Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS4188

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2005
Datum publicatie
15-04-2005
Zaaknummer
R04/073HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2004:AO5005
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS4188
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

15 april 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/073HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. F.A.M. van Bree. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 230
RFR 2005, 71
JWB 2005/155
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. R04/073HR

Mr. Huydecoper

Parket, 28 januari 2005

Conclusie inzake

[de man]

tegen

[de vrouw]

Feiten(1) en procesverloop

1. Het gaat in deze zaak in cassatie alleen om de vaststelling, in het kader van een echtscheidingsprocedure, van de uitkering tot levensonderhoud voor de verweerster in cassatie, [de vrouw], ten laste van de verzoeker tot cassatie, [de man]; en in dat verband ook alleen om de wijze waarop het hof behoefte en draagkracht van partijen heeft beoordeeld. Dat betekent dat een groot deel van de verdere conflictstof die in de feitelijke instanties aan de orde is geweest, in dit cassatiegeding geen rol speelt. Ik veroorloof mij een dienovereenkomstig beknopte weergave van de voorgeschiedenis, waarin vooral datgene wordt besproken wat in cassatie nog aan de orde is.

2. [De vrouw] heeft bij verzoekschrift van 8 december 1998 een vordering aanhangig gemaakt, strekkend tot echtscheiding in het tussen partijen in 1975 gesloten huwelijk. Zij heeft daarbij tevens een uitkering tot levensonderhoud verzocht, voor zichzelf en voor het overgebleven minderjarige kind van partijen (partijen hebben ook vier kinderen die al meerderjarig zijn)(2).

Het verzoek om een uitkering tot levensonderhoud werd in de eerste aanleg - na uitvoerig feitelijk onderzoek - afgewezen op de grond, kort gezegd, dat (hoewel een niet onaanzienlijke behoefte aan de kant van [de vrouw] werd aangenomen) bij [de man] de draagkracht ontbrak die voor de verzochte uitkering ruimte zou bieden.

3. In het namens [de vrouw] ingestelde principale beroep werd betwist dat de draagkracht van [de man] de beperkte omvang had die deze had doen stellen (en die door de rechter in de eerste aanleg dus aannemelijk was geoordeeld). Van de kant van [de vrouw] is daarbij, in het bijzonder, gesteld dat er aanwijzingen waren dat de namens [de man] geproduceerde financiële gegevens niet juist waren, en in dit verband: dat (naar onbetwist vaststaat) zowel in de laatste jaren van huwelijkse samenwoning als in de jaren daarna, steeds sprake is geweest van (zeer) aanzienlijk hogere uitgaven, dan correspondeerde met de volgens de opgaven van [de man] verkregen inkomsten.

4. In een tussenbeschikking van 12 februari 2003 heeft het hof overwogen, dat het zich onvoldoende geïnformeerd achtte om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen Aansluitend heeft het hof beide partijen verzocht nadere stukken met betrekking tot hun inkomsten e.a. over te leggen ([de man] moest o.m. jaarstukken over de periode 2000-2002 produceren, en [de vrouw] recente inkomensgegevens en andere stukken over haar financiële positie).

Beide partijen hebben vervolgens stukken overgelegd.

5. In zijn eindbeschikking van 3 maart 2004 heeft het hof het verzoek van [de vrouw] terzake van levensonderhoud alsnog - goeddeels - toegewezen. In het kader van de vraag hoe de behoefte van [de vrouw], mede gelet op de welstand van partijen, moest worden vastgesteld, overwoog het hof:

"17. Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de gewezen echtgenote wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die haar in redelijkheid past, daarbij (mede) gelet op de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Maatgevend voor de beoordeling van de welstand van partijen tijdens het huwelijk is onder meer het gezinsinkomen dat partijen tijdens de laatste jaren van het huwelijk ter beschikking stond en het uitgaven- en bestedingspatroon van partijen tijdens die jaren.

18. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat het gemiddelde gezinsinkomen over de drie jaren direct voorafgaand aan het uiteengaan van partijen, te weten de jaren 1995 tot en met 1997, ƒ 97.136.- bruto per jaar bedroeg en dat de gemiddelde uitgaven in die jaren beduidend hoger waren, en wel gemiddeld ƒ 151.380.- per jaar. Tegen de vaststelling van het gezinsinkomen en het bestedingspatroon van het gezin door de rechtbank hebben partijen niet gegriefd, zodat van de juistheid van deze bedragen in hoger beroep zal worden uitgegaan.

19. Het hof zal - anders dan de rechtbank - voor de beoordeling van de welstand van partijen tijdens de laatste jaren van het huwelijk en dus voor de beoordeling van de behoefte van de vrouw uitgaan van het uitgaven- en bestedingspatroon van partijen tijdens die jaren en wel op grond van het volgende.

Gelet op het op 3 maart 2000 in het geding gebrachte deskundigenrapport blijken de uitgaven in de betreffende jaren consequent aanzienlijk hoger te liggen dan de inkomsten. Ook over latere jaren blijkt uit genoemd deskundigenrapport en uit de overgelegde (concept) jaarstukken dat de uitgaven consequent aanzienlijk hoger liggen dan de inkomsten, terwijl de inkomsten (de winst uit onderneming) een uiterst wisselend beeld vertonen.

Het hof acht het daarom redelijk de behoefte van de vrouw vast te stellen aan de hand van het uitgavenpatroon van partijen tijdens de laatste jaren van hun huwelijk, zoals door de rechtbank aangegeven.

20. De man heeft gesteld dat de gezinsuitgaven in die jaren hoger waren dan gebruikelijk in verband met een mogelijke emigratie van het gezin en voorts dat het gezin van partijen een groot gezin betreft van zeven personen.

De man heeft de stelling dat het gezin van partijen voornemens was te emigreren, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd. Aan die stelling wordt daarom voorbijgegaan.

21. Naar aanleiding van de stelling van de man dat de uitgaven met name zo hoog waren omdat het een groot gezin betreft, zij opgemerkt dat het hof - zoals gebruikelijk - het eigen aandeel in de kosten in mindering zal brengen op de uitgaven van het gezin gedurende de laatste jaren van het huwelijk, alvorens de behoefte van de vrouw te berekenen (...)"

6. Ten aanzien van de draagkracht van [de man] heeft het hof bovendien het volgende overwogen(3):

"47. De man heeft (concept)jaarstukken over de jaren 1999, 2000, 2001 en 2002 in het geding gebracht. De man stelt dat zijn inkomen, dat bestaat uit winst uit onderneming, op grond van deze jaarstukken moet worden vastgesteld, rekening houdend met de vennootschap die hij per 1 januari 2000 met twee zoons is aangegaan.

48. Ter zitting in hoger beroep van 3 juli 2003 is de man in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven op eerdergenoemde jaarstukken. De man is er echter niet in geslaagd alle gevraagde opheldering te verschaffen. Op grond daarvan, voorts op grond van de omstandigheden dat de resultaten over de jaren 1999 tot en met 2002 een erg wisselend beeld vertonen en de door [de man] in het geding gebrachte jaarstukken van 2000 tot en met 2002 concepten zijn, en verder gelet op hetgeen de vrouw heeft gesteld met betrekking tot de uitgaven van de man, welke stellingen door de man slechts ten dele zijn betwist, acht het hof het redelijk bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit te gaan van de gemiddelde privé-uitgaven die de man in de jaren van 1999 tot en met 2002 heeft gedaan."

7. Tegen deze beschikking heeft [de man] tijdig(4) cassatieberoep laten instellen. Namens [de vrouw] is een verweerschift ingediend.

Iets over het juridische kader

8. De omvang van de op de voet van art. 1:157 BW vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de ex-echtgenoot wordt bepaald door de draagkracht van de alimentatieplichtige, de behoefte van de alimentatiegerechtigde en de (ook niet-financiële) omstandigheden van het geval(5).

9. Zowel behoefte als draagkracht worden niet uitsluitend bepaald door het inkomen dat de betrokkenen ter beschikken hebben en hadden (en ook niet door de uitgaven die zij plegen, resp. plachten te doen).

Het kan zo zijn dat een alimentatieplichtige weinig - of geen - inkomen heeft, en toch over ruime middelen kan beschikken. In dat geval zijn het die middelen die de draagkracht bepalen, en niet (alleen) het inkomen(6).

De behoefte van een alimentatiegerechtigde wordt, zoals voor de hand ligt, vaak bepaald door de uitgaven die deze gewend was te doen (of de bestedingen die te zijnen behoeve werden gedaan), of meer in het algemeen: door de welstand waarin de betrokkene gewend was te leven(7); maar (ook) dat gegeven is niet alleen zaligmakend. Er kunnen factoren zijn die meebrengen dat met een grotere behoefte rekening is te houden dan het uitgavenpatroon tot dan toe aangeeft(8), en ook het omgekeerde: de behoefte die staande huwelijk aanwezig was kan door de "nieuwe" leefsituatie na het huwelijk verminderen(9).

Mij er wel van bewust dat dat een "dooddoener" is: het komt, ook hier, aan op de bijzonderheden van het concrete geval. In (verreweg) de meeste gevallen worden draagkracht en behoefte vooral bepaald door de (geregelde) inkomsten en lasten; maar de maatschappelijke pluriformiteit - ook in dit opzicht - brengt mee, dat er gevallen zijn waarin met andere factoren rekening moet worden gehouden, of waarin andere factoren zelfs doorslaggevend zijn.

10. Het hof heeft het onderhavige geval beoordeeld als één, dat buiten het scala van de "normaaltypische" verhoudingen valt, en daarom moest worden beoordeeld met afwijking van wat "gewoonlijk" gebeurt.

Dat het onderhavige geval bijzondere kenmerken vertoont, valt ook moeilijk te loochenen (een poging daartoe wordt in het middel dan ook niet ondernomen): namelijk de bijzonderheid dat er, zowel staande het huwelijk van partijen alsook in de jaren daarna waarover gegevens zijn meegedeeld, bestendig (aanzienlijk) hogere uitgaven zijn gedaan, dan er inkomen is geboekt - en zonder dat er tekenen zijn dat daardoor de financiële situatie van [de man] onder druk is komen te staan(10).

11. Wat de verklaring is voor dit verschijnsel - dat, althans ten opzichte van de in het middel ingeroepen "gouden regel", als anomalie valt te kwalificeren -, blijkt niet uit de beslissing(en) van het hof. Het is ook in cassatie niet verduidelijkt.

Men kan intussen niet betwijfelen, dat het op de weg van [de man] had gelegen, hier verduidelijking te geven, als daarom wordt gevraagd (en blijkens 's hofs beschikking hééft het hof daarnaar gevraagd). Het gaat immers om middelen waarover [de man] beschikt(e), c.q. die door hem worden/werden beheerd (of op z'n minst: besteed). Hij zou dus (moeten) kunnen aangeven, wat de zojuist als anomalie gekenschetste verschijnselen verklaart(11). In de eindbeschikking is het hof tot het oordeel gekomen, dat er geen toereikende verduidelijking is gepresenteerd.

12. De rechter die met een onverklaard gebleven anomalie als deze wordt geconfronteerd, staat voor een lastige opgave. Hij kan niet, zoals rechters gewend zijn te doen, aan de hand van gegevens die zijn komen vast te staan, de oplossing zoeken die daar naar geldend recht uit voortvloeit; hij moet daarentegen constateren dat hij de relevante gegevens niet (voldoende) kan vaststellen.

Er zijn verschillende wegen om het hier geschetste dilemma op te lossen: wanneer, zoals in de onderhavige zaak het geval is, één partij volgens de rechter tekort is geschoten in het verduidelijken van haar standpunt, kan men de door de andere partij aangevoerde stellingen aanvaarden, omdat die niet voldoende (immers: met een inconsistent en onopgehelderd gebleven betoog) zijn weersproken; men kan - met een variatie hierop - het betoog dat als inconsistent en onvoldoende opgehelderd wordt beoordeeld als ongeloofwaardig verwerpen; of men kan - toch - proberen om uit die gegevens die wel als (voldoende) betrouwbaar voorkomen, (tenminste) het minimum aan feitelijke ondersteuning vast te stellen, dat als basis voor de als juist beoordeelde beslissing nodig is. Deze wegen zijn alle in de praktijk gangbaar, en ook geoorloofd. Niet zelden past de rechter ook combinaties van deze oplossingen toe (hij passeert bijvoorbeeld stellingen omdat die onvoldoende gesubstantieerd zijn en/of omdat die als ongeloofwaardig moeten worden aangemerkt, en stelt uit het "overblijvende" materiaal de feitelijke basis voor zijn beslissing samen).

De motiveringseis gaat niet zo ver, dat de rechter hoeft aan te geven, (precies) hoe hij in dit opzicht te werk gaat.

13. Welke "mix" van de zo-even aangestipte benaderingswijzen het hof voor ogen heeft gestaan, blijkt uit de bestreden beschikking niet precies (en zoals ik al opmerkte, vergt het motiveringsvereiste ook niet, dat dat precies moet blijken). Wel lijkt mij duidelijk dát het hof hiervan gebruik heeft gemaakt; ik heb de indruk dat het hof de inkomensgegevens van [de man] heeft aangemerkt als onvoldoende betrouwbaar om als grondslag voor de beoordeling te dienen, en (daarom) de niet tussen partijen omstreden gegevens betreffende de gedane uitgaven als basis "bij gebrek aan beter" voor zijn beoordeling heeft genomen.

Bespreking van het cassatiemiddel

14. Het cassatiemiddel richt rechtsklachten en motiveringsklachten tegen het door het hof gekozen uitgangspunt, dat de gebleken uitgaven als basis voor de beoordeling van de behoefte van [de vrouw] (en de draagkracht van [de man]) moesten worden genomen.

De rechtsklacht is volgens mij ongegrond. Er is geen rechtsregel die de rechter verbiedt om, waar dat aangewezen is, een basis als deze voor zijn beslissing te gebruiken; het tegendeel blijkt uit de in voetnoot 6 aangehaalde vindplaatsen. Waar - zoals het hof in het onderhavige geval kennelijk heeft aangenomen - betrouwbare gegevens omtrent de middelen van de alimentatieplichtige ontbreken kán de rechter volstaan met het voor juist aannemen (als "onvoldoende weersproken") van de door de alimentatiegerechtigde gestelde gegevens, of hij kan "er een slag naar slaan". Het heeft echter allicht de voorkeur, om gegevens die althans enige houvast bieden aan zijn oordeel ten grondslag te leggen. Het uitgavenpatroon van de betrokkenen, en zeker wanneer dat over langere tijd een bestendig beeld vertoont, is ongetwijfeld een van de gegevens die men voor het vinden van die houvast kan gebruiken(12).

15. Die benadering ligt minder in de rede als er, behalve gegevens omtrent de uitgaven van partijen, ook gegevens omtrent hun middelen (met inbegrip van inkomsten) beschikbaar zijn, die de rechter wèl als voldoende betrouwbaar aanmerkt. Dan kan het verkeerd zijn (en zal het zelfs vaak verkeerd zijn), om zich alleen op de uitgaven te oriënteren - althans wanneer de middelen een wezenlijk ander beeld omtrent behoefte, draagkracht en welstand van partijen oproepen.

Dat was wat er aan de orde was in de beschikking HR 19 december 2003, NJ 2004, 140, waarop namens [de man] een beroep wordt gedaan. Maar wat daar aangewezen was, geldt niet óók voor het geval dat hier te beoordelen is, en dat zich erdoor kenmerkt dat, naar het kennelijke oordeel van het hof, alléén de gegevens omtrent de bestedingen van partijen een (min of meer) betrouwbare houvast voor de beoordeling van hun behoefte en draagkracht konden bieden. Voor dat geval geldt, als gezegd, dat het bezigen van (alleen) die houvast voor het te geven oordeel, zo dat al niet géboden is, in elk geval door geen rechtsregel wordt vérboden.

De in de middelonderdelen 3.1 - 3.1.4 naar voren gebrachte bezwaren stuiten alle op deze (vuist)regels af.

16. Zoals al eerder terloops ter sprake kwam, geldt rechtens geen regel die correspondeert met de in de middelonderdelen 3.1.5 - 3.1.6 te hulp geroepen wiskundige "gouden regel"; en wel omdat het nu eenmaal zo kan zijn dat de behoefte en draagkracht van partijen (mede) worden bepaald door (bestedingen en) middelen, die niet zijn begrepen onder de inkomsten die in de procedure konden worden vastgesteld. Dat kan het geval zijn (ook) als de inkomsten deugdelijk konden worden vastgesteld (dan kunnen er toch andere middelen zijn die - met name - de draagkracht beïnvloeden; ik verwijs opnieuw naar de in voetnoot 6 aangehaalde beslissingen). Dat is zéker het geval als de rechter tot de slotsom moet komen dat de inkomensgegevens waarover hij beschikt, als onvoldoende betrouwbaar moeten worden aangemerkt; en zoals ik al verschillende malen aangaf, meen ik dat dat het geval is waarmee wij (naar het oordeel van het hof) hier te maken hebben.

17. Op dezelfde bedenkingen stuit ook een deel van de motiveringsklachten van de onderdelen 3.2 - 3.5 van het middel af(13).

De bestreden beschikking laat zich aldus samenvatten dat, bij gebreke van betrouwbare gegevens omtrent inkomsten (en/of andere middelen), het bestendig gevolgde bestedingspatroon van partijen een voldoende basis biedt voor het oordeel dat hun respectievelijke behoefte en draagkracht daaraan - ik bedoel: aan dat bestedingspatroon - mag worden afgemeten. Daarmee is dan (tevens) gegeven dat [de vrouw] in redelijkheid mag verlangen dat deze behoefte aan haar kant in aanmerking wordt genomen (zodat de klacht van onderdeel 3.2 faalt); en is verder gegeven dat onderdelen 3.3 en 3.3.1 op niet-gerechtvaardigde veronderstellingen berusten: in de bestreden beslissing mag niet worden "ingelezen" dat [de vrouw] aanspraak zou mogen maken op alimentatie naar rato van een "bovenmaatse" behoefte, en ook niet dat van [de man] gevergd wordt, dat die op zijn vermogen inteert. Beide veronderstellingen gaan uit van de "onderliggende" veronderstelling dat het hof zich tóch een beeld heeft gevormd van de middelen die partijen ten dienste stonden (o.a. in die zin, dat de bestedingen in verhouding tot die middelen "bovenmaats" zouden zijn, of dat de bestedingen slechts door interen op het vermogen konden worden gefinancierd). Het hof heeft er echter nu juist - noodgedwongen - van afgezien, zich hierover een oordeel te vormen, en heeft volstaan met de (impliciete) vaststelling dat de beschikbare middelen kennelijk bestendig toereikend waren om uitgaven zoals die ten processe vaststonden, te kunnen bekostigen.

18. Anders dan de eerder besproken middelonderdelen, betreffen de middelonderdelen 3.4 en 3.5 wel het punt waar het in de bestreden beschikking om draait: namelijk het daaraan kennelijk ten grondslag liggende oordeel dat er onvoldoende houvast bestond voor een betrouwbare vaststelling van het inkomen (en de middelen overigens), waarover beschikt kon worden.

Anders dan deze middelonderdelen aanvoeren meen ik echter, dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof tot deze slotsom is gekomen, en dat die slotsom ook gedragen kan worden door de vaststellingen die het hof in verband daarmee heeft gedaan. Waarom dat zo is, kwam in de alinea's 10 en 11 hiervóór al aan de orde: deze zaak vertoont de opmerkelijke bijzonderheid, dat er gedurende een lange reeks van jaren bestendig (veel) méér is uitgegeven dan op grond van de "zichtbaar gemaakte" inkomsten (en verdere middelen) begrijpelijk zou zijn; en hoewel het klaarblijkelijk op de weg van [de man] had gelegen om te verduidelijken waarom, in weerwil van dit opmerkelijke gegeven, de "zichtbare" inkomsten/middelen toch als houvast voor de van het hof gevraagde beoordeling konden dienen, is deze op (kennelijk door het hof als voldoende relevant aangemerkte) vragen het antwoord schuldig gebleven(14).

19. Daarbij geldt dat het feit dat de "zichtbaar gemaakte" inkomsten een sterk wisselend beeld vertoonden, kennelijk heeft bijgedragen tot 's hofs oordeel dat de gepresenteerde cijfers onvoldoende betrouwbaar waren om als houvast te kunnen dienen. Ofschoon ik de stelster van het middel nageef dat dit niet een gegeven is dat, als algemene regel, argwaan ten opzichte van gepresenteerde financiële gegevens rechtvaardigt, verschil ik met haar van mening als het erom gaat dat dat gegeven nooit tot de hier bedoelde indruk kan bijdragen. Dat kan onder bepaalde omstandigheden wèl - bijvoorbeeld als de daarvoor in aanmerking komende partij op vragen die op dat gegeven betrekking hadden, niet adequaat heeft geantwoord.

Dat brengt mij ertoe ook de klachten van de onderdelen 3.5 en 3.6 als ongegrond te beoordelen.

20. De onderdelen 3.6 - 3.6.4 worden, zoals daar expliciet wordt vermeld, aangevoerd voor het geval de bestreden beschikking zo zou moeten worden verstaan, dat het hof, ook afgezien van mogelijke aarzelingen betreffende de betrouwbaarheid van de gepresenteerde inkomensgegevens, het patroon van de uitgaven/bestedingen van partijen als voldoende basis voor de beoordeling van de draagkracht van [de man] heeft aangemerkt. In die onderdelen wordt dus een wezenlijk andere lezing van de bestreden beschikking tot uitgangspunt genomen, dan mij (blijkens wat ik daar eerder over heb gezegd) juist lijkt. Uitgaande van de lezing van de beschikking die ik voor juist houd, zijn deze klachten daarom ongegrond.

Volledigheidshalve voeg ik toe dat die klachten in de door mij onaannemelijk geachte uitleg van de beschikking waar zij van uitgaan, wèl (althans voor een deel) gegrond zouden zijn.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie de in cassatie niet bestreden rov. 1 van 's hofs tussenbeschikking van 12 februari 2003.

2 Het jongste kind van partijen heeft intussen, als het goed is, vorige week haar 19e verjaardag gevierd.

3 Op p. 13 van de beschikking; ik vermeld dat, omdat de nummering van de overwegingen vanaf p. 15 per abuis wordt herhaald.

4 Bij verzoekschrift van 3 juni 2004, de datum waarop de cassatietermijn ingevolge art. 426 lid 1 Rv. verstreek.

5 Art. 1:157 BW bepaalt dat niet uitdrukkelijk - anders dan art. 1:397 BW - maar uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat voor de vaststelling van partneralimentatie de maatstaven van art. 1:397 BW samen met op andere gegevens berustende maatstaven gelden; zie: Van Zeben-Belinfante-Van Ewijk, Parlementaire Geschiedenis Boek 1, p. 774 - 776; Personen- en familierecht (losbl.), Wortmann, aant. 2 bij art. 1:157 BW en aant. 1 bij art. 1:397 BW; Asser-de Boer, 2002, nrs. 618, 620 en 628/629.

6 HR 25 januari 2002, NJ 2002, 314 m.nt. SW, rov. 3.3 en 3.4; HR 12 november 2000, NJ 2000, 102, rov. 3.2.1 en 3.2.2 en HR 25 mei 1962, NJ 1962, 266 (i.h.b. op NJ-pag. 874) - beide laatstgenoemde beslissingen over gevallen die enigszins aan het onderhavige doen denken; HR 19 april 1991, NJ 1991, 435, rov. 3; HR 19 maart 1982, NJ 1982, 334 m.nt. EAAL, rov. 3.4; HR 3 november 1978, NJ 1979, 107 ("O. ten aanzien van het eerste middel" en "O. ten aanzien van het tweede middel"); zie ook HR 8 juli 1982, NJ 1982, 530, i.h.b. alinea B "Ad c." van de conclusie van A-G Van Soest.

7 HR 12 februari 1988, NJ 1988, 945, rov. 3; HR 25 juni 1965, NJ 1965, 385 ("kopje").

8 Dat was aan de orde in het in deze zaak namens [de man] zwaar benadrukte geval, beoordeeld in HR 19 december 2003, NJ 2004, 140, rov. 3.4; maar zie ook HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283 m.nt. SW, rov. 3.3, HR 19 oktober 2001, rechtspraak.nl LJN nr. AB 2742, rov. 3.2.2 en HR 30 juni 1967, NJ 1967, 341 ("O. t.a.v. het middel van cassatie").

9 HR 3 december 1999, NJ 2000, 183, rov. 3.2.

10 In het middel wordt met recht aangevoerd dat het bestendig méér uitgeven dan men aan inkomen heeft, vroeg of laat tot moeilijkheden pleegt te leiden; maar dat dat niet op een "gouden regel" berust (zoals middelonderdeel 3.1.6 aanvoert) wordt geïllustreerd door de onderhavige zaak én door een aantal van de casusposities uit de in voetnoot 6 aangehaalde rechtspraak.

11 [de man] heeft daarvoor in de feitelijke instanties ook wel een argument aangevoerd (het zou te maken hebben met een emigratie-plan) - maar die stelling heeft het hof als onvoldoende gesubstantieerd gepasseerd.

12 Zie bijvoorbeeld Mens, Trema 1996, p. 369.

13 Waarbij nog in aanmerking is te nemen dat aan de motivering van beslissingen die uitsluitend de behoefte en/of draagkracht in een procedure tot vaststelling (of wijziging) van alimentatie betreffen, geen hoge eisen mogen worden gesteld, zie o.m.: HR 19 oktober 2001, rechtspraak.nl LJN nr. AB 2742, rov. 3.4; HR 9 februari 2001, rechtspraak.nl LJN nr. AA 9899, rov. 3.3; HR 10 december 1999, NJ 2000, 4, rov. 3.3; HR 4 september 1998, NJ 1998, 827, rov. 3.5; HR 24 december 1982, NJ 1983, 389, rov. 3.2.

14 Ik laat dan daar dat het hof ook andere (maar volgens mij minder gewichtige) omstandigheden bij zijn onderhavige oordeel heeft betrokken, zoals de omstandigheid dat een deel van de gepresenteerde cijfers in concept-vorm werd aangeboden.