Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS2044

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2005
Datum publicatie
15-04-2005
Zaaknummer
C04/053HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS2044
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

15 april 2005 Eerste Kamer Nr. C04/053HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. A.H. Vermeulen, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. C.A.J. van der Meulen. 1. Het geding in feitelijke instantie...

Wetsverwijzingen
Wet tarieven in burgerlijke zaken 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 235
NJ 2006, 45
JWB 2005/148
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C04/053HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 7 jan. 2005

conclusie inzake

[eiseres]

tegen

[verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van een kantonrechter waartegen geen hoger beroep kan of kon worden ingesteld en waarbij de kantonrechter zich op grond van art. 32 Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (WTBZ) niet bevoegd heeft verklaard tot beoordeling van het geschil van partijen.

2. De feiten liggen als volgt.

(i) Thans eiseres tot cassatie, hierna: [eiseres], heeft als advocaat in opdracht en voor rekening van thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], werkzaamheden uitgevoerd en diensten verleend. Deze bestonden uit begeleiding en advisering bij de aankoop en het bezit van Frans onroerend goed.

(ii) [Eiseres] heeft ter zake van de uitgevoerde werkzaamheden en verleende diensten aan [verweerder] een factuur d.d. 13 mei 2002 doen toekomen ten bedrage van Euro 765,57.

(iii) [Verweerder] heeft bij brief van 14 mei 2002 geprotesteerd tegen het gefactureerde bedrag. Hij gaf te kennen het gedeclareerde bedrag buitensporig te achten in relatie tot de door [eiseres] verrichte werkzaamheden. [Verweerder] heeft de factuur onbetaald gelaten.

3. [Eiseres] heeft [verweerder] bij exploit van 2 september 2003 voor de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage, gedagvaard tot betaling van het gefactureerde bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

4. [Verweerder] heeft de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Hij heeft daartoe gesteld - kort gezegd - dat de vordering betrekking heeft op het honorarium c.q. het salaris dat [eiseres] als advocaat in rekening heeft gebracht zodat, nu de begroting van de declaratie door hem als buitensporig wordt betwist, op grond van art. 32 WTBZ de Raad van Toezicht in het arrondissement waarin de advocaat woonachtig is, de instantie is waar de declaratie begroot dient te worden.

5. Bij vonnis van 18 november 2003 heeft de kantonrechter de door [verweerder] opgeworpen exceptie van onbevoegdheid gegrond geoordeeld en zich onbevoegd verklaard. Daartoe overwoog de kantonrechter onder meer:

"Eisende partij vordert betaling van geleverde diensten, welke hebben bestaan uit werkzaamheden van juridische aard. Gedaagde partij heeft te kennen gegeven dat de daarvoor opgestelde declaratie bovenmatig is in relatie tot de door eisende partij verrichtte werkzaamheden en heeft bij brief van 14 mei 2002 geprotesteerd. Terecht is door gedaagde partij opgemerkt dat in zo'n geval begroting van de declaratie dient te geschieden door de Raad van Toezicht. Mitsdien behoort dit geschil door de Raad van Toezicht te worden beoordeeld en is de kantonrechter niet bevoegd daarover te oordelen."

6. [Eiseres] is tegen het vonnis van de kantonrechter (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel dat door [verweerder] is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

7. Het middel keert zich met rechtsklachten (onderdelen 1 en 2) en een motiveringsklacht (onderdeel 3) tegen het oordeel van de kantonrechter dat het geschil van partijen door de Raad van Toezicht behoort te worden beoordeeld en dat de kantonrechter niet bevoegd is daarover te oordelen.

8. Op grond van de bepalingen van art. 80 lid 1, aanhef en onder c en d, RO kan, gelet op de strekking van deze bepalingen, in cassatie niet alleen worden geklaagd over een bevoegdverklaring, maar ook over een onbevoegdverklaring door een kantonrechter. Zie HR 18 juni 1993, NJ 1994, 4 nt. HER. [Eiseres] kan in haar cassatieberoep derhalve worden ontvangen.

9. De onderdelen 1 en 2 van het middel lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij berusten op de opvatting dat de WTBZ in het onderhavige geval niet van toepassing is, aangezien de werkzaamheden van [eiseres] uitsluitend betrekking hadden op buitenlands, meer bepaald Frans, burgerlijk recht en de Nederlandse rechter naar Nederlands internationaal privaatrecht geen rechtsmacht toekomt terzake van hetgeen waarover [eiseres] [verweerder] heeft geadviseerd, namelijk de oprichting van een vennootschap naar Frans recht en de aankoop van een in Frankrijk gelegen onroerende zaak. Daarom is, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, niet de Raad van Toezicht aangewezen om de declaratie te begroten maar is de kantonrechter bevoegd om van de vordering van [eiseres] kennis te nemen, aldus de onderdelen.

10. Bij de beoordeling van deze klacht dient vooropgesteld te worden dat de WTBZ geen bepaling bevat inzake de internationale reikwijdte van de daarin opgenomen regelingen. Uit de aard en strekking van de in de WTBZ opgenomen regelingen valt evenwel af te leiden dat het ruimtelijk toepassingsgebied van de WTBZ beperkt is. Daarbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen twee categorieën van regelingen.

11. De eerste categorie heeft betrekking op de tarieven en inning van kosten verbonden aan een voor de burgerlijke rechter gevoerde procedure in burgerlijke zaken. Het betreft de bepalingen die betrekking hebben op de heffing van vast recht (eerste titel, par. 2) en op de heffing van de overige rechten bij de burgerlijke gerechten (eerste titel, par. 3), op de betaling van vast recht (tweede titel), en op de bepaling van het salaris van procureurs (vierde titel). Gelet op de tekst van de wet (gesproken wordt van de arrondissementsrechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad der Nederlanden) en de strekking van de bepalingen kan er m.i. geen twijfel over bestaan dat deze categorie van regelingen uitsluitend van toepassing is ten aanzien van procedures in burgerlijke zaken, gevoerd bij een Nederlands gerecht.

12. De tweede categorie van regelingen heeft betrekking op de tarieven en de begroting van het salaris van advocaten voor buiten rechte verleende diensten en verrichte werkzaamheden in burgerlijke zaken. Het betreft de bepalingen van de derde titel (art. 29 t/m 40). Het ligt voor de hand dat de wetgever hierbij het oog heeft gehad op het salaris voor werkzaamheden verricht door Nederlandse advocaten, d.w.z. advocaten die overeenkomstig art. 1 van de Advocatenwet zijn ingeschreven bij een Nederlandse rechtbank en (dus) onderworpen zijn aan het toezicht van de in art. 22 van de Advocatenwet bedoelde Raden van Toezicht. De wetgever kan niet geacht worden regels te hebben willen stellen met betrekking tot de vaststelling en begroting van het salaris voor werkzaamheden verricht door bij buitenlandse gerechten geaccrediteerde, niet aan het toezicht van de Raden van Toezicht onderworpen advocaten.

13. Als deze veronderstelling juist is en aangenomen moet worden dat onder "advocaten" als bedoeld in de derde titel van de WTBZ uitsluitend Nederlandse advocaten in de zojuist bedoelde zin zijn te begrijpen, rijst vervolgens de vraag of de regeling van de derde titel betrekking heeft op alle door Nederlandse advocaten verrichte werkzaamheden, met name ook op werkzaamheden in een burgerlijke zaak waarop mogelijk buitenlands recht van toepassing is en die, mocht het tot een procedure komen, mogelijk buiten de rechtsmacht van de Nederlandse rechter valt. Het komt mij voor dat deze vraag - anders dan het middel kennelijk wil - in bevestigende zin moet worden beantwoord.

14. In de eerste plaats omdat, indien de door het middel beoogde onderscheiding zou moeten worden gemaakt, de toepasselijkheid van de derde titel van de WTBZ afhankelijk wordt van het in veel gevallen niet op voorhand met zekerheid te geven antwoord op vraag of de werkzaamheden van de advocaat betrekking hebben op een burgerlijke zaak die wordt beheerst door buitenlands recht en ter kennisneming waarvan de Nederlandse rechter onbevoegd is. Ik wijs op de - naar Nederlands internationaal privaatrecht ruime - mogelijkheid van rechtskeuze, ook "achteraf", (zie o.m. art. 3 EEG-Overeenkomstenverdrag) en van internationale prorogatie van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, ook "stilzwijgend", (zie o.m. art. 8 en 9, aanhef en onder a, Rv en art. 23 en 24 EEX-Verordening), waarbij tevens in aanmerking dient te worden genomen dat in menige zaak niet steeds één rechtsstelsel alle aspecten daarvan beheerst en sommige onderdelen van de zaak wel en andere onderdelen niet onder de rechtsmacht van de Nederlandse rechter kunnen vallen. De rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van de regeling van de derde titel van de WTBZ zou bij toepassing van de door het middel beoogde onderscheiding ernstig in het gedrang komen.

15. Een tweede argument voor bevestigende beantwoording van de gestelde vraag is dat het niet voor de hand ligt dat een buitenlandse wetgever zich geroepen zal voelen regels te stellen met betrekking tot de begroting van het salaris van een Nederlandse advocaat, ook al betreft het werkzaamheden met betrekking tot een zaak die door het recht van dat buitenland wordt beheerst en die, mocht de tussenkomst van een rechter nodig blijken, mogelijk onder de rechtsmacht van de rechter van dat buitenland valt, zo min als het voor de hand ligt dat de Nederlandse wetgever de begroting van het salaris van buitenlandse advocaten heeft willen regelen, ook al gaat het om werkzaamheden met betrekking tot een zaak die mogelijk door Nederlands recht wordt beheerst en mogelijk onder de rechtsmacht van de Nederlandse rechter valt.

16. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de omstandigheid dat de werkzaamheden van [eiseres] als Nederlandse advocaat uitsluitend betrekking hadden op buitenlands burgerlijk recht en de Nederlandse rechter naar Nederlands internationaal privaatrecht geen rechtsmacht toekomt terzake van hetgeen waarover [eiseres] [verweerder] heeft geadviseerd, niet meebrengt dat de derde titel, meer bepaald art. 32, van de WTBZ niet van toepassing is. Aangezien [verweerder] - onbestreden in cassatie - het bedrag van de declaratie van [eiseres] als bovenmatig betwist en derhalve sprake is van een geschil over de hoogte van de declaratie, dient de bijzondere rechtsgang van art. 30 e.v. WTBZ te worden gevolgd. Zie HR 12 oktober 2001, NJ 2002, 165. Het gewraakte oordeel van de kantonrechter is derhalve juist, zodat de onderdelen 1 en 2 van het middel falen.

17. De door onderdeel 3 van het middel opgeworpen motiveringsklacht faalt evenzeer. Het oordeel van de kantonrechter dat het geschil van partijen door de Raad van Toezicht behoort te worden beoordeeld en dat de kantonrechter niet bevoegd is daarover te oordelen, is een rechtsoordeel. Een zodanig oordeel kan in cassatie niet met vrucht door middel van een motiveringsklacht worden bestreden.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,