Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS5978

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
29-04-2005
Zaaknummer
R05/007HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS5978
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

29 april 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R05/007HR JMH/RM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later. 1. Het geding in feitelijke instantie...

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 261
NJ 2007, 153 met annotatie van J. Legemaate
RvdW 2005, 65
JWB 2005/170
BJ 2005/14 met annotatie van W. Dijkers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R05/007HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 11 februari 2005

Conclusie inzake:

[verzoeker]

tegen

Officier van Justitie te Amsterdam

In deze zaak wordt een machtiging tot voortgezet verblijf bestreden met klachten over het weigeren van een contra-expertise en over de toepassing van het gevaarscriterium.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam heeft op 21 september 2004 aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van het verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in psychiatrisch ziekenhuis GGZ Buitenamstel te Amsterdam. Bij het verzoek zijn overgelegd: een verklaring van de waarnemend geneesheer-directeur van het psychatrisch ziekenhuis, die betrokkene heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1] (V.U. Medisch Centrum), het behandelingsplan (art. 38 Wet Bopz) en de aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz.

1.2. Op 12 oktober 2004 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren de (behandelend) psychiater [betrokkene 2] en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige [betrokkene 3]. Tevens hebben betrokkene en zijn raadsvrouw het woord gevoerd.

1.3. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van een jaar, dus tot 12 oktober 2005.

1.4. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Van het indienen van een verweerschrift is afgezien.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel I klaagt over de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van betrokkene een tegenonderzoek te gelasten. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is namens betrokkene aangevoerd:

"Betrokkene is het niet eens met de diagnose, hij ontkent de ziekte en wil geen medicatie, ook geen andere dan die hij nu heeft. Namens mijn cliënt vraag ik een contra-expertise te doen om te kijken naar de stoornis en het gevaar. Het gevaar dat beschreven staat in de stukken is niet zodanig ernstig dat steeds een rechterlijke machtiging nodig is om het af te wenden. Ik vraag de zaak aan te houden en een contra-expertise te gelasten."

De rechtbank heeft hierop gerespondeerd als volgt:

"De rechtbank wijst het verzoek tot het verrichten van een contra-expertise in dit stadium af, nu de diagnose ook in een ander ziekenhuis door een onafhankelijk arts is gesteld".

2.2. In het procesrecht voor verzoekschriftprocedures is de negende afdeling van titel 2 van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet (art. 284 Rv). In die afdeling bepaalt art. 194 Rv dat de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve een bericht of een verhoor van deskundigen kan bevelen. In het algemeen kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd over het achterwege laten van een zodanig bevel. De feitenrechter is vrij in zijn beslissing wanneer hij zich wel of niet door deskundigen wil laten voorlichten(1). Daarnaast bestaat art. 200 Rv, dat inhoudt dat de rechter een partij op haar verzoek kan toestaan deskundigen ter terechtzitting te horen die niet door de rechter zijn benoemd.

2.3. Art. 8 lid 6 Wet Bopz, welke bepaling ingevolge art. 17 lid 2 hier van overeenkomstige toepassing is, geeft de volgende regel:

"De rechter kan onderzoek door deskundigen bevelen en is bevoegd deze deskundigen alsmede getuigen op te roepen. De rechter roept de door de betrokkene opgegeven deskundigen en getuigen op, tenzij hij van oordeel is dat door het achterwege blijven daarvan de betrokkene redelijkerwijs niet in zijn belangen kan zijn geschaad. Indien hij een opgegeven deskundige of getuige niet heeft opgeroepen, vermeldt hij de reden daarvan in de beschikking."(2)

2.4. In het oorspronkelijke voorstel van wet (Wet Bopz) was slechts een summiere bepaling voorgesteld, welke luidde: "De rechter is bevoegd getuigen en deskundigen op te roepen"(3). In een gewijzigd wetsvoorstel werd dit uitgebreid: "De rechter kan onderzoek door deskundigen bevelen en is bevoegd deze deskundigen, alsmede getuigen op te roepen"(4). Op dit voorstel van wet werd door de Tweede Kamerleden Van Es en Eshuis een amendement ingediend, waarin de imperatief werd toegevoegd: "De rechter roept de door de betrokkene aangewezen deskundigen en getuigen op"(5). Blijkens hun mondelinge toelichting vonden de indieners de mogelijkheid van betrokkenen om schriftelijke rapportage aan de rechter voor te leggen onvoldoende: "Het moet ook mogelijk zijn, een deskundige te doen oproepen, die voor de rechter een afwijkende dan wel overeenkomstige mening mondeling naar voren kan brengen". Andere Kamerleden reageerden afwijzend op het amendement omdat het wetsvoorstel reeds de mogelijkheid bood deskundigen te horen als de rechter daaraan behoefte heeft; een verplichting tot oproepen en horen ging hen te ver(6). Ook de minister had bezwaar tegen het amendement, tenzij dit beperkt zou worden uitgelegd. Hij maakte een vergelijking met het strafprocesrecht, waar de verdachte in beginsel het recht heeft getuigen en deskundigen (à décharge) te doen oproepen voor de zitting, doch van verhoor kan worden afgezien indien de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad (art. 264 in verbinding met art. 288 lid 1 Sv). De minister besloot: "(...) wanneer wij het uitleggen in de zin, dat het een aanwijzing is dat de rechter in beginsel de door de betrokkene aangewezen deskundigen en getuigen oproept, dan heb ik ertegen geen bezwaar, mits hij gemotiveerd mag afwijken". Hierop kondigde het Kamerlid Van Es aan dat zij het amendement in deze zin zou aanpassen(7). Vervolgens is amendement nr. 109 vervangen door amendement nr. 127, waarin de tekst van de huidige tweede en derde volzin van art. 8 lid 6 was neergelegd. Dit laatste amendement is zonder verdere discussie door het parlement aanvaard(8).

2.5. Uit het voorgaande blijkt dat de tweede en derde volzin van art. 8 lid 6 Wet Bopz het oog hebben op gevallen waarin de betrokkene één of meer bepaalde personen aan de rechter opgeeft, met het verzoek deze op te roepen om deze als getuige of deskundige mondeling te horen. Wanneer de betrokkene schriftelijke rapportage van een deskundige in het geding wil brengen heeft hij geen verlof van de rechter nodig: hij kan deze rapportage vóór of tijdens de zitting als productie aan de rechtbank overleggen.

2.6. Deze uitleg van art. 8 lid 6 wordt bevestigd door het volgende. Vrijwel gelijktijdig met het amendement Van Es - Eshuis werd door het Tweede Kamerlid Haas-Berger een amendement voorgesteld, volgens hetwelk de rechter verplicht zou worden een verzoek van de patiënt om tegenonderzoek door een deskundige toe te staan(9). Mw. Haas-Berger onderstreepte het verschil van haar amendement met dat van Van Es en Eshuis: "In ons voorstel gaat het om iets anders, namelijk om een echt onderzoek door een andere psychiater, dus niet het horen van getuigen en deskundigen, maar een echte contra-expertise"(10). Het amendement-Haas-Berger werd door de regering ontraden met het argument dat het oordeel over de vraag of nodig is een onderzoek door een deskundige te gelasten beter aan de rechter kan worden overgelaten. Ook werd gewezen op de kosten die met een verplicht tegenonderzoek gepaard gaan. Het amendement Haas-Berger werd verworpen(11).

2.7. Bij het verzoek van de officier van justitie tot het verkrijgen van een machtiging tot voortgezet verblijf wordt een verklaring overgelegd van de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin de betrokkene is opgenomen. Ingevolge art. 16 lid 2 is art. 5 lid 1, tweede volzin, van toepassing. Dit brengt mee dat de geneesheer-directeur de betrokkene met het oog op de verklaring kort tevoren heeft laten onderzoeken door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was. Indien de geneesheer-directeur psychiater is en niet bij de behandeling betrokken, kan hij het onderzoek ook zelf uitvoeren. Kortom, de wettelijke regeling brengt mee dat aan ieder verzoek van de officier van justitie om een machtiging een onderzoek vooraf gaat door een psychiater die weliswaar niet door de rechter is benoemd, maar in zoverre neutraal is dat hij niet bij de geneeskundige behandeling betrokken is geweest(12). In dit cassatieberoep wordt niet betwist dat aan deze eis is voldaan.

2.8. Indien de betrokkene het niet eens is met de verklaring van de geneesheer-directeur c.q. met (de resultaten van) het onderzoek van de niet bij de behandeling betrokken psychiater, staat het hem vrij zelf een deskundige te benaderen en aan deze te vragen een tegenonderzoek te verrichten. Indien dit resulteert in een schriftelijk rapport kan de betrokkene dit, desgewenst, aan de rechtbank overleggen. Indien de betrokkene de door hem aangewezen deskundige ter zitting wil laten horen door de rechter, kan hij deze deskundige daartoe opgeven aan de rechtbank. In dat geval geldt de maatstaf van art. 8 lid 6, tweede en derde volzin, Wet Bopz.

2.9. Van de in de vorige alinea besproken mogelijkheid wordt zelden of nooit gebruik gemaakt. Daarvoor is een simpele reden: deskundigen werken niet gratis en de patiënten kunnen de kosten van een tegenonderzoek niet betalen(13). Wanneer de patiënten om die reden aan de rechter verzochten gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van de eerste volzin van art. 8 lid 6 een deskundige te benoemen en door deze een tegenonderzoek te laten verrichten, bood de wet hen tot voor kort weinig soelaas voor het kostenprobleem. Er bestond weliswaar een mogelijkheid om de kosten van het tegenonderzoek voor te schieten, maar uiteindelijk konden de kosten in rekening worden gebracht aan de patiënt die om het tegenonderzoek had gevraagd(14).

2.10. Het kostenprobleem heeft de aandacht getrokken van het parlement. In het kader van een technische herziening van de Wet Bopz is van de zijde van de PvdA voorgesteld dat de kosten van getuigen en deskundigen die voortvloeien uit een door de rechter gegeven opdracht ten laste van 's Rijks kas komen(15). Nadat de regering zich hiertegen had verzet(16), heeft het Tweede Kamerlid Van der Hoek een amendement voorgesteld, ertoe strekkend dat de kosten van getuigen en deskundigen in verband met de toepassing van het zesde lid van art. 8 Wet Bopz ten laste van 's Rijks kas komen. De toelichting op dit amendement luidt:

"Wanneer de patiënt het niet eens is met het onderzoek door de psychiater, op grond waarvan hij/zij gedwongen is opgenomen, kan hij/zij op grond van de wet een deskundigenonderzoek aanvragen via de rechter. De rechter kan dan, gehoord de patiënt, een contra-expertise gelasten. Dit amendement regelt dat de kosten door de gemeenschap worden gedragen. (...)"(17)

2.11. De bezwaren van de regering tegen het amendement hielden verband met de gevolgen voor 's Rijks financiën wanneer iedere patiënt in een machtigingsprocedure voor Rijksrekening een contra-expertise zou kunnen vragen. Het Kamerlid Van der Hoek repliceerde:

"Het is echter een misverstand dat iedereen dit kan doen. Iedereen kan het wel vragen, maar de rechter honoreert dit niet. Hij honoreert het maar in een beperkt aantal gevallen."(18)

Dit laatste veronderstelt dat de rechter niet verplicht is ieder verzoek om een contra-expertise toe te wijzen. Het Kamerlid wees voorts nog op de bepaling in art. 810a, leden 2 en 3, Rv over tegenonderzoek in procedures bij kinderbeschermingsmaatregelen(19). Het amendement is aanvaard. De regel is thans neergelegd in art. 8 lid 10 Wet Bopz.

2.12. Is de rechter inderdaad niet verplicht ieder verzoek om een contra-expertise toe te wijzen? Onder de vroegere Krankzinnigenwet werd door de Hoge Raad de lijn aangehouden dat de motiveringsplicht in het algemeen niet meebrengt dat de rechter in zijn beschikking zou moeten aangeven waarom hij het voor zijn beslissing niet nodig acht, overeenkomstig een daartoe strekkend verzoek van de betrokkene, zich te doen voorlichten door een deskundigenrapport in aanvulling op de geneeskundige verklaring(20). Een bijzondere motivering werd wel verlangd toen een betrokkene zich kon beroepen op een andersluidend oordeel in een deskundigenrapport, uitgebracht in het kader van een ondercuratelestelling (NJ 1983, 496). Verder valt in de aangehaalde rechtspraak op dat de noodzaak van een spoedige beslissing een rol speelt, alsmede de vraag of de betrokkene al eerder is onderzocht door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.

2.13. Kort na de inwerkingtreding van de Wet Bopz heeft de Hoge Raad twee beschikkingen gegeven waarin de verwerping van een verzoek om contra-expertise werd getoetst. In HR 1 juli 1994, NJ 1994, 715 m.nt. JdB onder nr. 723, werd een machtiging tot voortgezet verblijf gevorderd en had de betrokkene om "een nader deskundigenbericht" gevraagd. De rechtbank had dit verzoek afgewezen met het argument dat in het kader van een vorige opnemingsprocedure reeds op last van de rechtbank psychiatrisch onderzoek was verricht en gerapporteerd en dat de situatie sindsdien niet was gewijzigd. De Hoge Raad overwoog:

"In de overweging van de rechtbank dat haar niet is gebleken dat de situatie rond verzoeker sinds het op 9 mei 1993 uitgebrachte rapport van de psychiater Jacob in zodanige mate zou zijn gewijzigd dat wederom een rapport door een deskundige zou dienen te worden uitgebracht, ligt besloten het oordeel dat verzoeker door het achterwege blijven van een nader deskundigenbericht niet in zijn belangen kan zijn geschaad."

In HR 1 juli 1994, NJ 1994, 721 m.nt. JdB onder nr. 723, werd een voorlopige machtiging gevorderd en ook daar verzocht de betrokkene om een contra-expertise. De rechtbank weigerde het verzoek in te willigen met de motivering dat alle opeenvolgende psychiaters waarmee betrokkene in aanraking is gekomen dezelfde mening zijn toegedaan omtrent de diagnose (schizofrenie). De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de overweging dat in het oordeel van de rechtbank besloten ligt "dat verzoeker door het achterwege blijven van een nader deskundigenbericht niet in zijn belangen kan zijn geschaad".

2.14. De Hoge Raad past dus het criterium voor het wel of niet toestaan van een verzoek om een bepaalde, door betrokkene aangewezen deskundige ter zitting te horen toe op een verzoek aan de rechtbank om gebruik te maken van haar bevoegdheid een deskundige te benoemen en aan deze een onderzoeksopdracht te verstrekken. In zijn bespreking van een serie Bopz-uitspraken (NJ 1994, 723, onder k) leidt J. de Boer uit deze beschikkingen af dat de maatstaf van art. 8 lid 6, tweede volzin, Wet Bopz moet worden gehanteerd, óók wanneer de betrokkene ongespecificeerd verzoekt om een nader deskundigenbericht. In NJB 1994, blz. 222, spreekt De Boer in dit verband van "een echte verandering" ten opzichte van de jurisprudentie onder de vroegere Krankzinnigenwet.

2.15. Ook uit HR 16 mei 1997, nr. 8985, BJ 1997, 257, blijkt dat de Hoge Raad dit criterium toepast. De Hoge Raad verwierp een klacht over het niet-gelasten van een contra-expertise met deze overweging:

"Uit het proces-verbaal (...) blijkt dat de raadsman het verzoek heeft gedaan "in verband met onduidelijkheid van het ziektebeeld" en zonder opgave van een bepaalde deskundige. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de psychische stoornis afdoende is gebleken. Hierin ligt het oordeel besloten dat voldoende duidelijkheid betreffende het ziektebeeld van verzoeker bestaat, zodat verzoeker door het achterwege blijven van een nader deskundigenbericht niet in zijn belangen kan zijn geschaad. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd."

2.16. De Wet Bopz staat op zich niet eraan in de weg dat de maatstaf voor de beoordeling van verzoeken als bedoeld in de tweede volzin van art. 8 lid 6 overeenkomstig wordt toegepast op een verzoek aan de rechtbank om gebruik te maken van haar bevoegdheid ingevolge de eerste volzin van art. 8 lid 6. Er zijn inderdaad gevallen waarin de rechtbank veilig kan aannemen dat de betrokkene door het achterwege blijven van de verzochte contra-expertise niet in zijn belangen kán worden geschaad(21). De maatstaf, dat betrokkene door het achterwege blijven van het verzochte tegenonderzoek redelijkerwijs niet in zijn belangen kán zijn geschaad, maakt het voor de rechter dikwijls erg moeilijk een contra-expertise te weigeren: de rechter mag immers geen prognose geven van het resultaat van het verzochte tegenonderzoek. De praktijk zoekt daarom naar wegen om geen gevolg te hoeven geven aan slecht onderbouwde of zelfs willekeurige verzoeken om contra-expertise. Met name Dijkers heeft zich met dit vraagstuk beziggehouden(22). Hij is van mening dat de formulering van het afwijzingscriterium in het zesde lid van art. 8 niet gelukkig is: het voorschrift in de huidige vorm leidt z.i. tot gekunstelde, innerlijk tegenstrijdige beslissingen. Hij bepleit artikel 8 lid 6 "zo uit te leggen dat hier de rechter wordt voorgeschreven dat concrete suggesties voor relevant nader onderzoek zo enigszins mogelijk moeten worden gevolgd voordat de beslissing valt" (diss. blz. 287; cursivering toegevoegd, A-G).

2.17. Oorzaak van de narigheid is mijns inziens dat in één artikellid uiteenlopende gevallen zijn geregeld. De eerste volzin van art. 8 lid 6 komt overeen met hetgeen thans in art. 194 Rv is bepaald. De tweede en derde volzin geven een bijzondere regel voor hetgeen thans in art. 200 Rv is bepaald. Ik zal proberen dit hieronder uit elkaar te trekken:

ad art. 8 lid 6, tweede en derde volzin:

* Wanneer de betrokkene in een Bopz-machtigingsprocedure een bepaalde(23) getuige of deskundige door de rechter wil laten horen in het kader van de mondelinge behandeling van het verzoek van de officier van justitie, behoort die getuige of deskundige te worden opgeroepen tenzij de rechter van oordeel is dat door het achterwege blijven daarvan de betrokkene redelijkerwijs niet in zijn belangen kan zijn geschaad(24). Indien de rechter een opgegeven deskundige of getuige niet heeft opgeroepen, vermeldt hij de reden daarvan in zijn beschikking.

* Wanneer de betrokkene verzoekt een bepaalde psychiater als deskundige door de rechter te laten horen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling, mag in het algemeen - tenzij het zou gaan om informatie die niet specifiek op deze patiënt betrekking heeft - worden aangenomen dat betrokkene daarbij geen belang heeft als die psychiater hem niet eerst heeft onderzocht. Ten aanzien van een verzoek om een nieuw psychiatrisch onderzoek geldt het onderstaande.

ad artikel 8 lid 6, eerste volzin:

Wanneer de betrokkene aan de rechter verzoekt om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een deskundige te benoemen en door deze rapport te laten uitbrengen na de betrokkene te hebben onderzocht - dat kan zijn: een schriftelijk rapport, een mondelinge rapportage ter terechtzitting of een combinatie van beide -, zijn twee wijzen van benadering voorstelbaar:

(i) in de eerste benaderingswijze past de rechter het criterium van de tweede volzin van art. 8 lid 6 overeenkomstig toe. Toetssteen is dan: of de betrokkene door het achterwege blijven van het verzochte tegenonderzoek redelijkerwijs niet in zijn belangen kan zijn geschaad. Wanneer de rechter toch enige selectie wenst, zit er niet veel anders op dan dat de rechter eisen stelt ten aanzien van de motivering en de onderbouwing van het verzoek om een contra-expertise.

(ii) in de tweede benaderingswijze heeft de rechter, overeenkomstig de maatstaf die in het algemeen in civiele procedures geldt, een discretionaire bevoegdheid om zich al dan niet door deskundigen nader te laten voorlichten (zie alinea 2.2 hiervoor), maar worden op grond van de ingrijpende aard van een Bopz-machtiging verhoogde motiveringseisen gesteld aan de afwijzing van het verzoek om een contra-expertise.

In beide benaderingswijzen geldt, dat de rechter in elk geval niet zonder enige motivering aan het verzoek om een contra-expertise mag voorbijgaan.

2.18. Tegen elke keuze valt iets in te brengen. Indien de rechter een strenge maatstaf hanteert (de eerste benaderingswijze), zou een verzoek om een contra-expertise vrijwel steeds ingewilligd moeten worden. Indien de rechter dit probeert te vermijden en eisen stelt ten aanzien van de motivering en onderbouwing van het verzoek om een contra-expertise, stuit hij vroeg of laat op het probleem dat de patiënt soms niet in staat is het verzoek te onderbouwen. Wanneer in een geneeskundige verklaring van bepaalde feiten is uitgegaan (bijv. dat betrokkene al twee keer eerder gedwongen opgenomen is geweest, dat hij zijn buren met een mes heeft bedreigd e.d.) en de betrokkene het daarmee niet eens is, is hij doorgaans nog wel in staat zijn betwisting van die feitelijke uitgangspunten met argumenten te onderbouwen. Gaat het echter om een medisch oordeel, dan vormt de eis van nadere onderbouwing van het verzoek een hoge drempel: wat kan de betrokkene in zo'n geval méér doen dan vragen of een andere psychiater er nog eens naar mag kijken? Hoewel in het cassatiemiddel geen beroep is gedaan op art. 6 EVRM, raakt het vraagstuk tot op zekere hoogte aan de equality of arms(25).

2.19. Het bezwaar dat tegen een soepel criterium (de tweede benaderingswijze) kan worden ingebracht, is dat het weinig richting geeft. Het is gemakkelijk gezegd dat de rechterlijke beslissing aan verhoogde motiveringseisen moet voldoen, maar wat betekent dat in concreto? Mijns inziens hangt dit vooral af van het thema van onderzoek. Ik bespreek enkele mogelijkheden:

* Wanneer de feitelijke uitgangspunten waarop de geneeskundige verklaring berust worden betwist, is een volledig nieuw psychiatrisch onderzoek niet altijd nodig. In zo'n geval kan de rechter de bewiste feiten onderzoeken en daarna toelichting vragen aan de niet bij de behandeling betrokken psychiater die het voorafgaande onderzoek heeft verricht of een second opinion van een andere psychiater vragen(26).

* Wanneer niet wordt betwist dát er sprake is van een stoornis van de geestvermogens die betrokkene gevaar doet veroorzaken, maar alleen de juiste diagnose ter discussie staat ("is dit schizofrenie, paranöide type, of een andere stoornis?") is het meningsverschil van belang voor de invulling van het behandelingsplan, maar in veel mindere mate voor de beoordeling of een machtiging kan worden verleend.

* Wanneer het verzoek om een contra-expertise samenhangt met de betwisting dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens en daarmee de juistheid van de diagnose in twijfel wordt getrokken, zal de rechter moeten vaststellen of voldaan is aan dit wettelijke vereiste voor een machtiging. Dit zal in de regel ertoe leiden dat de rechter een deskundige moet benoemen: de rechter mist zelf de medische deskundigheid die nodig is om de juistheid van de betwiste diagnose in de geneeskundige verklaring te beoordelen. Wordt de juistheid van de diagnose in de geneeskundige verklaring evenwel bevestigd door ander bewijs, dan kan de rechter met behulp van die andere bewijsmiddelen aan de verhoogde motiveringseis voldoen. Men zie het geval van HR 16 mei 1997, waarin voldoende duidelijkheid over het ziektebeeld bestond.

* De beoordeling of sprake is van "gevaar" in de zin van de Wet Bopz is uiteindelijk een juridisch oordeel. Medische expertise kan dit oordeel ondersteunen, maar het medisch oordeel is niet beslissend. Wanneer de gevraagde contra-expertise alleen betrekking heeft op het te vrezen gevaar, heeft de rechter m.i. ruimere mogelijkheden om het verzoek om contra-expertise af te wijzen dan wanneer de stoornis van de geestvermogens wordt bestreden.

* Hoewel in deze zaak niet aan de orde gesteld, zij volledigheidshalve vermeld dat een verzoek om een contra-expertise ook kan worden gedaan met betrekking tot een ander vereiste in de Wet Bopz, te weten: kan het gevreesde gevaar door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis worden afgewend?

2.20. Vanwege de variatie van gevallen waarin een verzoek om contra-expertise kan worden gedaan, heb ik een lichte voorkeur voor de tweede benaderingswijze (dus: een soepel criterium met een verhoogde motiveringseis). Na deze beschouwing keer ik terug naar het middelonderdeel. In de onderhavige zaak is niet het verzoek gedaan om een bepaalde deskundige op te roepen en ter zitting te horen. Het gaat in deze zaak om een verzoek aan de rechtbank om gebruik te maken van haar bevoegdheid een deskundige te benoemen en door deze (schriftelijk of mondeling) verslag te laten uitbrengen. De eerste volzin van art. 8 lid 6 Wet Bopz is hierop van toepassing.

2.21. In de geneeskundige verklaring is de diagnose "schizofrenie, paranoïde type" gesteld. In rubriek 3.d van de geneeskundige verklaring is vermeld dat betrokkene vanaf 1992 bekend is met deze aandoening; sinds die tijd is hij minstens driemaal vanwege een acute psychose onder dwang in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen geweest, de laatste keer in 2004, waarbij het staken van de medicatie op eigen initiatief volgens de geneeskundige verklaring een grote rol heeft gespeeld. Door of namens betrokkene zijn deze feiten niet bestreden. Zij vinden bevestiging in de overgelegde ontslagbrief d.d. 23 april 2004, die een samenvatting van de medische voorgeschiedenis geeft, waarvan de feitelijke juistheid evenmin door of namens betrokkene ter discussie is gesteld.

2.22. De rechtbank heeft niet met zoveel woorden vastgesteld dat betrokkene door het achterwege blijven van de verzochte contra-expertise redelijkerwijs niet in zijn belangen kan zijn geschaad. De motivering houdt in dat de diagnose ook in een ander ziekenhuis door een onafhankelijk arts is gesteld. Eerder, in de vierde rechtsoverweging, vermeldt de rechtbank dat de psychiater ([betrokkene 2]) heeft medegedeeld achter de gestelde diagnose te staan, die ook in een ander ziekenhuis door een onafhankelijk psychiater is bevestigd. In het cassatieverzoekschrift wordt verondersteld dat de rechtbank hiermee doelt op de opname van betrokkene in het AMC in 1995. Blijkens het proces-verbaal heeft psychiater [betrokkene 2] bij de rechtbank verklaard dat betrokkene lijdt aan schizofrenie, paranoïde type, dat betrokkene in 1992 voor het eerst psychotisch was en dat de diagnose later, tijdens een opname in het AMC, is bevestigd(27). In de toelichting op de klacht wordt de nadruk gelegd op de omstandigheid dat het oordeel van de psychiater in het AMC dateert van negen jaar geleden.

2.23. Dit tijdsargument lijkt op het eerste gezicht sterk, maar is het niet, omdat het eerdere oordeel kan worden opgevat als bevestiging van een consistent ziektebeeld. Uit de ontslagbrief d.d. 23 april 2004 valt af te leiden dat betrokkene in 1992 gedwongen opgenomen is geweest wegens "geagiteerd maniform toestandsbeeld met grootheidswanen en paranoïdie"; in 1995 volgde een opname in het AMC, waar de diagnose schizofrenie is gesteld; vervolgens is betrokkene vanaf 1995 ambulant in behandeling geweest en stabiel gebleven tot hij vanaf oktober 2003 medicatie weigerde; van 30 maart tot 23 april 2004 is betrokkene op grond van een inbewaringstelling opgenomen geweest in verband met psychotische decompensatie na het staken van zijn depotmedicatie. De diagnose uit 1995 (schizofrenie) stemt overeen met die in de geneeskundige verklaring (van de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1]) en wordt, naar de rechtbank in de beschikking vermeldt, door de behandelend psychiater ([betrokkene 2]) onderschreven. Kennelijk heeft de rechtbank voldoende duidelijkheid omtrent het ziektebeeld aanwezig geacht. In zoverre heeft deze casus verwantschap met die, welke in HR 16 mei 1997 werd berecht (zie alinea 2.15 hiervoor).

2.24. De slotsom is dat onderdeel I niet tot cassatie behoeft te leiden. Op zich is motivering dragend: het betwiste medisch oordeel wordt bevestigd door een ander medisch oordeel. Een betrokkene kan wel verlangen dat nog door een derde of een vierde psychiater onderzoek wordt verricht, maar op enig moment houdt het op.

2.25. Onderdeel II klaagt, kort gezegd, dat uit de bestreden beschikking onvoldoende blijkt welk gevaar de rechtbank voor ogen heeft gehad. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden voorgesteld dat de rechtbank in haar beschikking heeft aangegeven om welk gevaar het gaat: (a) dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat, (b) dat betrokkene door zijn hinderlijk gedrag agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen en (c) dat betrokkene een ander ernstig letsel zal toebrengen. Dit oordeel vindt steun in rubriek 4.d van de geneeskundige verklaring. Als toelichting is daar vermeld:

"Reeds eerder is gebleken dat betrokkene zijn medicatie staakt, wanneer er geen dwang aanwezig is, en decompensaties hiervan het gevolg zijn. Betrokkene toont ook nu geen enkel ziekte-inzicht, bagatelliseert de toedracht van zijn eerdere opnames en kondigt aan dat hij zijn medicatie wil staken, hetgeen zonder machtiging zeker zal gebeuren. De voorgeschiedenis leert dat staken van deze medicatie leidt tot psychotische episodes die genoemd gevaar teweeg brengen."

2.26. Blijkens de laatste alinea van het middelonderdeel acht betrokkene de motivering ontoereikend omdat de rechtbank niet heeft gepreciseerd wat het onder a, b en c bedoelde gevaar inhoudt, en evenmin blijkt waarom de rechtbank het gevaar zo ernstig acht dat een vrijheidsbenemende maatregel nodig is. Ik zal niet alle passages uit de gedingstukken, aangehaald in het middelonderdeel, herhalen. Naar mijn mening is in elk geval voor wat betreft het onder a bedoelde gevaar voldoende duidelijk waarop de rechtbank hier het oog heeft gehad. Voor wat betreft het onder b en c bedoelde gevaar ligt in de rede dat de rechtbank het oog heeft gehad op het gevaar dat aanleiding is geweest voor de inbewaringstelling in 2004: "IBS ivm dreiging en agressief gedrag naar anderen", resp. "man, opgenomen met een IBS i.v.m. dreiging na omstanders, die psychotisch decompenseerde na het staken van zijn depotmedicatie"(28). De afweging van de ernst van het gevaar is te zeer verweven met de beoordeling van de feiten om in cassatie op juistheid te kunnen worden onderzocht. Niet kan worden gezegd dat uit de motivering niet kan worden opgemaakt welk gevaar de rechtbank heeft bedoeld.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Vaste rechtspraak. Zie onder meer: HR 11 november 1977, NJ 1978, 589 m.nt. WK; HR 20 mei 1988, NJ 1988, 779; HR 12 april 1991, NJ 1991, 434; HR 13 januari 1995, NJ 1995, 391 m.nt. DWFV.

2 Het horen van een deskundige kan de beslistermijn van art. 9 lid 1 Wet Bopz in gevaar brengen. Om die reden is in art. 48 lid 2 bepaald dat de geneesheer-directeur hangende het onderzoek van de rechter geen ontslag verleent indien de rechter de beschikking niet binnen de gestelde termijn heeft gegeven ten gevolge van het horen van een deskundige op verzoek van de betrokken patiënt.

3 Kamerstukken II 1970/71, 11 270, nr. 2: art. 8 lid 3.

4 Kamerstukken II 1979/80, 11 270, nr. 14: art. 6 lid 5.

5 Kamerstukken II 1982/83, 11 270, nr. 109 (nadien vervangen door nr. 127).

6 Alles: verslag UCV 26 september 1983, blz. 2-20 (leden Van Es, Van Galen, Cornelissen).

7 Verslag UCV 26 september 1983, blz. 2-38.

8 Handelingen II 15 november 1983, blz. 1161. Door een novelle (wet van 29 oktober 1992, Stb. 670; kamerstukken 21 239) is de bepaling, met een grammaticale wijziging, verplaatst naar artikel 8.

9 Kamerstukken II 1982/83, 11 2709, nr. 54, later vervangen door amendement nr. 132 onderscheidenlijk amendement nr. 154, luidende: "Indien de betrokkene daarom verzoekt, beveelt de rechter, tenzij hij van oordeel is dat door het achterwege blijven daarvan de betrokkene redelijkerwijs niet in zijn belangen kan zijn geschaad, een onderzoek door een psychiater, niet zijnde degene die de in artikel 14 bedoelde mededeling heeft gedaan, of een geval als bedoeld in artikel 13 zich voordoet. Indien de rechter geen gevolg heeft gegeven aan een verzoek als bedoeld in de vorige volzin, vermeldt hij de reden daarvan in de beschikking".

10 Handelingen II 20 oktober 1983, blz. 631.

11 UCV 26 september 1983, blz. 2-26, 2-40 en 2-41; Handelingen II 20 oktober 1983, blz. 631 en 652; Handelingen II 15 november 1983, blz. 1162.

12 De noodzaak van een psychiatrisch onderzoek vloeit mede voort uit Europese jurisprudentie ("objective medical expertise"); zie onder meer EHRM 24 oktober 1979 (Winterwerp), NJ 1980, 114 m.nt. EAA, rov. 39; HR 21 februari 2003, NJ 2003, 484 m.nt. JdB, alwaar verdere verwijzingen.

13 Zie hierover: W. Dijkers, NJB 1998, blz. 72-73.

14 Zie art. 1, lid 1 onder b en lid 3, in verbinding met art. 14-16, van de Wet tarieven in strafzaken. Art. 225 lid 3 (oud) Rv in verbinding met art. 223 lid 2 (oud) Rv - thans art. 199 lid 3 in verbinding met art. 195 Rv - bevatte een enigszins vergelijkbare regel.

15 Kamerstukken II 1998/99, 26 527, nr. 4, blz. 5-6: "In feite zouden uitgaven waarover het hier gaat in een beschaafd rechtssysteem door de Staat gedragen moeten worden."

16 MvA, Kamerstukken II 1999/00, 26 527, nr. 5, blz. 9.

17 Kamerstukken II 1999/00, 26 527, nr. 11, ter vervanging van amendement nr. 9, dat sprak van "kosten van getuigen en deskundigen die voortvloeien uit een door de rechtbank gegeven opdracht". De aanvankelijke formulering gaf aanleiding tot enig misverstand, omdat wanneer de rechter ambtshalve besluit tot het doen verrichten van een deskundigenonderzoek de kosten daarvan hoe dan ook voor rekening van het Rijk blijven. Het amendement is mondeling toegelicht op 3 februari 2000, Handelingen II 45-3359; zie voor het vervolg: blz. 45-3380 en 3381; blz. 45-3392/93, waarna het amendement door de Tweede Kamer is aanvaard (zie blz. 46-3418).

18 Handelingen II 3 februari 2000, blz. 45-3392.

19 Art. 810a Rv houdt, kort gezegd, in dat de rechter op verzoek van de ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. In zodanige zaken wordt het bedrag van de deskundige door de rechter vastgesteld en ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald. Van de ouder kan een bijdrage worden verlangd overeenkomstig bij AMvB te stellen regels.

20 HR 14 januari 1983, NJ 1983, 496; HR 10 februari 1984, NJ 1986, 793; HR 31 augustus 1984, NJ 1985, 53 (kopje); HR 14 maart 1986, NJ 1986, 529; HR 22 augustus 1986, NJ 1986, 794; HR 7 november 1986, NJ 1987, 208; HR 18 oktober 1991, NJ 1992, 2.

21 Een voorbeeld is HR 24 juli 1995, nr. 8706 (R 95/079; n.g.), waarin de rechtbank had vastgesteld dat het verzoek om ontslag uit het ziekenhuis uitsluitend was gegrond op de wens te gaan samenwonen en dat dit onvoldoende grond opleverde om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

22 W.J.A.M. Dijkers, Doen en laten in de Bopz-machtigingsprocedure, diss. 2003, blz. 284-288; zie ook: losbl. De Wet Bopz, aant. 6.4 op art. 8 (Dijkers).

23 Bepaalde kan hier worden gelezen als: bepaalbaar. Dat wil zeggen: met naam en adres aangeduid, althans op zo'n wijze aangeduid dat de rechter hieruit kan begrijpen welke getuige of deskundige is bedoeld. Voldoende kan bijvoorbeeld zijn: "de psychiater die mij vorig jaar maart in het AMC heeft onderzocht". Op dezelfde wijze kan de betrokkene ook de psychiater wiens geneeskundige verklaring aan het verzoek van de officier van justitie ten grondslag ligt, als deskundige ter zitting laten horen.

24 Hiervan kan sprake zijn indien de betrokkene een getuige of deskundige wil horen over een thema dat in de machtigingsprocedure niet aan de orde is of indien de betrokkene een willekeurige naam noemt. Dijkers (diss. blz. 287) waarschuwt dat juist psychiatrische patiënten wel eens een verzoek kunnen doen dat, ware het niet ingegeven door de geestesstoornis, betiteld zou moeten worden als misbruik van het recht om getuigen en deskundigen te doen horen.

25 EHRM 6 mei 1985 (Bonisch), NJ 1989, 385 m.nt. PvD; EHRM 18 maart 1997 (Mantovanelli), NJ 1998, 278 m.nt. HJS.

26 Art. 8 lid 4 Wet Bopz biedt de rechter ruime mogelijkheden voor informeel (bijv. telefonisch) inwinnen van inlichtingen. Vereist is wel, dat betrokkene en zijn raadsman of raadsvrouw in de gelegenheid worden gesteld van die inlichtingen kennis te nemen en daarop te reageren.

27 De opname in het AMC in 1995 is ook vermeld op blz. 1 van de ontslagbrief d.d. 23 april 2004.

28 Citaten ontleend aan de meergenoemde ontslagbrief d.d. 23 april 2004, blz. 1 en 3.