Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS5843

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2005
Datum publicatie
15-04-2005
Zaaknummer
02237/04
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2003:AP0289
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS5843
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijs(overweging) omtrent 1. leiderschap criminele organisatie en 2. voorbereiding invoer cocaïne. Ad 1. De passage in ’s hofs bewijsoverweging dat verdachte jegens X geweld heeft gebruikt maakt deel uit van ’s hofs overwegingen waarin het uiteenzet waarom aan verdachte een centrale rol in de criminele organisatie kan worden toegemeten. Deze overweging houdt echter niet in aan welk wettig bewijsmiddel het hof heeft ontleend dat verdachte dat geweld heeft gepleegd terwijl de gebezigde bewijsmiddelen daaromtrent ook niets inhouden. Dit verzuim leidt niet tot cassatie nu het hof, ook zonder de vaststelling dat verdachte jegens geweld X heeft gebruikt, uit de gebezigde bewijsmiddelen en uit hetgeen het hof voor het overige daaromtrent heeft overwogen heeft kunnen afleiden dat verdachte als leider aan een criminele organisatie heeft deelgenomen, zodat aan de geweldspassage als zodanig geen zelfstandige betekenis toekomt. Ad 2. De gebezigde bewijsmiddelen houden, ook in samenhang met ‘s hofs nadere bewijsoverweging, niets in waaruit kan worden afgeleid dat de voorbereidingshandelingen er mede toe strekten om cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr.02237/04

Mr. Jörg

Zitting 1 februari 2005

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 31 oktober 2003 wegens het als leider deelnemen aan een criminele organisatie, wegens overtredingen van de Opiumwet en wegens verboden wapen- en munitiebezit veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf.

2. Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienr. 02238/04 ([medeverdachte 4]), in welke zaak ik heden eveneens concludeer.

3. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur zes middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt erover dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken van het geding niet binnen acht maanden na het instellen van het beroep in cassatie bij de griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen.

5. Namens de verdachte is op 12 november 2003 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de stukken van het geding geplaatst stempel zijn deze op 11 augustus 2004 op de griffie van de Hoge Raad ingekomen. Dat betekent dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Die overschrijding kan niet meer gecompenseerd worden door een voortvarende behandeling van het cassatieberoep.

6. Het is aan de Hoge Raad om te beoordelen of voor deze overschrijding een acceptabele grond valt aan te wijzen die zou beletten dat tot overschrijding van de redelijke termijn moet worden geconcludeerd (zie rov. 3.2 van HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH), nu op zichzelf de zaak in de cassatiefase binnen de gestelde termijn van 16 maanden kan worden afgedaan. Mijns inziens is die grond er: de omvang van de zaak in samenhang met die tegen [medeverdachte 4] maakt het begrijpelijk dat het hof meer - om precies te zijn: één maand meer - dan 8 maanden nodig heeft gehad om het arrest uit te werken met de bewijsmiddelen en vervolgens in te zenden bij de Hoge Raad.

7. Het middel faalt derhalve

8. Het tweede middel klaagt erover dat het hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd het verzoek om een drietal getuigen (A1029, A1073 en A1079) te horen heeft afgewezen.

9. In de tijdens de ter terechtzitting van 23 april 2003 overgelegde pleitnota (p. 5) heeft de raadman de oproeping van voormelde getuigen als volgt gemotiveerd:

"bovengenoemde getuigen hebben infiltratie-acties gepleegd en daarbij waarnemingen gedaan. Zij dienen gehoord te worden over de vraag in hoeverre bij de infiltratie cliënt een rol heeft gespeeld direct [e]n indirect. Hen dient gevraagd te worden wat zij van cliënt weten of te weten gekomen zijn tijdens deze infiltratie, met name waar het betreft de vraag of cliënt strafbare feiten pleegde of heeft gepleegd. De verdediging is van oordeel dat deze getuigen bij zullen dragen aan het beeld dat cliënt in het geheel geen strafbare feiten heeft gepleegd anders dan vuurwapenbezit."

10. Het hof heeft in het proces-verbaal van terechtzitting van 19 mei 2003 het verzoek om de getuigen te horen afgewezen en daartoe het volgende overwogen (p. 3):

"Het verzoek tot het horen van de onder 7 opgegeven infiltranten A1029, A1073 en A1079 wordt afgewezen. Uit de stukken blijkt dat de infiltratie "de facto" uiteindelijk slechts op [betrokkene 2] gericht is geweest omdat de infiltranten er niet in slaagden om contact te leggen met verdachte. Redelijkerwijs is de verdediging door deze afwijzing niet in haar verdedigingsbelangen geschaad."

11. Op de afwijzing van het verzoek om de genoemde getuigen op te roepen was ingevolge de schakelbepaling van art. 415 Sv, art. 288, eerste lid, Sv van toepassing. Door te overwegen dat door de afwijzing van de betreffende getuigen de verdediging redelijkerwijze niet in haar belangen is geschaad, heeft het hof terecht toepassing gegeven aan de in art. 288, eerste lid en onder c, Sv bedoelde maatstaf.

12. Het hof heeft deze maatstaf op niet onbegrijpelijke wijze gehanteerd, in aanmerking genomen dat de infiltranten er niet in slaagden om met verzoeker contact te leggen en aldus niet(s) uit de eerste hand over verzoeker kunnen verklaren. Dat de verdediging streefde naar het verkrijgen van tweedehands informatie is minder begrijpelijk dan het oordeel van het hof dat die weg maar niet moest worden ingeslagen.

13. Het middel faalt.

14. Het derde middel klaagt erover dat het hof een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie onvoldoende met redenen omkleed heeft verworpen.

15. Het hof heeft in zijn arrest een door de raadsman voorgedragen verweer als volgt samengevat en verworpen (p. 4):

"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat met de inzet van het opsporingsmiddel infiltratie jegens verdachte vanaf 24 augustus 2000, de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit zijn geschonden. Meer in het bijzonder heeft de raadsman betoogd dat in de onderhavige zaak op geen enkele wijze blijkt van een redelijk vermoeden dat verdachte zich zou hebben schuldig gemaakt aan enig strafbaar feit als bedoeld in artikel 126o lid 1 van het Wetboek van Strafvordering(1) laat staan dat er sprake was van zodanig ernstige bezwaren jegens verdachte dat op grond daarvan de inzet van het middel infiltratie jegens verdachte gerechtvaardigd was. Naar het standpunt van de raadsman is sprake van een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen wordt tekort gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak en moet het openbaar ministerie dientengevolge niet ontvankelijk worden verklaard.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman. Uit de zich in het dossier bevindende stukken, meer in het bijzonder het zogenaamde "BOB-dossier", blijkt dat in tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft betoogd, eerst op 15 maart 2001 een bevel tot infiltratie jegens de verdachte is afgegeven zodat de stelling van de raadsman feitelijke grondslag ontbeert en reeds hierom moet worden verworpen."

16. In de toelichting op het middel (3.3) wordt betoogd dat het hof met de verwerping van het verweer onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Zo zou onduidelijk zijn "of het hof van mening is geweest dat een infiltratie jegens verzoeker heeft plaatsgevonden vanaf 24 augustus 2000 tot 15 maart 2001 en dat op het moment van afgifte van het bevel tot infiltratie wel sprake zou zijn van ernstige bezwaren(2) jegens [verzoeker], dan[]wel dat het openbaar ministerie pas "verantwoordelijk te stellen is" voor activiteiten van opsporingsambtenaren, indien en nadat het Openbaar Ministerie een bevel tot infiltratie zou hebben gegeven tot het ondernemen van opsporingsactiviteiten, zodat eventuele infiltratie[-]acties voordat het Openbaar Ministerie bevel tot infiltratie heeft afgegeven niet zouden kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie."

17. Onduidelijk is mijns inziens de door het hof gegeven motivering geenszins: het hof heeft geoordeeld dat de stelling van de raadsman feitelijke grondslag ontbeert. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk gezien het feit dat de raadsman op p. 7 van zijn pleitnota stelt dat de officier van justitie op 24 augustus 2000 heeft besloten tot inzet van infiltratie als opsporingsmiddel terwijl het bevel infiltratie van 15 maart 2001 dateert. De steller van het middel probeert deze feitelijke onjuistheid van de stelling weg te poederen door het introduceren van een tegenstelling tussen informele en formele infiltratie, maar die poging mislukt.

18. Het middel faalt.

19. Het vierde middel formuleert een drietal (bewijs) klachten:

1) het hof zou de bewezenverklaring van het als leider deelnemen aan criminele organisatie ten onrechte gebaseerd hebben op hetgeen uit het dossier blijkt en op het verhandelde ter terechtzitting;

2) uit de bewijsmiddelen zou niet zonder kunnen worden afgeleid dat verzoeker als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en

3) het hof heeft ten onrechte overwogen dat verzoeker jegens [betrokkene 1] geweld heeft gebruikt.

20. Met betrekking tot de eerste klacht het volgende.

21. De gewraakte passage komt uit 's hofs overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1. Deze overwegingen, opgenomen op pagina 6 van het arrest, worden in de toelichting op het middel in § 4.3 met juistheid geciteerd.

22. De steller van het middel zoekt onder andere aansluiting bij HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165 waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld:

"4.2. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging

(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en

(b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend ()."

23. In de aanvulling bewijsmiddelen heeft het hof met betrekking tot feit 1 de volgende passage opgenomen:

"Voor het bewijs van feit 1 wordt de inhoud van alle voor de feiten 2, 3 en 4 gebruikte bewijsmiddelen gebezigd.

Voor het bewijs dat verdachte heeft deelgenomen en leiding gegeven aan een criminele organisatie acht het hof met name redengevend, die passages uit de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen waarnaar het hof verwijst in de in het arrest opgenomen overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1. ()."

24. Het hof stelt derhalve dat de feiten en omstandigheden genoemd in de overwegingen te herleiden zijn tot de bewijsmiddelen van feit 2, 3 en 4.

25. De in de bewijsoverweging genoemde omstandigheid dat [medeverdachte 2] (zie dossier 1F-16A) verdachte benadert op het moment dat [betrokkene 1] de levering van de door hem bestelde 2 kilogram cocaïne niet nakomt, verdachte vervolgens voor [medeverdachte 2] inspringt en bewerkstelligt dat [betrokkene 1] aan [medeverdachte 2] het reeds betaalde geld terugbetaalt is gezien de vermelding van de vindplaats(3) onder andere ontleend aan bewijsmiddel 2 (verklaring verdachte) en 3 (verklaring van [medeverdachte 2]) van feit 2.

26. De in de bewijsoverweging genoemde omstandigheid dat verdachte na de "ripdeal" in België (zie dossier 1F-16B) vanuit zijn positie regelt dat het vooruitbetaalde bedrag via verschillende betrokkenen deels aan "de Italianen" wordt terugbetaald is gezien de vermelding van de vindplaats(4) onder andere ontleend aan bewijsmiddel 39 (verklaring van verdachte) en bewijsmiddel 93-D (opgenomen gesprek tussen verzoeker en [betrokkene 3]) van feit 3.

27. De omstandigheid dat verdachte's leiderschap voorts nog blijkt uit het feit dat [medeverdachte 1] in opdracht van verdachte afnemers zocht voor de partij cocaïne van [betrokkene 1] en het geld voor de aankoop daarvoor verzamelt en dat het hof in dat verband nog wijst op een telefoongesprek d.d. 16 februari 2001 te 14.04 uur (dossier 1F-16, p. 62) is gezien de vermelding van de vindplaats(5) ontleend aan bewijsmiddel 9 (het bewuste tapgesprek) van feit 3.

28. Deze klacht faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.

29. De tweede klacht behelst dat het bewezenverklaarde 'als leider (mijn cursivering, NJ) deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven' niet althans niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kan volgen.

30. Het hof heeft in totaal 307(6) bewijsmiddelen (een ongeveer zes centimeter dikke stapel papier) gebezigd voor het bewijs van de gehele beschuldiging van het als leider deelnemen aan een criminele organisatie. Gezien deze hoeveelheid bewijsmiddelen voel ik wel enigszins met de steller van het middel mee als hij betoogt dat verzoekers leiderschap van de organisatie niet, althans niet zonder meer, uit de bewijsmiddelen kan volgen. Het hof heeft zich dat kennelijk ook gerealiseerd en het raadzaam geacht om redengevende feiten en omstandigheden voor het bewijs van het 'als leider deelnemen' in een nadere bewijsoverweging op te nemen. Dat is toe te juichen.

31. In deze bewijsoverweging (zie punt 20) zet het hof uiteen waarom het hof van mening is dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen verzoeker leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie. Hierbij heeft het hof overwogen dat verzoeker binnen de criminele organisatie een centrale rol speelde die tot uitdrukking kwam in het feit dat verzoeker:

- door medeverdachten en (tussen)handelaren benaderd werd in verband met de aan- of verkoop van verdovende middelen;

- medeverdachten en (tussen)handelaren met elkaar in contact bracht en deze ook met andere leveranciers en afnemers in contact bracht;

- de contacten onderhield met de grootleverancier [betrokkene 1] en

- als een vertrouwenspersoon werd gezien die gezag genoot en als bemiddelaar werd ingeschakeld als transacties/deals dreigden mis te lopen of daadwerkelijk misliepen.

32. Voor dit oordeel is reeds steun te vinden in de als bewijsmiddel 1 van feit 1 gebruikte verklaring van verzoeker, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep en inhoudende:

"Ik verwees mensen als ze iets wilden hebben. Mensen luisteren naar mij (...).

Mijn naam was al bekend in 's-Hertogenbosch. Men kwam steeds bij mij als er problemen waren met drugsdeals. Ik gaf hen dan protectie. Men vertrouwde er op dat ik het allemaal wel op kon lossen.

Ik heb cocaïne afgenomen van [betrokkene 4] (...).

Ik heb [medeverdachte 4] in contact gebracht met [betrokkene 4]. [Medeverdachte 4] wilde cocaïne hebben.

Ik heb [medeverdachte 2] voorgesteld aan [betrokkene 1](...).

Ik heb me voor [medeverdachte 2] ingespannen om het geld terug te halen bij [betrokkene 1] (...).

Ik heb geprobeerd om voor [medeverdachte 3] het geld voor de Italianen terug te halen bij [betrokkene 1](...)."

alsmede in de als bewijsmiddel 23 van feit 1 gebruikte verklaring van [betrokkene 4], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep en inhoudende:

"Ik ken [verzoeker] uit de [a-straat]. Ik was daar dagelijks. [Verzoeker] kwam daar een aantal keren per week. Soms had hij mensen bij zich die hij aan mij voorstelde. Ik heb wel eens met [verzoeker] gesproken over de levering van cocaïne. Hij zei:"Ik ken mensen die doen in kilo's". [Verzoeker] presenteerde zich alsof hij overal de weg wist (...).

U houdt mij voor de verklaring die ik op 26 oktober 2001 bij de politie heb afgelegd.

Ik heb aan [verzoeker] cocaïne verkocht. Hij kocht steeds wisselende hoeveelheden. Er is wel gesproken over grotere hoeveelheden. Op verzoek van [verzoeker] heb ik geïnformeerd naar de mogelijkheid met betrekking tot een grotere partij cocaïne van een paar honderd gram. Ik heb hem ook wel eens gevraagd of hij cocaïne kon leveren. Hij zei toen dat hij mensen kende die in grotere partijen handelden (...).

[Medeverdachte 4] heb ik via [verzoeker] leren kennen. [Medeverdachte 4] heeft mij eens gevraagd om 10 gram cocaïne. Ik heb hem toen gezegd dat ik hem een keer 10 gram zou leveren en daarna niet meer. In juni/juli heeft hij 40 gram cocaïne bij mij afgenomen. Toen [medeverdachte 4] bij mij kwam voor die 10 gram cocaïne verwees hij naar [verzoeker] (...)."

33. Het bewezenverklaarde kan derhalve uit de bewijsmiddelen volgen. Een hogere bewijslat hoeft in cassatie niet gelegd te worden. Dat een bemiddelaar geen leiding kan geven aan een criminele organisatie zie ik niet in. Daarvoor zijn de stijlen van leiding geven te divers.

34. Ook deze klacht faalt.

35. De derde klacht gaat erover dat het hof heeft gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie door ten onrechte in de overwegingen (met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1) vast te stellen dat verzoeker jegens [betrokkene 1] geweld heeft gebruikt dan wel dat dit gegeven niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.

36. Nu het hof in de overwegingen niet heeft aangegeven aan welk gebruikt of ongebruikt bewijsmiddel de vaststelling dat verzoeker op [betrokkene 1] geweld heeft toegepast is ontleend heeft het hof gehandeld in strijd met hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 2003 heeft bepaald (zie punt 21). De klacht is derhalve terecht voorgesteld.

37. Tot cassatie hoeft dit mijns inziens niet te leiden, immers ook zonder deze vaststelling is er voldoende bewijs voor de bewezenverklaring van het als leider deelnemen aan een criminele organisatie (zie mijn behandeling van de tweede klacht van dit middel).

38. Het vijfde middel klaagt er in de kern over dat - zakelijk weergegeven - het bewezenverklaarde doel van de voorbereidingshandelingen, te weten cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen, niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.

39. De ter terechtzitting van 17 oktober 2003 overgelegde pleitnotities houden het volgende in:

"De levering aan de Italianen

De verdediging merkt op dat deze transactie zich geheel in België heeft afgespeeld, zodat van voorbereidingshandelingen tot invoer van cocaïne in Nederland geen sprake kan zijn geweest zijdens cliënt."

40. Ten laste van verzoeker is onder feit 3 bewezenverklaard - voor zover van belang - dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 15 februari 2001 tot en met 15 maart 2001 te 's-Hertogenbosch en/of Oss en/of Heerlen en/of Gent (België), in elk geval in Nederland en/of in België, als Nederlander, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, teneinde voor te bereiden en/of te bevorderen dat meermalen telkens opzettelijk 3 kilo respectievelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (cocaïne), binnen het grondgebied van Nederland wordt/worden gebracht en/of wordt/worden bereid en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd ()."

41. Nu het hof in de bewezenverklaring onderscheiden alternatieven ("en/of") heeft opengelaten dient elk van die alternatieven door bewijsmiddelen te worden geschraagd (vgl. HR 22 juni 2004, NJ 2004, 439 en nog recenter HR 16 november 2004, LJN: AR3230).

42. Ook het doel van de voorbereidingshandelingen, het binnen het grondgebied van Nederland brengen moet derhalve uit de bewijsmiddelen kunnen volgen.

43. Ik ben het met de steller van het middel eens dat de bewijsmiddelen ook in samenhang met de in de bestreden uitspraak gegeven nadere overwegingen omtrent het bewijs niets inhouden waaruit kan volgen dat de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen er (mede) toe strekten om cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen. Integendeel: de voorbereiding was gericht op de aflevering van een partij cocaïne uit Nederland aan Italianen in België; er is geen gegeven dat erop duidt dat deze Italianen de cocaïne terug naar Nederland wilden vervoeren. Het middel is terecht voorgesteld.

44. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden aangezien hier van een kennelijke misslag sprake is, er in bestaande dat verzuimd is de in de tenlastelegging voorkomende woorden 'binnen het grondgebied van Nederland wordt/worden gebracht' weg te strepen. Door de bewezenverklaring verbeterd te lezen (waardoor ook de kwalificatie verbeterd dient te worden) blijft niettemin de bewezenverklaring van overtreding van art. 10A Opiumwet overeind en wordt mijns inziens in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet wezenlijk aangetast (vgl. heel recent HR 11 januari 2005, LJN: AR5101 maar bijvoorbeeld ook HR 2 april 2002, LJN: AD9908, HR 7 oktober 2003, LJN: AI1654 en HR 7 september 2004, LJN: AP2570).

45. Het zesde middel klaagt erover dat het bewezenverklaarde verboden wapen- en munitiebezit niet, althans niet zonder meer, uit de bewijsmiddelen kan volgen.

46. Ten laste van verzoeker is onder feit 5. bewezen-verklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 01 maart 2001 tot en met 01 september 2001 te 's-Hertogenbosch,

- een wapen van categorie II of III, te weten een automatisch vuurwapen en

- munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad."

47. In het arrest heeft het hof met betrekking tot dit feit en ter verwerping van een verweer het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij op 7 juni 2001 in zijn woning, een wapen heeft laten zien aan twee Turkse mannen, maar dat deze mannen het wapen niet wilden kopen omdat het volgens hen een replica van een wapen betrof.

Het hof acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk.

Het hof stelt voorop dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep eveneens heeft verklaard dat hij er zelf vanuit ging dat het wapen dat hij op 7 juni 2001 aan de Turkse mannen heeft getoond een echt wapen was.

Voorts blijkt uit een aantal zich in het dossier bevindende tapgesprekken en opgenomen vertrouwelijke gesprekken dat tussen verdachte en zijn medeverdachten met regelmaat werd gesproken over wapens en de daarvoor benodigde munitie. Zo zegt verdachte in een opgenomen gesprek van 14 maart 2001 tussen verdachte en [medeverdachte 3], gevoerd in personenauto [AA-00-AA], tegen [medeverdachte 3] dat hij een Mac 11, een shotgun en een 357 heeft. In een opgenomen gesprek tussen verdachte en [betrokkene 3] d.d. 22 mei 2001 gevoerd in diezelfde auto zegt verdachte tegen [betrokkene 3]; "Ik neem er denk ik ook "een" mee voor[]dat ik voor iets raars kom te staan. Dan zal ik hem voor zijn kut knallen"..."Ik heb een mooie nu. Zo[']n 357".... "Dat is een zware met die Hollowpoints er in". "Ik loop voortaan continu met zo'n ding rond". Ook voorafgaande aan 7 juni 2001, de dag waarop verdachte een wapen aan de twee Turkse mannen genaamd [betrokkene 5 en 6] heeft getoond, is tussen verdachte en zijn mededaders gesproken over wapens. In een opgenomen gesprek d.d. 4 juni 2001 tussen [medeverdachte 4] en [verdachte] gevoerd in de meergenoemde personenauto zegt [medeverdachte 4] tegen verdachte: "en dan ik zeg ik ga jou belle...voor dinges... die eeh.. geweer. Heb jij niet meer?" [Medeverdachte 4] verklaart hierover op 7 juni 2001 tegenover de politie dat het de bedoeling was dat aan [betrokkene 6] en een andere man een wapen zou worden verkocht en dat hij daartoe aan verdachte had gevraagd of hij aan hem een wapen kon leveren. Hij verklaart voorts dat beide Turkse mannen op 7 juni 2001 naar de woning van verdachte zijn gegaan en dat verdachte daar een wapen aan hen heeft getoond. De verklaring van [medeverdachte 4] wordt bevestigd door de verklaringen die bedoelde Turkse mannen, genaamd [betrokkene 5 en 6], op 9 juni 2001 bij de politie hebben afgelegd. Laatstgenoemde verklaringen houden -kort gezegd- in dat zij een wapen zochten, dat zij daartoe [medeverdachte 4] hebben benaderd en dat zij vervolgens op 7 juni 2001 in Den Bosch in de woning van een Nederlandse man zijn geweest, alwaar die man (lang, breed postuur en kaal) hen een wapen heeft getoond. Het hof stelt vast dat daar waar blijkens het dossier door verdachte en zijn mededaders werd gesproken over wapens en munitie, nooit door een van de betrokkenen gewag is gemaakt van het feit dat het zou gaan om een replica of replica's van een vuurwapen of vuurwapens. [Betrokkene 5] heeft in dat verband op 9 juni 2001 bij de politie verklaard dat het wapen dat door de verdachte aan hem werd getoond een echt wapen was. [Betrokkene 6] heeft op diezelfde datum eveneens verklaard dat verdachte hem een wapen toonde, één waarvan hij schrok. Niet valt in te zien waarom [betrokkene 5 en 6] bij de politie zouden hebben verzwegen dat verdachte hen een replica van een vuurwapen had getoond. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat uit beider verklaringen blijkt dat zij vanuit hun militaire diensttijd verstand hadden van wapens (waarbij voor [betrokkene 6] geldt dat hij bij een op wapens gespecialiseerde eenheid heeft gezeten) en dat zij derhalve in staat moeten worden geacht een echt wapen van een replica te onderscheiden. Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte een vuurwapen van de categorie II of III voorhanden heeft gehad.

Het hof acht op grond van de verklaring van verdachte tegenover [betrokkene 3] dat hij in het bezit was van een "zware met die Hollowpoints er in", in samenhang met het feit dat uit verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte daadwerkelijk een vuurwapen voorhanden heeft gehad, aannemelijk dat verdachte ook munitie voorhanden heeft gehad."

48. Het hof heeft voor het bewijs van het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen onder andere tot het bewijs gebezigd:

- een verklaring van [betrokkene 5] van 9 juni 2001 (bewijsmiddel 1-D) inhoudende onder andere:

"Die lange man (verzoeker, NJ) heeft toen mij nog laten zien dat het wapen werkte door het mechanisme van het wapen naar achteren te trekken (). Zoals ik dat wapen toen zag, was het gewoon een echt wapen. Die man vertelde toen nog dat er op dat wapen een knop zat waarmee je kon kiezen om of een voor een te schieten of automatisch."

- een verklaring van [betrokkene 6] van 8 juni 2001 (bewijsmiddel 2-D) inhoudende onder andere:

"Wij zijn vervo[l]gens aldaar vertrokken. Wij waren onderweg naar huis. Ik vroeg meteen aan [betrokkene 5] hoe het zat met dat vuurwapen. [Betrokkene 5] zie toen tegen mij dat het een automatisch vuurwapen was."

49. Aldus kan het bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen volgen. Dit onderdeel van het middel faalt derhalve.

50. Het hof heeft voor het bewijs van het voorhanden hebben van munitie van categorie II en/of III onder andere tot het bewijs gebezigd:

- een in een auto opgenomen gesprek(7) van 22 mei 2001 tussen verzoeker (R) en [betrokkene 3], (bewijsmiddel 7-B) inhoudende onder andere:

"R: Ik denk ik neem er ook "een" mee voordat ik voor iets raars kom te staan. Dan zal ik hem voor zijn kut knallen.

Ja je weet het niet die "dingen" heb je tegenwoordig nodig. Weet je dat. Ik heb een mooie nu. Zo'n 357.

H: Onverstaanbaar.

R: Dat is een zware. Met die Hollow points erin. Die grote."

- een in een auto opgenomen gesprek van 4 juni 2001 tussen verzoeker (R) en K. [medeverdachte 4] (bewijsmiddel 8-D) inhoudende onder andere:

"R: De mijne... mijne ligt helemaal doorgelaaien en zo en dat...dat... die eeh... ik ga die niet ophalen snapte...

()

R: Ja, ja... Ja, maar ja...toen kon ik ook al net als... eeh... ik liep bij mij, en die ligt daar helemaal klaar... Maar da's moeilijk die kutkogels aan te komen hoor...

K: Welk?

R: Kogels... moeilijk aan te komen...

K: Die korte?...

R: Ja...

K: Zeg maar man!

R: Ooh, dan breng maar een partij mee...

K: Zeg maar bij mij...ik was vandaag gereden, als jij zeggen, zo en zo...[maakt niet af]

R: [onderbreekt] Negen millimeter kort

()."

51. Aldus kan het bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen volgen. Ook deze klacht van het middel faalt.

52. Ik maak de balans op.

53. Het eerste middel faalt. De middelen twee, drie en zes falen en lenen zich voor toepassing van art. 81 RO. De eerste klacht van het vierde middel is gegrond maar behoeft niet tot cassatie te leiden. De overige klachten van het vierde middel falen en lenen zich voor toepassing van art. 81 RO. Het vijfde middel is gegrond maar leidt na een hersteloperatie niet tot cassatie.

54. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

55. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Art. 126o Sv gaat over het opsporingsmiddel observatie bij georganiseerde criminaliteit. Kennelijk wordt art. 126p Sv (infiltratie bij georganiseerde criminaliteit) bedoeld.

2 Art. 126h Sv (infiltratie) vereist voor de inzet van infiltratie verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, moet zijn. Een redelijk vermoeden van schuld is daarvoor voldoende. De eis van ernstige bezwaren wordt niet gesteld.

3 In de aanvulling bewijsmiddelen staat bij feit 2 opgenomen dat dit feit betrekking heeft op dossier 1F-16A.

4 In de aanvulling bewijsmiddelen staat bij feit 3 (Trigonbar) opgenomen dat dit feit betrekking heeft op dossier 1F-16B.

5 In de aanvulling bewijsmiddelen staat bij feit 3 (3 kilogram cocaïne) opgenomen dat dit feit betrekking heeft op dossier 1F-16.

6 De bewijsmiddelen van feit 1, 2, 3 en 4 opgeteld.

7 Door middel van de bijzondere opsporingsbevoegdheid opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel (art. 126l Sv).