlangd dat het op een beklag anticipeert, en op voorhand de nodige maatregelen treft om de raadkamer op korte termijn van voldoende informatie te voorzien, in het bijzonder ten aanzien van de gronden van de verdenking, de aard van het inbeslaggenomene en de noodzaak om het beslag te handhaven. Dit is niet anders indien de inbeslaggenomen administratie omvangrijk is en het onderzoek ervan tijdrovend zal zijn.

9. Voor het belang van de strafvordering behoeft uiteraard niet alles te wijken. Van bedrijven en personen kan niet worden verlangd dat zij inbeslagneming van hun administratie en/of tegoeden lijdzaam ondergaan totdat de opsporingsambtenaren zich in staat achten een min of meer nauwkeurige beschrijving van de feiten te kunnen presenteren. Het is aan de rechter om zo snel mogelijk een beslissing te geven op een verzoek tot teruggave, en het is aan het Openbaar Ministerie om die spoedige beslissing zo veel mogelijk te bevorderen.

10. In dit geval heeft de Rechtbank het klaarblijkelijk niet onverantwoord bevonden om te beslissen op basis van de stukken die ten behoeve van de behandeling in raadkamer - twee en een halve maand na de eerste datum van inbeslagneming - door het Openbaar Ministerie en namens klaagster zijn overgelegd.

Dat is naar mijn inzicht niet onbegrijpelijk te noemen, met name gelet op hetgeen partijen bij de behandeling in raadkamer hebben aangevoerd. Namens klaagster is in den brede, en met verwijzing naar tal van stukken, betoogd dat voor een verdenking jegens klaagster geen steekhoudende gronden zijn aan te wijzen, en dat er ook geen enkele reden is om aan te nemen dat klaagster een geldstraf of ontnemingsmaatregel opgelegd zal kunnen worden.

Daartegenover heeft de in raadkamer fungerende officier van justitie, na te hebben betoogd dat nog niet alle processen-verbaal gereed waren, nog getuigen en verdachten gehoord moesten worden en het resultaat van het rechtshulpverzoek nog moest worden afgewacht, slechts opgemerkt: "Ik refereer mij aan het oordeel van de rechtbank". Kennelijk kon of wilde deze officier van justitie zelf geen ferm standpunt omtrent de gegrondheid van het beslag innemen. Bovendien kon de Rechtbank uit deze opmerking opmaken dat de officier van justitie niet nadrukkelijk (eigenlijk zelfs: nadrukkelijk niet) vorderde dat de behandeling van het klaagschrift zou worden aangehouden voor de toevoeging van essentiële stukken.

11. De hierboven weergegeven overweging van de Rechtbank is niet bijster nauwkeurig geformuleerd. Zij zal aldus verstaan moeten worden dat de Rechtbank in de aan haar overgelegde stukken geen toereikende omschrijving heeft gevonden van de feiten en omstandigheden waaraan het redelijk vermoeden kan worden ontleend dat klaagster een misdrijf heeft begaan, zodat het beslag - volgens deze stukken op grond van zodanige, tegen klaagster bestaande, verdenking gelegd - wettelijke grond ontbeert.

12. Nog in een ander opzicht had de Rechtbank haar overwegingen moeten preciseren. Het beklag betrof mede conservatoir beslag op de tegoeden op bankrekeningen. Bij de beslissing op een beklag tegen zulke conservatoire beslaglegging is de maatstaf of hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete dan wel, als maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, een betalingsverplichting tot minstens het beloop van de inbeslaggenomen vermogensbestanddelen zal opleggen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat een ontnemingsmaatregel ook betrekking kan hebben op het voordeel dat is verkregen uit andere feiten dan in de strafzaak bewezen zijn verklaard, vgl. HR NJ 2000, 161. Bij zijn beslissing op een beklag tegen conservatoire beslaglegging zal de rechter dus in aanmerking moeten nemen dat een later op te leggen ontnemingsmaatregel betrekking kan hebben op het voordeel uit andere bron dan de feiten waaromtrent ten tijde van de beslaglegging (en ten tijde van de beslissing op het beklag) een verdenking als bedoeld in art. 27 Sv bestond.

13. Dit neemt niet weg dat een ontnemingsmaatregel, om het even of die op het tweede of het derde lid van art. 36e Sr moet berusten, alleen kan worden opgelegd aan degene die wegens een strafbaar feit is veroordeeld. Mij komt het voor dat de hiervoor aangehaalde overweging van de Rechtbank aldus kan worden verstaan dat hoogst onwaarschijnlijk is dat zal worden voldaan aan de voorwaarden waaronder de in art. 36e Sr bedoelde betalingsverplichting aan klaagster kan worden opgelegd, aangezien in verband met het ten laste van klaagster gelegde beslag alleen de verdenking is genoemd dat zij het in art. 416 Sr strafbaar gestelde misdrijf heeft begaan, doch een redelijke grond voor die verdenking niet aannemelijk is geworden.

Aldus verstaan vormt de overweging van de Rechtbank een toereikende en niet-onbegrijpelijke basis voor volledige gegrondverklaring van het beklag.

14. De middelen falen derhalve.

15. Het derde middel behelst de klacht dat de Rechtbank op onbegrijpelijke wijze heeft overwogen dat "onvoldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van een verdenking van een misdrijf gepleegd door klaagster". De overweging zou onbegrijpelijk zijn omdat de Rechtbank niet duidelijk heeft gemaakt of die verdenking heeft ontbroken bij het Openbaar Ministerie, bij de rechter-commissaris of bij de Rechtbank (in raadkamer oordelend) zelf.

16. Naar aanleiding van de voorgaande middelen merkte ik reeds op dat de door de Rechtbank gekozen formulering mij niet als bijzonder nauwkeurig treft, maar er kan, dunkt mij, geen misverstand over bestaan dat de Rechtbank heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat haar niet gebleken is dat er ten tijde van de beslaglegging een redelijke verdenking jegens de klaagster, als bedoeld in art. 27 Sv, bestond. Anders gezegd: de beslagen zijn volgens de stukken onder de klaagster gelegd omdat zij werd verdacht van betrokkenheid bij het in art. 416 Sr strafbaar gestelde misdrijf, doch voor zover de Rechtbank kon nagaan waren er ten tijde van de inbeslagneming geen feiten of omstandigheden bekend waarop die verdenking in redelijkheid gebaseerd kon worden.

Dit oordeel, gebaseerd op de aan de Rechtbank overgelegde stukken, houdt in dat geen enkele functionaris die redelijke verdenking mocht aannemen, ook de officier van justitie niet. Het kan zijn dat betere dossiervorming de Rechtbank tot een ander oordeel had gebracht, maar die omstandigheid moet voor rekening van het Openbaar Ministerie blijven. Men kan de Rechtbank niet verwijten dat zij gedaan heeft wat in de wettelijke systematiek tot haar taken behoort: zo spoedig mogelijk op het beklag beslissen.

Het middel faalt.

17. Het tweede middel daarentegen treft doel. Daarin wordt er terecht op gewezen dat de Rechtbank niet de beslissing heeft gegeven die de wet voorschrijft. De Rechtbank had, het klaagschrift gegrond bevindend, naar luid van art. 552a, zevende lid, Sv "de daarmee overeenkomende last" dienen te geven. Dit had, gelet op hetgeen in de bestreden beschikking is vermeld ten aanzien van de strekking van het klaagschrift, een last tot teruggave moeten zijn.

De opheffing, overeenkomstig door de rechter gegeven last, van een krachtens het Wetboek van Strafvordering gelegd beslag behoort tot de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken. Daarmee is het Openbaar Ministerie belast, en de rechter heeft geen bevoegdheid een dergelijk beslag eigenhandig op te heffen.

18. Aangezien volkomen duidelijk is dat de gegrondbevinding van het onderhavige klaagschrift een last tot teruggave mee moet brengen zal de Hoge Raad daarin kunnen voorzien.

19. In de schriftuur is nog een "Aanvullende algemene toelichting" bij de middelen gegeven.

Daarin wordt ten eerste gesteld dat de landelijke organisatie van taken, zoals de werkzaamheden van het Functioneel Parket i.o., een grote mate van afstemming noodzakelijk maakt die niet altijd vlekkeloos verloopt. In dit geval zou bij het Openbaar Ministerie ten onrechte zijn aangenomen dat de (raadkamer van de) Rechtbank van alle stukken was voorzien, terwijl een deel van die stukken alleen ter beschikking van de rechter-commissaris stond.

Ten tweede wordt gesteld dat, nu in het strafproces naar de "materiële waarheid" moet worden gezocht, de Rechtbank ten onrechte genoegen heeft genomen met een "formele waarheid".

20. Die stellingen behoeven strikt genomen geen bespreking, daar zij geen wezenlijke aanvulling op de voorgestelde middelen vormen.

Aldus ten overvloede merk ik dienaangaande het volgende op.

21. De tweede stelling is in zoverre te volgen, dat de waarheidsvinding in het strafgeding een zelfstandige opdracht aan de rechter vormt. Die mag zich niet zonder meer verlaten op hetgeen partijen aanvoeren, en zal zonodig ambtshalve onderzoek moeten instellen. Hier wordt evenwel uit het oog verloren dat de mogelijkheid van beklag tegen inbeslagneming is opengesteld teneinde de rechten van belanghebbenden te beschermen. Waarheidsvinding is niet primair de taak van de rechter die op een dergelijk beklag heeft te oordelen. Diens waarderingen van de feiten, voor zover van belang voor de rechtmatigheid en handhaving van het beslag, zijn voorlopig van aard, terwijl de doelstelling van de beklagprocedure vergt dat zo spoedig mogelijk wordt beslist. Daarom moet de rechter er op kunnen vertrouwen dat het Openbaar Ministerie, onder wiens verantwoordelijkheid het beslag is gelegd, zich gereed houdt om op korte termijn alle relevante feiten te presenteren. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal de rechter moeten oordelen dat zijn beslissing ontijdig zou zijn indien het Openbaar Ministerie niet méér tijd wordt gegund om tegen een klaagschrift het nodige in te brengen.

22. Een conclusie van een lid van het parket bij de Hoge Raad bevat per definitie persoonlijke inzichten, maar naar mijn zéér persoonlijk inzicht is de eerste stelling in de "Aanvullende algemene toelichting" op de middelen even voor de hand liggend als irrelevant.

Met zijn huidige reorganisatie stelt het Openbaar Ministerie zich onder meer ten doel 'zware zaken' die bij het Openbaar Ministerie een specialisme vergen niet langer te laten behandelen binnen de op de arrondissementen georiënteerde parketten, maar de behandeling van die zaken op te dragen aan een landelijk opererend parket.

De mogelijke voordelen van die andere organisatiestructuur kunnen aansprekend zijn, maar de vestigingsplaatsen van de rechtbanken blijven nu eenmaal bepalend voor de wijze waarop strafzaken behandeld moeten worden. In die rechtbanken zitten de rechters-commissaris, raadkamers en strafkamers die - soms op korte termijn - beslissingen moeten nemen. Zij dienen van informatie te worden voorzien, prompt en zo volledig mogelijk. Als het reorganiserende Openbaar Ministerie dit uit het oog verliest, en niet waarborgt dat zijn leden zich ter plaatse en intensief met de procedure kunnen blijven bemoeien, is het slechts een kwestie van tijd voordat er (spraakmakende) zaken in duigen gaan vallen.

Als dat gebeurt, zoals in deze zaak het geval kan zijn, mag het Openbaar Ministerie de verantwoordelijkheid alleen bij zichzelf zoeken. Men kan de hier bestreden beschikking toch waarlijk niet onbegrijpelijk gaan noemen omdat een lid van het Functioneel Parket i.o. met standplaats 's-Hertogenbosch of Zwolle een zaak bij de Rechtbank te Zutphen diende te behandelde, maar niet in staat was ter plaatse te controleren of de raadkamer alle relevante en op dat moment beschikbare stukken had gekregen.

23. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd, doch uitsluitend ten aanzien van de daarin genomen beslissing tot opheffing van het beslag; dat de Hoge Raad, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, de teruggave aan klaagster zal bevelen van de tegoeden op de in de beschikking genoemde bankrekeningen en van de onder klaagster inbeslaggenomen administratie, en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,