Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS5956

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
13-05-2005
Zaaknummer
R04/064HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS5956
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

13 mei 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/064HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. A.K. Oostlander-Vos, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2005-05-13
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II, geldigheid: 2005-05-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 282
JWB 2005/180

Conclusie

Rekestnr. R04/064HR

mr. L. Timmerman

Parket 11 februari 2005

Conclusie in

[de vrouw]

tegen

[de man]

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Bij vonnis(2) van 27 september 1984 heeft de rechtbank te Arnhem tussen partijen (hierna: de man, respectievelijk de vrouw), met elkaar gehuwd op 11 oktober 1969, de echtscheiding uitgesproken. Op 31 oktober 1984 is het echtscheidingsvonnis ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2 De rechtbank heeft in dat vonnis bepaald dat de man als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw een bedrag van f. 750,- per maand zal voldoen.

1.3 Bij beschikking van de rechtbank te Arnhem van 11 december 1990 is het vonnis gewijzigd in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 april 1989 nader is vastgesteld op f. 2.000,-/€ 907,56 per maand.

1.4 De man heeft de bijdrage tot en met februari 2000 steeds betaald, zij het niet (steeds) met indexering. Op het overschrijvingsformulier bij de laatste betaling heeft de man vermeld dat hij, na 15 jaar alimentatie te hebben betaald, zou stoppen met betalen. In september 2002 heeft de vrouw jegens de man aanspraak gemaakt op betaling van alimentatie.

1.5 De man heeft daarop op 20 december 2002 een verzoekschrift bij de rechtbank te Arnhem ingediend waarin hij primair heeft verzocht zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw met ingang van 27 september 1999 te beëindigen en subsidiair voormelde bijdrage met ingang van 27 september 1999 op nihil te stellen, omdat sinds de vaststelling van de alimentatie een termijn van 15 jaar is verstreken.

1.6 Bij beschikking van 21 juli 2003 heeft de rechtbank de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 januari 2001 definitief beëindigd.

1.7 Van voormelde beschikking is de vrouw bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof te Arnhem op 17 oktober 2003, in hoger beroep gekomen. De vrouw heeft het hof verzocht die beschikking te vernietigen en, voor zover in cassatie nog van belang, alsnog te beslissen dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen. Zij heeft daartoe gesteld dat beëindiging van de alimentatieverplichting dermate ingrijpend voor haar is dat zulks naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Door stopzetting van de alimentatie heeft zij een enorme terugval in inkomsten. Per 1 april 2003 ontvangt zij een bijstandsuitkering. Daarvóór had zij, sinds de man de alimentatiebetalingen in februari 2000 heeft gestaakt, in het geheel geen inkomsten en heeft zij onder strikte geheimhouding geld kunnen lenen bij vrienden. In februari 2003 heeft zij een doorlopend krediet moeten afsluiten teneinde een dreigende uithuiszetting door huurachterstand te voorkomen. Daarbij is een beëindiging van de alimentatie te ingrijpend, gelet op de duur van het huwelijk (15 jaar) en haar leeftijd, en in aanmerking genomen dat zij de kinderen - ook nadat zij meerderjarig werden - heeft verzorgd, dat haar verdiencapaciteit door de traditionele rolverdeling tijdens het huwelijk is beïnvloed en dat zij haar ouderdomspensioen heeft opgeofferd aan de kosten voor hun verloving en huwelijk, aldus de vrouw.

1.8 De man heeft vervolgens het verzoek van de vrouw in hoger beroep bestreden, waarbij hij tevens een, voor het cassatieberoep niet van belang, incidenteel beroep heeft ingesteld in verband met de ingangsdatum van de beëindiging. De vrouw heeft het incidentele beroep bestreden.

1.9 In zijn beschikking van 17 februari 2004 heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, geoordeeld dat de onderhoudsverplichting dient te eindigen, en wel per 1 maart 2000.

1.10 De vrouw is tijdig(3) met één middel in cassatie gekomen. De man is in cassatie niet verschenen.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Inleidende opmerkingen

2.1 Het gaat in het onderhavige geding om een verzoek tot beëindiging van een verplichting tot het verstrekken van een uitkering van levensonderhoud op grond van art. II lid 2 van de op 1 juli 1994 in werking getreden Wet limitering na scheiding (Wet van 28 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij de Wet van 28 april 1994, stb. 325, hierna Wla). Deze overgangsbepaling voorziet in een beëindiging van verplichtingen tot levensonderhoud toegekend of overeengekomen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet ingeval deze, zoals in casu, vijftien of meer jaren hebben geduurd. Een uitzondering geldt echter ingeval de beëindiging van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. In het artikellid worden omstandigheden opgesomd waarmee de rechter bij zijn beoordeling of er van die uitzondering sprake is in ieder geval rekening moet houden. Deze omstandigheden zijn:

a. de leeftijd van de alimentatiegerechtigde;

b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;

d. de omstandigheid dat de tot uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot uitkering is gehouden.

2.2 Op 26 maart 1999 heeft de Hoge Raad drie uitspraken gedaan(4) waarin is uiteengezet hoe in zijn visie moet worden omgegaan met het beroep op art. II lid 2 Wla en de daarin opgenomen uitzondering. Dit komt op het volgende neer:

a. Een beslissing waarbij een beroep van de alimentatiegerechtigde op de uitzonderingsregel (beëindiging zou apert onredelijk of onbillijk zijn) aanstonds wordt verworpen dan wel slechts voor een beperkte termijn en met uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging wordt gehonoreerd, is een beslissing met een ingrijpend karakter. Zij is niet minder ingrijpend dan beslissingen van vóór de limiteringswet die het recht op een bijdrage voor levensonderhoud van de ene gewezen echtgenoot jegens de andere praktisch definitief deden eindigen. Daarom moeten aan deze beslissingen hoge motiveringseisen gesteld worden.

b. Naar het oordeel van de Hoge Raad past deze lijn binnen het wettelijk uitgangspunt dat alimentatie tijdelijk is. Alle relevante omstandigheden van het geval, zowel die aan de zijde van de alimentatiegerechtigde als die aan de zijde van de alimentatieplichtige dienen in onderling verband te worden gewogen bij de beantwoording van de vraag of de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is, kan worden gevergd. Daarbij moet in de regel de situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert op het moment vóór de beëindiging van de bijdrage tot levensonderhoud, worden vergeleken met die waarin hij of zij als gevolg van de beëindiging zal komen te verkeren. De rechter dient in zijn beslissing duidelijk te maken welke omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij die heeft gewogen. Uiteraard dient de alimentatiegerechtigde die een beroep doet op de uitzondering daartoe voldoende feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken.

c. Een beroep op de uitzondering faalt zonder meer en behoeft ook niet nader gemotiveerd te worden als de beëindiging van de uitkering geen of een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft. Dit ter wille van de hanteerbaarheid van het systeem. Maar ook hierop is weer een uitzondering mogelijk. Als de verdere omstandigheden van het geval zo zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwijzing van het beroep op de uitzondering opleveren dat de rechter daaraan in zijn motivering niet voorbij kan gaan, moet hij in de beslissing laten zien dat en hoe hij de verdere omstandigheden heeft gewogen en in de beoordeling heeft betrokken.

Het cassatiemiddel

2.3 Het cassatiemiddel is gericht tegen hetgeen het hof in rov. 4.5 van de bestreden beschikking heeft overwogen:

"4.5 Het hof is van oordeel dat de vrouw ook in hoger beroep onvoldoende inzage heeft gegeven in haar persoonlijke en financiële omstandigheden, met name hoe zij in de periode van februari 2000 tot september 2002 in de kosten van haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Het hof acht de door haar bij brief van 13 januari 2003 overgelegde stukken daartoe onvoldoende. Zij heeft desgevraagd ook in hoger beroep geweigerd om door middel van bescheiden inzicht te verstrekken in haar persoonlijke en financiële omstandigheden in die periode. Haar stelling dat zij in die periode heeft geleefd van gelden die zij onder strikte geheimhouding heeft kunnen lenen van vrienden, heeft zij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt en de noodzaak om die gegevens geheim te houden is op geen enkele wijze aangetoond. Het is voor het hof derhalve onmogelijk om te kunnen beoordelen of beëindiging van de onderhoudsverplichting voor de vrouw geen of slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft, hetgeen voor risico van de vrouw dient te komen. Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat nu de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw meer dan vijftien jaar heeft geduurd, deze onderhoudsverplichting dient te eindigen, nu niet aannemelijk is geworden dat een beëindiging van de onderhoudsverplichting van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd."

2.4 Het middel betoogt primair dat het hof is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting, omdat het voor de beoordeling van de vraag of beëindiging van de alimentatie voor de vrouw zou leiden tot een inkomensachteruitgang die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kon worden gevergd, niet de situatie tussen 2000 en 2003, maar die rond 17 februari 2004 (het moment waarop het hof zijn beslissing gaf) tot uitgangspunt had moeten nemen. Nu vaststaat dat de vrouw op dat moment een bijstandsuitkering genoot, stond daarmee tevens vast dat er sprake was van een aanzienlijke inkomensachteruitgang.

2.5 Dat betoog faalt. Zoals ik onder 2.2.b. hierboven heb weergegeven, heeft de Hoge Raad de regel geformuleerd(5) dat bij het beantwoorden van de voor het beroep op de uitzondering beslissende vraag in de regel de situatie waarin de gerechtigde verkeert op het moment vóór de beëindiging van de bijdrage tot levensonderhoud moet worden vergeleken met die waarin hij of zij als gevolg van de beëindiging zal komen te verkeren. Niet het moment van de uitspraak, maar dat van de beëindiging is dus beslissend. Nu het hof in het onderhavige geval de onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht per 1 maart 2000 heeft beëindigd - over de datum wordt in cassatie niet geklaagd -, heeft het voor de vraag of die beëindiging voor de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zo ingrijpend was dat dat van haar niet kon worden gevergd, terecht de situatie vanaf 1 maart 2000 als uitgangspunt genomen.

2.6 Subsidiair en meer subsidiair werpt het middel motiveringsklachten op met betrekking tot de verwerping van het beroep van de vrouw op de in art. II lid 2 Wla opgenomen uitzondering. Subsidiair klaagt het middel erover dat het hof het oordeel dat niet sprake is van een inkomensachteruitgang die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd onvoldoende heeft gemotiveerd, althans dat dit oordeel in het licht van de door de vrouw overgelegde bescheiden onbegrijpelijk is. Voorts wordt meer subsidiair betoogd dat, ook als het hof er terecht en niet onbegrijpelijk van is uitgegaan dat de beëindiging van de uitkering geen of een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft, de overige omstandigheden (haar leeftijd, duur van het huwelijk, verzorging van de kinderen, waardoor haar verdiencapaciteit is afgenomen) zo zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwijzing van het beroep op de uitzondering opleveren dat het hof daaraan in zijn motivering niet voorbij had mogen gaan. Nu het hof heeft nagelaten in de beslissing te laten zien dat en hoe het deze omstandigheden heeft gewogen, voldoet deze niet aan de (hoge) motiveringseisen die aan uitspraken in dergelijke gevallen worden gesteld, aldus de vrouw.

2.7 Ik vat de redenering van het hof als volgt samen. Het hof achtte het onmogelijk om te beoordelen of beëindiging van de onderhoudsverplichting voor de vrouw geen of slechts een relatief onbetekende terugval ten gevolge heeft. Omdat die onmogelijkheid aan de vrouw te wijten is, nu zij onvoldoende inzicht heeft gegeven in hoe zij in de periode na februari 2000 in de kosten van haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien, heeft het hof geoordeeld dat het niet aannemelijk is geworden dat beëindiging van de onderhoudsverplichting van zo ingrijpende betekenis is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

2.8 Ik acht deze redenering van het hof - in het licht van de gedingstukken - noch onvoldoende gemotiveerd, noch onbegrijpelijk. Het hof heeft in zijn bestreden oordeel de intentie gehad de omstandigheid mee te wegen dat de vrouw in de periode vanaf februari 2000 tot april 2003 (volgens de beschikking tot september 2002) al dan niet een (relatief onbetekenende) inkomensachteruitgang heeft ondervonden als gevolg van het beëindigen van de alimentatieverplichting. Het hof heeft hiertoe getracht te achterhalen hoe de vrouw in die periode in de kosten van haar levensonderhoud heeft voorzien. De vrouw heeft daarin evenwel, naar het oordeel van het hof, niet op adequate wijze inzicht gegeven. Dat oordeel is van feitelijke aard en in cassatie niet toetsbaar. Uitgaande van die feitelijke vaststelling is het niet onbegrijpelijk dat het hof vervolgens heeft overwogen dat het niet heeft kunnen beoordelen of beëindiging van de onderhoudsverplichting voor de vrouw geen of slechts een relatief onbetekende terugval in inkomsten ten gevolge heeft gehad. Op deze begrijpelijkheid van het bestreden oordeel van het hof stuit het subsidiaire cassatiemiddel af. Ook het meer subsidiaire middel wordt mijns inziens tevergeefs opgeworpen. Voor het antwoord op de vraag of de vrouw na vijftien jaar nog aanspraak heeft op een alimentatieuitkering van de man, dient de rechter volgens de rechtspraak van de Hoge Raad kenbaar een aantal omstandigheden te wegen. Aan zo'n weging van omstandigheden kon de rechter in het onderhavige geval niet toekomen, nu de vrouw er niet aan heeft meegewerkt over een van die omstandigheden (de relatieve mate van inkomensachteruitgang als gevolg van de beëindiging van de onderhoudsverplichting) duidelijkheid te verschaffen. Dit maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk dat niet aannemelijk is geworden dat beëindiging van de onderhoudsverplichting van zo ingrijpende aard is dat deze naar de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie p. 1 onderaan en p. 2 bovenaan van de beschikking van de rechtbank en rov. 3.1 t/m 3.7 van de beschikking van het hof.

2 Zowel in de beschikkingen van de rechtbank Arnhem van 11 december 1990 en van 21 juli 2003, als in de beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 17 februari 2003 wordt van een (echtscheidings)vonnis gesproken.

3 Het verzoekschrift in cassatie is op 17 mei 2004 ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden binnengekomen.

4 NJ 1999, 653, 654 en 655

5 HR 26 maart 1999, NJ 1999, 655