Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS2748

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-2005
Datum publicatie
01-06-2005
Zaaknummer
02047/04 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS2748
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het verschoningsrecht ex art. 217.3 Sv strekt tot bescherming van het tussen de in dat voorschrift bedoelde partners bestaande "family life" ex art. 8 EVRM. Door dit recht wel aan gehuwde en geregistreerde partners, maar niet aan andere partners toe te kennen, ook niet als die partners, zoals betrokkene en haar partner, duurzaam samenleven, maakt de wet onderscheid tussen de hier bedoelde verschillende vormen van samenleven. Zo al kan worden gesproken van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, bestaat voor die ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging, in aanmerking genomen dat de toekenning van een verschoningsrecht aan gehuwde en geregistreerde partners een uitzondering is op de wettelijke plicht om getuigenis af te leggen en deze het belang van de waarheidsvinding doet wijken voor de belangen van de bedoelde relaties, terwijl met de wettelijke regeling aan de uitzondering een duidelijke en werkbare begrenzing is gegeven, waarmee de rechtszekerheid is gediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 266
JOL 2005, 333
NJ 2005, 531 met annotatie van J. de Boer
JOW 2006, 41
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02047/04 B

Mr. Vellinga

Zitting: 11 januari 2005

Conclusie inzake:

[verzoekster = betrokkene]

1. Het Gerechtshof te 's Hertogenbosch heeft bevestigd een beschikking van de Rechtbank te 's Hertogenbosch waarbij is bevolen dat verzoekster als getuige in gijzeling wordt gehouden voor de duur van twaalf dagen.

2. Namens verzoekster heeft mr. S. Weening, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. In aanmerking genomen dat de periode waarvoor de gijzeling is bevolen reeds lang is verstreken, dient verzoekster bij gebrek aan belang in haar cassatieberoep niet ontvankelijk te worden verklaard (HR 7 oktober 1997, NJ 1998, 227).

4. Bevredigend acht ik een dergelijke beslissing niet. Nu het bevel tot gijzeling voor ten hoogste twaalf dagen kan worden gegeven (art. 222 lid 1 Sv), betekent dit, dat een cassatieberoep tegen een beslissing in hoger beroep, waarbij het door de Rechtbank gegeven bevel tot in gijzeling houden, dat niet meer dan twaalf dagen geldig is (art. 222 lid 2 Sv), in stand wordt gelaten, wel haast per definitie moet stranden. Het valt immers gelet op de tijd die onvermijdelijk met behandeling in hoger beroep en cassatie is gemoeid niet te verwachten dat de Hoge Raad binnen twaalf dagen na aanvang van het bevel tot in gijzeling houden kan beslissen op een beroep in cassatie tegen een beslissing van het Hof waarbij de beslissing houdende dat bevel wordt bevestigd.

5. Voorts meen ik dat niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voorbij gaat aan de - reeds van ver voor de "belang"-rechtspraak van de Hoge Raad daterende(1) - bedoeling van de wetgever. Deze beoogde immers met het in art. 223 lid 3 Sv voorziene beroep in cassatie het belang van de rechtsvorming te dienen.(2)

6. Met name indien de middelen, zo daar aan zou kunnen worden toegekomen, zouden moeten falen (zoals in mijn ogen het geval is), bestaat er mijns inziens ruimte om de rechtsvormende functie die de wetgever de Hoge Raad in een kwestie als de onderhavige heeft toegedacht, te dienen met een overweging waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat verzoeksters opvatting over de reikwijdte van het verschoningsrecht geen navolging verdient. Daarom ga ik, zij het beknopt, op de voorgestelde middelen in.

7. Het eerste middel klaagt dat het Hof heeft geoordeeld dat aan verzoekster geen verschoningsrecht toekomt.

8. In de door het Hof bevestigde beschikking heeft de Rechtbank overwogen dat zij het standpunt van de raadkamer ten aanzien van het ontbreken van een verschoningsrecht geheel onderschrijft. Kennelijk doelt de Rechtbank hier op hetgeen zij heeft overwogen in haar beschikking d.d. 2 juni 2004, gewezen naar aanleiding van een hoger beroep van de Officier van Justitie tegen een beslissing van de Rechter-Commissaris waarbij de vordering van de Officier van Justitie om verzoekster als getuige in gijzeling te nemen, werd afgewezen. In laatstgenoemde beschikking overwoog de Rechtbank naar aanleiding van verzoeksters beroep op een verschoningsrecht:

"Beoordeling

De rechtbank overweegt het volgende:

Uit het dossier leidt de rechtbank af; voorzover thans van belang:

a. dat tegen verdachte [verdachte] ernstige bezwaren bestaan terzake zijn betrokkenheid bij de moord dan wel doodslag op [het slachtoffer], gepleegd op 09 mei 2004 te 's Hertogenbosch;

b. dat tussen verdachte en [betrokkene] een langdurig samenlevingsverband bestaat, waaruit twee kinderen zijn geboren, en

c. dat in redelijkheid aangenomen kan worden dat [betrokkene] uit directe, eigen waarneming kan verklaren omtrent hetgeen zich voor, tijdens en na het schietincident in café "[A]" heeft voorgedaan met betrekking tot verdachte. Als zodanig is [betrokkene] derhalve aan te merken als een getuige in de zin van de Wet.

Artikel 217 aanhef en onder 3 Wetboek van Strafvordering luidt sedert 1 januari 1998:

Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich verschonen: des verdachten of mede-verdachten echtgenoot of eerdere echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner.

Uit de bewoordingen en de wetsgeschiedenis van dit artikelonderdeel volgt dat de wetgever er betrekkelijk recent en ondubbelzinnig voor heeft gekozen geen andere partners dan huwelijkspartners en geregistreerde partners (alsmede de ex-partners van deze verbanden) onder het verschoningsrecht van artikel 217 Wetboek van Strafvordering te brengen. Nu niet is gebleken van een (huidig of eerder) huwelijk dan wel van een (huidig of eerder) geregistreerd partnerschap tussen [betrokkene] en verdachte, is de rechtbank is van oordeel dat [betrokkene] geen beroep kan doen op het verschoningsrecht van artikel 217 Wetboek van Strafvordering.

Het gegeven dat [betrokkene] en verdachte een ander langdurig samenlevingsverband hebben, doet daar niet aan af. Anders dan door de raadsman aangevoerd volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de artikelen 8 en 14 EVRM niet dat de Nederlandse wetgever geen beperking kan aanbrengen in de kring van (aan een verdachte verwante) verschoningsgerechtigden. Een uitbreiding van die kring dient, mede gelet op de verstrekkende gevolgen daarvan, te geschieden door een besluit van de wetgever en gaat om die reden de rechtsvormende taak van de rechter te buiten.

Ter zitting is door de verdediging aangevoerd dat zij, doordat zij geen kennis draagt van relevante dossierstukken, niet zelf kan toetsen of de gevorderde gijzeling dringend noodzakelijk is.

In beginsel dient ook de verdediging de dringende noodzakelijkheid van het toepassen van het dwangmiddel gijzeling te kunnen toetsen aan de hand van aan haar verstrekte stukken. Indien er echter sprake is van een zwaarwegend onderzoeksbelang kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Een dergelijke situatie doet zich thans voor. De rechtbank zelf beschikt wèl over voldoende dossierstukken om de dringende noodzakelijkheid van de gevorderde gijzeling te kunnen beoordelen.

Verder is van de zijde van de verdediging aangevoerd dat [betrokkene] overspannen is en dat haar psychische gesteldheid zou verslechteren bij een eventuele detentie. Daarnaast zou het jongste kind ernstige schade oplopen indien hij gescheiden raakt van zijn moeder.

Tenslotte stelt de verdediging dat [betrokkene] in het geheel niets zal verklaren met betrekking tot deze zaak, ook niet indien zij in gijzeling zal worden genomen.

De rechtbank dient het strafvorderlijk belang af te wegen tegen de persoonlijke belangen van [betrokkene].

Het feit waarvan verdachte wordt verdacht betreft een van de meest ernstige delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Het belang van de waarheidsvinding is in dergelijke zaken daarom zeer zwaarwegend. [Betrokkene] moet redelijkerwijs in staat worden geacht uit eigen, directe waarneming harerzijds relevante informatie te kunnen verschaffen niet alleen aangaande hetgeen zich met betrekking tot verdachte tijdens het schietincident op de plaats van het misdrijf heeft voorgedaan, maar ook aangaande hetgeen zich in de periodes daarvoor en daarna met betrekking tot verdachte heeft voorgedaan.

Niet is gebleken dat deze informatie op een andere, voor [betrokkene] minder belastende, wijze kan worden verkregen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat niet is gesteld, noch is gebleken dat bij gijzeling van [betrokkene] het onmogelijk zou zijn om opvang voor haar kinderen te regelen. Hetgeen ter zitting door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot de psychische gesteldheid van [betrokkene] is niet onderbouwd door rapporten of andere redengevende stukken. Dit geldt ook ten aanzien van de stelling van de verdediging dat zowel [betrokkene] als het jongste kind onoverkomelijk zwaar zouden lijden als zij van elkaar gescheiden zouden worden. Alles overziend komt de rechtbank tot de slotsom dat het strafvorderlijk belang zwaarder dient te wegen dan de aangevoerde persoonlijke belangen. [Betrokkene] dient derhalve als getuige een verklaring af te leggen bij de rechter-commissaris met betrekking tot de onderhavige zaak. [Betrokkene] heeft op 25 mei 2004 ten overstaan van de rechter-commissaris, alsmede nadien naar het oordeel van de rechtbank zonder wettige grond geweigerd de van haar gewenste getuigenverklaring af te leggen. Het belang van het onderzoek maakt het dringend noodzakelijk dat [betrokkene] als getuige naar waarheid verklaart omtrent hetgeen zij weet met betrekking tot de onderhavige zaak. Om die reden zal de rechtbank alsnog de gijzeling van de getuige bevelen.

De omstandigheid dat [betrokkene] en verdachte met elkaar samenleven als waren zij gehuwd dan wel als hadden zij een geregistreerd partnerschap, brengt de rechtbank niet tot een andere belangenafweging. Het afwijzen van de gijzelingsvordering op grond van deze omstandigheid zou betekenen dat [betrokkene] in feite alsnog - buiten artikel 217 Wetboek van Strafvordering om - een verschoningsrecht krijgt toegekend, hetgeen in strijd zou zijn met bovengemelde keuze van de wetgever.

Door de verdediging is tenslotte nog aangevoerd dat [betrokkene] heeft aangegeven dat zij in het geval van gijzeling niet bereid zal zijn om enige verklaring af te leggen met betrekking tot de onderhavige zaak. De rechtbank is van oordeel dat de proceshouding van de getuige aan de orde dient te komen bij de periodieke toetsing van de te bevelen gijzeling op grond van artikel 222 Wetboek van Strafvordering.

Het beroep van de officier van justitie is gelet op het vorenstaande gegrond."

9. Aan het middel ligt de stelling ten grondslag dat iemand, die - zoals verzoekster - achttien jaar een relatie heeft met de verdachte in wiens zaak zij zou moeten getuigen, vijftien jaren met hem samenwoont, twee kinderen met hem heeft van respectievelijk 13 jaar en 22 maanden en met hem verloofd is, op dezelfde voet een beroep op een verschoningsrecht toekomt als degene die met een verdachte is gehuwd.

10. Bij Wet van 17 december 1997, Stb. 660 ( in werking getreden 1 januari 1998) is de wetgeving, waaronder art. 217 Sv, aangepast aan de invoering van het geregistreerd partnerschap. In de Memorie van toelichting wordt die aanpassing als volgt toegelicht:

"Korte inhoud wetsvoorstel regeling geregistreerd partnerschap

Op 19 december 1996 is door de Tweede Kamer aanvaard het wetsvoorstel tot invoering van een geregistreerd partnerschap (kamerstukken II 1995/96, 23 761, nr. 9). Het wetsvoorstel beoogt de meeste gevolgen die de wet aan een huwelijk verbindt, ook te verbinden aan een registratie door twee personen van hetzelfde of verschillend geslacht. De gevolgen strekken zich niet uit tot de familierechtelijke betrekkingen met kinderen.

Aanleiding voor de invoering van een geregistreerd partnerschap vormde het kabinetsstandpunt op het rapport van de toenmalige Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten inzake leefvormen (kamerstukken II 1992/93, 22 700, nr. 3).

Noodzaak van aanpassing van wetgeving

Om tot uitdrukking te brengen dat aan het geregistreerd partnerschap dezelfde - met uitzondering van de betrekkingen met kinderen - rechtsgevolgen zijn verbonden als aan het huwelijk is, naast de invoering van de registratie in het Burgerlijk Wetboek (BW), aanpassing van andere wetgeving noodzakelijk. Gelet op de omvang van deze aanpassingen, is gekozen voor een apart aanpassingswetsvoorstel. Onderhavig voorstel strekt ertoe die aanpassingen door te voeren.

De verwachting van het kabinet is dat de doelgroep van de verschillende regelingen niet zal uitbreiden door de invoering van het geregistreerd partnerschap. Veeleer is sprake van een verschuiving binnen de doelgroep; een deel van de nu nog ongehuwd samenlevenden zal bij de invoering van het geregistreerd partnerschap voor registratie kiezen. Veel wet- en regelgeving, bijvoorbeeld de sociale zekerheid, kent al twee categorieën partners, te weten de huwelijkspartner en degene met wie feitelijk wordt samengeleefd. Met onderhavig wetsvoorstel wordt daar een derde categorie aan toegevoegd. Zie voor de geschatte omvang van de registratie de nota naar aanleiding van het verslag bij wetsvoorstel 23 761 (kamerstukken II 1995/96, nr. 7, blz. 3).

Andere wijzigingen variëren van de uitbreiding van het verschoningsrecht van echtgenoten in het procesrecht met geregistreerden tot de uitbreiding van de vrije overdracht van aandelen aan echtgenoten in Boek 2 van het BW tot geregistreerden (art. 195).

In het onderhavige wetsvoorstel is alle relevante wetgeving aangepast, met uitzondering van wetgeving ter implementatie van internationale regels. Voor de rechten en plichten die in internationaal verband zijn verbonden aan het huwelijk, kunnen registratie en huwelijk niet zonder meer gelijk worden gesteld. Verdragspartijen zijn immers bij het aangaan van het verdrag uitgegaan van het huwelijk. Aan het geregistreerd partnerschap zal niet gedacht zijn."(3)

11. Aan de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis valt geen argument te ontlenen voor een uitbreiding van art. 217, aanhef en onder 3o, Sv die de tekst van de wet te buiten gaat. Het tegendeel lijkt mij het geval. Nu de wetgever het noodzakelijk achtte een uitdrukkelijke wettelijke voorziening te treffen voor gelijkstelling van de geregistreerde partner van de verdachte met een echtgenoot van de verdachte, ligt het niet voor de hand genoemde bepaling interpretatiegewijs een nog ruimere werking te geven. Bovendien heeft de wetgever ten aanzien van feitelijk samenwonenden, anders dan ten aanzien van geregistreerde partners, niet de afweging verricht(4) of de verplichting om te getuigen en daarmee de waarheidsvinding moet wijken (5)voor de publieke belangen van de maatschappelijke waarde van bedoelde relatie en van de betrouwbaarheid van de getuigenis van iemand die een dergelijke relatie met de verdachte heeft.

12. Tegen de door het middel bepleite interpretatieve uitbreiding van art. 217, aanhef en onder 3o, Sv pleit voorts dat er geen vaste maatstaf is om te bepalen wanneer iemand een beroep op het verschoningsrecht zou toekomen.(6) Er doemen vragen op als hoe lang moet men hebben samengewoond om zich op een verschoningsrecht te beroepen, of er kinderen dienen te zijn, of men moet men zijn "gaan samenwonen met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren" (vgl. art. 1:160 BW). De noodzaak tot de verdedigde extensieve interpretatie ontbreekt in mijn ogen temeer, omdat de regeling van het geregistreerd partnerschap (art. 1:80a e.v. BW) samenwonenden de gelegenheid biedt de bestendigheid van hun verbintenis door inschrijving van het partnerschap in de registers van de burgerlijke stand (art.1:80a lid 4 BW) naar buiten toe te openbaren zonder dat zij daarvoor in het huwelijk moeten treden.

13. Feitelijk samenwonen, hoe langdurig en intensief ook, is mijns inziens dus niet toereikend voor een beroep op het in art. art. 217, aanhef en onder 3o, Sv geregelde verschoningsrecht.

14. Het tweede middel houdt in dat door de bestreden beslissing een gelet op art. 8 jo 14 EVRM ongeoorloofde inbreuk op verzoekster "family live" wordt gemaakt doordat haar beroep op het verschoningsrecht niet is erkend.

15. Verzoekster beroep op het bepaalde in art. 8 lid 1 EVRM gaat niet op. De wetgever heeft immers heel wel kunnen oordelen dat de onderhavige inbreuk noodzakelijk is in de in art. 8 lid 2 EVRM bedoelde zin.

16. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, vijfde druk, p. 36, die er op wijst dat het lang heeft geduurd voordat de Hoge Raad in strafzaken het adagium"point d' intérêt, point d'action" is gaan toepassen; hij noemt als begin zaken uit de tachtiger jaren van de vorige eeuw.

2 Melai/Groenhuijsen, aant. 3.4 op art. 223 Sv (suppl. 117, aug. 2000), waar wordt verwezen naar Kamerstukken II, 1913-1914, 286, nr. 3, p. 118.

3 Kamerstukken II, 1996-1997, 25407, nr. 3, p. 3.

4 Zo HR 22 december 1990, NJ 1990, 779 (civ.) ten aanzien van de afweging tussen aan een geheimhoudingsplicht te ontlenen verschoningsrecht en het belang van de waarheidsvinding.

5 Zie J.J.I. Verburg, Het verschoningsrecht van getuigen in strafzaken, Tjeenk Willink Groningen 1975, p. 4, 5 ten aanzien van de destijds in art. 217 Sv voorziene gevallen van familiaire verschoning.

6 Zo Blok-Besier, deel 1, p. 539 ten aanzien van de betrekking tussen pleegouders en pleegkinderen, tussen buiten echt samenlevende personen, en tussen verloofden.