Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS4133

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2005
Datum publicatie
18-02-2005
Zaaknummer
C04/018HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS4133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

18 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C04/018HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: KATHOLIEKE SCHOOLSTICHTING VOOR WATERINGEN EN KWINTSHEUL, gevestigd te Wateringen, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. J.I. van Vlijmen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 120
JWB 2005/66
JOR 2005/115
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C04/018HR

Mr. L. Timmerman

Zitting d.d. 3 december 2004

Conclusie inzake:

Katholieke Schoolstichting voor Wateringen en Kwintsheul

tegen

[verweerder]

1. Feiten en omstandigheden

1.1 Op grond van een arbitraal vonnis d.d. 5 januari 1993 heeft de Katholieke Schoolstichting voor Wateringen en Kwintsheul, hierna de Stichting, op 16 maart 1993 een bedrag van f.98.756,07 betaald. In dit vonnis was de Stichting ter zake van inbreuk op ontwerprechten van de uitbreiding van de Mariaschool te Wateringen veroordeeld tot betaling aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Architectenbureau [A] BV (hierna aangeduid als "het architectenbureau") van een bedrag, dat inclusief de wettelijke rente en de kosten van de arbitrageprocedure waartoe de Stichting veroordeeld was, op de dag van voldoening f 98.756,07 (€44.813,55) bedroeg.

1.2 Op 11 maart 1993 heeft de Stichting een procedure bij de rechtbank Groningen ingesteld tot vernietiging van het arbitraal vonnis op grond van onbevoegdheid van arbiters. In verband daarmede heeft de Stichting voordat zij op 16 maart 1993 tot betaling van het onder 1.1 bedoelde bedrag overging op diezelfde dag een bankgarantie ontvangen van de Rabobank te Schipluiden. Deze garantie hield in dat de Rabobank zich garant stelde voor de terugbetaling van het door de Stichting op grond van het arbitrale vonnis betaalde bedrag indien de tegen dat vonnis ingestelde vernietigingsprocedure zou slagen. De garantie verviel door tijdsverloop op 23 februari 1994.

1.3 Nadat de rechtbank Groningen bij vonnis van 27 mei 1994 de gevorderde vernietiging van het arbitrale vonnis had afgewezen, heeft in hoger beroep het hof Leeuwarden bij arrest van 19 juni 1996 het arbitrale vonnis wèl vernietigd op grond van onbevoegdheid van de arbiters.

1.4 In een procedure onder het versneld regime heeft de Stichting op 25 juli 1996 bij de rechtbank 's-Gravenhage een vordering ingesteld tegen het architectenbureau voor de betaling van een bedrag van f 98.756,07, met nevenvorderingen, uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het architectenbureau heeft tegen deze vordering geen verweer gevoerd en de rechtbank heeft bij vonnis van 26 november 1996 het architectenbureau veroordeeld om aan de Stichting te betalen de som van f 98.756,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 1993 tot aan de dag der voldoening, alsmede met een bedrag van f 840 (exclusief BTW) ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. Verder is aan de Stichting op 24 september 1996 door de president van de rechtbank 's-Gravenhage verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag en derden beslag ten laste van het architectenbureau;

1.5. Nadat gebleken was dat het architectenbureau in gebreke bleef om het aan de Stichting toegewezen bedrag te betalen en geen verhaal bood, heeft de Stichting op 30 december 1996 bij de rechtbank 's-Gravenhage in een bodemprocedure een vordering tegen [verweerder] ingesteld, in hoofdzaak strekkende tot betaling door [verweerder] in privé van het door het architectenbureau aan de Stichting verschuldigde, doch niet betaalde bedrag. In eerste aanleg vordert de Stichting betaling door [verweerder] van f.98.756,07 inclusief wettelijke rente vanaf 16 maart 1999, te vermeerderen met f.280,-- (excl. BTW) buitengerechtelijke kosten. Daarbij stelde de Stichting zich primair op het standpunt aan [verweerder] te hebben betaald, niet aan het architectenbureau, en voorts dat er sprake was van een vereenzelviging van [verweerder] en het architectenbureau. Subsidiair stelde de Stichting dat [verweerder] onrechtmatig jegens haar had gehandeld en verder verweet zij hem onwil die de terugbetaling frustreert.

1.6 De rechtbank heeft de vordering van de Stichting afgewezen.

1.7 De Stichting komt tegen de beslissing van de rechtbank in hoger beroep.

1.8. Het hof stelt de volgende feiten vast:

a. het architectenbureau [A] BV is opgericht op 31 maart 1983. Enig aandeelhoudster van deze vennootschap is [B] BV (hierna aangeduid als "[B]"), eveneens op 31 maart 1983 opgericht, waarvan de aandelen worden gehouden door [verweerder] en zijn echtgenote. [Verweerder] is enig directeur van beide vennootschappen;

b. voor de oprichting van het architectenbureau oefende [verweerder] zijn werkzaamheden als architect uit als privé-persoon in een samenwerkingsverband met een andere architect. Na die oprichting zijn zijn ondernemingsactiviteiten als architect overgenomen en voortgezet door het architectenbureau;

c. in maart 1981 en in november 1982 heeft de Stichting aan [verweerder] mondeling opdracht verstrekt tot het ontwerpen en begeleiden van de bouw van de Andreasschool te Kwintsheul, respectievelijk de Mariaschool te Wateringen. De bouw van beide scholen is vervolgens in de jaren daarna gerealiseerd;

d. na oprichting van het architectenbureau verliepen facturering en correspondentie betreffende de bouw van de scholen tussen het architectenbureau en de Stichting. De Stichting heeft na 1983 ook nog enkele opdrachten rechtstreeks aan het architectenbureau verstrekt, waaronder in 1989 het maken van een voorlopig en definitief ontwerp voor de uitbreiding van de Andreasschool met drie lokalen;

e. in augustus/september 1990 vindt een briefwisseling plaats tussen het architectenbureau en de Stichting, waarbij eerstgenoemde betaling van de Stichting vordert wegens het zonder toestemming van het architectenbureau gebruik maken van de hierboven onder c. bedoelde ontwerpen bij uitbreidingen in de loop van 1990 van de Andreasschool met een vierde lokaal en van de Mariaschool met drie lokalen. De Stichting ontkent het gebruik van die ontwerpen en weigert betaling. Vervolgens maakt het architectenbureau bij het Arbitrage Instituut Bouwkunst een arbitrageprocedure tegen de Stichting aanhangig, die eindigt met het vonnis van 5 januari 1993. Noch bij de arbitrageprocedure, noch bij de daarop volgende procedures voor de burgerlijke rechter is [verweerder] als prive-persoon betrokken.

1.9 Over de stelling van de Stichting, dat zij aan [verweerder] onverschuldigd heeft betaald, zo niet rechtstreeks dan wel via het architectenbureau dat met [verweerder] vereenzelvigd kan worden, overweegt het hof als volgt.

3.2. De Stichting stelt in 1993 in de veronderstelling te hebben verkeerd het bedrag van f.98.756,07 dat zij krachtens het arbitrale vonnis aan het architectenbureau verschuldigd was, aan [verweerder] privé te hebben betaald. In het licht van de hierboven a.- e. genoemde feiten en daarbij in aanmerking nemende dat niet is gebleken dat zij zich in de onder e. bedoelde briefwisseling en arbitrale en gerechtelijke procedures op het standpunt heeft gesteld dat [verweerder] als haar wederpartij zou hebben te gelden, is het hof van oordeel dat de Stichting tegenover de gemotiveerde betwisting van [verweerder] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan [verweerder] in privé genoemd bedrag heeft betaald of daar redelijkerwijs vanuit mocht gaan.

3.3. Ook het beroep dat de Stichting, zowel ten aanzien van haar beweerde rechtstreekse betaling aan [verweerder] als ten aanzien van de beweerde vereenzelviging van het architectenbureau en [verweerder], doet op de hierboven genoemde bankgarantie kan haar niet baten. Weliswaar noemt de bankgarantie als debiteur "[verweerder]", maar uit de tekst van de garantie blijkt dat de zich garant stellende Rabobank de relatie tussen het architectenbureau en de Sichting in het kader van de tussen deze partijen gevoerde arbitrageprocedure en de ingestelde vemietigingsprocedure bij de rechtbank Groningen op het oog heeft gehad en daaruit blijkt niet van enige bedoeling om als "debiteur" onder de garantie een derde partij, namelijk [verweerder] privé, in plaats van het architectenbureau aan te merken. Aangezien voorts het in de garantie vermelde adres van "[verweerder]" het adres van het architectenbureau, en niet van [verweerder] privé is en ook de in de garantie vermelde naam van de crediteur niet de volledige en juiste naam van de Stichting is en haar adres geheel ontbreekt, vindt het hof het aannemelijk dat met "debiteur", zoals gesteld door [verweerder], het architectenbureau is bedoeld. Niet is gebleken dat de Stichting bij ontvangst van de bankgarantie om opheldering of correctie met betrekking tot de gebezigde tenaamstellingen heeft verzocht, hoewel dat op haar weg had gelegen, wetende dat zij in de arbitrage tot betaling aan het architectenbureau veroordeeld was en een procedure tot vernietiging van het arbitrale vonnis tegen deze had ingesteld. Naar 's hofs oordeel heeft de Stichting ook overigens onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt om [verweerder] privé te mogen aanmerken als de in de bankgarantie bedoelde "debiteur".

3.5 Onder vereenzelviging verstaat men het volledig wegdenken van of voorbijgaan aan het identiteitsverschil tussen een rechtspersoon en een andere rechtspersoon of een natuurlijk persoon, gebaseerd op een aantal bijzondere omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien. Die omstandigheden dienen dan wel zo uitzonderlijk van aard te zijn dat vereenzelviging de meest aangewezen vorm van redres is in een situatie dat misbruik is gemaakt van het identiteitsverschil en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Gelet op de hierboven onder 3.1 genoemde feiten en hetgeen onder 3.2 en 3.3 is overwogen heeft de Stichting jarenlang geweten of althans redelijkerwijs behoren te weten dat het architectenbureau haar wederpartij in zaken en procedures was en zij heeft naar 's hofs oordeel onvoldoende gesteld en niet aannemelijk gemaakt dat de door haar aangevoerde en door [verweerder] grotendeels gemotiveerd betwiste omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, duiden op misbruik door [verweerder] van het identiteitsverschil tussen het architectenbureau en hemzelf of anderszins zo uitzonderlijk van aard waren dat het architectenbureau en [verweerder] met elkaar vereenzelvigd mogen worden. Het beroep op vereenzelviging wordt daarom verworpen.

1.10 Over het eventuele onrechtmatig handelen van [verweerder] overweegt het hof overweegt als volgt:

4.2 ....Het architectenbureau was gerechtigd om op grond van het arbitrale vonnis betaling van de Stichting te vorderen. Nu aan het instellen van een vernietigingsprocedure geen opschortende werking ten aanzien van de betalingsverplichting van de Stichting toekomt, gaat het om de vraag of [verweerder] persoonlijk in zijn hoedanigheid van bestuurder, toen hij betaling vorderde namens het architectenbureau, onrechtmatig jegens de Stichting handelde omdat hij wist dan wel redelijkerwijs moest voorzien dat het duidelijk, althans zeer waarschijnlijk was dat het arbitrale vonnis vernietigd zou worden en alsdan het architectenbureau zijn terugbetalingsverplichting niet zou kunnen nakomen. Mede in aanmerking nemende dat de vordering tot vernietiging eerst ruim drie jaar later in hoger beroep is toegekend, heeft de Stichting naar 's hofs oordeel onvoldoende feiten gesteld en aannemelijk gemaakt dat [verweerder] die wetenschap bezat dan wel redelijkerwijs die toekomstige ontwikkelingen als zeer waarschijnlijk moest voorzien. Nu bovendien de Stichting eerst betaald heeft nadat zij een door haar gevraagde bankgarantie tot zekerheid van een eventuele restitutieplicht had ontvangen en kennelijk, immers zonder enig gebleken voorbehoud, akkoord was gegaan met een looptijd van die garantie van één jaar, treft het verwijt van onrechtmatig handelen door [verweerder] in zijn hoedanigheid van bestuurder van het architectenbureau ten tijde van de uitvoering van het arbitrale vonnis geen doel. Voorts zijn door de Stichting onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van haar vermoedens en is niet gebleken dat [verweerder] geld heeft doen overhevelen van het architectenbureau naar [B] BV met het doel om de Stichting als mogelijk toekomstig of feitelijk crediteur van het architectenbureau te benadelen.

5.1.....De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat de enkele omstandigheid dat het architectenbureau na afloop van de termijn van de bankgarantie niet meer in staat bleek tot terugbetaling van f 98.756,07 [verweerder] nog niet uit hoofde van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk maakt tegenover de Stichting. Die omstandigheid kan er ook niet toe strekken dat op [verweerder] een plicht zou rusten om vanuit zijn persoonlijke middelen, hetzij rechtstreeks hetzij door het aantrekken van leningen, het architectenbureau in staat te stellen om aan zijn terugbetalingsverplichting jegens de Stichting te voldoen. Daar zou anders over geoordeeld kunnen worden, indien als bijkomende omstandigheid [verweerder], handelende in zijn diverse hoedanigheden bij [B] en het architectenbureau, laatstgenoemde vennootschap leeggehaald zou hebben met de opzet om verhaal van de Stichting op het architectenbureau te frustreren. Behoudens dat de Stichting vermoedens in die richting heeft geuit, die door [verweerder] gemotiveerd zijn weersproken, heeft zij onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van deze vermoedens. Evenmin is aannemelijk geworden of gebleken dat [verweerder] het door de Stichting betaalde geld op onrechtmatige wijze naar zijn persoonlijke middelen heeft doorgesluisd. Naar 's hofs oordeel is dan ook niet komen vast te staan dat [verweerder] onrechtmatig handelen jegens de Stichting kan worden verweten en dientengevolge treft ook deze stelling van de Stichting geen doel.

1.11 Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

1.12 De Stichting stelt tijdig cassatieberoep in; partijen geven vervolgens een schriftelijke toelichting en zien af van re- en dupliek.

2. Behandeling van de middelen van cassatie

Middel 1

2.1 Middel 1 komt op tegen ro. 5, 5.1 en 6 van het arrest; rechtens onjuist althans onvoldoende gemotiveerd noemt het middel 's hofs oordeel dat de Stichting onvoldoende heeft gesteld ter staving van haar stelling dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld als houder van de zeggenschap binnen het architectenbureau; verder, dat het aan [verweerder]'s betalingsonwil te wijten was dat het architectenbureau hetgeen zij ten onrechte van de Stichting had afgedwongen niet restitueerde aan de Stichting c.q. dat het [verweerder] te verwijten was dat het architectenbureau voor het vervullen van de restitutieverplichting geen gebruik maakte van kredietfaciliteiten. In de toelichting wijst het middel onder 2.3 op HR 3 april 1992, NJ 1992, 411 (Van der Vliet); het middel wil de situatie in casu met dit arrest gelijk stellen, in die zin dat [verweerder] zijnde bestuurder van het architectenbureau en [B] alsmede samen met zijn echtgenote aandeelhouder van Beheer die de aandelen van het architectenbureau hield, de houder van zeggenschap binnen het architectenbureau is in de betekenis van voornoemd arrest. Het middel wil het arrest aldus uitleggen dat in beginsel op de houder van de zeggenschap de bewijslast rust dat niet-nakoming van verplichtingen door de vennootschap niet te wijten is aan de betalingsonwil van deze bestuurder.

2.2. Het middel treft geen doel. Het middel doet vooral een beroep op HR 3 april 1992, NJ 1992, 411. Voor alle duidelijkheid citeer ik de kernoverwegingen uit dit arrest:

"Het Hof stond voor de vraag of het niet-betalen door de vennootschap wordt veroorzaakt door onwil van Van der Vliet. Zijn ontkennende beantwoording van deze vraag heeft het hof uitsluitend gebaseerd op zijn oordeel dat door Van Waning onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de vennootschap tot betaling in staat is. Daargelaten dat het in een geval als het onderhavige voor de hand ligt van degene die volledige zeggenschap over de nalatige vennootschap heeft te verlangen dat hij aannemelijk maakt dat de vennootschap niet in staat is te betalen, valt zonder nadere motivering niet in te zien hoe het enkele feit dat voorhands niet aannemelijk is geworden dat de vennootschap kan betalen de conclusie zou kunnen rechtvaardigen dat er geen sprake is van onwil van Van der Vliet. Die veronderstelde betalingsonmacht van de vennootschap kan immers zeer wel gepaard gaan met en zelfs haar oorzaak vinden in betalingsonwil van Van der Vliet.....betaling van een schuld hoeft ....niet noodzakelijk te geschieden uit voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, maar kan ook plaatsvinden uit gelden die die de vennootschap ter beschikking staan krachtens een bestaande of nog te verkrijgen kredietfaciliteit; niet uitgesloten is dat degene die de volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, jegens de betreffende schuldeiser onrechtmatig handelt door na te laten ervoor te zorgen dat van deze mogelijkheden gebruik wordt gemaakt. ..."

In het arrest van 2 april 1992 ging het om een geval waarin het hof onrechtmatig handelen van de bestuurders/zeggenschapshouder had afgewezen op de enkele grond dat het hof het niet aannemelijk achtte dat de betrokken vennootschap tot betaling in staat was. Indertijd vond de Hoge Raad deze motivering te mager. Het hof had volgens de Hoge Raad in dat geval dieper moeten graven dan het vaststellen van de enkele omstandigheid dat de vennootschap niet tot betaling in staat was. In zijn arrest uit 1992 legt de Hoge Raad ook uit waarom hij de motivering van het hof te mager vindt. In r.o. 5.1 van het in dit geding bestreden arrest is een uitgebreide motivering te vinden van het oordeel dat [verweerder] niet onrechtmatig gehandeld heeft. Het hof heeft kennelijk in overeenstemming met het arrest van 2 april 1992 naar een dergelijke uitgebreide motivering gestreefd. Ik vind de door het hof in zijn bestreden arrest gevolgde benadering juist. Deze komt erop neer dat het hof meent dat van onrechtmatige betalingsonwil van een bestuurder/zeggenschapshouder alleen sprake kan zijn, als zich bijzondere omstandigheden voordoen die op betalingsonwil wijzen. De enkele omstandigheid dat er twee vennootschappen met een bestuurder/volledige zeggenschapshouder zijn waarin een van de vennootschappen een vermogenssurplus heeft en de andere vermogenstekort heeft is -zo zou ik met het hof willen aannemen- onvoldoende om van onrechtmatige betalingsonwil bij de bestuurder/volledige zeggenschapshouder te kunnen spreken. Als men dat zou aannemen, zou men in die situatie de betrokken vennootschappen of de betrokken vermogens van de beide vennootschappen als één gaan behandelen, zonder dat er sprake is van een of andere vorm van misbruik van de vermogensscheiding van de betrokken vennootschappen. De legale figuur van de eenpersoonsvennootschap of het uit verschillende vennootschappen met dezelfde bestuurder bestaande concern worden dan voor een belangrijk deel van hun zin beroofd. Ook de in de sfeer van vrije beroepen veel toegepaste dubbeldekker-constructie waarvan de onderhavige casus een voorbeeld is, zou bij voorbaat weinig zinvol zijn. Dat zou ook ingaan tegen de lijnen die de Hoge Raad tot nu toe in zijn jurisprudentie over dit type casus heeft uitgezet. Ik citeer uit het betrekkelijk recente Rainbow-arrest(1):

"Bij de bantwoording van deze vraag moet worden vooropgesteld dat, zoals het hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen, door degene die (volledige en overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identeitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad die verplicht tot het vergoeden van schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht".

De boodschap van dit arrest is: er kan alleen van een onrechtmatige daad of vereenzelviging sprake zijn bij misbruik van identiteitsverschil en de Hoge Raad wenst geen min of meer automatische vereenzelviging bij onderlinge verwevenheid van vennootschappen.

2.3 In onderdeel 2.3., 2.4 en 2.5. van het eerste middel merkt de Stichting op dat het hof de regel uit het Van der Vliet-arrest heeft miskend dat een zeggenschapshouder over een vennootschap moet aantonen dat de omstandigheid dat de vennootschap niet nakomt niet aan zijn betalingsonwil is te wijten. De door het middel bepleite regel zou een mijns inziens zeer vergaande regel zijn: de zeggenschapshouder moet zich telkens van verantwoordelijkheid voor niet betaling van een bepaalde schuld door zijn vennootschap met door hem aangedragen bewijzen schoon wassen. Er gaat een vermoeden van betalingsonwil bij de bestuurder ontstaan. Ik kan zo'n vergaande regel in het Van der Vliet-arrest niet lezen. De Hoge Raad zegt in het betrokken arrest slechts dat het voor de hand ligt dat de zeggenschapshouder over een nalatige vennootschap aannemelijk maakt dat de vennootschap niet in staat is tot betaling, hetgeen juist iets anders dan dat de zeggenschapshouder aantoont dat de niet-betaling niet aan zijn onwil te wijten is. De Hoge Raad laat in het Van der Vliet-arrest in het midden wie uiteindelijk de betalingsonwil dient te bewijzen. Dat zal van de omstandigheden van het geval afhangen.

Middel 2

2.4 Middel 2 richt zich met motiveringsklachten tegen ro. 4.1 en 4.2 waar het hof beslist, dat de Stichting niet heeft bewezen dat [verweerder] had behoren te weten dat het architectenbureau geen verhaal zou bieden voor het restitueren van hetgeen het bureau de Stichting uit het arbitrale vonnis dwong te betalen, terwijl de vernietigingsprocedure al liep.

2.5 Het middel wordt mijns inziens tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat het erom gaat of [verweerder] in 1993 redelijkerwijs moest weten dat het waarschijnlijk was dat het arbitrale vonnis vernietigd zou worden en zijn venootschap alsdan niet aan zijn terugbetalingsverplichting zou kunnen voldoen. Ik vind het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft aangenomen dat [verweerder] de betrokken wetenschap niet had en ook niet hoefde te hebben. Hierbij is met name van belang dat de vordering tot vernietiging in eerste instantie door de rechtbank is afgewezen. Hieruit is af te leiden dat de uitkomst van de vernietingsprocedure kennelijk niet vanzelfsprekend was. Ik ben van mening dat het hof in r.o. 4.2 van zijn bestreden arrest voldoende inzichtelijk heeft aangeven hoe bij hem de verschillende afwegingen hebben plaatsgevonden. Ik vind het niet onbegrijpelijk dat het hof tot de conclusie is gekomen dat [verweerder] de voor onrechtmatig handelen vereiste wetenschap niet had.

Middel 3

2.6 Middel 3 klaagt over 's hofs overwegingen 3.1 tot en met 3.5 en het daarop gebaseerde dictum waarin ligt besloten het oordeel dat de Stiching geen beroep op misbruik van identiteitsverschil toekomt en derhalve [verweerder] in persoon en [B] BV niet vereenzelvigd kunnen worden.

2.7 Het middel wordt tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft in r.o. 3.5 van zijn bestreden arrest vastgesteld dat de Stichting wist dat zij met het architectenbureau zaken deed. Vervolgens is het hof in dezelfde r.o. nagegaan of er reden was het architectenbureau te vereenzelvigen met [verweerder]. Hieruit blijkt dat het hof - anders het middel suggereert - de omstandigheid dat de Stichting wist dat het architechtenbureau haar wederpartij was, niet beslissend heeft geacht voor het antwoord op de vraag of er al dan niet vereenzelvigd dient te worden.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 H.R. 13 oktober 2000, NJ 20