Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS5958

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
03-06-2005
Zaaknummer
R04/075HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS5958
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

3 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/075HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 318
JWB 2005/200
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R04/075HR

mr. L. Timmerman

Parket 4 februari 2005

Conclusie in

[de man]

tegen

[de vrouw]

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Bij beschikking van 9 oktober 2000 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage tussen partijen (hierna: de man, respectievelijk de vrouw), met elkaar gehuwd op 31 augustus 1964, de echtscheiding uitgesproken. Op 7 december 2000 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2 De rechtbank heeft in die beschikking de man veroordeeld om aan de vrouw maandelijks een bijdrage in haar levensonderhoud te betalen van f. 8.870,-- (€ 4.025,03), bij vooruitbetaling te voldoen, conform partijen ter zitting op 18 september 2000 overeenkwamen.

1.3 In hun echtscheidingsconvenant(2), ondertekend op 6 en 18 september 2001 is het volgende artikel 1.1 opgenomen:

"bij beschikking van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage d.d. 9 oktober 2000 is de door partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ad f 8.870,= per maand vastgelegd. Partijen zijn deze alimentatie tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen. De man was ten tijde van het overeenkomen van de alimentatie alleenstaand. De alimentatie kan, in geval van wijziging van omstandigheden, op verzoek van ieder der partijen worden gewijzigd. Wanneer het partijen niet lukt in overleg overeenstemming over een eventuele wijziging te bereiken zal de rechtbank worden gevraagd te beoordelen of een wijziging op grond van de geldende normen redelijk is en eventueel een nieuw bedrag vast te stellen:"

1.4 Op 23 oktober 2002 heeft de man de rechtbank te Rotterdam verzocht - uitvoerbaar bij voorraad - de aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 mei 2002 vast te stellen op € 2.575,- per maand, althans op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht. Hij heeft daaraan kort gezegd ten grondslag gelegd dat zijn draagkracht is afgenomen omdat hij hogere woonlasten heeft en opnieuw gehuwd is.

1.5 De vrouw heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd. Zij heeft kort gezegd aangevoerd dat de draagkracht van de man niet is gewijzigd, en, als dat al het geval zou zijn, dat niet is veroorzaakt door het nieuwe huwelijk, maar door de verhuizing, waartoe geen enkele noodzaak bestond. Voorts voert zij aan dat de huidige (geïndexeerde) alimentatie al niet aan haar behoefte voldoet, laat staan dat deze ook nog naar beneden kan worden bijgesteld.

1.6 In haar beschikking van 10 april 2003 heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie bepaald op € 3.000,- per maand.

1.7 De vrouw is op 9 juli 2003 van die beschikking in hoger beroep gekomen. De man heeft op 6 oktober 2003 een verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appèl ingediend.

1.8 Bij beschikking van 10 maart 2004 heeft het hof de beschikking van 10 april 2003 van de rechtbank te Rotterdam vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie bepaald op € 4.000,- per maand.

1.9 De man heeft tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van een uit drie onderdelen bestaand middel van cassatie. De vrouw is in cassatie niet verschenen.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het eerste onderdeel is gericht tegen hetgeen het hof omtrent de feiten onderaan blz. 2 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld:

"Zijn echtgenote heeft per maand een netto inkomen uit loon van € 847,- volgens de salarisspecificatie van december 2003"

De klacht houdt in dat de vaststelling dat het om een netto inkomen gaat op een kennelijk vergissing berust, nu niet alleen uit de genoemde loonstrook, maar ook uit de overgelegde loonstroken over juni en september van 2003 volgt dat het loon van de (huidige) echtgenote van de man € 847,- bruto bedroeg.

2.2 Hoewel deze klacht terecht is voorgesteld, kan deze niet tot cassatie leiden. Zelfs als van een bruto bedrag moet worden uitgegaan en het netto-inkomen van de echtgenote € 734,- per maand bedraagt, zoals de man in het inleidende verzoekschrift(4) heeft gesteld, zou dat, gelet op de bij het Tremarapport opgenomen Tarieven en tabellen(5) niets hebben afgedaan aan het oordeel van het hof dat de echtgenote behoudens de woonlasten in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

2.3 Onderdeel 2 richt een rechtsklacht tegen hetgeen het hof met betrekking tot de behoefte van de vrouw heeft overwogen:

"6. Het hof is van oordeel dat er geen wijziging is opgetreden in de alimentatiebehoefte van de vrouw sedert de echtscheiding. Toen waren partijen het er over eens dat de vrouw behoefte aan alimentatie had. Dat geldt naar het oordeel van het hof onverkort, nu de man geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot een wijziging van de behoefte van de vrouw leiden. Bovendien is, gelet op de duur van het huwelijk en de traditionele rolverdeling daarin, de verdiencapaciteit van de vrouw door het huwelijk negatief beïnvloed. Thans is de vrouw 59 jaar oud en is het, mede gezien de zware taak van de dagelijkse zorg voor de gehandicapte dochter van partijen, niet aannemelijk dat zij alsnog kans ziet om een baan te vinden waarmee zij in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. De alimentatie van de vrouw, zoals in 2000 bepaald zou in 2003, in verband met de jaarlijkse indexering, circa € 4519,- per maand bedragen."

Het hof had zich volgens de man niet mogen beperken tot het onderzoek of en het oordeel dat er geen wijziging is opgetreden in de alimentatiebehoefte van de vrouw; nu het hof tot het oordeel is gekomen dat de destijds overeengekomen alimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldeed, moest het de behoefte en draagkracht ter bepaling van de (nieuwe) alimentatie geheel zelfstandig beoordelen en zich niet beperken tot de vraag of sedert de echtscheiding wijziging is opgetreden in de alimentatiebehoefte van de vrouw.

2.4 Onderdeel 3 komt met motiveringsklachten op tegen de vaststelling van de alimentatie in rov. 13 op € 4.000,-. Dat oordeel is volgens de man onvoldoende gemotiveerd, niet alleen omdat het hof zelf aan het einde van rov. 6 (indirect) heeft overwogen dat de vrouw behoefte had aan een bedrag van € 4.519,- per maand, maar ook omdat het niet is ingegaan op de stellingen van de man dat de vrouw niet de gehele zorg voor de gehandicapte dochter heeft (omdat die naar dagopvang gaat) en de vrouw van die dochter maandelijks € 453,- kostgeld ontvangt.

2.5 Alvorens deze onderdelen te bespreken, maak ik eerst de volgende inleidende opmerkingen.

2.6 Volgens art. 1:397 lid 1 BW, wordt bij de bepaling van de hoogte van alimentatie enerzijds rekening gehouden met de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte personen. Voor bepaling van de hoogte van alimentatie wordt zowel de behoefte van de onderhoudsgerechtigde(6) als de draagkracht van de uitkeringsplichtige vastgesteld. De te bepalen alimentatie wordt begrensd door de vastgestelde draagkracht en behoefte: de laagste van de twee maximeert de alimentatie.(7)

2.7 Op grond van art. 1: 401 BW kan ieder van de partijen de rechter verzoeken om de eerder door de rechter vastgestelde of tussen partijen overeengekomen alimentatie te wijzigen, omdat deze door een wijziging van de omstandigheden, niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De Hoge Raad heeft in de in de toelichting op middelonderdeel 2 aangehaalde rechtspraak (evenals overigens in HR 4 februari 2000, NJ 2000, 213) geoordeeld dat de aard van een alimentatiebeschikking op de voet van art. 1:401 lid 1 BW meebrengt dat de rechter, wanneer hij eenmaal heeft vastgesteld dat een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud door een wijziging van de omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen, geheel vrij is om met inachtneming van alle ten tijde van zijn beslissing bestaande relevante omstandigheden, die overeenkomst te wijzigen dan wel in te trekken, zonder door de aldus achterhaalde uitspraak of overeenkomst te worden beperkt.

2.8 Indien de rechter dus eenmaal van oordeel is dat er een dusdanige wijziging van de omstandigheden heeft plaatsgevonden dat de eerder vastgestelde of overeengekomen alimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (aan het verzoek tot wijziging is bijvoorbeeld ten grondslag gelegd dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde is afgenomen, omdat deze invalide is geworden en geen eigen verdiencapaciteit meer heeft en de rechter is van oordeel dat dat inderdaad een grond voor wijziging van de alimentatie oplevert), zal hij, zonder een vergelijking te hoeven maken met de situatie ten tijde van de eerdere uitspraak of de overeenkomst, in dier voege dat de alimentatie naar evenredigheid van die wijziging van omstandigheden gewijzigd dient te worden, opnieuw dienen te onderzoeken wat de financiële omstandigheden van partijen zijn. Hij zal dus op basis van de ten tijde van de beslissing bestaande relevante omstandigheden niet alleen opnieuw de behoefte van de alimentatiegerechtigde (waarvan vaststaat dat deze is gewijzigd), maar ook de draagkracht van de uitkeringsplichtige moeten vaststellen. Dat neemt m.i. niet weg dat de rechter, wanneer wijziging van de draagkracht geen onderdeel uitmaakt van het tussen partijen gevoerde debat(8), of, wanneer hij op basis van het door partijen gestelde van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat (ook) de draagkracht is gewijzigd, wél de eerder vastgestelde of overeengekomen draagkracht tot uitgangspunt kan nemen, tenzij partijen in het convenant bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Pas als hij tot het oordeel is gekomen dat ook de draagkracht is gewijzigd, kan hij op basis van de in de genoemde arresten geformuleerde regel, ter bepaling van de nieuwe alimentatie niet volstaan met een vergelijking met de oude situatie.

2.9 Op grond van het bovenstaande, faalt onderdeel 2. In de onderhavige procedure heeft de man aan zijn wijzigingsverzoek ten grondslag gelegd dat zijn draagkracht is afgenomen, doordat hij opnieuw gehuwd is en zijn woonlasten zijn toegenomen. Het hof heeft geoordeeld dat die veranderde omstandigheden een grond voor wijziging van de alimentatie opleverden (rov. 4). Vervolgens is het hof overgegaan tot het opnieuw beoordelen van de behoefte en de draagkracht. Met betrekking tot de behoefte van de vrouw heeft het hof, ondanks het door partijen over en weer gestelde, (gemotiveerd) geoordeeld dat deze niet is gewijzigd. Nu nergens uit volgt dat partijen in het convenant bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de in het convenant overeengekomen behoefte tot uitgangspunt nemen.

2.10 Wat de motiveringsklachten van middelonderdeel 3 betreft, het volgende.

2.11 De man heeft in het kader van zijn betwisting van het verweer van de vrouw dat haar behoefte de eerder vastgestelde alimentatie te boven ging, kort gezegd, gesteld dat:

a. hij de vrouw altijd heeft gestimuleerd om voor enkele uren per week een baan als receptioniste of medewerkster in een modezaak te accepteren, waartoe zij zelfs aanbiedingen had gekregen(9);

b. zij daartoe ook in staat was, omdat de gehandicapte dochter dagelijks van 8.30 uur tot 16.00 uur naar een dagverblijf gaat(10);

c. haar woonlasten € 347,- netto per maand bedragen(11);

d. de vrouw al 10 jaar lang maandelijks een bedrag van € 453,00 kostgeld van de dochter ontvangt(12);

Gelet op het feit dat uit deze stellingen niet volgt dat die omstandigheden zijn gewijzigd sinds partijen overeenstemming over de alimentatie hebben bereikt (uit de stellingen a. en d. volgt m.i. zelfs het tegendeel) en de vrouw bovendien heeft bevestigd dat de situatie met betrekking tot de dochter niet is veranderd(13), heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat door de man geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gesteld, die tot een wijziging van de behoefte van de vrouw leiden. Het hof hoefde daarom de door de man gestelde omstandigheden dat de dochter naar dagopvang ging en maandelijks € 453,- kostgeld aan de vrouw betaalde, ook niet afzonderlijk in zijn oordeel te betrekken. In het oordeel dat er in de behoefte van de vrouw geen wijzigingen zijn opgetreden, ligt overigens niet besloten dat het hof slechts in het algemeen heeft onderzocht en gemotiveerd of de vrouw nog wel behoefte aan alimentatie heeft, zoals de man nog betoogt. Dit zou wel kunnen worden opgemaakt uit de vijfde volzin van rov. 6, maar deze wordt ten overvloede gegeven, zodat cassatie daartegen geen zin heeft.

2.12 De klacht dat de vaststelling door het hof van de alimentatie op € 4.000,- onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, nu het hof in de laatste zin van rov. 6 overweegt dat de vrouw behoefte heeft aan een alimentatie van circa € 4.519,- per maand en niet motiveert waarom de vrouw behoefte heeft aan € 4.000,- per maand, mist feitelijke grondslag. Het hof stelt in rov. 6 de behoefte van de vrouw vast op € 4.519,- per maand. In rov. 13 komt het, op basis van het in de rov. 7 t/m 12 overwogene, tot de conclusie dat de draagkracht van de man een alimentatie van € 4.000,- toelaat. Over die conclusie wordt in cassatie niet geklaagd. Door de alimentatie vervolgens "alle omstandigheden in aanmerking nemend" vast te stellen op € 4.000,-, wordt niet ook de behoefte op f. 4.000,- bepaald, maar wordt uitdrukking gegeven aan de regel dat de te bepalen alimentatie wordt begrensd door de vastgestelde draagkracht en behoefte.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie p. 2 van de bestreden beschikking

2 prod. 2 bij verzoekschrift in eerste aanleg

3 Het verzoekschrift in cassatie is op 9 juni 2004 ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden binnengekomen

4 onder 7

5 Die bijlage vermeldt onder 9 dat de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, maar exclusief wooncomponent voor een alleenstaande vanaf juli 2003 € 621 en vanaf januari 2004 €634 bedroeg.

6 De behoefte van de gewezen echtgenoot kan wordt gesteld op het bedrag dat nodig is, om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past. Daarbij wordt rekening gehouden met de welstand van partijen tijdens het huwelijk, maar ook worden lastenverlichtende omstandigheden en werkelijke of fictieve (in redelijkheid te verwerven) eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde in aanmerking genomen. (Zie: Rapport Alimentatienormen paragraaf 3.1)

7 Zie paragraag 5.1 van bovengenoemd rapport

8 in die zin ook A-G Verburg in punt. 5 van zijn conclusie voor HR 7 december 1990, NJ 1991, 201.

9 punt 15 verweerschrift in hoger beroep

10 punt 15 verweerschrift in hoger beroep

11 punt 16 verweerschrift in hoger beroep

12 punt 16 verweerschrift in hoger beroep

13 punt 2 verweerschrift tegen incidenteel appel