Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS3843

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2005
Datum publicatie
11-02-2005
Zaaknummer
C04/042HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS3843
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

11 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C04/042HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], 2. [Eiseres 2], tezamen vormende de maatschap [A], beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n AEGON SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 102
JWB 2005/54
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C04/042HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 26 november 2004

Conclusie inzake

1. [eiser 1] en

2. [eiseres 2]

eisers tot cassatie

tegen

Aegon Schadeverzekering N.V.

verweerster in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1) De relevante feiten zijn als volgt samen te vatten:

- De eisers tot cassatie, [eiser] c.s. (hierna: [eiser]), hebben/heeft in oktober 1997 van een derde een partij paprikaplanten gekocht.

- De planten zijn niet geleverd, aangezien de partij wegens aantasting door het "dikke-wortelsyndroom" is afgekeurd en vernietigd.

- Tussen partijen is sedert 1 juli 1994 een gewasverzekeringsovereenkomst van kracht, onder meer tegen schade, door [eiser] geleden "door niet geleverd, niet tijdig geleverd of geleverd kwalitatief onjuist plantmateriaal", zoals nader omlijnd in voorwaardenblad 1067 'Bijzondere Verzekeringsvoorwaarden D-dekking'.

- In dat voorwaardenblad is, onder 2, de omvang van de D-dekking als volgt omschreven:

"2. Dekking

De verzekering geschiedt tegen schade ontstaan in de tuinbouwkassen en bedrijfsgebouwen van de verzekeringnemer veroorzaakt door:

a. niet geleverd plantmateriaal,

b. niet tijdig aan de verzekeringnemer geleverd plantmateriaal,

c. geleverd, doch duidelijk van de naar verkeersopvattingen als normaal aanvaarde kwaliteit afwijkend plantmateriaal dat in opdracht van de verzekeringnemer in opkweek is of is opgekweekt in kassen of bedrijfsgebouwen op een opkweekbedrijf gelegen in de Benelux, of in Duitsland niet verder dan 50 km van de Duits-Nederlandse grens, als gevolg van:

2.1 de gebruikte teeltbenodigdheden;

2.2 het gebruik van voor de opkweek van het desbetreffende plantmateriaal - hetzij door etikettering of anderszins - niet geëigende meststoffen of bestrijdingsmiddelen;

2.3 een onjuiste instelling, programmering of bediening van of onjuiste dosering door apparatuur, waaronder begrepen de analoge of digitale voedingsdoseersystemen van onder andere de teelt op substraat.

Vergoeding van schade vindt uitsluitend plaats, indien de verzekeringnemer aantoont dat de schade veroorzaakt is door één of meer van de onder 2. genoemde gebeurtenissen.

De in redelijkheid door de verzekeringnemer gemaakte kosten voor het aantonen van de schade worden eveneens vergoed, indien blijkt dat de schade een gevolg is van een gedekte gebeurtenis."

2) [Eiser] heeft de verweerster in cassatie, Aegon, aangesproken tot vergoeding van de uit hoofde van de misgelopen levering van paprikaplanten geleden schade (met nevenvorderingen). [Eiser] stelde zich op het standpunt dat deze schade gedekt was onder de verzekeringsovereenkomst. Aegon heeft dat betwist, kort gezegd, omdat zij die overeenkomst zo uitlegde dat alleen schade als gevolg van de in de zojuist aangehaalde nrs. 2.1, 2.2 en 2.3 omschreven oorzaken gedekt zou zijn (en omdat niet aannemelijk zou zijn dat de paprikaplanten door die oorzaken schade hadden opgelopen).

3) Uit het verdere partijdebat hierover is nog van belang, dat [eiser 1] bij gelegenheid van een comparitie heeft verklaard dat hem bij het aangaan van de onderhavige verzekering door hun verzekeringstussenpersoon (ABN-AmRo) was meegedeeld dat de dekking van Aegons verzekering zich nauwelijks onderscheidde van die van Hagelunie, de verzekering die [eiser] tot dan toe had gehad. Van de laatstgenoemde verzekering heeft het hof als appelrechter vastgesteld, dat die de beperkte dekking bood die overeenkwam met de namens Aegon verdedigde uitleg van háár (Aegons) polisvoorwaarde.

4) In cassatie speelt daarnaast een rol [eiser]' subsidiaire stelling, namelijk dat de schade aan de paprikaplanten daadwerkelijk veroorzaakt zou zijn door een van de in nrs 2.1 - 2.3 van de polisvoorwaarde omschreven oorzaken. [eiser] had in appel voorgedragen dat met betrekking tot dit gegeven (de oorzaak van de schade aan de paprikaplanten) een deskundigenbericht zou worden bevolen. Daaraan is het hof voorbijgegaan op de grond, kort gezegd, dat de voorhanden wetenschappelijke bronnen aangaven dat de oorzaak van het "dikke wortelsyndroom" (nog) niet was opgehelderd. Bij die stand van zaken meende het hof dat de namens [eiser] voorgestelde bewijslevering niet aangewezen was.

5) Zowel in de eerste aanleg als in appel werd de namens [eiser] ingestelde vordering afgewezen, waarbij telkens de namens Aegon verdedigde uitleg van de eerder aangehaalde polisvoorwaarde als aannemelijk werd beoordeeld.

6) [Eiser] heeft tegen het in appel gewezen arrest tijdig(2) cassatieberoep ingesteld. Aegon heeft (na de zaak bij anticipatie te hebben opgebracht) laten concluderen tot verwerping. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

Het juridische kader

7) Het geschilpunt dat de meeste aandacht van partijen en van de rechters in de feitelijke instanties heeft (gevraagd en) gekregen, betreft de uitleg van Aegons polisvoorwaarde(n).

Partijen hebben over en weer (ond)erkend, dat dit materie is waarbij feitelijke appreciatie van de daarvoor relevante gegevens door de daarvoor aangewezen rechterlijke instanties, de overwegende rol speelt(3). De toetsing in cassatie moet navenant beperkt zijn. Afgezien van het geval dat de rechter in de feitelijke instantie een verkeerde beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd (daarover wordt in deze zaak niet geklaagd; en het hof heeft, blijkens rov. 3.1, beoordelingscriteria toegepast die algemeen als de juiste worden aanvaard(4)), kan in cassatie slechts worden onderzocht of de "lagere" rechter zijn beslissing op begrijpelijke gronden heeft gebaseerd.

8) Dat onderzoek kan dan gericht zijn op

a) de vraag of de door de rechter gegeven gronden de gevonden uitkomst kunnen dragen; waarbij zich kán voordoen dat, hoewel de gegeven gronden geen logische ongerijmdheid bevatten en die ook niet aan essentiële argumenten uit het partijdebat voorbijgaan, er een zodanige spanning bestaat tussen de gronden en de daarop gebaseerde uitkomst, dat dat aan de begrijpelijkheid van de motivering (te zeer) afdoet(5). Dit geval heeft de steller van het middel waarschijnlijk op het oog waar (in middelonderdeel 1.2 en in onderdeel 3) wordt aangevoerd dat het hof niet in redelijkheid tot zijn oordeel kon komen; en

b) de twee bij het vorige "gedachtestreepje" uitgezonderde mogelijkheden: de gegeven motivering bevat (volgens de klachten in cassatie) wèl een logische ongerijmdheid, of gaat voorbij aan essentiële argumenten uit het partijdebat.

In verband met dat laatste verdient vermelding dat het, wil de klacht kunnen slagen, inderdaad om "essentiële" argumenten moet gaan. Daarin ligt besloten dat de feitelijke rechter niet op ieder argument hoeft in te gaan dat ter ondersteuning van de door hem verworpen zienswijze is aangevoerd. De grens kan ongeveer zo worden gemarkeerd, dat de te onderzoeken beslissing géén oordeel, expliciet of impliciet, over het desbetreffende argument inhoudt; en dat de gegeven motivering bij gebreke daarvan niet als dragend kan worden beschouwd omdat het argument in kwestie, als dat deugdelijk zou worden bevonden, niet met de gegeven motivering c.q. de verkregen uitkomst te rijmen valt.

Dit geval doet zich - gelukkig - maar bij uitzondering voor. Daarentegen komt zeer veel voor, dat in de door de feitelijke rechter gevonden uitkomst (al) besloten ligt, dat deze de niet expliciet besproken argumenten die een andere uitkomst aandringen, als van onvoldoende gewicht heeft aangemerkt; terwijl het verder zo is dat een dergelijk (impliciet) oordeel vaak geen nadere motivering behoeft. Wie een bepaald argument op gewicht onderzoekt zal immers dikwijls niet meer kunnen doen, en bijna altijd niet meer hoeven te doen, dan constateren dát het gewicht hem al-dan-niet voldoende voorkomt om de gevonden uitkomst te beïnvloeden. Nadere motivering van zo'n weging is lang niet altijd mogelijk, en is (dan ook) maar zelden noodzakelijk(6).

De gegeven motivering is bij de hier beschreven stand van zaken niet onverenigbaar met het desbetreffende (niet expliciet besproken) argument.

9) Hoewel het middel geen klachten aanvoert over de beoordelingsmaatstaf die het hof heeft toegepast, liggen in het middel wel gedachten omtrent die maatstaf besloten die een korte bespreking waard zijn.

10) De uitleg van overeenkomsten moet vooral(7) plaatsvinden aan de hand van de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan het overeengekomene mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten(8).

In die maatstaf vloeien feitelijke en normatieve elementen in elkaar over. Het gaat, zoals voor de hand ligt, in de eerste plaats om wat partijen werkelijk (gezamenlijk) hebben bedoeld overeen te komen (een louter feitelijk gegeven); maar daarbij komt, in die gevallen waarin de gezamenlijke bedoeling (achteraf) niet kan worden opgespoord of vastgesteld óf waarin partijen zich van een met hun overeenkomst verband houdend probleem geen (gezamenlijke) rekenschap hebben gegeven (uiteraard geven vooral die gevallen aanleiding tot meningsverschillen en rechtsgedingen(9)), ook om wat partijen - hoewel hun gezamenlijke bedoelingen daar niet op gericht zijn geweest - in de gegeven omstandigheden in redelijkheid als bindend moeten accepteren.

11) Dat laatste kan dan weer het geval zijn omdat de betreffende verbintenis, ofschoon niet begrepen onder wat partijen werkelijk gezamenlijk hebben bedoeld, door redelijk oordelende partijen in de gegeven omstandigheden als onderdeel van het overeengekomene zou zijn begrepen óf, waar (ook) dat niet het geval is, omdat die verbintenis in de gegeven omstandigheden uit de geldende rechtsnormen - de maatstaven van redelijkheid en billijkheid daaronder begrepen - voortvloeit. Hier gaat het om gegevens met een belangrijke normatieve component: de relevante omstandigheden vormen de feitelijke basis, maar het oordeel over de daaraan naar redelijkheid en recht te verbinden gevolgen, is overwegend normatief van aard(10).

12) Deze beschouwingen lijken mij de moeite van het vermelden waard, omdat van de kant van [eiser] verschillende malen een beroep wordt gedaan op argumenten die van betekenis kunnen zijn voor wat deze bij en na de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst werkelijk heeft geweten en begrepen, zonder daarbij mede in aanmerking te nemen wat een verzekeringnemer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht dan wel moest aannemen en verwachten. Het gaat echter, bij toepassing van de zojuist in het kort weergegeven rechtsleer, vooral om het laatste; waar partijen van de betekenis van (bedingen uit) hun overeenkomst geen eenduidige voorstelling lijken te hebben gehad is het eerste (namelijk: wat de ene partij daar werkelijk over gemeend heeft), in veel gevallen maar van beperkte betekenis.

Bespreking van het cassatiemiddel

13) Na het voorafgaande zal niet verbazen dat ik het middel in alle onderdelen als ongegrond beoordeel.

Beginnend - zoals erg voor de hand ligt - met onderdeel 1.1: dat lijkt mij ongegrond om redenen die zich laten samenvatten als: onjuiste lezing van de uitspraak van het hof; onjuiste rechtsopvatting inzake de cassatietoetsing van beslissingen over de uitleg van overeenkomsten; en een uit de vorige gevens voortvloeiende onjuiste uitkomst.

14) Onjuiste lezing van het arrest: het middelonderdeel neemt tot uitgangspunt dat het hof de in geding zijnde polisvoorwaarde als (voldoende) duidelijk heeft aangemerkt. Dat is echter niet het geval. Waar partijen over de uitleg van een beding in een overeenkomst verschillen is het meestal zo, dat dat beding voor meerderlei uitleg vatbaar is. Dat impliceert dat het beding (in zoverre) niet duidelijk is. Dat heeft het hof, volgens mij, ook in het onderhavige geval tot uitgangspunt genomen. Dat wordt onderstreept door de verwijzing, door het hof, naar de zgn. "contra-proferentem"-(vuist)regel: die verwijzing heeft betekenis als het aan de partij die een contractsvoorwaarde heeft "ingebracht" toerekenbaar is, dat die voorwaarde door onduidelijke redactie geredelijk in het nadeel van die partij zou kunnen worden uitgelegd (dan kan uitleg in het nadeel van die partij te eerder in aanmerking komen)(11). Bij bedingen die de rechter als duidelijk aanmerkt, komt toepassing van deze (vuist)regel allicht niet aan de orde.

15) Onjuiste rechtsopvatting: de klacht van dit middelonderdeel berust voor het overige in wezen op argumenten die ertoe strekken dat het hof aan de van de kant van [eiser] aangevoerde argumenten meer gewicht had moeten geven, althans dat de weerlegging van die argumenten méér motivering vereiste. Het eerste is niet doeltreffend, omdat de weging van de verschillende argumenten die voor de uitleg van een contractueel beding zijn aangevoerd aan de "feitelijke" rechter is voorbehouden. Dat staat in de weg aan het argument dat de cassatierechter zou moeten onderzoeken of aan zulke argumenten niet méér gewicht had moeten worden toegekend.

Het tweede miskent de hiervóór in alinea 8 besproken aspecten van het motiveringsvereiste(12).

Dat het hof naar voren haalt dat de in de polisvoorwaarde voorkomende komma's aangeven dat één doorlopende zin bedoeld is, betekent niet dat het hof dat gegeven als doorslaggevend heeft beoordeeld, maar moet worden begrepen tegen de achtergrond van het feit dat namens [eiser] sterk was benadrukt dat de gebruikte lay-out een andere betekenis suggereerde. Dan is begrijpelijk dat het hof aangeeft waarom aan dat argument niet zo veel gewicht toekomt als [eiser] daaraan toegekend wilde zien. Dát is volgens mij de strekking van deze overweging van het hof.

16) Ik heb de indruk dat het middel in verschillende onderdelen miskent dat de beslissing van het hof niet op één als doorslaggevend aangemerkt gegeven berust, maar op een "gewogen" selectie van de door partijen aangevoerde en door het hof vastgestelde omstandigheden. Het in onderdeel 1.1 van het middel besproken aspect, namelijk de tekst/redactie (en lay-out) van het beding, is één van die omstandigheden (en dit onderdeel bestrijdt, zoals ik al aangaf, volgens mij tevergeefs 's hofs waardering, die erop neerkomt dat tegenover de van de kant van [eiser] benadrukte onduidelijke aspecten van die tekst andere aspecten staan, die de van de kant van Aegon bepleite uitleg eerder aannemelijk doen zijn).

Een tweede omstandigheid bestaat in de - in rov. 3.2.2 besproken - gegevens die kúnnen meebrengen dat [eiser] er niet (in redelijkheid) van uit mocht gaan dat de Aegon-verzekering een belangrijk ruimere dekking bood dan de eerder geldende Hagelunie-verzekering (terwijl die verzekering er, naar 's hofs oordeel, duidelijk toe strekte een beperkte dekking, ongeveer overeenkomstig Aegon's interpretatie van háár polisvoorwaarde, te bieden).

Als derde omstandigheid wijst het hof dan op de aard en strekking van de onderhavige verzekering. Daarbij heeft het hof ongetwijfeld ook het oog op het namens Aegon verdedigde (en door de rechtbank in rov. 10 (slot) van het eindvonnis ook aanvaarde) argument, dat het weinig aannemelijk is dat de verzekeraar in bepaalde gevallen voor alle (denkbare) schadeoorzaken dekking zou bieden, en in andere zeer vergelijkbare gevallen een veel beperktere dekking.

Als men deze combinatie van omstandigheden in aanmerking neemt, is, anders dan het middel verdedigt, de door het hof gevonden uitleg van het polisbeding bepaald niet ongerijmd.

17) In het zojuist besprokene ligt besloten waarom ik ook onderdeel 1.2 als niet-doeltreffend beschouw: aan de hand van de zojuist in alinea 16 weergegeven gedachtegang kon het hof zeer wel komen tot de in het bestreden arrest gegeven uitleg.

18) Onderdeel 2.1 berust op de stelling dat de vergelijkbare polisbepaling van Hagelunie dezelfde ruime uitleg toelaat, die [eiser] met betrekking tot de polisvoorwaarde van Aegon verdedigde. Het hof heeft echter in rov. 3.2.2 vastgesteld dat de Hagelunie-bepaling ondubbelzinnig de beperktere strekking tot uitdrukking brengt. Daarin ligt besloten dat bij [eiser] (of diens assurantie-tussenpersoon) niet in redelijkheid (ik verwijs hier naar het in alinea's 9 - 12 hiervóór besprokene) ruimte bestond voor een andere lezing van de Hagelunie-bepaling. De deelargumenten die middelonderdeel 2.1 aanhaalt, zijn daarmee alle afdoende weerlegd(13).

19) Onderdeel 2.2 berust, als ik het goed zie, op een verkeerd begrip van de daarin bestreden overweging van het hof (d.i. rov. 3.2.3). 's Hofs overweging ziet, zoals ik in alinea 16 hiervóór al aanstipte, (mede) op de ongerijmdheid dat, bij de namens [eiser] verdedigde uitleg, de Aegon polisvoorwaarde in het onder c. aangeduide geval wèl een beperkte dekking zou beogen, maar in de alleszins vergelijkbare rubrieken a. en b. dekking voor alle denkbare schadeoorzaken zou bieden. Die ongerijmdheid kon het hof bij zijn uitleg in aanmerking nemen. De gegevens die dit middelonderdeel aanwijst, voorzover al juist, doen daar in het geheel niet aan af (vandaar mijn vermoeden dat het middelonderdeel een andere uitleg van het oordeel van het hof op het oog heeft - namelijk een uitleg waarin die gegevens wèl terzake zouden doen).

20) Onderdeel 2.3 verwijst naar een argument van ondergeschikt belang, dat het hof in zijn onderzoek van de omstreden uitleg van het Aegon-polisbeding geredelijk onbesproken kon laten. Het is evident dat het hof dit argument als niet-doorslaggevend heeft aangemerkt, en het is ook heel goed te begrijpen waarom.

Onderdeel 2.4 doet eveneens een beroep op argumenten die geen afzonderlijke, gemotiveerde weerlegging behoefden(14). Ook hier miskent het middel bovendien dat het er niet om gaat wat [eiser] of de assurantietussenpersoon werkelijk hebben geweten of begrepen, maar om wat deze redelijkerwijs in de gegeven omstandigheden mochten verwachten/konden begrijpen. Ik verwijs weer naar mijn bespiegelingen in de alinea's 9 - 12.

21) Onderdeel 3 houdt argumenten in die met de hiervóór gegeven beschouwingen al voldoende zijn onderzocht (en weerlegd).

22) Onderdeel 4 klaagt erover dat geen gevolg is gegeven aan [eiser]' verlangen dat een deskundigenonderzoek zou worden gelast.

Deze klacht behoort niet te worden aanvaard, omdat het ter vrije beoordeling van de "feitelijke" rechter staat of hij aan instructie in de vorm van een deskundigenbericht behoefte heeft(15); en omdat het oordeel van het hof dat daaraan in deze zaak géén behoefte bestond heel goed te begrijpen is. De stukken waarnaar het hof verwijst kan men geredelijk zo lezen, dat in wetenschappelijke kringen (nog) geen duidelijkheid over de oorzaken van wortelverdikking bestaat. Dan valt inderdaad niet in te zien wat voor heil van een deskundigenbericht zou mogen worden verwacht - laat staan waarom de rechter daaraan niet voorbij zou mogen gaan.

23) Zo kom ik ertoe, te besluiten dat geen van de argumenten van het middel doel treft. Daarmee is de slotsom ook gegeven.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie 's hofs in cassatie niet bestreden rov. 1, waarin het hof de door de rechtbank in rov. 1a t/ 1d van haar vonnis vastgestelde feiten aan zijn beslissing ten grondslag legt.

2 Bij dagvaarding van 8 januari 2004. De cassatietermijn verstreek op 28 januari 2004.

3 Zie bijvoorbeeld Asser Hartkamp 4 II, 2001, nr. 284; Hartlief en Mendel, Verzekering en maatschappij, 2000 (Asser), p. 21 - 29; HR 17 september 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AO8198, rov. 3.3.2; HR 12 maart 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AO0970, rov. 3.3; HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 22, rov. 3.4; HR 10 januari 2003, NJ 2003, 199, rov. 3.6.2; HR 11 oktober 2002, NJ 2003, 416, rov. 3.8; HR 31 maart 2000, NJ 2000, 357, rov. 3.3.

4 Zie bijvoorbeeld HR 12 november 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AP9666, rov. 3.3 en 3.4; HR 17 september 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AO8198, 3.3.2; HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 22, rov. 3.5; HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 258 m.nt. MMM, rov. 3.4; HR 11 oktober 2002, NJ 2003, 416, rov. 3.8 (verwijzend naar rov. 5 van het arrest van het hof) .

5 HR 11 juni 2004, NJ 2004, 604, rov. 3.4.4 levert, denk ik, een voorbeeld op van een geval zoals ik dat hier bedoel.

6 Voor beschouwingen op hetzelfde thema verwijs ik naar alinea 28 van de conclusie in zaaknr. C03/233HR, rechtspraak.nl LJN nr. AR2386 en naar de conclusies voor HR 29 maart 2002 en HR, kenbaar uit Civiele Conclusies 2002, p. 105 e.v. en Civiele Conclusies 2001, p. 96 respectievelijk.

7 De clausulering is ingegeven door het onderscheid dat gemaakt wordt tussen de rechtsgevolgen die door de partijverklaringen en het daardoor opgewekte vertrouwen teweeg worden gebracht enerzijds, en de rechtsgevolgen die uit de wet en redelijkheid en billijkheid voortvloeien anderzijds; en door de "overlap" of wisselwerking tussen beide categorieën, die, zoals in de volgende alinea's te bespreken, bij de uitleg van een overeenkomst een rol kan spelen; zie bijvoorbeeld Asser - Hartkamp 4 II, 2001, nrs. 281 en 282.

8 Een parafrase, ontleend aan het bekende arrest HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB, rov. 2 (Ermes/Haviltex); zie ook Hijma c.s., Rechtshandeling en overeenkomst, 2004, nrs. 261 e.v.; T&C Burgerlijk Wetboek, 2003, Valk, Art. 6:248, aant. 2; Asser - Hartkamp 4 II, 2001, nr. 281.

9 Zie bijvoorbeeld Asser - Clausing - Wansink 5 IV, 1998, nr. 181.

10 Zie over deze gegevens - opnieuw - Asser - Hartkamp 4 II, 2001, nrs. 280 - 282;

11 O.a. HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 258 m.nt. MMM, rov. 3.4; HR 12 januari 1996, NJ 1996, 683 m.nt. MMM, rov. 3.4 en 3.11; HR 24 september 1993, NJ 1993, 760, rov. 3.8; HR 28 april 1989, NJ 1990, 583 m.nt. MMM, rov. 3.3; (Enigszins) afwijkend Hartlief en Mendel c.s., Verzekering en maatschappij, 2000 (Asser), p. 14 en (vooral) p. 24 - 26 en Asser - Clausing - Wansink 5 IV, 1998, nr. 182.

12 Ten aanzien van het (deel)argument dat het hof grief II onbesproken zou hebben gelaten merk ik op dat het hof, anders dan de rechtbank (in de rov. 7 én 10 van het eindvonnis), de in grief II besproken tekstuele argumenten niet in zijn beoordeling van het uitlegprobleem heeft betrokken. In het licht van het feit dat het hof dit gegeven niet (in het nadeel van [eiser]) in aanmerking heeft genomen, was het allicht niet nodig, de grief die erop aandrong dat aan dat gegeven niet het gewicht toekwam dat de rechtbank eraan had gegeven, nog expliciet te bespreken.

13 Dat geldt ook voor het argument dat (zou zijn aangevoerd dat) er wel degelijk - grote - verschillen tussen de verzekeringen van Hagelunie en Aegon zouden bestaan. Er was niet aangevoerd (en het middel geeft ook niet aan) dat die verschillen voor de in dit geding relevante dekkingsomvang van (wezenlijke) betekenis waren.

14 Ik laat daarom maar voor wat het is, dat het middelonderdeel niet aangeeft waar [eiser] zich in de stukken op de hier bedoelde argumenten zou hebben beroepen.

15 HR 6 december 2002, NJ 2003, 63, rov. 3.5; HR 14 december 2001, NJ 2002, 73, rov. 3.3.3. "Vaste rechtspraak", zie o.m. HR 31 maart 1995, NJ 1995, 597 m.nt. HER; HR 20 mei 1988, NJ 1988, 779 ("kopje"); HR 3 februari 1967, NJ 1968, 32 m.nt. DJV; Burgerlijke Rechtsvordering, Rutgers, art. 221 (oud), aant. 2; Pitlo c.s., Het Nederlands burgerlijk recht, deel 7 (Bewijs), 2004, nrs. 105 en 106; Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, nr. 92.