Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS7053

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
03-06-2005
Zaaknummer
C04/244HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS7053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

3 juni 2005 Eerste Kamer Nr. C04/244HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], tevens handelende onder de naam Combi Huizen, wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. F. Damsteegt, t e g e n SPECTOR NEDERLAND B.V., gevestigd te Zwijndrecht, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 330
JWB 2005/207
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C04/244HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 18 februari 2005

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

Spector Nederland B.V.

In deze zaak, betreffende de afrekening van een lease-overeenkomst, wordt geklaagd dat de rechtbank voorbij is gegaan aan enkele verweren.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals deze zijn weergegeven in het vonnis van de rechtbank, rov. 6 onder a t/m k. Het geschil betreft een lease- en een serviceovereenkomst met betrekking tot een minilab (een apparaat voor het ontwikkelen en afdrukken van foto's), dat Spector bij [eiser] heeft geplaatst.

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 27 juni 1997 heeft Spector [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te Dordrecht. Volgens Spector was op dat moment sprake van een betalingsachterstand van f 44.208,53. Vermeerderd met vervallen rente en incassokosten vorderde Spector van [eiser] betaling van f 54.906,99. Daarnaast vorderde Spector een verklaring voor recht dat zij bij uitsluiting rechthebbende is gebleven met betrekking tot het minilab, alsmede een bevel aan [eiser] om te gehengen en te gedogen dat het in conservatoir beslag genomen minilab aan Spector ter vrije beschikking wordt gegeven.

1.3. [Eiser] heeft primair het verweer gevoerd dat niet de rechtbank, maar de kantonrechter te Hilversum bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Bij vonnis van 9 juni 1999 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de kantonrechter te Hilversum.

1.4. Aldaar heeft [eiser] materieel verweer gevoerd en in reconventie een vergoeding gevorderd voor de schade tengevolge van het conservatoir beslag dat Spector op het minilab had laten leggen en terugbetaling van het bedrag dat [eiser], zijns inziens onverschuldigd, aan Spector had voldaan in het kader van een minnelijke regeling in het kort geding naar aanleiding van genoemd beslag. Voorwaardelijk vorderde [eiser] in reconventie de ontbinding van de lease-overeenkomst.

1.5. Bij repliek in conventie heeft Spector haar vordering vermeerderd met de inmiddels vervallen maandfacturen. De hoofdsom kwam daarmee op f 131.484,18.(1) Dit bedrag is exclusief bedongen rente en incassokosten.

1.6. Bij vonnis van 24 januari 2001 heeft de kantonrechter de genoemde hoofdsom en de overige vorderingen in conventie hoofdzakelijk toegewezen. De vorderingen van [eiser] in reconventie werden afgewezen.

1.7. [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Amsterdam en zijn vorderingen in reconventie gewijzigd en vermeerderd; voor de formulering verwijs ik naar het petitum van de memorie van grieven, zoals nadien wederom gewijzigd bij akte ter rolle van 24 april 2002. Bij memorie van antwoord heeft Spector ook haar vordering in conventie gewijzigd. Bij vonnis van 28 april 2004 heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter zowel in conventie als in reconventie bekrachtigd. De rechtbank heeft in conventie tevens een verklaring voor recht gegeven m.b.t. de kosten van het ophalen van het apparaat.

1.8. [Eiser] heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Nadat tegen Spector verstek was verleend, heeft [eiser] zijn cassatieberoep schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het verweer van [eiser] dat bij de vaststelling van de in conventie verschuldigde hoofdsom rekening moet worden gehouden met een door Spector aan [eiser] verstrekte creditnota en met de reeds door [eiser] aan Spector betaalde bedragen. Onderdeel 1.2 verwijt de rechtbank zonder motivering aan deze essentiële stelling te zijn voorbijgegaan.

2.2. Uit de gedingstukken van de feitelijke instanties is het volgende van belang. Aanvankelijk heeft [eiser] gesteld dat hij het onderhoudscontract met betrekking tot het minilab op 27 juni 1997 heeft opgezegd, in verband waarmee Spector hem op 30 juli 1999 een creditnota ad f 32.116,66 heeft toegezonden. [Eiser] stelde te betwijfelen of Spector bij de berekening van haar vordering in conventie wel rekening had gehouden met deze creditnota en verzocht opheldering hierover(2). In haar repliek heeft Spector gesteld dat bij de berekening van de in conventie gevorderde hoofdsom rekening is gehouden met de creditnota(3). Zij voegde een overzicht bij (prod. 15). Bij dupliek in conventie heeft [eiser] gereageerd met het verweer dat de bovengenoemde creditnota niet van de vordering is afgetrokken. Ook met een correctie van f 45.297,13 is nog geen rekening gehouden. Bovendien ontbraken volgens [eiser] de volgende betalingen:

- over 1996/97: betalingen tot een bedrag van f 79.628,87;

- over 1998: een betaling van f 2.019,98;

- over 1999: drie betalingen, in totaal f 20.288,72;

- over 2000: betalingen tot een bedrag van f 5.654,36.(4)

Vervolgens heeft Spector gesteld dat, naar [eiser] moet weten, het bedrag van de genoemde creditnota niet klopt en dat het administratieve systeem van Spector alle deelbetalingen onmiddellijk verdisconteert in de facturen(5).

2.3. De kantonrechter heeft het kort gehouden: "Dat Spector bij het door haar gevorderde bedrag in hoofdsom geen rekening heeft gehouden met verrichte betalingen en crediteringen, zoals Combi Huizen [de handelsnaam van [eiser], noot A-G] aanvoert, is onvoldoende gebleken" (rov. 7).

2.4. In hoger beroep heeft [eiser] hiertegen bezwaar gemaakt in grief X (geen rekening gehouden met de creditnota van f. 32.116,66) en in grief XV, gericht tegen de zo-even geciteerde rov. 7. Grief XVI is gericht tegen het resultaat van de berekening van de hoofdsom.

2.5. Spector heeft, onder verwijzing naar correspondentie en naar een eerder kort geding, volhard in haar stelling dat bij de berekening van haar vordering in conventie rekening is gehouden met de crediteringen en met de verrichte betalingen(6).

2.6. De rechtbank heeft het desbetreffende verweer van [eiser] onderkend: zie rov. 8.6 en 8.7. Zoals de rechtbank in rov. 11.1 voorop heeft gesteld, spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag wat [eiser] op grond van de lease-overeenkomst en de onderhoudsovereenkomst verschuldigd is. In het vervolg van het vonnis neemt de rechtbank aan dat [eiser] tekort is geschoten in zijn betalingsverplichtingen (rov. 11.5), maar wordt geen aandacht meer besteed aan het verweer van [eiser] met betrekking tot de verrichte betalingen en creditnota's die niet in het overzicht van Spector zijn opgenomen. De grieven X en XV worden in het vonnis niet behandeld.

2.7. De slotsom is dan ook, dat de rechtbank geheel zonder motivering is voorbijgegaan aan essentiële stellingen van [eiser] en dat het vonnis niet in stand kan blijven. De klacht van subonderdeel 1.3 kan daarom onbesproken blijven. In deze, kennelijk subsidiair bedoelde, klacht wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat in rov. 11.3 de behandeling van deze stellingen van [eiser] moet worden gezocht. Ik lees in die overweging geen verwerping van dit verweer. Zo deze rechtsoverweging zou zijn bedoeld als verwerping van dit verweer, is de verwerping ontoereikend gemotiveerd.

2.8. Onderdeel 2 heeft betrekking op de beëindiging van het onderhoudscontract. De kantonrechter heeft in rov. 1 onder g vastgesteld dat [eiser] het onderhoudscontract heeft opgezegd en dat Spector heeft ingestemd met een beëindiging daarvan met ingang van 1 maart 1998. [Eiser] had aangevoerd dat hij het onderhoudscontract reeds met ingang van 1 maart 1997 heeft opgezegd (zodat hij uit dien hoofde niet f 14.300,-, maar slechts f 6.300,- verschuldigd is). De kantonrechter heeft hieromtrent overwogen:

"(...) dat Combi Huizen terzake daarvan aan Spector totaal f 14.300,- verschuldigd is. Nu Spector immers betwist dat zij tijdig (meer dan drie maanden vóór 1 maart 1997) een opzegging heeft ontvangen van Combi Huizen tegen die datum, en het tegendeel door Combi Huizen niet is aangetoond, is dit contract eerst per 1 maart 1998 rechtsgeldig beëindigd." (rov. 7)

In hoger beroep heeft [eiser] dit oordeel bestreden in grief II. Hij voerde daarbij aan dat hij op 27 juni 1996 het onderhoudscontract schriftelijk heeft opgezegd tegen 1 maart 1997 (prod. 2 MvG). Ter onderbouwing van zijn standpunt dat Spector die brief moet hebben ontvangen, wees [eiser] op de pleitnota van de raadsman van Spector in het tussen partijen gevoerde kort geding, waarin de volgende passage is te vinden:

"Uiteraard verzette Combi Huizen zich ook weer consequent tegen de gestipuleerde kosten van het onderhoudscontract. Dat contract is trouwens later weer geannuleerd. De gerelateerde kosten zijn door Spector welwillend als altijd teruggebracht naar f 6.300,- in plaats van f 8.000,-."(7)

Spector heeft bij memorie van antwoord betwist de brief van 27 juni 1996 tijdig te hebben ontvangen en bestrijdt de interpretatie die [eiser] aan de passage in de pleitnota geeft.

2.9. De rechtbank heeft hieromtrent overwogen:

"Tegenover de betwisting door Spector dat [eiser] het onderhoudscontract tijdig heeft opgezegd tegen 1 maart 1997 heeft [eiser] geen (concreet) bewijs aangeboden van zijn stelling, zodat de rechtbank met de kantonrechter van oordeel is dat het onderhoudscontract eerst tegen 1 maart 1998 is geëindigd. [Eiser] heeft in dit verband nog wel gewezen op het door Spector ingenomen standpunt zoals verwoord in de pleitnotitie in kort geding van 1 juli 1997, doch hierin is door Spector niet meer gezegd dan dat de kosten waren teruggebracht van f 8.000,- naar f 6.300,-. Hieruit blijkt echter nog niet dat Spector akkoord was met de opzegging tegen 1 maart 1997." (rov. 11.4)

2.10. In subonderdeel 2.2 (subonderdeel 2.1 bevat geen klacht) wordt geklaagd dat deze motivering ontoereikend is. Volgens [eiser] volgt uit deze passage uit Spectors pleitnota d.d. 1 juli 1997 dat het onderhoudscontract toen reeds was geannuleerd. Bovendien acht het middelonderdeel niet beslissend of Spector akkoord was met de opzegging tegen 1 maart 1997: voor een opzegging is geen akkoord van de wederpartij vereist.

2.11. Deze klacht treft m.i. geen doel. Dragende overweging van de rechtbank is dat de bewijslast ten aanzien van deze stelling op [eiser] rust, doch geen concreet bewijsaanbod is gedaan. Tot zover wordt het oordeel niet bestreden. Voor zover [eiser] bewijs van zijn stelling ziet in de pleitnota van de zijde van Spector, heeft de rechtbank dat argument uitdrukkelijk in haar oordeel betrokken, met inbegrip van de datering van de pleitnota. De uitleg die de rechtbank aan deze passage in de pleitnota heeft gegeven kan - als een aan de feitenrechter voorbehouden oordeel - in cassatie niet worden getoetst. Onbegrijpelijk is de motivering niet. In de pleitnota staat niets over (de ontvangst door Spector van) een opzeggingsbrief van 27 juni 1996. Uit de passage over het terugbrengen van de kosten naar f 6.300,- kan weliswaar een aanwijzing worden geput dat een opzegging heeft plaatsgevonden tegen een zodanige datum dat slechts dit bedrag verschuldigd was, maar noodzakelijk is die gevolgtrekking niet. De waardering van dit bewijsmiddel is te zeer verweven met een beoordeling van de feiten om in cassatie te worden getoetst, anders dan op begrijpelijkheid van de motivering. Onbegrijpelijk is de motivering niet. De slotsom is dat onderdeel 1 slaagt en onderdeel 2 faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof van het ressort.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie de CvR in conventie onder 67.

2 CvA conventie (tevens CvE reconventie), onder 16.

3 CvR conventie (tevens CvA reconventie), onder 38 en 67.

4 CvD conventie (tevens CvR reconventie), onder 19.

5 CvD reconventie, onder 64. Bij akte houdende uitlating producties d.d. 13 december 2000, blz. 13, heeft [eiser] hiertegen ingebracht dat het bedrag op de eerstgenoemde creditnota wel juist is.

6 MvA onder 71-73. Zie nadien nog: antwoordakte van [eiser] ter rolle van 24 april 2002, blz. 8 en de antwoordakte houdende uitlating producties van [eiser] ter rolle van 18 december 2002, onder 11 (creditnota), 17 en 30 (commentaar op factuuroverzichten Spector).

7 Zie MvG blz. 6, in verbinding met blz. 2 van prod. 3 bij MvG.