Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS5959

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
13-05-2005
Zaaknummer
R04/086HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS5959
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

13 mei 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/086HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. K.T.B. Salomons, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: M.H. van der Woude. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 283
JWB 2005/189
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R04/086HR

mr. L. Timmerman

Parket 11 februari 2005

Conclusie in

[de vrouw]

tegen

[de man]

1. Feiten en procesverloop

1.1 Partijen zijn op 21 juli 1995 gehuwd. Uit hun huwelijk zijn drie kinderen geboren: [kind 1] op [geboortedatum] 1996, [kind 2] op [geboortedatum] 1998 en [kind 3] op [geboortedatum] 2001. De kinderen verblijven bij de vrouw.

1.2 De vrouw heeft een echtscheidingsverzoek ingediend en voorlopige voorzieningen gevraagd. De rechtbank te Utrecht heeft bij beschikking van 9 april 2002 in het kader van de voorlopige voorzieningen bepaald dat de man voor de kinderen een bijdrage dient te betalen van € 453,78 per kind per maand en voor de vrouw € 907,56 per maand. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.

1.3 Bij beschikking van 7 augustus 2002 (rekestnummer 141946) heeft de rechtbank te Utrecht vervolgens de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de door de man per kind te betalen bijdrage vastgesteld op € 415,- per maand. De beslissing omtrent de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw is door de rechtbank aangehouden, omdat deze nauw verwant is aan de vaststelling en verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de beslissing daarover, wegens onvoldoende informatie, ook werd aangehouden.

1.4 Tegen deze beschikking is zowel de man, die bezwaren had tegen de hoogte van de vastgestelde kinderalimentatie, als de vrouw, die daartegen ook bezwaren had en zich daarnaast verzette tegen de beslissing tot echtscheiding, in hoger beroep gekomen (rekestnummers 200201054 en 200201055).

1.5 Op 7 januari 2003 is het verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen voor de rechtbank te Utrecht (rekestnummer 141946) voortgezet. In het proces-verbaal van die zitting is het volgende opgenomen:

"De man biedt aan om voorlopig tot nader wordt beslist aan de vrouw een zodanig bedrag aan partneralimentatie te betalen dat zij er niet op achteruit gaat als de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven. Nu de definitieve kinderalimentatie lager is dan het in de voorlopige voorzieningen vastgestelde bedrag, stelt de man voor het verschil tussen deze bedragen gebruteerd bij de voorlopige partneralimentatie op te tellen. De man is bereid deze bijdrage te betalen opdat de echtscheidingsbeschikking zo snel mogelijk kan worden ingeschreven."

1.6 In haar beschikking van 19 februari 2003 (rekestnummer 141946) heeft de rechtbank beslist dat de man, vanaf de datum waarop de beschikking van 7 augustus 2002 in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven, voorlopig, totdat daarover nader zal worden beslist, € 1.140,- per maand aan de vrouw voor haar levensonderhoud dient te betalen.

1.7 Tegen deze beschikking is de man op 19 mei 2003 in beroep gekomen (rekestnummer 200300506). In zijn beroepschrift is onder meer het volgende opgenomen:

"Als gevolg van het hoger beroep van de vrouw tegen de echtscheiding stagneert de verdere behandeling van de zaak bij de rechtbank Utrecht. Teneinde de medewerking van de vrouw te krijgen wat betreft de inschrijving van de echtscheiding heeft de man zich tijdens de vervolgzitting van de rechtbank Utrecht op 7 januari 2003 bereid verklaard naast de 3x € 415 per maand voor zijn kinderen € 1.140 per maand alimentatie voor de vrouw zelf te betalen in plaats van de € 907,56 die als voorlopige voorziening was gesteld. (...)

Nu de man echter heeft moeten ervaren dat zijn bereidheid terzake totaal geen effect heeft gehad op de bereidheid van de vrouw mee te werken aan de inschrijving van de echtscheiding en nu bovendien uw hof heeft besloten het hoger beroep tegen de echtscheiding als zodanig los te koppelen van de beide hoger beroepen tegen de hoogte van de kinderalimentatie en die pas later te behandelen, heeft de man besloten alsnog in hoger beroep te komen tegen de beschikking van de rechtbank Utrecht d.d. 19 februari 2003. Had de man geweten dat de vrouw zich ondanks de € 1.140 per maand zou blijven verzetten tegen de inschrijving van de echtscheiding, dan had hij zich nooit bereid verklaard dit bedrag na de echtscheiding te gaan betalen.

Het lijkt de man dan ook praktischer dat zowel de alimentatie voor de vrouw als de hoogte van de kinderbijdrage gelijktijdig door uw hof behandeld en beoordeeld worden en daarover in één beschikking in hoger beroep een beslissing wordt genomen."

1.9 De vrouw heeft in een verweerschrift in hoger beroep primair betoogd dat de man in dit beroep niet ontvankelijk is, omdat er sprake is van een voorlopige afspraak en niet van de eindbeslissing. Subsidiair heeft zij uiteengezet dat en waarom zij behoefte heeft aan de alimentatie zoals door de rechtbank voorlopig was vastgesteld.

1.10 Op 21 mei 2003 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep met betrekking tot de echtscheiding tussen partijen plaatsgevonden (rekestnummer 200201054). In het proces-verbaal van die zitting is onder meer het volgende opgenomen:

"Partijen verklaren voorts te zijn overeengekomen dat de echtscheiding zal worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 1 augustus 2003.

Partijen verklaren voorts te zijn overeengekomen dat met betrekking tot de verdeling van de gemeenschappelijke boedel diezelfde datum, 1 augustus 2003, zal gelden niet alleen als peildatum voor de omvang van die boedel doch ook als peildatum voor de waardering van die boedel. Zij zijn voorts overeengekomen om tezamen één deskundig registeraccountant te benoemen in de persoon van [betrokkene 1] (...) teneinde de waarde van de onderneming van partij [...] vast te stellen."

1.11 Bij beschikking van 12 juni 2003 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 7 februari 2002 ten aanzien van het uitspreken van de echtscheiding bekrachtigd.

1.12 Op 15 april 2004 heeft het hof een beschikking gewezen in alle hoger beroepszaken (rekestnummers 200201054, 200201055 en 200300506), waarin het kort gezegd heeft geoordeeld dat de man aan de vrouw geen alimentatie hoeft te betalen en voor kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen € 350,- per kind per maand moet betalen.

1.13 Tegen die beschikking is de vrouw met een uit vier onderdelen bestaand middel in cassatie gekomen.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het eerste onderdeel is gericht tegen het in rov. 4.1 en 4.2 van de bestreden beschikking gemotiveerde oordeel dat de man ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de op 19 februari 2003 door de rechtbank gewezen beschikking. Het hof had daarbij, mede gelet op de vraag of de man bij dat beroep een rechtens te respecteren belang had, niet voorbij mogen gaan aan het verweer van de vrouw dat de beslissing van de rechtbank tot stand was gekomen op basis van een aanbod van de man, aldus het onderdeel.

2.2 Onderdeel I wordt tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft allereerst en in cassatie onbestreden vastgesteld dat het hoger beroep een eindbeschikking betreft waarbij voor een beperkte periode een voorlopige voorziening werd opgelegd. De klacht dat het hof geen aandacht heeft besteed aan het verweer van de vrouw dat de man geen redelijk belang bij zijn hoger beroep had, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in r.o. 4.2 met zoveel woorden overwogen dat de door de man bestreden beschikking van de rechtbank Utrecht is tot standgekomen op basis van een aanbod van de man. Vervolgens heeft het hof uiteengezet waarom het in het belang van beide partijen is dat de man in zijn hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard. Hiermee heeft het hof aan het betrokken verweer van de vrouw in voldoende mate aandacht besteed.

2.3 Het tweede en derde onderdeel bevatten klachten met betrekking tot de wijze waarop het oordeel dat de man voor de verzorging en de opvoeding van de kinderen een bedrag van € 350 per kind per maand moet betalen is gemotiveerd. Allereerst klaagt de vrouw erover dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het netto gezinsinkomen heeft vastgesteld op € 5.500,- en de behoefte van de kinderen op € 1.675,-, terwijl de rechtbank deze op € 6.000,- resp. € 1.875,- had vastgesteld. Voorts wordt volgens middelonderdeel III onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop het bedrag van € 1.675,- in verband met de kinderen over partijen wordt verdeeld, nu daarbij eveneens van de door de rechtbank voorgestelde verdeling van 2/3 staat tot 1/3 wordt afgeweken.

2.4 Het door het hof vastgestelde netto gezinsinkomen van € 5.500,- per maand dient te worden beoordeeld in het licht van de door het hof in onderdeel 2 van zijn beschikking vastgestelde feiten. Uitgaande van een bruto maandinkomen van de man van € 4.922,- exclusief vakantiegeld en tantième en een bruto maandinkomen van de vrouw van € 4.000,- is een vaststelling van het netto gezinsinkomen van € 5.500,- niet onbegrijpelijk. Als vervolgens dit lagere netto gezinsinkomen dan de rechtbank had vastgesteld tot uitgangspunt wordt genomen, is het niet onbegrijpelijk dat het hof vervolgens ook de behoefte van de kinderen op een lager bedrag dan de rechtbank heeft vastgesteld. Het is hierbij alleszins begrijpelijk dat het hof de schuldenproblematiek van het betrokken gezin die het hof in onderdeel 2 van zijn beschikking heeft gereleveerd heeft meegewogen. Deze vermindert, hoe men het ook wendt of keert, uiteindelijk het bedrag dat aan kinderen besteed kan worden.

2.5 Onderdeel IV, ten slotte, klaagt over de motivering van het oordeel dat de vrouw geen behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud van de man. Niet alleen is niet duidelijk hoe het hof tot de conclusie is gekomen dat de vrouw behoefte heeft aan € 2.145,- per maand, ook is volstrekt onduidelijk dat zij daarover, haar jaarinkomen van € 53.837,- bruto en de in het arrest opgesomde lasten in achtnemend, zou beschikken en bovendien zou daarbij geen rekenschap zijn gegeven dat de vrouw blijkens de beschikking ook nog geacht wordt een bedrag van € 615,- te besteden aan de verzorging en de opvoeding van de kinderen.

2.6 Uitgaande van de vaststellingen van het hof in r.o. 5.3 van zijn bestreden beschikking is heeft het hof voldoende duidelijk gemaakt op welke wijze het de behoefte van de vrouw op € 2.145,- heeft vastgesteld.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederland