Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS3643

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
R04/061HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS3643
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

22 april 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/061HR RM/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 251
NJ 2005, 379 met annotatie van S.F.M. Wortmann
RFR 2005, 72
RvdW 2005, 59
JWB 2005/158
JPF 2005/68
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R04/061HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 18 jan. 2005

conclusie inzake

[de man]

tegen

[de vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze kinderalimentatiezaak staat de vraag centraal of en in hoeverre de hoogte van de aan de alimentatieplichtige vader op te leggen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind wordt benvloed door de omstandigheid dat de moeder inmiddels uit een andere relatie het leven heeft geschonken aan een tweede kind.

2. De feiten liggen als volgt.

(i) Verzoeker van cassatie, hierna: de vader, en verweerster in cassatie, hierna: de moeder, hebben met elkaar een relatie gehad, uit welke relatie op [geboortedatum] 1998 een dochter, genaamd [dochter 1], is geboren.

(ii) De relatie is beƫindigd. Beide partijen oefenen het ouderlijk gezag uit over [dochter 1].

(iii) Uit een relatie met een andere man heeft de moeder op [geboortedatum] 2003 het leven geschonken aan een tweede dochter.

3. Bij een op 9 oktober 2002 ter griffie van de rechtbank te 's-Hertogenbosch ingekomen verzoekschrift heeft de moeder verzocht te bepalen dat de vader met een bedrag van Euro 563,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 1] over de periode van 1 april 2002 tot 1 september 2002 en met een bedrag van Euro 800,- per maand met ingang van 1 september 2002.

4. Nadat de vader een verweerschrift had ingediend en de zaak ter zitting was behandeld, heeft de rechtbank bij beschikking 24 juni 2003 de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 1] met ingang van 1 oktober 2002 bepaald op Euro 308,65 per maand en het meer of anders verzochte afgewezen.

5. De moeder is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De man stelde van zijn kant incidenteel hoger beroep in.

6. Bij beschikking van 3 februari 2004 heeft het hof in het principaal en in het incidenteel appel de beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 1] zal voldoen:

- met ingang van 1 oktober 2002 tot 1 januari 2003 een bedrag van Euro 450,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2003 tot 1 augustus 2003 een bedrag van Euro 380,- per maand;

- vanaf 1 augustus 2003 een bedrag van Euro 450,- per maand.

7. Bij de bepaling van deze bijdragen is het hof ten aanzien van de behoefte van [dochter 1] en van de draagkrachtruimte van ieder der partijen om bij te dragen in de behoefte van [dochter 1] ervan uitgegaan

- dat de totale behoefte van [dochter 1] voor de periode 1 oktober 2002 tot 1 januari 2003 Euro 881,- per maand bedraagt en met ingang van 1 januari 2003 op Euro 738,- per maand (r.o. 4.6);

- dat de behoefte van [dochter 1] niet wordt verminderd doordat de moeder op [geboortedatum] 2003 aan een tweede dochter het leven heeft geschonken, aangezien de behoefte van een kind gerelateerd wordt aan de behoefte ten tijde van de samenwoning (r.o. 4.5);

- dat de draagkrachtruimte van de vader, zonder rekening te houden met de kosten van de omgangsregeling, Euro 799,- per maand bedraagt (r.o. 4.10);

- dat de draagkrachtruimte van de moeder tot 1 augustus 2003 Euro 524,- per maand bedraagt en vanaf 1 augustus 2003 Euro 262,- per maand, nu de moeder vanaf die datum twee kinderen heeft en de beschikbare draagkrachtruimte evenredig tussen de kinderen verdeeld dient te worden, ongeacht wat door de andere ouders van deze kinderen wordt betaald (r.o. 4.13).

8. De vader is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

9. Onderdeel 1 van het middel heeft een inleidend karakter en bevat geen klacht. Het behoeft geen bespreking.

10. Onderdeel 2 van het middel is opgebouwd uit drie subonderdelen en richt zich tegen de beslissing van het hof ten aanzien van de met ingang van 1 augustus 2003 door de vader verschuldigde onderhoudsbijdrage.

11. Subonderdeel a betoogt met een beroep op HR 25 november 1994, NJ 1995, 286 dat - kort gezegd - bij de beoordeling van de vraag of de geboorte van het tweede kind uit de latere relatie van de moeder vaststelling van de door de vader verschuldigde bijdrage op een hoger bedrag rechtvaardigt, een afweging van belangen dient plaats te vinden. Het hof zou dit hebben miskend dan wel geen inzicht hebben gegeven in zijn gedachtengang op dit punt.

12. Het subonderdeel faalt. Nog daargelaten dat de genoemde uitspraak van de Hoge Raad betrekking heeft op een ander geval, namelijk op het geval dat de onderhoudsplichtige vader zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen, wordt in die uitspraak een belangenafweging niet dwingend voorgeschreven. De Hoge Raad heeft slechts beslist dat bij de beoordeling van de redelijkheid van de uitgaven in de nieuwe gezinssituatie waarin de vader zich heeft begeven, een afweging van belangen van het kind tegenover die van de nieuwe partner aan de orde zal kunnen komen.

13. Subonderdeel b neemt stelling tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.13 - dat de beschikbare draagkrachtruimte van de moeder evenredig tussen de kinderen verdeeld dient te worden, ongeacht wat door de andere ouders van deze kinderen wordt betaald. Het subonderdeel stelt dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat de moeder geen alimentatie vordert van de vader van haar tweede kind in de risicosfeer van de moeder ligt. Voorts klaagt het subonderdeel dat het hof heeft miskend dat voor de vaststelling van de draagkracht niet (uitsluitend) bepalend is over welke financiƫle middelen de moeder in feite beschikt, doch ook bepalend (kunnen) zijn die inkomsten, middelen of bijdragen die de moeder zich in redelijkheid kan verwerven. In het onderhavige geval zijn geen feiten gesteld of gebleken op grond waarvan van de moeder in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij alimentatie van de vader van het tweede kind ten behoeve van dit kind vordert, aldus het subonderdeel.

14. Uitgangspunt bij de beoordeling van de door het subonderdeel opgeworpen klachten dient te zijn dat bij de vaststelling van de draagkrachtruimte van de moeder voor haar eerste kind rekening moet worden gehouden met de kosten die zij moet maken voor de opvoeding van haar tweede kind. De hoogte van die kosten is mede afhankelijk van de bijdrage die de vader van dat kind levert of behoort te leveren aan de bestrijding van die kosten. Hieruit vloeit voort dat het hof bij de vaststelling van de bijdrage van de vader ten behoeve van [dochter 1] rekening dient te houden met de bijdrage die de vader van het tweede kind voor dit kind betaalt of behoort te betalen. Indien de bijdrage van de vader van het tweede kind (nog) niet is vastgesteld, dient het hof de bijdrage van de vader ten behoeve van [dochter 1] vast te stellen op het bedrag waarop hij deze bijdrage zou hebben vastgesteld, indien het hof tegelijkertijd over de vaststelling van de bijdrage van de vader van het tweede kind voor dit kind te oordelen zou hebben. Zie in een vergelijkbaar geval HR 13 december 1991, NJ 1992, 178. Dit betekent dat de - vastgestelde of nog vast te stellen - bijdrage van de vader van het tweede kind voor dit kind van invloed is op de voor haar eerste kind beschikbare draagkrachtruimte van de moeder, en daarmee op de bijdrage die de vader verschuldigd is ten behoeve van [dochter 1]. 's Hofs oordeel dat de beschikbare draagkrachtruimte van de moeder evenredig tussen de kinderen verdeeld dient te worden, ongeacht wat door de andere ouders van deze kinderen wordt betaald, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting, zodat subonderdeel b terecht is voorgesteld.

15. Subonderdeel c, dat met motiveringsklachten opkomt tegen het door subonderdeel b reeds doeltreffend met rechtsklachten bestreden oordeel, behoeft geen bespreking.

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof te verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,