Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS3642

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2005
Datum publicatie
08-04-2005
Zaaknummer
R04/006HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS3642
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

8 april 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/006HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n DE GEMEENTE EDAM-VOLENDAM, gevestigd te Volendam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. K.T.B. Salomons. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 92
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 207
JWB 2005/139
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R04/006HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 14 januari 2005

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

De gemeente Edam-Volendam

Deze zaak betreft het verhaal op verzoeker tot cassatie, de man, door verweerster in cassatie, de gemeente, van verleende bijstand aan de voormalig echtgenote van de man.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 De man is op 29 juni 1967 gehuwd met [de vrouw](2), de vrouw. Hun huwelijk is op 19 december 1996 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 november 1996 in de registers van de burgerlijke stand.

1.2 Uit zich in het dossier bevindende medische verklaringen is af te leiden dat de vrouw reeds ten tijde van het huwelijk leed aan de aandoening neurogene spieratrofie.

1.3 Met ingang van 20 februari 1997 wordt aan de vrouw door de gemeente een uitkering verstrekt ingevolge de Algemene bijstandswet(3) naar de norm voor een alleenstaande.

1.4 Bij brief/beschikking van 24 januari 2001, verzonden op 26 januari 2001(4) heeft de gemeente de man op de hoogte gesteld van het feit dat op de gemeente op grond van art. 92 Abw de verplichting rust om de verstrekte bijstand te verhalen tot aan de grens van de onderhoudsplicht.

In die brief is de man tevens verzocht gegevens te verstrekken om zijn financiële draagkracht te kunnen vaststellen.

1.5 Bij brief/beschikking van 28 juni 2001 heeft de gemeente de verhaalsbijdrage met ingang van 26 januari 2001 vastgesteld op € 808,12 per maand.

1.6 Op 12 december 2001 hebben Burgemeester en Wethouders van de gemeente besloten over te gaan tot verhaal in rechte.

1.7 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank te Haarlem op 8 maart 2002, heeft de gemeente verzocht:

- het totale bedrag dat de man aan de gemeente verschuldigd is, vast te stellen op € 808,12 per maand;

- de bijdrage in te laten gaan op 26 januari 2001;

- de man te veroordelen dit bedrag te voldoen;

- de man te veroordelen de ontstane betalingsachterstand van € 8.237,64 met betrekking tot de periode van 26 januari 2001 t/m 30 november 2001 te voldoen door betaling ineens van laatstgenoemd bedrag;

- de man te veroordelen in de kosten van de wettelijke rente vanaf de datum dat de man in verzuim is;

- de man te veroordelen in de kosten van het geding.

1.8 Aan haar verzoeken heeft de gemeente onder andere ten grondslag gelegd dat de man op grond van de artikelen 1:157 BW en 93 Abw ten opzichte van de vrouw onderhoudsplichtig is, dat de kosten van bijstand genormeerd worden naar de norm alleenstaande en dat deze € 808,12 per maand bedragen. Voorts heeft de gemeente gesteld dat er geen rechterlijke alimentatie-uitspraak is en dat de onderhoudsplichtige geen onderhoudsbijdrage betaalt.

1.9 De man heeft het verzoek gemotiveerd bestreden.

De zaak is op 15 augustus 2002 ter zitting behandeld.

Bij beschikking van 24 september 2002(5) heeft de rechtbank de verzoeken van de gemeente afgewezen op de grond dat het verweer van de man dat hij geen onderhoudsplicht jegens de vrouw heeft omdat er geen causaal verband bestaat tussen het huwelijk en de bijstandsverlening aan de vrouw.

1.10 De gemeente is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam en heeft het hof daarbij verzocht om, met vernietiging van de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:

- dat de man aan de gemeente met ingang van 26 januari 2001 een bijdrage in de kosten van bijstandsverlening aan de vrouw dient te voldoen voor een bedrag van € 808,12 per maand voor zolang de bijstandsverlening voortduurt met inachtneming van de wettelijke bepaling ten aanzien van de duur van de onderhoudsplicht;

- dat de achterstand in deze bijdrage tot en met november 2002 € 17.935,08 bedraagt;

- dat de achterstand terstond dient te worden voldaan;

- dat de kosten van eventuele betekening en executie van de beschikking voor rekening van de man komen.

1.11 De zaak is op 23 juni 2003 ter zitting van het hof behandeld, bij welke gelegenheid de man de standpunten van de gemeente gemotiveerd heeft betwist.

1.12 Bij beschikking van 24 juli 2003 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd alsmede iedere verdere beslissing aangehouden teneinde de man in de gelegenheid te stellen nadere financiële gegevens over te leggen. Voorts heeft het hof bepaald dat de zaak verder zal worden behandeld op 15 september 2003.

1.13 Tijdens de mondelinge behandeling van 15 september 2003 heeft de man bij monde van zijn advocaat gesteld dat de door de gemeente gemaakte draagkrachtberekening juist is en heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof heeft vervolgens de berekening van de gemeente tot uitgangspunt genomen en bij beschikking van 16 oktober 2003 de door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbijdrage ten behoeve van de vrouw met ingang van 26 januari 2001 bepaald op € 808,12 per maand.

1.14 De man heeft tegen de beschikkingen van het hof van 24 juli 2003 en 16 oktober 2003 beroep in cassatie ingesteld.

De gemeente heeft een verweerschrift ingediend(6).

2. Ontvankelijkheid

2.1 Met het oog op het dictum van de beschikking van het hof van 24 juli 2003 maak ik enige korte opmerkingen over de status van die beschikking in relatie tot de (ontvankelijkheids)vraag of het cassatieberoep tijdig is ingesteld.

2.2 Vaste rechtspraak is dat van een tussenarrest/beschikking kan worden gesproken indien in het dictum daarvan niet omtrent enig deel van het gevorderde/verzochte een definitief einde is gemaakt(7).

2.3 In rechtsoverweging 4.2 van zijn beschikking van 24 juli 2003 heeft het hof, anders dan de rechtbank, een wettelijke onderhoudsplicht van de man vastgesteld en daaraan de gevolgtrekking verbonden dat de bestreden beschikking van de rechtbank dient te worden vernietigd. Vervolgens heeft het hof in het dictum die beschikking ook inderdaad vernietigd en voor het overige iedere verdere beslissing aangehouden teneinde de man in de gelegenheid te stellen nadere financiële gegevens over te leggen.

2.4 Nu het hof in zijn dictum heeft volstaan met vernietiging van de bestreden beschikking en niet met zoveel woorden in het dictum een onderhoudsplicht van de man heeft vastgesteld, meen ik dat de beschikking van het hof als een tussenbeschikking dient te worden aangemerkt, zodat daartegen slechts tegelijk met de eindbeschikking van 16 oktober 2003 beroep in cassatie kon worden ingesteld. Dit brengt mee dat het onderhavige cassatieberoep, dat op 16 januari 2004 ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen, tijdig is ingesteld.

3. Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1 Het verzoekschrift tot cassatie bevat drie cassatiemiddelen. Deze zijn opgenomen onder de nummers 4, 5 en 6 van het verzoekschrift. De nummers 1, 2 en 3 bevatten slechts een inleiding.

De cassatiemiddelen stellen de door het hof vastgestelde onderhoudsplicht van de man ter discussie. Ik schets daarom allereerst het wettelijk kader.

Wettelijk kader

3.2 Per 1 januari 1996 is de Algemene bijstandswet (Abw) van 12 april 1995(8) ingevoerd, die de opvolger is van de tot dat moment geldende oude Algemene Bijstandswet (ABW). De wetgever heeft er destijds voor gekozen de nieuwe bijstandswet zo spoedig mogelijk toepassing te laten vinden. De Abw is dan ook vanaf de datum van inwerkingtreding van toepassing op nieuwe gevallen. Ten aanzien van lopende gevallen is er sprake van uitgestelde werking(9).

Nu de vrouw vanaf 20 februari 1997 een uitkering ontvangt, is op deze zaak de Abw van toepassing.

3.3 Het verhaal op een derde van verleende bijstand wordt geregeld in hoofdstuk VII, art. 92 t/m 105 Abw. Verhaal kan slechts plaats hebben in de gevallen die de wet noemt. Art. 92 lid 3 Abw bepaalt uitdrukkelijk dat buiten de gevallen aangegeven in hoofdstuk VII van de wet, geen verhaal plaatsvindt.

3.4 Bij de Wet van 9 oktober 2003, Stb. 375, is de Abw vervangen door de Wet werk en bijstand (WWB). Het merendeel van de bepalingen van die wet zijn op 1 januari 2004 in werking getreden(10). Op grond van de Invoeringswet Wet werk en bijstand(11) en enkele uitvoeringsbesluiten hebben gemeenten echter de bevoegdheid gekregen om ten aanzien van bepaalde onderwerpen zelf het precieze tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe regeling te bepalen, met dien verstande dat het tijdstip wel voor 1 januari 2005 moest liggen. Men spreekt in dit verband van een gefaseerde invoering van de WWB. De achtergrond daarvan is dat de gemeenten erg weinig tijd hadden om zich op de inwerkingtreding van de WWB voor te bereiden(12).

3.5 In art. 13 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand is de bepaling opgenomen dat tot het tijdstip waarop de artikelen 56, 61 en 62 van de WBB in werking treden, kosten van bijstand door het college kunnen worden verhaald in de gevallen en overeenkomstig de regels aangegeven in de artikelen 92, tweede en derde lid, tot en met 105 en 141 van de Algemene bijstandswet. In zoverre zijn die bepalingen dus ook nog na 1 januari 2004 van kracht.

3.6 Middel I betoogt dat het hof de gemeente ambtshalve niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het hoger beroep, omdat het instellen van beroep een exclusieve bevoegdheid is van het College van Burgemeester & Wethouders of blijft voorbehouden aan dat College en het hoger beroep is ingesteld door degene die krachtens mandaat vanuit de burgemeester daartoe gerechtigd is verklaard.

3.7 Art. 120 Abw luidt als volgt:

1. Burgemeester en wethouders kunnen slechts met toestemming van de gemeenteraad aan gemeenteambtenaren mandaat verlenen tot het het nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand. Burgemeester en wethouders geven daarbij algemene instructies.

2. Het in het eerste lid bedoelde mandaat kan zich niet uitstrekken tot het beschikken op bezwaarschriften en tot het instellen van beroep.

3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van organen, ingesteld bij of krachtens de wet, ter behartiging van belangen waarbij meer dan een gemeente is betrokken en ten aanzien van de Centrale organisatie werk en inkomen(13).

3.8 Volgens dit artikel kunnen B&W het nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand aan gemeenteambtenaren overlaten, doch zijn de beslissingen op bezwaarschriften en de besluiten tot het instellen van beroep bij de rechter van mandaatverlening uitgesloten(14). Het belang van de te beslissen zaken vereist hier dat wordt beslist door het bestuurlijk college dat voor het bestreden besluit verantwoordelijk is(15).

3.9 Uit de stukken(16) blijkt dat het college van B&W van de gemeente op 24 oktober 2002 heeft besloten in hoger beroep te gaan van de beschikking van de rechtbank van 24 september 2002. Het verzoekschrift in hoger beroep is door de gemeente ingediend en er is domicilie gekozen ten kantore van de sectie Inkomenszaken.

3.10 In het onderhavige geval is derhalve geen sprake van een ongeldig mandaat. Dat de gemeente domicilie kiest ten kantore van de sectie Inkomenszaken, kan niet tot niet-ontvankelijkheid leiden.

Middel I faalt mitsdien.

3.11 Middel II betoogt dat door het hof niet is overwogen of vastgesteld dat tussen de man en de vrouw geen onderhoudsbijdrage is bepaald en dat voorts niet blijkt van een nihil-beding, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de vrouw om haar moverende redenen heeft afgezien van een aanspraak op levensonderhoud ten laste van de man. Dan kan, aldus het middel, ook geen sprake zijn van het niet of niet behoorlijk nakomen door de man van zijn onderhoudsverplichting, hetgeen voor het van toepassing zijn van art. 93 sub b Abw wel dient te worden vastgesteld.

3.12 Art. 93 sub b Abw bepaalt dat de kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek worden verhaald op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt.

Het gaat bij het verhaal op de gewezen echtgenoot derhalve om de onderhoudsplicht van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van het eerste lid van art. 92 Abw is de gemeente verplicht te onderzoeken of bij een onderhoudsplichtige verhaal kan worden gezocht. Als dat het geval is dient de gemeente tot verhaal over te gaan(17), zij het dat onder bepaalde omstandigheden daarvan kan worden afgezien (art. 92 lid 2 Abw) (18).

3.13 Niet vereist is dat de aanspraak reeds bij rechterlijke uitspraak is vastgesteld. Art. 95 Abw betreft de in acht te nemen maatstaven bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht als bedoeld in de artikelen 93 en 94 Abw indien er geen rechterlijke uitspraak is waarbij de hoogte van de onderhoudsuitkering is bepaald.

3.14 Ook is niet bepalend wat partijen hebben afgesproken. Voor het geval de (gewezen) echtgenoten bij overeenkomst hebben bepaald dat de ene echtgenoot tegenover de andere in het geheel niet of slechts tot een bepaald bedrag tot alimentatie is gehouden, bepaalt art. 94 Abw dat het verhaalsrecht daardoor niet wordt ontkracht.

Voorts is in dit kader art. 1:159a BW van belang. Dit artikel geeft aan dat een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 1:158 BW (alimentatieovereenkomst) en 1:159 BW (beding dat de overeenkomst niet zal worden gewijzigd) niet in de weg staat aan verhaal op grond van art. 93 Abw en dat het de vaststelling van het te verhalen bedrag onverlet laat(19). Met dit artikel wordt getracht te voorkomen dat degenen die op grond van hun inkomen in staat moeten worden geacht een bepaald bedrag aan alimentatie te betalen, op eenvoudige wijze, op kosten van de gemeenschap, onder deze verplichting kunnen uitkomen.

3.15 Met betrekking tot de alimentatie na echtscheiding wordt in veel gevallen in het geheel geen regeling getroffen. Dit betekent echter niet dat de onderhoudsplicht in de zin van het Burgerlijk Wetboek dan ontbreekt en dat verhaal achterwege zou moeten blijven(20).

Het oordeel of na echtscheiding alimentatie behoort te worden uitgekeerd, kan ook bij verhaal ingevolge de Algemene bijstandswet worden gegeven door de voor de beoordeling van dat verhaal bevoegde rechter(21).

3.16 Het hof heeft in zijn beschikking van 24 juli 2003 over de onderhoudsverplichting het volgende overwogen:

'4.2 (...) De onderhoudsverplichting tussen gewezen echtgenoten vindt haar rechtsgrond in de levensgemeenschap zoals die door het huwelijk is geschapen. Deze gemeenschap behoudt in de onderhoudsplicht haar werking ook al wordt de huwelijksband geslaakt. Gelet op de duur van het huwelijk, de rolverdeling tijdens het huwelijk en het feit dat de vrouw reeds ten tijde van het huwelijk leed aan neurogene spieratrofie die het verrichten van arbeid bemoeilijkte, gaat het hof er van uit dat de vrouw behoefte heeft aan een uitkering tot levensonderhoud.

De gemeente heeft aannemelijk gemaakt dat de vrouw weliswaar pogingen heeft ondernomen om aan het werk te komen, maar dat dit slechts heeft geresulteerd in enkele dagen arbeid waaruit geen ziektewetuitkering kon worden gegenereerd. Ook overigens heeft de gemeente aannemelijk gemaakt dat de vrouw geen aanspraak had kunnen maken op enige ander[e] voorziening van sociale zekerheid, nog daargelaten dat de vrouw daartoe nimmer een aanvraag heeft ingediend. Nu de vrouw een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet geniet, kan de gemeente conform het bepaalde in artikel 93 Algemene bijstandswet onder b tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de verleende bijstand op de man verhalen.'

3.17 In deze overweging ligt het kennelijke oordeel besloten dat de man, die op grond van het huwelijk tot onderhoud is verplicht, deze verplichting niet (meer) is nagekomen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, nu de man blijkens het proces-verbaal van de zitting van het hof op 23 juni 2003 ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft gezegd dat hij na de echtscheiding gedurende één jaar alimentatie aan zijn ex-echtgenote heeft betaald(22).

Middel II faalt derhalve eveneens.

3.18 Middel III bevat een aantal klachten. Sommige bouwen voort op of vormen een herhaling van eerdere klachten. Dergelijke klachten laat ik hier onbesproken. Dit geldt ook voor de klachten die slechts een stelling bevatten.

Ten eerste wordt geklaagd dat de vierde volzin van rechtsoverweging 4.2 dat de vrouw behoeftig is, onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat het hof niet kon oordelen dat de vrouw behoefte heeft aan een uitkering tot levensonderhoud althans behoeftig is als de vrouw niet zelf die behoefte heeft gesteld.

3.19 De klacht faalt. Zoals hiervoor onder 3.15 vermeld, kan het oordeel of na echtscheiding alimentatie behoort te worden uitgekeerd, ook worden gegeven door de rechter die over het verhaal ingevolge de Algemene bijstandswet oordeelt. Bij de vaststelling van het bedrag van het verhaal wordt de grens bepaald door behoefte en draagkracht. De rechter dient zich derhalve een oordeel te vormen over de behoefte van degene aan wie bijstand wordt verleend, ook al is deze geen partij in de verhaalsprocedure. Dat het hof in de onderhavige zaak aandacht heeft besteed aan de behoefte van de vrouw, geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Voor het overige is het oordeel feitelijk, en gelet op de vastgestelde feiten en het ter zitting behandelde, niet onbegrijpelijk.

3.20 Voorts wordt in dit derde cassatiemiddel betoogd dat de behoeftigheid van de vrouw niet wordt gedragen door de echtscheiding, maar door de beperkte arbeidscapaciteiten. De gemeente moet zelf moeite doen om de vrouw te plaatsen in het arbeidsproces. Nu de gemeente afziet van verdere bemiddeling dient dat voor rekening en risico van de gemeente te worden gelaten, aldus het middel.

3.21 Ook deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Omdat, zoals gezegd, het verhaal wordt begrensd door behoefte en draagkracht, moet de vraag worden opgeworpen of van de vrouw redelijkerwijs kan worden gevergd dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet(23).

Het hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.

Daarnaast is de Abw complementair van karakter(24). Dit betekent dat men pas een beroep op de wet kan doen indien de eigen middelen (bijvoorbeeld uit arbeid) of andere publiekrechtelijke en privaatrechtelijke inkomensvoorzieningen ontbreken of ontoereikend zijn. Ook deze vraag is door het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk ontkennend beantwoord.

3.22 De man voert ten slotte aan dat heeft te gelden dat eerbiediging van de levenssituatie op grond van art. 8 lid 1 EVRM ertoe leidt dat de gemeente slechts in het geval van dringende redenen zoals bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM kan overgaan tot verhaal. Het hof heeft deze dringende redenen niet gesteld en derhalve heeft de gemeente ten onrechte gebruik gemaakt van haar verhaalsbevoegdheid, aldus dit onderdeel van het derde cassatiemiddel.

3.23 De klacht stuit, voorzover deze al voldoet aan art. 426a lid 2 Rv., af op het bepaalde in art. 92 lid 1 Abw.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de beschikking van de rechtbank Haarlem van 24 september 2002 onder 2.1 t/m 2.4 en de beschikking van het hof Amsterdam van 24 juli 2003 onder 2.1 t/m 2.5.

2 Het hof spreekt in zijn beschikking van 24 juli 2003 onder rov. 2.1 ten onrechte over [de vrouw].

3 De rechtbank Haarlem maakt in haar beschikking van 24 september 2002 onder rov. 2.2 ten onrechte gebruik van de term Algemene Bijstandswet (ABW). De nieuwe bijstandswet dateert van 1 januari 1996 en wordt geschreven als Algemene bijstandswet (Abw).

4 In deze beschikking wordt ook vermeld dat de rechtbank Haarlem op 15 juni 1999 heeft bepaald dat de gemeente niet-ontvankelijk is in haar verzoek om de kosten voor de vrouw op de man te verhalen. De reden hiervoor was gelegen in het feit dat de gemeente verzuimd heeft de man een besluit tot verhaal en een besluit tot verhaal in rechte te sturen.

5 Bij beschikking van 15 oktober 2002 heeft de rechtbank de beschikking van 24 september 2002 gerectificeerd en aan de opsomming van stukken een brief van de gemeente met als bijlage een berekeningsoverzicht toegevoegd.

6 Na een schriftelijk verzoek daartoe, waarmee de advocaat van de man heeft ingestemd, is de gemeente uitstel verleend tot het indienen van het verweerschrift tot en met 27 februari 2004. Het verweerschrift is op 26 februari 2004 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

7 Bijv. HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709 en HR 9 juli 2004, RvdW 2004, 97.

8 Stb. 1995, 199.

9 Zie hiervoor J.L.M. Schell, De Algemene bijstandswet, 1995, p. 77.

10 Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 386.

11 Stb. 2003, 376.

12 Zie HR 27 februari 2004, NJ 2004, 88, m.nt. Prof.mr. F.M. Noordam; Zie voorts het Besluit van 10 oktober 2003 houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand en van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, Stb. 2003, 386, p. 1-4.

13 Het eerste lid is per 1 januari 1998 tekstueel gewijzigd (Wet van 6 november 1997, Stb. 510). Het derde lid is per 1 januari 2002 gewijzigd (Wet van 29 november 2001, Stb. 625).

14 Zie F.M. Noordam, De algemene bijstandswet in hoofdlijnen, 1996, p. 80.

15 W.F.A. Eiselin, Teksten en toelichting op de Nieuwe Algemene bijstandswet, 1995, p. 121.

16 Zie productie 9 bij het verzoekschrift in hoger beroep van de gemeente (B-dossier).

17 Zie ook de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense vóór HR 23 februari 1996, NJ 1996, 396 onder 4. In de WWB wordt de verhaalsplicht omgezet in een verhaalsbevoegdheid.

18 Bijvoorbeeld om redenen van financiële aard, maar ook op grond van andere niet-financiële omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de duur van het huwelijk. In de praktijk komt het afzien van verhaal wegens dringende redenen niet veel voor; Zie Noordam, a.w., p. 94.

19 Ingevoegd bij wet van 12 december 1984, Stb. 631, in werking getreden op 16 januari 1985 en laatstelijk gewijzigd bij wet van 12 april 1995, Stb. 200, in werking getreden op 1 januari 1996.

20 Eiselin, a.w., p. 98- 99.

21 HR 10 mei 1974, NJ 1975, 1.

22 In haar inleidend verzoekschrift heeft de gemeente overigens onweersproken gesteld dat de man geen onderhoudsbijdrage betaalt.

23 Zie HR 23 februari 1996, NJ 1996, 396.

24 Zie Noordam, a.w., p. 4. Zie ook HR 28 februari 1997, NJ 1997, 306.