Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS5952

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
13-05-2005
Zaaknummer
R04/041HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS5952
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

13 mei 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/041HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. Groen, t e g e n [Verweerster], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. P.S. Kamminga. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 281
JWB 2005/179
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R04/041HR

mr. Keus

Parket, 11 februari 2005

Conclusie inzake

[verzoeker]

(hierna: de man)

tegen

[verweerster]

(hierna: de vrouw)

In deze zaak is aan de orde of het hof bij de vaststelling van de draagkracht van de man met het oog op de door hem te betalen kinderalimentatie rekening diende te houden met de lasten, verbonden aan de financiering van de hem ter beschikking staande auto, alsmede met de gevolgen van de - op het moment van de beschikking van het hof - nog te realiseren scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap van partijen, meer in het bijzonder met de lasten die voor de man uit de financiering van een door hem te verrichten uitkering wegens overbedeling zouden voortvloeien.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Bij beschikking van 10 maart 2003 heeft de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen, met elkaar op 28 december 1992 gehuwd, de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 23 juni 2003 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven. Uit het huwelijk van partijen zijn twee minderjarige kinderen geboren: [de zoon] op [geboortedatum] 1994 en [de dochter] op [geboortedatum] 1996. De rechtbank heeft de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie bij de echtscheidingsbeschikking bepaald op € 17,50 per maand per kind, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

1.2 De vrouw is van de beschikking van de rechtbank bij het hof 's-Gravenhage in hoger beroep gekomen en heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de kinderalimentatie betreft. Het hof heeft, nadat op 21 november 2003 een mondelinge behandeling had plaatsgehad (van welke mondelinge behandeling een proces-verbaal is opgemaakt), bij beschikking van 22 december 2003 de bestreden beschikking vernietigd en de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie bepaald op een bedrag van € 150,- per maand per kind, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

1.3 De man heeft tijdig(1) cassatieberoep ingesteld. Namens de vrouw is een verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 De man heeft een uit twee onderdelen bestaand cassatiemiddel voorgesteld. De onderdelen zijn aangeduid met de letters a en b.

2.2 Onderdeel a richt zich tegen rov. 5 van de bestreden beschikking, die luidt als volgt:

"Het hof houdt geen rekening met de financiering van de auto ad € 360,- per maand. Hoewel voor het hof vast is komen te staan dat de vader thans nog de beschikking heeft over één auto (een Opel Astra), voor welke auto ten tijde van het huwelijk een financiering is aangegaan, is het hof van oordeel dat een dergelijke schuld, gelet op de uitermate hoge prioriteit van kinderalimentatie, mede gelet op de afstand woon/werk (circa 8 kilometer volgens de routeplanner), geen voorrang verdient boven de onderhoudsverplichting van de vader jegens zijn kinderen."

2.3 Het onderdeel voert tegen deze overweging aan dat onweersproken vast staat dat de man zijn brood verdient als vrachtwagenchauffeur in dienst van "[A]", dat hij de auto nodig heeft voor zijn werk, dat zijn werk vaak aanvangt om 5 uur des morgens en dat openbaar vervoer dat hem van zijn woning naar zijn werk kan brengen, dan niet beschikbaar is. Volgens het onderdeel kan van de man niet worden gevergd dat hij de door het hof vastgestelde afstand van 8 km van zijn woning naar zijn werk voor dag en dauw per fiets aflegt. Het komt dan ook voor, aldus het onderdeel, dat het hof met deze post, die bovendien dateert uit de tijd dat partijen nog met elkaar waren gehuwd, ten onrechte geen rekening heeft gehouden.

2.4 Het onderdeel vermeldt niet waar de man in de feitelijke instanties heeft gesteld dat de in het onderdeel bedoelde omstandigheden zich voordoen.

Na in meer algemene zin te hebben gesteld dat zijn bedrijf vindt dat hij een auto nodig heeft(2), heeft de man eerst bij de mondelinge behandeling bij het hof (en minder gedetailleerd dan thans in het onderdeel) verduidelijkt waarom hij een auto nodig zou hebben: "Ik moet met de auto naar het werk, want op de tijd dat ik vertrek rijden er nog geen trams en het is 10 km fietsen. Mijn werkgever betaalt geen autokosten en niemand heeft een auto van de zaak."(3) De vrouw heeft consequent betwist dat de met de auto verband houdende financieringslasten in aanmerking zouden moeten worden genomen, zij het dat die betwisting zich aanvankelijk heeft toegespitst op de omstandigheid dat de man nog over een tweede auto zou beschikken(4). Naar mijn mening kan op grond van dit een en ander een voor de man geldende noodzaak om over een auto te beschikken niet als onweersproken worden aangenomen.

2.5 Bij de beoordeling van het onderdeel kan overigens voorop staan dat bij de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige in beginsel al diens schulden van invloed zijn, met dien verstande dat de rechter gronden aanwezig kan oordelen om aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen. In dat laatste geval dient de rechter voldoende inzicht te bieden in de gedachtegang die hem tot een zodanig oordeel heeft geleid(5).

Het hof heeft, oordelende dat bij het bepalen van de draagkracht van de man de schuld in verband met de financiering van de auto niet meeweegt, de uitermate hoge prioriteit van kinderalimentatie en de voor de man geldende woon-werkafstand (waarmee het hof de noodzaak dat de man over een auto beschikt kennelijk heeft willen relativeren) in aanmerking genomen. Aldus heeft het hof voldoende inzicht geboden in de gedachtegang die het heeft gevolgd.

Overigens heeft het hof zich van de door de man bedoelde vervoersproblemen terdege rekenschap gegeven. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof heeft de man verklaard: "Ik moet met de auto naar het werk, want op de tijd dat ik vertrek rijden er nog geen trams en het is 10 km fietsen. Mijn werkgever betaalt geen autokosten en niemand heeft een auto van de zaak." Het hof heeft de door de man per fiets af te leggen woon-werkafstand onmiskenbaar van belang geacht, waar het in de geciteerde verklaring kennelijk aanleiding heeft gezien deze afstand aan de hand van de routeplanner meer exact vast te stellen. Naar ik meen, impliceert de bestreden rechtsoverweging dan ook dat naar het oordeel van het hof van de man wel degelijk kan worden gevergd dat hij de woon-werkafstand van 8 km (zo nodig) per fiets aflegt. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en is overigens zozeer met waarderingen van feitelijke aard verweven, dat het in cassatie niet nader kan worden getoetst.

2.6 Onderdeel b richt zich tegen het laatste gedeelte van rov. 7 van de bestreden beschikking, dat luidt:

"Hoewel aannemelijk is dat de vader na toescheiding van de echtelijke woning aan hem een bedrag van circa € 55.000,- ter zake van overbedeling aan de moeder uit zal moeten keren, houdt het hof met deze toekomstige factor geen rekening."

2.7 Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte heeft gesproken van een toekomstige en onzekere gebeurtenis in verband met de door de man geschetste ontwikkeling dat de man de vrouw dient uit te kopen, daartoe een tweede hypothecaire lening van € 62.500,- dient te sluiten en dientengevolge met een verdubbeling van zijn hypothecaire lasten zal worden geconfronteerd. Volgens het onderdeel betrof de geschetste ontwikkeling misschien een toekomstige, maar in ieder geval geen onzekere gebeurtenis: de bedoelde gebeurtenis stond immers al vast toen het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank was ingediend. Inmiddels heeft de vrouw inderdaad € 60.000,- van de man ontvangen en heeft de man een tweede hypothecaire lening gesloten, waardoor zijn totale hypothecaire lasten thans bijna € 600,- bedragen. Volgens het onderdeel had het hof met deze (rechtstreeks uit het huwelijksgoederenregime voortvloeiende) last rekening moeten houden en had het op de weg van het hof gelegen ter zitting nadere gegeven te vragen, als het hof daaraan behoefte had.

2.8 Waar de man zich beroept op de omstandigheid dat hij inmiddels daadwerkelijk een bedrag van € 60.000,- aan de vrouw heeft uitgekeerd en daarvoor een aanvullende hypothecaire lening is aangegaan, geldt dat zulks bij de beoordeling van het cassatieberoep geen rol kan spelen. Bij de beoordeling van het cassatieberoep kunnen immers slechts uit de stukken van de feitelijke instanties blijkende feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.

2.9 Voor zover het onderdeel berust op de veronderstelling dat het hof de door de man ingeroepen ontwikkeling niet slechts als een toekomstige, maar ook als een onzekere gebeurtenis zou hebben aangemerkt, mist het feitelijke grondslag. In de slotzin van rov. 4.7 heeft het hof immers slechts van een toekomstige factor gesproken.

2.10 Waar het onderdeel betoogt dat ten tijde van de bestreden beschikking reeds vaststond dat de man de vrouw een uitkering wegens overbedeling zou moeten doen(6) en dat het hof de toekomstige, daaruit voortvloeiende last van de man bij de vaststelling van de kinderalimentatie had moeten betrekken, kan het ten slotte evenmin tot cassatie leiden. Het is aan het beleid van de rechter overgelaten of hij bij beslissingen over toekomstige alimentatie reeds met de financiële consequenties van een nog te realiseren scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap rekening houdt. De rechter mag toekomstige omstandigheden bij het vaststellen van een onderhoudsverplichting meewegen, maar behoeft dit niet te doen(7). Daarbij ware te bedenken dat, alhoewel het uit oogpunt van proceseconomie wenselijk kan zijn op dergelijke toekomstige omstandigheden te anticiperen, een noodzaak daartoe niet bestaat, omdat een wijziging van de draagkracht van de alimentatieplichtige of de behoefte van de alimentatiegerechtigde als gevolg van zulke omstandigheden reden kan zijn voor een wijziging van de alimentatie op de voet van art. 1:401 lid 1 BW(8). Daarom rustte op het hof, anders dan het onderdeel veronderstelt, ook niet de verplichting nadere informatie over de gevolgen van de boedelscheiding te vragen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De bestreden beschikking dateert van 22 december 2003; het cassatierekest is op 16 maart 2004 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

2 Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, p. 1.

3 Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, p. 2.

4 Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, p. 1.

5 HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 91, rov. 3.2.

6 Partijen hebben in de feitelijke instanties tot uitgangspunt genomen dat de echtelijke woning aan de man zou verblijven en dat aan de vrouw een bedrag wegens overbedeling zou worden uitgekeerd. Zie het inleidende verzoekschrift van de vrouw onder 8 en het verweerschrift van de man onder 3.

7 Zie, in verband met de financiële consequenties van een nog te realiseren scheiding en deling, HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 395, m.nt. EEAL. Zie ook HR 12 maart 1999, NJ 1999, 384 en HR 30 januari 2004, NJ 2004, 294, m.nt. SW, waaruit volgt dat het de rechter vrijstaat met toekomstige omstandigheden rekening te houden.

8 Zie HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 395, m.nt. EEAL. Uit HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 91 vloeit voort dat de lasten van financiering van een uitkering wegens overbedeling bij een eventueel verzoek tot verlaging van de alimentatie wegens wijziging van omstandigheden kunnen worden betrokken, zij het dat daarbij zou kunnen worden getoetst of de tweede lening het totaal van de woonlasten van de alimentatieplichtige niet op een niveau brengt dat, gezien de omstandigheden van het geval, onredelijk hoog moet worden geacht.