Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS7552

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-2005
Datum publicatie
19-04-2005
Zaaknummer
02160/04 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS7552
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. 1. Vorderingen verlenging gevangenhouding lenen zich doorgaans voor enkelvoudige behandeling. Daarmee kan echter niet worden volstaan als de OvJ bij de vordering verlenging gevangenhouding tevens ex art 67b.1 Sv vordert dat de voorlopige hechtenis mede, onderscheidenlijk alleen voor een of meer andere feiten wordt bevolen. Een beslissing op een dergelijke vordering die neerkomt op een wijziging van de grondslag voor de verdere vrijheidsbeneming is in zoverre vergelijkbaar met de beslissing op de vordering gevangenhouding, welke o.g.v. art. 21.5 Sv meervoudig dient te worden behandeld. 2. Gelet op art. 67b.2 Sv jo art. 78.2 Sv berustte na de toewijzing door de rb van de vordering ex art. 67b.1 de toewijzing van de vordering verlenging gevangenhouding op de overeenkomstig eerstbedoelde vordering gewijzigde grondslag. De bestreden beschikking moet daarom aldus worden verstaan dat het hof de beschikking van de rb ook heeft vernietigd voorzover deze de verlenging van de gevangenhouding inhield. Na vernietiging van de beschikking van de rb had het hof zelf een oordeel moeten geven over de vordering verlenging gevangenhouding en over de vordering ex art. 67b.1 Sv, hetgeen niet is geschied. Over dit verzuim wordt in de schriftuur echter niet geklaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 239
NJ 2005, 339 met annotatie van J.M. Reijntjes
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 02160/04 B

Mr. Wortel

Zitting:15 februari 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De advocaat-generaal bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van dat Hof waarbij is vernietigd een beschikking van de Rechtbank te 's-Gravenhage, strekkende tot verlenging (voor de eerste maal) van de gevangenhouding van bovengenoemde persoon en tot toewijzing van een vordering tot aanvulling of wijziging van de verdenking die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag ligt (een vordering als bedoeld in art. 67b Sv).

Op gezag van het Hof en de advocaat-generaal bij het Hof zal althans moeten worden aangenomen dat de beschikking van de Rechtbank deze strekking had, want een exemplaar of afschrift van die beschikking bevindt zich niet bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden.

2. De advocaat-generaal heeft bij schriftuur drie cassatiemiddelen voorgesteld.

3. De middelen, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, houden kort gezegd in dat de beschikking van het Hof zó summier gemotiveerd is dat zij reeds daarom onbegrijpelijk is (middel 1); dat die beschikking van een onjuiste rechtsopvatting getuigt voor zover zij inhoudt dat een enkelvoudige kamer van een rechtbank niet mag beslissen op een vordering als bedoeld in art. 67b Sv (middel 2), en dat de beschikking eveneens van een onjuiste rechtsopvatting getuigt voor zover zij aldus moet worden verstaan dat een enkelvoudige kamer van een rechtbank niet mag beslissen op een vordering tot verlenging van de gevangenhouding (middel 3).

4. Het Hof heeft het inderdaad bijzonder kort gehouden. Zijn beschikking luidt, afgezien van koptekst en ondertekening:

"Gezien de akte van de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage van 4 juni 2004 waarbij door

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1985 te [woonplaats]

thans verblijvende in HvB Roermond

hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking d.d. 2 juni 2004 van de rechtbank te 's-Gravenhage houdende bevel eerste verlenging van de gevangenhouding en navordering art. 67b Sv.

Gezien de beschikking waarvan beroep.

Gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte.

Overwegende, dat het hof de beschikking van de rechtbank van 2 juni 2004 zal vernietigen gelet op artikel 21 lid 5 Sv. Het hof is van oordeel dat de beschikking door de meervoudige kamer genomen had moeten worden.

Beschikkende:

Vernietigt de beschikking van 2 juni 2004 waarvan beroep."

5. Het bijna net zo beknopte proces-verbaal van de behandeling in raadkamer - dat overigens, vermoedelijk door het ontbreken van een tweede bladzijde, niet de handtekeningen van de voorzitter en de griffier bevat - vermeldt (ik vergis mij niet in de volgorde)

De advocaat-generaal deelt mede dat hij zich kan vinden in het verweer van de raadsman en verzoekt het hof derhalve de beschikking van de rechtbank te vernietigen.

De raadsman voert het woord tot verdediging over de navordering artikel 67b sv en deelt mede dat dat soort zaken conform artikel 21 lid 5 Sv door de meervoudige kamer van de rechtbank behandeld dient te worden"

6. Bij de behandeling in raadkamer van het Hof heeft het Openbaar Ministerie derhalve de stelling onderschreven dat de krachtens art. 67b Sv gedane vordering niet enkelvoudig behandeld had mogen worden.

7. Dit cassatieberoep wekt de stellige indruk dat het niet zozeer om de onderhavige zaak, maar veeleer om het principe gaat. Kennelijk wordt beoogd in algemene zin aan de orde te stellen of een vordering als bedoeld in art. 67b Sv meervoudig behandeld behoort te worden. Voor zover ik kon achterhalen heeft de Hoge Raad zich hierover niet eerder uitgelaten, en de kwestie lijkt mij voor de praktijk van enig gewicht te kunnen zijn.

De klacht in het eerste middel, betreffende de summiere motivering van de bestreden beschikking, komt mij evenwel minder gepast voor, aangezien het Openbaar Ministerie zich bij de behandeling door het Hof heeft aangesloten bij het betoog van de raadsman. Nu de beslissing van het Hof overeenstemt met het door beide procespartijen betrokken standpunt was het Hof naar mijn inzicht niet gehouden deze beslissing nader te onderbouwen.

8. Het vijfde lid van art. 21 Sv stelt als hoofdregel (eerste volzin) dat de raadkamer van een rechtbank uit één rechter mag bestaan indien de te nemen beslissing eenvoudig van aard is. Sommige beslissingen mogen volgens deze bepaling niet enkelvoudig worden behandeld: intern appèl tegen beslissingen van de rechter-commissaris en de beslissingen tot gevangenneming of gevangenhouding (derde volzin). Wat laatstbedoelde beslissingen betreft heeft de wetgever alleen het oog gehad op het (eerste) bevel tot gevangenneming of gevangenhouding. De wetgever doelde nadrukkelijk niet op de beslissing tot verlenging van een reeds bevolen gevangenneming of gevangenhouding.

Ten aanzien van het eerste bevel tot gevangenhouding of het bevel tot gevangenneming is een uit drie leden bestaande raadkamer wenselijk geacht, niet alleen omdat de verdachte langere tijd van zijn vrijheid wordt beroofd (doorgaans dertig dagen), maar ook omdat het bevel in de praktijk veelal meebrengt dat de voorlopige hechtenis (in ieder geval) tot aan de terechtzitting voortduurt.

De verlenging leent zich volgens de wetgever voor enkelvoudige beoordeling omdat daarbij in de regel slechts wordt nagegaan of de eerder gevonden redenen voor toepassing van de voorlopige hechtenis nog altijd aanwezig zijn (Kamerstukken II, 1992-1993, 22 584, nr. 7, p. 3).

9. De steller van de middelen meent dat de derde volzin van het vijfde lid van art. 21 Sv zich als algemene regel aldus laat toepassen dat behandeling door een meervoudige raadkamer alleen aangewezen is indien voor de eerste maal moet worden vastgesteld of de verdenking ter zake van één of meer bepaalde feiten rechtvaardigt dat de verdachte voor langere tijd van zijn vrijheid wordt beroofd.

10. Hij wijst er voorts op dat art. 67b Sv het mogelijk maakt de vordering tot aanvulling of wijziging van de grondslag van de voorlopige hechtenis te doen bij gelegenheid van een vordering tot verlenging van de reeds bevolen gevangenhouding. In dat geval, zo wordt betoogd, blijft de voorlopige hechtenis na toewijzing van de krachtens art. 67b Sv gedane vordering berusten op de grondslag die door een meervoudige raadkamer werd vastgesteld.

11. Daarom wordt 's Hofs beslissing te rigide genoemd. Gelet op de waarborgen die de wettelijke regeling kent, waardoor in alle gevallen is verzekerd dat een meervoudige raadkamer heeft onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de voorlopige hechtenis, zou het Hof niet als algemene regel hebben mogen beschouwen dat een vordering als bedoeld in art. 67b Sv nimmer door een enkelvoudige raadkamer mag worden beoordeeld.

12. Zoals ook in de toelichting op het tweede middel (onder 17) is onderkend, is er voor de door het Hof gevolgde gedachtegang zeker iets te zeggen. Weliswaar is alleszins denkbaar dat de beslissing op een krachtens art. 67b Sv gedane vordering eenvoudig te nemen is, als bedoeld in de eerste volzin van art. 21, vijfde lid, Sv, maar aan de andere kant kunnen de op het spel staande belangen die beslissing verwant maken aan de in de art. 65 en 66a Sv genoemde bevelen, die naar luid van de derde volzin van het vijfde lid van art. 21 Sv steeds meervoudig gegeven moeten worden.

13. In dit verband moet bedacht worden dat de officier van justitie een vordering als bedoeld in art. 67b Sv vermoedelijk achterwege zal laten als hij voorziet dat de voorlopige hechtenis ook zonder die vordering wel zal voortduren. Voor de uitkomst van de strafzaak (de - grondslag voor de - strafoplegging) is nauwelijks van belang voor welke feiten de voorlopige hechtenis is bevolen. Praktisch gesproken vloeit daaruit met name geen onoverkomelijke beperking voort ten aanzien van aard en aantal van de feiten die in de tenlastelegging kunnen worden opgenomen. Als de in art. 67b Sv bedoelde vordering wordt gedaan zal dat in de regel betekenen dat de nadien opgekomen verdenking naar het inzicht van de officier van justitie bepalend zal zijn voor het voortduren van de voorlopige hechtenis. Met deze vordering kan de officier van justitie inspelen op de omstandigheid dat de oorspronkelijk bestaande verdenking niet langer aanwezig is, en hetzij die oorspronkelijk bestaande verdenking een - naar de wettelijke omschrijving - ander feit blijkt op te leveren, hetzij het vermoeden is gerezen dat de verdachte bij heel andere feiten betrokken is geweest. Daarnaast kan zich uiteraard de situatie voordoen dat de eerder gerezen verdenking blijft bestaan, maar de later achterhaalde feiten de in art. 67a Sv geregelde gronden voor de voorlopige hechtenis versterken of wijzigen.

14. Daarom kan ik de steller van de middelen niet geheel volgen in diens betoog dat de grondslag van de voorlopige hechtenis steeds door een meervoudige raadkamer zal zijn beoordeeld, ook indien de in art. 67b Sv bedoelde vordering wordt gedaan bij gelegenheid van een vordering tot verlenging van de voorlopige hechtenis. Die meervoudige toetsing van de uiteindelijk resulterende grondslag is niet altijd gegarandeerd, aangezien het toewijzen van de vordering deze grondslag ingrijpend kan wijzigen.

15. Men zou de in art. 21, vijfde lid, derde volzin, opgenomen aanduiding van beslissingen die steeds meervoudig genomen moeten worden als een limitatieve opsomming kunnen aanmerken. Mij lijkt dat niet verstandig. Opmerking verdient dat art. 67b Sv in de wet is opgenomen om een meer doelmatige regeling te geven voor de situaties die er voordien toe leidden dat tegen één verdachte verschillende bevelen tot voorlopige hechtenis werden afgegeven, met alle tenuitvoerleggingsproblemen van dien. Nadrukkelijk heeft de wetgever evenwel onder ogen gezien dat de officier van justitie niet verplicht is art. 67b Sv toe te passen. Die blijft de vrijheid behouden om, als voorheen, ter zake van een later achterhaald (heel) ander feit een afzonderlijke vordering tot het toepassen van voorlopige hechtenis te doen, vgl. Kamerstukken II, 1992-1993, 23 178, nr. 3, p. 10.

16. Het kan dus zijn dat de mogelijkheid van een vordering op grond van art. 67b Sv concurreert met de mogelijkheid een afzonderlijk bevel tot bewaring gevolgd door een bevel tot gevangenhouding te vorderen. In het laatste geval zal het eerste bevel gevangenhouding door een meervoudige raadkamer beoordeeld moeten worden. In dat licht beschouwd valt minder goed in te zien waarom een krachtens art. 67b Sv gedane vordering, waarmee onder omstandigheden eenzelfde resultaat kan worden bereikt, nooit de grotere waarborg van collegiale beoordeling zou behoeven.

17. Ik geef toe: een dwingend argument is dit niet, en dat geldt ook voor de omstandigheid dat de art. 77 en 78 Sv in art. 67b Sv van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Op de vordering tot uitbreiding of wijziging van de grondslag van de voorlopige hechtenis moet de verdachte worden gehoord, en het (verlengings)bevel waarbij de vordering wordt toegewezen zal ondubbelzinnig duidelijk moeten maken ter zake van welke feiten, en op welke gronden, de voorlopige hechtenis blijft voortduren. Naar mijn inzicht maakt dit collegiale besluitvorming iets meer aangewezen. Het verhoor van de verdachte betreft feiten die met betrekking tot diens vrijheidsberoving nog niet ter sprake zijn geweest. Verder moet niet alleen (summier) worden nagegaan of de later opgekomen verdenking op redelijke gronden berust, maar ook worden vastgesteld welke gevolgen de uitgebreide of gewijzigde verdenking heeft voor de in art. 67b Sv genoemde gronden voor de voorlopige hechtenis.

Zulk horen en onderzoeken vertoont grotere verwantschap met de beslissing op een (eerste) vordering gevangenhouding dan met het werk van de unus, die bij de vorderingen tot verlenging van de gevangenhouding slechts behoeft na te lopen of de eerder aanwezig geachte redenen voor toepassing van de voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig zijn.

18. Voor zover het gaat om de toewijzing van de krachtens art. 67b Sv gedane vordering meen ik, alles overziende, niet dat de bestreden beslissing van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.

Daarentegen wordt in het derde middel volkomen terecht opgemerkt dat de bestreden beschikking ook inhoudt dat de Rechtbank niet in enkelvoudige raadkamer had mogen beslissen op de vordering tot verlenging van de gevangenhouding, terwijl uit de wetsgeschiedenis nu juist blijkt dat de wetgever zulke beslissingen voor enkelvoudige behandeling bij uitstek geschikt achtte (ik verwijs naar de hiervoor, onder 8, genoemde vindplaats).

19. Ik stel evenwel voor hieraan voorbij te gaan, aangezien het Openbaar Ministerie zich in raadkamer van het Hof op het standpunt heeft gesteld dat de beschikking van de Rechtbank vernietigd diende te worden zonder het voorbehoud dat die beschikking ten dele (namelijk voor zover de gevangenhouding is verlengd) in stand moest blijven. Het Hof heeft hieruit kunnen afleiden dat het Openbaar Ministerie niet langer de noodzaak voor voortgezette toepassing van de voorlopige hechtenis zag.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,