Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS5933

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
03-06-2005
Zaaknummer
C04/226HR (1413)
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS5933
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

3 juni 2005 Eerste Kamer Nr. C04/226HR (1413) JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats] EISER tot cassatie, advocaat: mr. J.P. van den Berg, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat), gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen. 1. De gedingen in feitelijke instantie...

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet 50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 329
NJ 2006, 57
JWB 2005/211
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C04/226HR

mr J. Spier

Zitting 11 februari 2004 (onteigeningszaak)

Conclusie inzake

[eiser]

tegen

de Staat der Nederlanden

(hierna: de Staat)

1. Inzet van de procedure

1.1 In deze zaak heeft de Staat onteigening gevorderd van twee percelen bouwland van [eiser] in het kader van de aanleg van de Westerscheldetunnel. De Rechtbank Middelburg heeft de onteigening in haar vonnis van 10 januari 2001 uitgesproken. In cassatie is zij niet meer aan de orde.

1.2 Het gaat thans alleen nog om de schadeloosstelling waarop [eiser] aanspraak heeft (de middelen I en II) en de beslissing van de Rechtbank omtrent de proceskosten (middel III).

2. Vaststaande feiten

2.1 De Rechtbank heeft geen feiten vastgesteld. Uit haar in zoverre niet bestreden vonnissen kunnen de navolgende feiten worden afgeleid.(1)

2.2 [Eiser] was eigenaar van een perceel gelegen in de Ellewoutsdijkspolder tussen de Frankrijkweg (Sloegebied) en de Zeedijk bij Ellewoutsdijk, in de gemeente Borsele. Het perceel had als kadastraal nummer gemeente Borsele, sectie [A] [003]. In de loop van de onteigeningsprocedure is het perceel vernummerd tot drie percelen. De nieuwe nummers zijn gemeente Borsele, sectie [A] [004], [001] en [002]. Ter wille van de leesbaarheid worden de percelen hierna aangeduid als [A] [004], [A] [001] en [A] [002].

2.3 Perceel [A] [004] is nog steeds eigendom van [eiser], perceel [A] [001] is inmiddels onteigend ten behoeve van de aanleg van de toeleidende weg tot de Westerscheldetunnel. Perceel [A] [002] is inmiddels ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan Westerschelde Oeververbinding (aanleg natuurgebied) onteigend.

2.4 Gezamenlijk besloegen de hiervoor genoemde percelen circa 4,14 ha, het overblijvende perceel [A] [004] is groot 1,59 ha en 80 ca.

3. Verloop van de onteigeningsprocedure(s)

Perceel [A] [001]

3.1 Bij beschikking van 25 mei 1998 op daartoe strekkend verzoek van de Staat, heeft de Rechtbank Middelburg op de voet van art. 54a Onteigeningswet (Ow.) een rechter-commissaris en drie deskundigen benoemd. Op 15 juni en 23 juni 1998 heeft de vervroegde opneming plaatsgevonden van perceel [A] [001]. In het Koninklijk besluit van 8 juli 1998 (Strct. 1998, 137) is het perceel ter onteigening aangewezen.

3.2 Op 22 september 1998 heeft de Staat [eiser] gedagvaard voor de Rechtbank Middelburg. De Staat vorderde het vervoegd uitspreken van de onteigening van perceel [A] [001] en vaststelling van de schadeloosstelling.

3.3 In haar vonnis van 24 mei 2000 heeft de Rechtbank deze vordering afgewezen omdat niet was voldaan aan art. 17 Ow. (in deze bepaling is voorgeschreven dat de onteigenende partij een poging moet doen om het te onteigenen object in der minne te verkrijgen voordat tot dagvaarding wordt overgegaan).

3.4 Op 6 juli 2000 heeft de Staat [eiser] andermaal gedagvaard voor de Rechtbank Middelburg en vordert hij opnieuw vervroegde onteigening van en bepaling van de schadeloosstelling voor perceel [A] [001].

3.5 De Staat heeft [eiser] een schadeloosstelling van f 119.030 te vermeerderen met eventuele belastingschade en eventuele deskundigenkosten ten bedrage van f 5.000 aangeboden; dit laatste onder een voorwaarde die thans niet ter zake doet.

3.6 Op 10 januari 2001 heeft de Rechtbank de onteigening bij vervroeging uitgesproken en de bij beschikking van 25 mei 1998 benoemde deskundigen opgedragen om de schadeloosstelling voor [eiser] te begroten. Het voorschot op de schadeloosstelling is bepaald op f 119.030.

3.7 [Eiser] heeft tegen het onder 3.6 genoemde vonnis beroep in cassatie ingesteld. In zijn arrest van 9 november 2001 vernietigde de Hoge Raad het vonnis, uitsluitend voor zover daarin opdracht is gegeven tot begroting van de schadeloosstelling aan de op 25 mei 1998 benoemde deskundigen. Bij het verlenen van deze opdracht aan de deskundigen had de Rechtbank verzuimd opnieuw een rechter-commissaris en deskundigen te benoemen en een nieuwe plaatsopneming te gelasten, conform art. 54j Ow.

3.8 Bij vonnis van 12 juni 2002(2) zijn wederom een rechter-commissaris en drie deskundigen benoemd. De deskundigen is verzocht de schadeloosstelling te begroten en de te onteigenen zaak in tegenwoordigheid van de rechter-commissaris op te nemen.

Perceel [A] [002]

3.9 Bij Koninklijk Besluit van 4 december is goedgevonden en verstaan dat ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan 'Westerschelde Oeververbinding' van de gemeente Borsele ten name van de Staat perceel [A] [002] zal worden onteigend.

3.10 Bij dagvaarding van 13 september 2001 heeft de Staat de vervoegde onteigening en vaststelling van een schadeloosstelling voor perceel [A] [002] gevorderd.

3.11 De Staat heeft [eiser] een schadeloosstelling van f 104.600 aangeboden, vermeerderd met een bedrag van f 2.823 als vergoeding voor deskundige bijstand.

3.12 In haar vonnis van 24 april 2002 heeft de Rechtbank de vervroegde onteigening uitgesproken van perceel [A] [002]. Zij heeft drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd en de deskundigen verzocht de schadeloosstelling te begroten. Het voorschot op de schadeloosstelling is vastgesteld op € 47.465 (f 104.600).

Verdere procedure inzake de percelen [A] [001] en M[002]

3.13 Op 17 juli 2002 heeft de opneming van beide percelen plaatsgevonden.

3.14 Op 10 januari 2003 is door de deskundigen een concept-rapport uitgebracht. [Eiser] heeft hierop gereageerd. Op 3 juni 2003 is door de deskundigen een definitief rapport uitgebracht. Zij begroten de waarde van de beide percelen per medio 2002 op f 7,50 a f 8 per m2. Zij stellen de waarde vast op circa € 3,50 per m2.(3) De waardevermindering van perceel [A] [004] stelden zij vast op € 0,25 per m2, afgerond in totaal € 4.000.

3.15 In haar vonnis van 17 maart 2004 heeft de Rechtbank in beide onteigeningsprocedures het bedrag van de schadeloosstelling ter zake van de onteigening van beide percelen bepaald op € 97.215. Conform de begroting van de deskundigen werd € 89.215 toegekend op grond van de waarde van deze percelen. De waardevermindering van perceel [A] [004] werd vastgesteld op € 0,50 per m2, afgerond € 8.000. De aan [eiser] uitgekeerde voorschotten bedroegen in totaal € 101.487,87. De Rechtbank veroordeelde hem tot terugbetaling aan de Staat van het verschil tussen de voorschotten en de schadeloosstelling van € 4.263,87.

3.16 Met uitzondering van de kosten van de door de Rechtbank benoemde deskundigen, die voor rekening van de Staat komen, compenseerde de Rechtbank de proceskosten zodat elk der partijen de eigen proceskosten draagt.

3.17 Op 23 maart 2004, derhalve binnen de cassatietermijn van twee weken, is ter griffie van de Rechtbank Middelburg namens [eiser] een verklaring ingediend dat cassatieberoep wordt ingesteld tegen het vonnis van 17 maart 2004, conform art. 52 Ow.

3.18 Op 12 mei 2004 - binnen 6 weken na het verstrijken van de cassatietermijn van art. 52 Ow. - heeft [eiser] de verklaring aan de Staat laten betekenen en de Staat gedagvaard (art. 53 Ow.).

3.19 De Staat heeft het cassatieberoep weersproken. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten. De Staat heeft nog gedupliceerd.

4. Bespreking van de klachten

4.1 Tegen het vonnis van de Rechtbank worden drie cassatiemiddelen aangevoerd. Middel I is gekant tegen de begroting van de werkelijke waarde van de percelen [A] [001] en [A] [002] op € 3,50 per m2. De deskundigen zouden bij hun begroting ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd de hogere verkoopprijs van vergelijkbare percelen buiten beschouwing hebben gelaten. De Rechtbank had hun oordeel dan ook niet (zonder nadere motivering) mogen overnemen. Middel II komt op tegen de bepaling van de waardevermindering van perceel [A] [004] en het daarbij buiten beschouwing laten van de omrijschade. Middel III klaagt over de compensatie van de proceskosten. De Rechtbank zou ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, zijn afgeweken van de hoofdregel van art. 50 Ow. dat de onteigenaar deze kosten draagt.

4.2 Onderdeel Ia acht zonder nadere motivering onjuist en onbegrijpelijk dat de Rechtbank in rov. 2.3 het oordeel van de deskundigen heeft overgenomen dat bij de waardebepaling de aankopen van de Staat van landbouwgronden van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] buiten beschouwing moeten worden gelaten. Het doet daarbij beroep op "hetgeen door [eiser] dienaangaande is gesteld".

4.3 Deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 53 Ow. Immers valt uit de klacht, zelfs in globale zin, niet op te maken welke stellingen de Rechtbank onvoldoende in haar oordeel zou hebben betrokken.

4.4 Ten overvloede ga ik, à la barbe van de klacht, in op het bestreden oordeel.

4.5 De deskundigen en in hun voetspoor de Rechtbank zijn tot het bestreden oordeel gekomen op grond van de overweging dat aan- en verkopen in het zicht van een onteigening vaak niet representatief zijn voor de marktwaarde. Een eigenaar kan onder druk van een naderende onteigening toegeeflijker zijn dan in het vrije verkeer, of de onteigenaar kan meer betalen dan de eigenlijke waarde om zich een procedure en de daaraan verbonden kosten en tijd te besparen. Daarnaast hebben de deskundigen in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet alleen vergoeding voor de waarde van hun percelen, maar ook voor bijkomende schadeposten zullen hebben gekregen. Met betrekking tot de transactie met [betrokkene 2] achten de deskundigen denkbaar dat meer dan de (agrarische) waarde is betaald omdat op het te onteigenen terrein een tolplein met restaurant en benzinestation waren gepland. In het onderdeel wordt aangegeven dat het bij dit laatste louter om veronderstellingen gaat en dat deze omstandigheden alleen al daarom niet kunnen bijdragen aan de motivering van het bestreden oordeel.

4.6 Uit het arrest [...]/Rotterdam(4) blijkt dat transacties in het zicht van een onteigening niet zonder meer buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de waardebepaling. De Hoge Raad overwoog dat het niet zo is dat:

"prijzen die de onteigenaar bij aankoop van vergelijkbare gronden in de nabije omgeving van het onteigende heeft betaald in geen geval ter vergelijking kunnen dienen" (cursivering toegevoegd).

4.7 De "dwangpositie" (waarvan in het onder 4.6 geciteerde arrest geen sprake was) van de eigenaar of de onteigenaar kan ervoor zorgen dat een transactie in het zicht van de onteigening onvoldoende representatief is voor de waardebepaling.(5) Die omstandigheid kan in een concreet geval (zeer wel) voldoende grond opleveren om zo'n transactie buiten beschouwing te laten.

4.8 Anders dan het onderdeel suggereert zijn de door de Rechtbank besproken transacties niet zonder meer buiten beschouwing gelaten. De Rechtbank overwoog immers dat de deskundigen gemotiveerd hebben aangegeven dat en waarom er in dit geval onvoldoende reden was om deze transacties bij de waardebepaling te betrekken. Dat oordeel heeft de Rechtbank overgenomen.

4.9.1 Tegen de achtergrond van eerdere rechtspraak van Uw Raad komt het mij voor dat transacties als hier aan de orde buiten beschouwing gelaten mogen worden.(6) Het oordeel waartoe de deskundigen en de Rechtbank zijn gekomen is niet onbegrijpelijk; het geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopatting.

4.9.2 Daarbij verdient aantekening dat de Rechtbank zich (wellicht) wat erg stellig uitlaat door te overwegen dat door een dwangpositie bepaalde prijzen niet (nimmer mogen) worden meegewogen bij de waardebepaling (rov. 2.3.3). Voor zover het onderdeel al een voldoende specifieke klacht op dit punt behelst, wordt m.i. uit het oog verloren dat hetgeen op deze overweging volgt, doet uitkomen dat de Rechtbank heeft onderkend dat een oordeel als in de eerste alinea van rov. 2.3.3 verwoord te stellig is. Dat blijkt heel in het bijzonder uit de laatste alinea van rov. 2.3.3 ("Gelet op het vorenstaande (...))".

4.10 Het voorafgaande klemt eens te meer nu de deskundigen en in hun voetspoor de Rechtbank niet volstaan met het vermelden van het enkele gegeven dat transacties in het zicht van onteigening niet representatief kunnen zijn. Zij hebben ook gewezen op andere elementen die de prijs in dit geval waarschijnlijk hebben bepaald.

4.11.1 Weliswaar betreft het hier geen vaststaande feiten, maar de Rechtbank heeft een en ander kennelijk voldoende aannemelijk geacht om in de afweging te betrekken. Zeker nu het hier slechts gaat om een steunargument dat, in het licht van de hiervoor genoemde rechtspraak, m.i. niet nodig was geweest, was niet vereist dat het ging om een vaststaand feit. Het zou m.i. te hoge eisen stellen aan de motiveringsplicht van de deskundigen (en de Rechtbank) als zij alle wegingsfactoren onomstotelijk zouden moeten aantonen.

4.11.2 De Rechtbank heeft zich niet klakkeloos gebaseerd op de bevindingen van de deskundigen. Zij acht het betoog van [eiser] dat de gemeente Borsele meer heeft betaald dan de deskundigen hebben aangenomen juist. De Rechtbank motiveert waarom zij desondanks niet tot een ander oordeel komt (alles rov. 2.3.2). Het middel richt daartegen geen specifieke klacht.

4.12 In verband met hetgeen onder 4.11.1 werd aangevoerd, stip ik nog aan dat het onderdeel niet aanvoert dat, laat staan waarom, het onder 4.10 genoemde steunargument niet valide is.

4.13.1 Ten slotte valt nog te bedenken dat de waardebepaling door de deskundigen voor een deel een intuïtieve, niet ten volle dwingend en overtuigend te motiveren kwestie is. De schatting kan met verschillende argumenten worden beredeneerd, maar het is en blijft een schatting. In zoverre is sprake van een parallel met art. 6:97 BW.(7) Ook daar geldt dat niet de eis wordt gesteld en trouwens ook moeilijk kán worden gesteld dat alleen rekening wordt gehouden met feiten en omstandigheden die boven iedere twijfel zijn verheven.

4.13.2 Ook in de onteigeningsrechtspraak van de Hoge Raad is het volgen van een intuïtieve schatting van deskundigen door de Rechtbank aanvaard.(8)

4.14 Onderdeel Ib klaagt erover dat het oordeel van de Rechtbank (en de deskundigen) innerlijk tegenstrijdig en daardoor onjuist of onbegrijpelijk is. Aan de ene kant wordt de prijs van een aantal percelen buiten beschouwing gelaten omdat zij door hun grote omvang meer waard zijn per m2. Aan de andere kant wordt [eiser]s betoog verworpen dat het hem overblijvende perceel [A] [004] aanzienlijk minder waard is geworden, omdat het zo klein is dat het voor eigenaren van buurpercelen aantrekkelijk is.

4.15.1 De Rechtbank heeft, in het kader van de waardedaling, overwogen:

"2.5.3 De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de deskundigen, dat de waarde per vierkante meter van percelen naarmate zij kleiner zijn afneemt, doch dat zich bij percelen, kleiner dan 2 à 3 ha, wegens aantrekkelijkheid voor buren om bij hun perceel te voegen, die waardedaling zich niet voordoet, begrijpelijk is en niet innerlijk tegenstrijdig."

4.15.2 Hoewel dit, in cassatie niet bestreden, oordeel is gesteld in de sleutel van de waardedaling, ligt voor de hand aan te nemen dat de Rechtbank dit gegeven ook heeft verdisconteerd in het kader van de waardebepaling. Alleen al omdat geen goede grond valt te bedenken waarom een voor de waardedaling relevante factor betekenis zou missen bij de waardebepaling. Bij die stand van zaken is van tegenstrijdigheid geen sprake.

4.15.3 Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de Rechtbank het onder 4.15.1 geciteerde oordeel niet heeft verdisconteerd bij de waardebepaling, mist [eiser] belang bij zijn klacht. Na verwijzing zal van dat oordeel moeten worden uitgegaan. Het zou dan onbegrijpelijk zijn er in het kader van de waardebepaling geen rekening mee te houden.

4.16 Het onderdeel faalt mitsdien.

4.17 Onderdeel Ic klaagt erover dat de door de gemeente Borsele betaalde prijzen voor (landbouw)gronden bestemd voor de aanleg van het Sloebos niet van belang zijn geacht voor de waardebepaling, nu de gemeente aanmerkelijk meer dan de agrarische waarde zal hebben geboden om de eigenaren tot verkoop te bewegen. Zonder nadere motivering zou dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk zijn, nu de gemeente op basis van de economische waarde heeft aangekocht vermeerderd met een "(medewerkings)toeslag". De gemeente betaalde f 9 per m2 en een opslag van f 2 per m2.

4.18 De Rechtbank overweegt ten aanzien van deze transacties:

"Niet is gebleken dat de aankopen door de gemeente Borsele van percelen voor het realiseren van het Sloebos een prijsopdrijvende werking hebben bij transacties van percelen met een uitsluitend agrarische bestemming. Dat blijkt niet uit de prijs gerealiseerd voor de door de deskundigen in vergelijking opgenomen percelen" (rov. 2.3.3 voorlaatste alinea).

4.19 De Rechtbank heeft onderkend dat [eiser] de deskundigen terecht verweet over het hoofd te hebben gezien dat boven de genoemde f 9 per m² twee gulden extra is betaald per m² (rov. 2.3.2 derde alinea). Voor zover het onderdeel de Rechtbank verwijt deze extra betaling te hebben miskend, mist het feitelijke grondslag. Voor zover de klacht in dit opzicht iets anders bedoelt te vertolken, is mij niet duidelijk wat zij behelst.

4.20 Ook voor het overige is de klacht mij niet goed duidelijk. Het onderdeel neemt zelf als uitgangspunt dat de gemeente een extra betaling verrichtte voor de medewerking van de verkoper. De Rechtbank is daar eveneens van uitgegaan. Welk gebrek aan dat oordeel zou kleven, is daarom zonder nadere toelichting, die in het onderdeel niet is te vinden, niet duidelijk. Het loopt daarop stuk.

4.21 [Eiser] doet ten slotte nog beroep op een brief van de gemeente Borsele van 4 januari 2000. Daaruit zou, naar ik begrijp, moeten volgen dat die gemeente een bepaald bedrag voor de grond heeft betaald. Dat vindt evenwel geen steun in die brief. Deze eindigt immers met de mededeling dat "de onderhandelingen niet tot resultaat hebben geleid".

4.22 Middel II is gericht tegen de vaststelling van de waardevermindering van het na onteigening overgebleven perceel [A] [004] en tegen het oordeel met betrekking tot de omrijschade.

4.23 Onderdeel IIa betoogt dat ten onrechte is nagelaten de werkelijke waarde van het onteigende en overblijvende tezamen vóór de onteigening vast te stellen. Dit is, volgens [eiser], nodig voor het bepalen van het antwoord op de vraag of en in hoeverre sprake is van waardevermindering.

4.24 Erkend kan worden dat deskundigen noch de Rechtbank expliciet hebben vastgesteld wat de waarde van het geheel vóór onteigening was.

4.25 Om de waardevermindering te bepalen moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds de verkoopwaarde van het geheel vóór onteigening en anderzijds de verkoopwaarde van het overblijvende en de werkelijke waarde van het onteigende. Valt de som van de waarde van het overblijvende en het onteigende lager uit dan de waarde van het geheel dan is er sprake van waardevermindering (art. 41 Ow).(9)

4.26 [Eiser] heeft, nadat deskundigen hun rapport hebben gepresenteerd, niet aangevoerd dat de door hen gevolgde handelwijze niet tegen de toets der kritiek bestand was op de door het onderdeel genoemde grond. Laat staan dat hij heeft aangegeven dat en nog minder waarom de door het onderdeel genoemde benadering tot een andere uitkomst zou leiden. De Rechtbank is er kennelijk en niet onbegrijpelijk van uitgegaan dat [eiser] van oordeel was dat hantering van de onder 4.25 genoemde maatstaf niet tot een hoger bedrag zou leiden. Daarom bestond voor haar geen grond om nader op deze kwestie in te gaan.

4.27 Ten overvloede: in de vaststellingen van de deskundigen (en de Rechtbank) ligt m.i. besloten dat wel degelijk naar de waarde van het geheel vóór onteigening is gekeken, ook al is daar geen expliciet 'prijskaartje' op geplakt.

4.28 De waarde van het geheel kan m.i. wel degelijk worden afgeleid uit het oordeel van de deskundigen. De deskundigen geven als hun oordeel dat de waarde van de bedrijfsinventaris en de opstallen niet is gedaald doordat de bijbehorende landbouwgronden kleiner zijn geworden. Voor de waarde hiervan maakt het geen verschil of het bedrijf nu 19 ha of 16,5 ha omvat. In zoverre bestond dus geen verschil tussen de waarde van het geheel en de som der delen.

4.29 Volgens de deskundigen is de waarde van de onteigende grond € 3,50 per m2. De resterende grond is minder waard; naar hun oordeel beloopt de waardedaling € 0,25 per m² (volgens de Rechtbank gaat het om € 0,50), hetgeen de deskundigen (de Rechtbank) hierop baseren dat het overblijvende perceel door de mindere oppervlakte en de ligging 'minder courant' is. Door betaling van dit bedrag keert de afgenomen waarde van de resterende grond als het ware terug in het vermogen van [eiser]. Aldus is de totale waarde vóór en na onteigening even groot.

4.30 Wellicht bestaat de mogelijkheid dat de zojuist genoemde berekening in een concreet geval niet juist is. Het ligt dan m.i. op de weg van de onteigende om concreet (en gemotiveerd) uiteen te zetten dat (en waarom) zulks het geval is. Dat is niet gebeurd.

4.31 Inhoudelijke beoordeling van de klacht zou [eiser] op de hiervoor genoemde grond geen baat brengen.

4.32.1 Onderdeel IIb klaagt, naar ik begrijp, over het oordeel van de Rechtbank dat de omrijschade niet het gevolg is van de onteigening.

4.32.2 In rov. 2.6.2. overweegt de Rechtbank ten aanzien van de door [eiser] aangevoerde omrijschade:

"dat dat geen omrijschade is ten gevolge van de onteigening en dus niet in het kader van de onteigening voor vergoeding in aanmerking komt. Deze schade kan [eiser] aan de orde stellen in het kader van de procedure met betrekking tot de Lijst der geldelijke regelingen in de Aanpassingsinrichting Borsele."

4.33 In zijn pleitnota, waar het onderdeel beroep op doet, is [eiser] blijven steken in de stelling dat het oordeel van de deskundigen niet juist is:

"[Eiser] moet voor het bewerken van de kleine restantkavel bijna net zoveel reizen maken als voor de grote kavel. Dit is omrijschade die voor vergoeding in aanmerking komt evenals de snijschade. (...)" (onder 55).

Aangenomen mag worden dat het onderdeel bij deze uiteenzetting bedoelt aan te haken.

4.34 De Rechtbank heeft [eiser]s zojuist geciteerde betoog kennelijk onvoldoende onderbouwd geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

4.35 Het onderdeel loopt hierop stuk.

4.36 In de s.t. onder 3.10 wordt, kennelijk ter onderbouwing van de klacht, uitsluitend verwezen naar het arrest Railinfrabeheer/[...].(10) Wat de relevantie van dit arrest zou zijn, wordt niet aangegeven.

4.37 Het arrest ziet vooral op een vergoeding ter zake van hinder en overlast.(11) Daarop heeft het bestreden oordeel van de Rechtbank evenwel geen betrekking. De klacht trouwens evenmin. In zoverre mist het beroep aanstonds doel. De dupliek van mrs Groen en Scheltema wijst daar met juistheid op (onder 2).

4.38 [Eiser] leidt kennelijk uit het arrest af dat de omstandigheid dat uit anderen hoofde vergoeding kan worden verkregen, er niet aan in de weg staat dat zij (ook) op de voet van art. 41 Ow. kan worden gevorderd. De vraag of een dergelijke regel inderdaad in het arrest is te lezen en, zo ja, of de Rechtbank dat heeft miskend, kan blijven rusten nu het middel daaromtrent geen klacht behelst.

4.39 Middel III heeft betrekking op de compensatie van de proceskosten.

4.40 Art. 50 Ow. biedt de mogelijkheid om de onteigende in (een deel van) de proceskosten te veroordelen als de uiteindelijke vergoeding lager ligt dan die werd aangeboden. Ook op andere gronden kan de rechter besluiten om af te wijken van de hoofdregel dat de onteigenaar de kosten draagt (50 lid 3 Ow.). Het is aan het oordeel van de feitenrechter overgelaten te beoordelen of zich omstandigheden voordoen om de onteigende in een deel van de proceskosten te veroordelen.(12)

4.41 De Rechtbank heeft besloten tot compensatie van de proceskosten op de grond dat de toegekende schadeloosstelling lager is dan het aanbod aan [eiser]. Ten aanzien van de verdeling van de kosten overwoog de Rechtbank het volgende:

"Ingevolge artikel 50 lid 1 Onteigeningswet (Ow) draagt de onteigenende partij in beginsel de proceskosten. Uitzonderingen daarop zijn, eveneens ingevolge artikel 50 lid 1 Ow, die gevallen waarin het ten processe gedane aanbod door de gedaagde niet is aanvaard en hem niet meer wordt toegewezen dan hem werd aangeboden. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. De rechtbank heeft derhalve de mogelijkheid anders over de proceskosten te oordelen en kan deze compenseren dan wel [eiser] in de kosten veroordelen.

De rechtbank kiest ervoor om [eiser] alleen in zijn eigen kosten te veroordelen; met name omdat [eiser] met een aantal onteigeningen is geconfronteerd, die verregaande gevolgen voor hem en zijn bedrijf hebben (gehad), kan niet worden gezegd dat hij door zich tegen de onteigening te verzetten en de aangeboden schadeloosstelling niet zonder meer te accepteren niet te goeder trouw zou hebben gehandeld, zodat er geen grond is hem in alle proceskosten (derhalve ook die van de Staat) te veroordelen."

4.42 Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het wordt dan ook - terecht - niet met een rechtsklacht bestreden. Daarbij teken ik aanstonds aan dat (ook) onderdeel d slechts een motiveringsklacht opwerpt.

4.43 [Eiser] bestrijdt het oordeel van de Rechtbank met vier motiveringsklachten. Volgens onderdeel IIIa zou de Rechtbank hebben miskend dat het gaat om twee afzonderlijke onteigeningsprocedures.

4.44 Deze klacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. Immers wordt niet aangegeven waarom het wél aandacht besteden aan de afzonderlijke procedures tot een andere uitkomst zou hebben geleid.

4.45 Onderdeel IIIb verwijt de Rechtbank te hebben miskend dat het aanvankelijke aanbod van de Staat op een vergissing berustte waarop de Staat later zelf de aandacht heeft gevestigd.

4.46 De Staat heeft er terecht op gewezen dat de Rechtbank in rov. 2.1 heeft vastgesteld dat f 119.030 aangeboden is (s.t. onder 3.14). [Eiser] had dit aanbod kunnen aanvaarden. Het aanbod zoals dit bij dagvaarding is gedaan, heeft te gelden als een vaststaand gegeven.(13) Het onderdeel gaat daarom niet op.

4.47 Alvorens de resterende klachten te bespreken, lijkt goed te vermelden dat de toegekende schadeloosstelling € 97.215 bedraagt. Aangeboden werd € 54.013,46 voor perceel [A] [001] en € 47.465,41 voor perceel [A] [002], in totaal dus € 101.478,87. Het aanbod overtrof mitsdien het uiteindelijk toegekende bedrag.

4.48 Onderdeel IIIc strekt ten betoge dat rekening had moeten worden gehouden met feitelijke veranderingen in de schade-elementen, die op de toegewezen schadeloosstelling van invloed zijn geweest, in dier voege dat het aanbod moet worden vergeleken met het bedrag dat zou zijn toegekend als die veranderingen niet zouden zijn ingetreden. In het oorspronkelijke aanbod voor perceel [A] [002] was een vergoeding van f 14.000 (€ 6352,92) voor de waardevermindering van deel van dat perceel begrepen dat toen nog eigendom van [eiser] zou blijven. Later is die f 14.000 uit de vergoeding voor de onteigening van perceel [A] [002] verdwenen omdat dit bedrag inmiddels was opgenomen in de vergoeding voor (de werkelijke waarde van) perceel [A] [002], aldus nog steeds de klacht in de meest voor de hand liggende lezing.(14)

4.49 Juist is dat een exposé als in de klacht verwoord in de daarin genoemde nota is te vinden. Maar daarmee is de uiteenzetting nog niet begrijpelijk.

4.50 De klacht is al aanstonds onduidelijk omdat het daarin genoemde bedrag van f 119.030 geen betrekking heeft op perceel [A] [002] maar op [A] [001]. Bovendien kan uit het bestreden vonnis m.i. niet worden opgemaakt of juist is dat bedoelde f 14.000 nog steeds verband houdt met perceel [A] [002] zoals het weinig heldere onderdeel lijkt te willen betogen.

4.51 Kort en goed: onvoldoende duidelijk is waartoe de klacht precies strekt en op welke grond. Voor zover dat al van belang zou zijn, maakt ook de s.t. dat in het geheel niet duidelijk. Reeds daarom kan de klacht niet tot cassatie leiden.

4.52 Veronderstellenderwjs uitgaande van de door het onderdeel geschetste feitelijke gang van zaken, blijft hoe dan ook overeind dat bedoelde f 14.000 in het kader van de onteigening van perceel [A] [002] door de Staat is aangeboden. Nu het, volgens de steller van het middel, kennelijk gaat om een enigszins andere invulling van het aanvankelijke plan binnen hetzelfde perceel, met als kennelijk gevolg dat niet het bedrag, maar veeleer de toerekening daarvan verandering heeft ondergaan, gaat de redenering van de Rechtbank nog steeds op.

4.53 Bij dit alles verdient nog aantekening dat het, ná kennisneming van het deskundigenrapport, m.i. voor de hand had gelegen dat [eiser] had geanticipeerd op een kostenbeslissing als vervat in het bestreden vonnis. Voor zover een betoog als hier besproken, in de voorgedragen vorm, al hout zou snijden, had hij aan deze kwestie in feitelijke aanleg aandacht aan moeten besteden. De Rechtbank had er dan op in kunnen gaan hetgeen een ordelijk en begrijpelijk debat in cassatie ten goede was gekomen.

4.54 Ten overvloede nog een korte kanttekening bij de juridische kwestie die het onderdeel (m.i. niet) aankaart.

4.55 Uit de (al wat oudere) rechtspraak blijkt dat rekening moet worden gehouden met in de loop van het geding ingetreden feitelijke veranderingen in de schade-elementen, die van invloed zijn geweest op de schadeloosstelling.(15)

4.56 Uit deze rechtspraak blijkt dat een feitelijke verandering kan bestaan uit de constatering dat het aanbod een vergoeding voor schade-elementen bevat die niet door de onteigening blijken te zijn veroorzaakt en dan ook langs andere weg werden vergoed.(16) Ook na de dagvaarding getroffen schadebeperkende maatregelen kunnen als feitelijke veranderingen worden aangemerkt.(17)

4.57 Zelfs als zou worden uitgegaan van deze rechtspraak is m.i. nog niet zonder meer gezegd dat dit [eiser] te stade zou komen. Al aannemend - de voor [eiser] gunstigste veronderstelling, die m.i. in het middel niet valt te lezen - dat door de latere veranderingen het oorspronkelijke aanbod ter zake van perceel [A] [002] te laag was dan blijft dat het aanbod voor beide percelen tezamen hoger lag dan het door de Rechtbank vastgestelde bedrag. In dat laatste bedrag is de feitelijke wijziging in elk geval verdisconteerd.

4.58 Er lijkt veel voor te zeggen om niet (alleen) acht te slaan op de procedure ten aanzien van ieder perceel afzonderlijk, maar ten minste mede op de procedure(s) als geheel.(18) Men kan begrip opbrengen voor het (impliciete) oordeel van de Rechtbank dat het goede zin mist om een decimeters dik dossier te produceren wanneer het resultaat daarvan is dat degene die dat doet minder krijgt dan hem was aangeboden.(19) In elke denkbare lezing van de feiten is dat laatste het geval wanneer men niet louter acht slaat op één onderdeel van de procedure.

4.59 Onderdeel IIId acht onbegrijpelijk dat de Rechtbank [eiser] "in zijn eigen kosten" heeft veroordeeld in aanmerking genomen dat het uitgangspunt in onteigeningszaken is dat de onteigenende partij de proceskosten draagt en dat de toegewezen schadeloosstelling nauwelijks lager is dan die welke werd aangeboden.

4.59 Deze klacht faalt omdat 1) het oordeel van de Rechtbank toereikend is gemotiveerd en 2) ten deze aan haar een grote vrijheid toekomt.(20)

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Het lijvige A-dossier (met een dikte van 34 centimeter) bevat aanzienlijk meer stukken dan het B-dossier. Ik ben uitgegaan van het A-dossier.

2 Dit vonnis bevindt zich niet bij de stukken. De Rechtbank verwijst er naar in haar in cassatie bestreden vonnis.

3 Dat komt overeen met f 7,71.

4 HR 6 juni 2003, NJ 2003, 550 rov. 3.1 in fine.

5 In die zin bijvoorbeeld HR 14 mei 1973, NJ 1974, 126 MB.

6 HR 14 november 1973, NJ 1974, 126 MB; zie voor verdere rechtspraak J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening (2003) blz. 149-151.

7 Zulks volgt reeds uit de bewoordingen van het artikel. Zie nader Schadevergoeding (Lindenbergh) art. 97 aant. 20 en bijv. HR 13 december 1996, NJ 1997, 682 JdB.

8 Zie het rechtspraakoverzicht in Den Drijver-van Rijckevorsel/van Engen, Onteigening, blz. 303-310.

9 HR 10 januari 1973, NJ 1973, 238 WPB (met betrekking tot het tweede middel) en HR 24 december 1997, NJ 1998, 316 rov. 3.3. Zie ook de noot van van Wijmen onder HR 20 februari 2004, NJ 2004, 409 sub 2.

10 HR 20 februari 2004, NJ 2004, 409 PCEvW.

11 Zie rov. 3.1.

12 HR 8 juli 1986, NJ 1987, 434 MB, i.h.b. rov. 9.

13 HR 31 mei 1950, NJ 1950, 591 en HR 7 mei 1954, NJ 1954, 324.

14 In het onderdeel is uitsluitend sprake van perceel [A] [002].

15 O.m. HR 31 mei 1950, NJ 1950, 591 n.a.v. het tweede middel en HR 7 mei 1954, NJ 1954, 324.

16 HR 7 mei 1954, NJ 1954, 324.

17 HR 20 juni 1962, NJ 1962, 282 en HR 19 oktober 1966, NJ 1967, 2 NJP.

18 Dat is m.i. niet in strijd met de genoemde rechtspraak. Daarin wordt namelijk de nadruk gelegd op de vraag of al dan niet minder wordt toegekend dan bij dagvaarding is aangeboden; in zoverre is sprake van een kenmerkend verschil t.o.v. met name HR 20 juni 1962, NJ 1962, 282.

19 Vgl. HR 6 maart 1991, NJ 1991, 818 MB rov. 3.4.

20 HR 8 juli 1986, NJ 1987, 434 rov. 9; HR 6 maart 1991, NJ 1991, 818 MB rov. 3.4 en HR 10 maart 1993, NJ 1994, 45 MB rov. 3.5.