Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS2027

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
C03/319HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS2027
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

22 april 2005 Eerste Kamer Nr. C03/319HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink, t e g e n EMI COMPACT DISC (HOLLAND) B.V., gevestigd te Uden, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 254
NJ 2005, 285
RAR 2005, 64
RvdW 2005, 61
JWB 2005/164
JAR 2005/118 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C03/319HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 7 januari 2005

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

EMI Compact Disc (Holland) B.V.

Inleiding

1. In dit geding heeft de rechtbank het beroep van de werkgever op verjaring van de door de werknemer bij inleidende dagvaarding van 29 november 1999 ingestelde vordering uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag gehonoreerd op de voet van art. 7:683 BW, dat een verjaringstermijn van zes maanden na einde dienstverband kent; daarbij heeft zij het betoog van de werknemer verworpen dat de werkgever is teruggekomen van haar onregelmatige ontslagaanzegging per 1 maart 1999 en dat de werkgever heeft ingestemd met beëindiging van het dienstverband per 1 juni 1999 dan wel bij de werknemer het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij daarmee instemde, zodat van verjaring geen sprake kan zijn, althans een beroep op verjaring in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

2. Tussen partijen, verder: [eiser] en EMI, staat het volgende vast (rechtsoverweging 5 van het vonnis van de kantonrechter en rechtsoverweging 5.2 van het vonnis van de rechtbank):

i) [Eiser], geboren op [geboortedatum] 1954, is op 1 juni 1978 bij EMI in dienst getreden, alwaar hij laatstelijk werkzaam was in de functie van "packer" met een salaris van f 4.037,50 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

ii) Op 28 oktober 1996 is [eiser] arbeidsongeschikt geraakt. Na 2 jaar arbeidsongeschiktheid heeft EMI per brief van 30 september 1998 de regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening toestemming gevraagd de arbeidsverhouding met [eiser] op te zeggen, welke toestemming op 28 januari 1999 is verleend.

iii) Daarop heeft EMI bij brief van 29 januari 1999 de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd per 1 maart 1999.

3. [Eiser] heeft EMI bij inleidende dagvaarding van 29 november 1999 EMI gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Hertogenbosch en gevorderd te verklaren voor recht dat het door EMI aan [eiser] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is met veroordeling van EMI om aan [eiser] te betalen een schadevergoeding van f 101.900,- bruto vermeerderd met de wettelijke rente. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zijn arbeidsongeschiktheid een direct gevolg is van een bedrijfsongeval, dat EMI onvoldoende heeft bijgedragen aan de rentegratie van [eiser] en dat gelet op de voor [eiser] getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheid om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de beëindiging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van EMI bij de beëindiging.

4. EMI heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft primair betoogd dat de vorderingen van [eiser] op de voet van art. 7:683 BW zijn verjaard nu de vorderingen pas zijn ingesteld bij inleidende dagvaarding van 29 november 1999 en derhalve na de in deze bepaling genoemde termijn van zes maanden na het einde van het dienstverband, dat immers per 1 maart 1999 is opgezegd. Subsidiair heeft EMI bestreden dat sprake is geweest van een kennelijk onredelijk ontslag.

5. [Eiser] heeft betwist dat het dienstverband per 1 maart 1999 is geëindigd. Daartoe heeft [eiser] aangevoerd dat EMI is teruggekomen van de opzegging van het dienstverband per 1 maart 1999 en dat EMI alsnog heeft ingestemd met opzegging per 1 juni 1999. In dat verband heeft [eiser] erop gewezen dat EMI hem bij brief van 26 maart 1999 als volgt heeft bericht in reactie op zijn brief van 10 maart 1999, waarin hij EMI had verzocht hem nader te informeren over de geldende opzegtermijn (onder verwijzing naar zijn onbeantwoord gebleven brief van 15 februari 1999 waarin hij erop had gewezen dat een opzegtermijn van vier maanden in acht genomen had moeten worden): "Namens cliënte deel ik u mede dat zij het standpunt inneemt, dat het dienstverband na de verstreken opzegtermijn gewoon afloopt ...". [Eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat uit dit schrijven van EMI kan worden opgemaakt dat ook EMI ervan is uitgegaan dat het dienstverband op 1 juni 1999 zou gaan eindigen nu EMI in dit schrijven van 26 maart 1999 niet stelt dat het dienstverband reeds per 1 maart 1999 was geëindigd. [eiser] heeft voorts betoogd dat EMI in alle opzichten heeft gehandeld als ware [eiser] tot 1 juni 1999 in dienst gebleven. In dat verband heeft [eiser] onder meer erop gewezen dat zijn salaris met alle overige emolumenten tot 1 juni 1999 is doorbetaald (waarmee [eiser] kennelijk - mede gezien de door hem in het geding gebrachte producties - het oog heeft op de uitbetaling van de door het GAK aan EMI overgemaakte WAO-uitkering vermeerderd met de contractuele suppletie c.a.), dat op de loonstrook over juni wordt vermeld: "uit dienst 31.05.1999", en voorts dat EMI het GAK heeft verzocht de WAO-uitkering (pas) met ingang van 1 juni 1999 rechtstreeks aan [eiser] te betalen.

6. EMI heeft daarentegen betoogd dat zij nimmer is teruggekomen van de gedane ontslagaanzegging tegen 1 maart 1999 en dat zij in het kader van haar schadeplichtigheid wegens het onregelmatige, doch rechtsgeldige, ontslag per 1 maart 1999 aan [eiser] tot 1 juni 1999 de van het GAK ontvangen en voor [eiser] bestemde WAO-uitkering vermeerderd met de contractuele suppletie heeft uitgekeerd. Zij heeft voorts betoogd dat de wettelijke opzegtermijn drie maanden bedroeg zodat, áls het dienstverband al na 1 maart 1999 doorliep, dit dienstverband per 1 mei 1999 is geëindigd zodat de verjaringstermijn afliep op 1 november 1999 met als gevolg dat ook dan de vordering van [eiser] is verjaard nu de inleidende dagvaarding dateert van 29 november 1999.

7. Bij vonnis van 24 augustus 2000 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vordering van [eiser] is verjaard. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de schriftelijke opzegging tegen 1 maart 1999 slechts kan betekenen dat EMI schadeplichtig is geworden, dat zij nimmer op deze ontslagaanzegging is teruggekomen, dat zulks ook niet uit de brief van EMI van 26 maart 1999 valt af te leiden en dat de omstandigheid dat de WAO-uitkeringen tot 1 juni 1999 aan [eiser] zijn doorbetaald - mede gezien hetgeen EMI daarover heeft gesteld - onvoldoende aanleiding is om in rechte ervan uit te gaan dat EMI op de aanvankelijke ontslagaanzegging is teruggekomen. In een door de rechtbank als overweging ten overvloede gekenschetste rechtsoverweging (rov. 10) heeft de kantonrechter vervolgens overwogen dat de verjaringstermijn volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad begint te lopen op het moment waarop het dienstverband feitelijk is geëindigd en dat, zo men het "feitelijk eindigen" van een dienstverband niet zou uitleggen als de datum waartegen het dienstverband is opgezegd, daarvoor in de plaats zou moeten komen de datum waarop het dienstverband bij inachtneming van de wettelijke termijn opgezegd had kunnen worden; de kantonrechter is daarbij tot de slotsom gekomen dat het dienstverband dan in casu zou zijn geëindigd per 1 mei 1999 nu de opzegging heeft plaatsgevonden bij brief van 29 januari 1999 en de wettelijke opzegtermijn ingevolge art. 7:672 lid 2 en 4 BW drie maanden bedroeg, zodat [eiser] ook in dat geval met het aanhangig maken van zijn vorderingen niet binnen de verjaringstermijn van zes maanden is gebleven, terwijl is gesteld noch gebleken dat [eiser] de verjaring na aanvang van de termijn heeft gestuit.

8. [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld. In zijn memorie van grieven heeft hij een reeks van negen gedragingen van EMI opgesomd waaruit naar zijn oordeel blijkt dat EMI ook zelf 1 juni 1999 als feitelijke datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft aangemerkt, zodat - aldus [eiser] - van verjaring geen sprake kan zijn nu de vordering is ingesteld bij inleidende dagvaarding van 29 november 1999 en derhalve vóór het verstrijken van de verjaringstermijn op 1 december 1999. Subsidiair heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat indien 1 maart 1999 als feitelijk einde van het dienstverband moet worden aangemerkt, EMI's beroep op verjaring in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid, althans dat EMI het recht heeft verwerkt zich op verjaring te beroepen. De overwegingen ten overvloede van de kantonrechter omtrent een einde dienstverband per 1 mei 1999 heeft [eiser] bestreden met de grief dat de feitelijke datum van beëindiging moet worden aangehouden; daarbij heeft [eiser] ook nog opgemerkt dat hij de ontslagbrief eerst in februari 1999 heeft ontvangen.

9. De rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft - bij vonnis van 3 september 2003 - vooropgesteld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 maart 1999 volkomen rechtsgeldig was en dat EMI ex art. 7:677 BW (slechts) schadeplichtig was nu zij de tussen partijen ingevolge art. 7:672 leden 2 en 4 BW geldende opzegtermijn van drie maanden niet in acht heeft genomen. Zij heeft voorts vooropgesteld dat in de brief van [eiser] van 15 februari impliciet een verzoek aan EMI is te lezen om de onregelmatige opzegging in te trekken, althans om in te stemmen met inachtneming van de correcte opzegtermijn, en dat het op zichzelf rechtsgeldig mogelijk is dat een werkgever zoals EMI terugkomt van een opzegging met een te korte opzegtermijn; zij heeft in dat verband overwogen dat herstel van een onregelmatige opzegging door iedere soort verklaring van een op rechtsgevolg gerichte wil tot wijziging van de opzegtermijn kan geschieden en in een of meer gedragingen besloten kan liggen.

Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de zinsnede in de brief van EMI van 26 maart 1999 "Namens cliënte deel ik u mede, dat zij het standpunt inneemt, dat het dienstverband na de verstreken opzegtermijn gewoon afloopt ..." niet eenduidig kan worden afgeleid of EMI daarmede wilde vasthouden aan de datum van 1 maart of wilde instemmen met alsnog inachtneming van de correcte opzegtermijn.

Daarop heeft de rechtbank overwogen dat [eiser] heeft gesteld dat uit een zeer groot aantal "feiten" blijkt dat EMI ook zelf 1 juni 1999 als feitelijke datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft aangemerkt en dat [eiser] deze feiten kennelijk wil beschouwen als verklaringen en gedragingen waarin de op rechtsgevolg gerichte wil tot wijziging van de opzegtermijn besloten ligt. De rechtbank heeft aangegeven dat het hierbij gaat om de volgende gedragingen en omstandigheden:

a. EMI is tot 1 juni 1999 het loon van [eiser] blijven doorbetalen, waarbij het ging om het doorbetalen van de door het GAK aan EMI overgemaakte WAO-uitkering, suppletie op de WAO en de WAO hiaatverzekering.

b. EMI zelve spreekt met betrekking tot de WAO-suppletie over de contractuele suppletie, waarvan alleen sprake kan zijn ingeval het dienstverband nog doorloopt.

c. De gefixeerde schadevergoeding van art. 7:677 BW is geen doorbetaling van loon in de zin van art. 7:610 BW.

d. De loonstroken over de periode maart tot en met mei zijn gelijk aan de loonstroken van daarvoor.

e. Per 1 maart 1999 heeft geen eindafrekening ten aanzien van de vakantietoeslag en niet-genoten vakantiedagen plaatsgevonden; deze heeft in juni plaatsgevonden.

f. Op de loonstrook over juni wordt vermeld: "uit dienst 31.05.1999".

g. EMI heeft bij het GAK [eiser] uit dienst gemeld per 1 juni 1999 met het verzoek per die datum de WAO uitkering rechtstreeks aan [eiser] te betalen.

h. EMI heeft in haar tweemaandelijks verschijnende personeelsblad van juli 1999 gemeld dat [eiser] uit dienst is gegaan.

i. In de opzeggingsbrief van 29 januari 1999 stelt EMI: "de eindafrekening zult u in de maand na uitdiensttreding ontvangen"; de eindafrekening is verstrekt in juni 1999.

In de rechtsoverwegingen 5.10 heeft de rechtbank daarop als volgt overwogen:

5.10. EMI stelt in de brief van [eiser] van 15 februari de passage: "als gevolg van deze onjuiste opzegging bent u schadeplichtig" opgevat te hebben als de schadeplichtigheid ex artikel 7:677 lid 2 BW, evenals de in dezelfde brief voorkomende aanspraak op doorbetaling van loon na 1 maart. EMI stelt, de schadeplichtigheid erkennend, geen procedure met [eiser] daarover te wensen en dat om die reden de afdeling personeelszaken aan de afdeling administratie heeft doorgegeven niet alleen van het GAK te ontvangen uitkeringen aan [eiser] te betalen, doch ook de overige loonbestanddelen (zoals voorheen) en zulks tot 1 juni. Omdat de salarisadministratie van EMI extern wordt gevoerd, moest de datum van 1 juni als einde dienstverband worden vermeld. Ook de vermelding in het personeelsblad is weer afhankelijk van de datum die aan de loonadministratie is doorgegeven. Uit hetzelfde administratieve systeem vloeit, aldus EMI, voort dat ze de WAO-uitkering ook via haarzelve liet doorlopen en dat zij [eiser] eerst met ingang van 1 juni bij het GAK heeft afgemeld. Hetzelfde geldt ook voor de WAO-hiaatverzekering. Wanneer 1 juni in het systeem wordt ingevoerd lopen vanzelf alle administratieve en boekhoudkundige afwikkelingen tot 1 juni door. In het kader van de uitleg, die EMI geeft aan de gestelde gedragingen past het, dat [eiser] concludeert, dat de geciteerde zinsnede (sub i) uit de opzeggingsbrief van 29 januari 1999 per definitie is achterhaald door de erkenning van EMI van haar schadeplichtigheid (mijn cursivering; DVL). Uit het vorenstaande volgt dat de gestelde gedragingen niet eenduidig kunnen worden geduid als te zijn gedaan in het kader van het terugdraaien van de opzegdatum; daarmede kunnen zij niet worden opgevat als de hiervoor sub 5.7. bedoelde verklaring. Rechtens is daardoor niet komen vast te staan, dat de wil van EMI gericht is geweest op het rechtsgevolg, dat de ontslagdatum zou worden gewijzigd van 1 maart in 1 juni 1999. Evenmin is komen vast te staan, dat een dergelijke schijn door gedragingen zijdens EMI bij [eiser] is gewekt."

5.11. [Eiser] betoogt ook nog, dat in het licht van de gestelde gedragingen van EMI het beroep van EMI op verjaring in strijd is met de goede trouw en goed werkgeverschap. Nu de rechtbank van oordeel is, dat EMI de betalingen heeft beschouwd als voortvloeiend uit haar schadeplichtigheid, wordt deze stelling van [eiser] verworpen."

In rechtsoverweging 5.12 heeft de rechtbank vervolgens het subsidiaire verweer van [eiser] dat een beroep op verjaring in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid, althans dat [eiser] het recht heeft verwerkt een beroep op verjaring te doen, verworpen op de grond dat in het onderhavige geval geen sprake is van de voor het slagen van een dergelijk verweer vereiste uitzonderlijke omstandigheden.

In rechtsoverweging 5.13 heeft de rechtbank overwogen dat zij - hoewel zij van oordeel is dat 1 maart 1999 als definitieve ontslagdatum moet worden beschouwd - eraan hecht ook de overwegingen ten overvloede van de kantonrechter met betrekking tot de datum van 1 mei 1999 te onderschrijven.

Ten slotte heeft de rechtbank geconcludeerd dat alle grieven zijn verworpen, waarna zij het vonnis waarvan beroep heeft bekrachtigd.

10. [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. EMI heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht. [Eiser] heeft gerepliceerd; EMI heeft gedupliceerd.

Het cassatiemiddel

11. Middelonderdeel A, dat een aantal subonderdelen - genummerd 2.1-2.6 - bevat, richt zich tegen het tweede gedeelte van de hiervoor onder 9 geciteerde rechtsoverweging 5.10 van het vonnis van de rechtbank (het gedeelte vanaf de door mij gecursiveerde overweging). Subonderdeel 2.1 betoogt - als inleiding op de volgende subonderdelen - dat de rechtbank door aldus te overwegen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd; deze klacht wordt uitgewerkt in de subonderdelen 2.2-2.6.

Subonderdeel 2.2 stelt voorop dat de rechtbank diende te onderzoeken of, gezien de door [eiser] gestelde en door de rechtbank weergegeven gedragingen van EMI, sprake is geweest van een op verlenging tot 1 juni 1999 van de opzegtermijn gerichte (in één of meer gedragingen besloten liggende) wilsverklaring van EMI, althans of [eiser] de gestelde gedragingen heeft opgevat als en redelijkerwijs heeft mogen opvatten als een door EMI tot hem gerichte verklaring dat EMI ermee instemde dat de ontslagdatum zou worden gewijzigd van 1 maart in 1 juni 1999. Het subonderdeel betoogt dat in het licht van het wettelijk stelsel ontoelaatbaar onduidelijk is wat de rechtbank met haar gewraakte rechtsoverweging 5.10 als hiervoor geciteerd (in het bijzonder met de door mij gecursiveerde volzin van het citaat) tot uitdrukking heeft willen brengen. Het subonderdeel klaagt dat met name onbegrijpelijk is het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de door EMI achteraf in deze procedure gegeven uitleg omtrent het door haar gevolgde administratieve systeem, meebrengt dat [eiser] destijds had moeten inzien dat EMI iets anders bedoelde dan uit de administratieve afwikkeling kon worden opgemaakt.

Subonderdeel 2.3 betoogt dat voorzover de rechtbank heeft bedoeld dat [eiser] aan de gestelde feiten geen gerechtvaardigd vertrouwen als bedoeld in art. 3:35 BW mocht ontlenen omdat EMI haar schadeplichtigheid had erkend en het voor [eiser] dus duidelijk moest zijn dat de doorbetaling van zijn loon tot 1 juni 1999 slechts op grond van die schadeplichtigheid plaatsvond en niet op grond van het verschuiven van de ontslagdatum naar 1 juni 1999, dit oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is omdat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat EMI jegens [eiser] voorafgaand aan de procedure uitdrukkelijk aansprakelijkheid uit hoofde van art. 7:677 lid 2 BW heeft erkend. Het middelonderdeel stelt vast dat gegeven het door de rechtbank gekozen uitgangspunt dat uit de brief van 26 maart 1999 van EMI niet kan worden afgeleid of EMI wilde vasthouden aan de datum van 1 maart 1999, ervan moet uitgegaan dat EMI voorafgaande aan de procedure niet eenduidig aan [eiser] te kennen heeft gegeven uit hoofde waarvan (schadeplichtigheid ex art. 7:677 lid 2 BW dan wel verschuiving van de ontslagdatum) zij alle loonbestanddelen tot 1 juni 1999 aan [eiser] heeft doorbetaald. Het subonderdeel klaagt dat in het licht hiervan onbegrijpelijk is waarom EMI's achteraf gegeven uitleg ertoe strekkende dat zij het salaris heeft doorbetaald op grond van haar schadeplichtigheid uit hoofde van art. 7:677 lid 2 BW, in de weg zou staan aan gerechtvaardigd vertrouwen van [eiser], gegrond op de door de rechtbank in rechtsoverweging 5.9 sub a t/m i weergegeven gedragingen van EMI, dat EMI instemde met verschuiving van de ontslagdatum van 1 maart naar 1 juni 1999.

Subonderdeel 2.4 klaagt dat de enkele omstandigheid dat de door [eiser] gestelde gedragingen van EMI voortvloeiden uit de administratieve verwerking van de doorbetaling tot 1 juni 1999 niet (zonder meer) redengevend kan zijn voor het oordeel dat "een dergelijke schijn" (d.w.z. de schijn dat is ingestemd met verschuiving van de ontslagdatum) door deze gedragingen niet is gewekt nu de rechtbank niet heeft vastgesteld en EMI ook niet heeft gesteld dat [eiser] wist dan wel behoorde te weten dat bedoelde gedragingen slechts voortvloeiden uit (de beperkingen van) het administratieve systeem.

Subonderdeel 2.5 klaagt dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat het - mede gelet op het impliciete verzoek van [eiser] aan EMI tot verschuiving van de ontslagdatum - op de weg van EMI had gelegen om duidelijkheid te verschaffen omtrent de datum waarop het dienstverband eindigde, omdat EMI wist of behoorde te weten dat zij in haar administratie 1 juni 1999 had ingevoerd als datum einde dienstverband en dat zulks zou leiden tot en feitelijke administratieve afwikkeling alsof [eiser] tot 1 juni 1999 in dienst was. Het subonderdeel klaagt dat althans onbegrijpelijk is waarom de rechtbank van oordeel is dat aan de zijde van [eiser] geen gerechtvaardigd vertrouwen kon bestaan.

Subonderdeel 2.6 klaagt tot slot dat het oordeel van de rechtbank te meer onbegrijpelijk is nu niet valt in te zien dat EMI toen zij besloot [eiser] administratief te behandelen alsof hij eerst per 1 juni 1999 uit dienst zou gaan, enig belang had vast te houden aan 1 maart als datum waarop het dienstverband eindigde (een belang dat pas achteraf ontstond toen EMI zich tegen de vordering uit kennelijk onredelijk ontslag verweerde met een beroep op verjaring), laat staan dat [eiser] op een dergelijk belang bedacht had moeten zijn.

12. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, heeft de rechtbank vooropgesteld dat in de brief van [eiser] van 15 februari 1999 een verzoek aan EMI is te lezen om de onregelmatige opzegging per 1 maart 1999 in te trekken, althans in te stemmen met opzegging met inachtneming van de correcte opzegtermijn (die - zo voeg ik hieraan toe - volgens [eiser] vier maanden bedroeg zoals blijkt uit deze zich bij de gedingstukken bevindende brief), en voorts dat het rechtsgeldig mogelijk is dat een werkgever op verzoek van en aldus met instemming van de werknemer terugkomt van een opzegging met een te korte opzegtermijn die op zichzelf volkomen rechtsgeldig is doch die de werkgever schadeplichtig maakt ex art. 7:677 BW; de rechtbank heeft voorts vooropgesteld dat het herstel van een onregelmatige opzegging door de werkgever - met instemming van de werknemer - geschiedt door een vormvrije wilsverklaring gericht op wijziging van de opzegtermijn welke besloten kan liggen in een of meer gedragingen, en voorts dat [eiser] negen gedragingen van EMI heeft genoemd waaruit naar zijn oordeel blijkt dat EMI ook zelf 1 juni 1999 als feitelijke datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft aangemerkt.

13. Tegen de achtergrond van deze vooropstellingen - die in cassatie niet zijn bestreden - diende de rechtbank inderdaad te beoordelen, zoals het middelonderdeel betoogt, of in één of meer van de door [eiser] genoemde gedragingen van EMI ligt besloten dat EMI heeft willen instemmen met een wijziging van de ontslagdatum van 1 maart in 1 juni 1999, dan wel of [eiser] deze gedragingen aldus heeft mogen opvatten dat EMI instemde met een wijziging van de ontslagdatum van 1 maart in 1 juni 1999.

De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord op grond van de overweging dat EMI heeft gesteld dat zij de van het GAK ontvangen uitkeringen en de overige loonbestanddelen als voorheen tot aan 1 juni 1999 aan [eiser] heeft uitbetaald omdat zij schadeplichtigheid erkende en het door haar gehanteerde loonadministratiesysteem ertoe noopte ook bij erkenning van schadeplichtigheid als in casu, 1 juni 1999 als datum einde dienstverband in het systeem in te voeren, waardoor vanzelf alle administratieve en boekhoudkundige afwikkelingen tot 1 juni doorliepen; de rechtbank verbindt aan deze stellingen de conclusie dat de door [eiser] bedoelde gedragingen niet eenduidig kunnen worden uitgelegd als te zijn gedaan in het kader van het terugdraaien van de opzegdatum zodat zij niet kunnen worden opgevat als een verklaring of gedraging inhoudende een instemming met een wijziging van de ontslagdatum van 1 maart in 1 juni 1999.

14. In deze overweging ligt het oordeel besloten dat erkenning van schadeplichtigheid wegens onregelmatig ontslag in een geval als het onderhavige - waarin [eiser] een WAO-uitkering van het GAK ontvangt en een loonsuppletie - ertoe leidt dat EMI maandelijks als schadeloosstelling moet betalen de door het GAK aan haar afgedragen WAO-uitkering plus de loonsuppletie tot aan de datum waartegen regelmatig had kunnen worden opgezegd. Dat oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Schadeplichtigheid ingevolge art. 7:677 BW leidt immers ertoe dat de werkgever aan de werknemer een bedrag (een som ineens) moet betalen voor de berekening waarvan het gaat om het loon, vastgesteld bij of krachtens de arbeidsovereenkomst zoals deze ten tijde van haar beëindiging tussen partijen gold, onverschillig of toen daadwerkelijk aanspraak op loon bestond. Zie HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 255, m.nt. PAS. Zie voorts HR 30 juni 1995, NJ 1996, 52, m.nt. PAS, waarin het ging om de - door de Hoge Raad bevestigend beantwoorde - vraag of een arbeidsongeschikte werknemer mocht weigeren in te stemmen met het voorstel van de werkgever de onregelmatige beëindiging van de dienstbetrekking om te zetten in een regelmatige beëindiging (waardoor de arbeidsongeschikte werknemer zijn recht op schadeloosstelling in de vorm van loonbetaling zou verliezen).

Voorts ligt in bedoelde overweging het oordeel besloten dat de vraag of [eiser] op grond van de door hem genoemde gedragingen van EMI gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat EMI instemde met verschuiving van de ontslagdatum van 1 maart naar 1 juni 1999, doorslaggevend is de uitleg die EMI achteraf in de onderhavige procedure aan haar gedragingen heeft gegeven met een beroep op haar administratie-systeem waarvan is gesteld noch gebleken dat [eiser] dat kende, een uitleg die volledig voorbijgaat aan de aard van de schadeloosstelling van art. 7:677 lid 2 BW. Het middelonderdeel betoogt terecht dat de rechtbank aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat zij heeft miskend dat het bij de beantwoording van de vraag of [eiser] de gedragingen van EMI aldus heeft mogen begrijpen dat EMI instemde met een wijziging van de beëindigingsdatum van 1 maart 1999 in 1 juni 1999 erom gaat welke betekenis [eiser] destijds aan de gedragingen van EMI heeft mogen toekennen en niet om de vraag of EMI in het onderhavige geding een al dan niet een plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij destijds bedoelde gedragingen heeft verricht. Tegen deze achtergrond klaagt het middelonderdeel voorts terecht dat onbegrijpelijk is wat de rechtbank tot uitdrukking heeft willen brengen met de volzin in rechtsoverweging 5.10 die in het hiervoor onder 9 weergegeven citaat is gecursiveerd en dat onbegrijpelijk is hoe de rechtbank tot het kennelijke oordeel is kunnen komen dat [eiser] niet erop heeft mogen vertrouwen dat EMI instemde met een wijziging van de opzegtermijn doch destijds had moeten inzien dat de datum einde dienstverband niet door EMI werd verschoven. Dit geldt temeer nu, zoals ook subonderdeel 2.5 aangeeft, ervan moet worden uitgegaan dat EMI voorafgaande aan de procedure niet eenduidig aan [eiser] te kennen heeft gegeven of zij uit hoofde van schadeplichtigheid ex art. 7:677 lid 2 BW dan wel uit hoofde van verschuiving van de ontslagdatum tot 1 juni 1999 aan [eiser] is blijven betalen hetgeen zij vóór 1 maart 1999 aan hem betaalde en de rechtbank niet heeft vastgesteld en EMI ook niet heeft gesteld dat [eiser] wist dan wel behoorde te weten dat EMI's meergenoemde gedragingen slechts voortvloeiden uit (de beperkingen van) het administratieve systeem. Het middel klaagt voorts terecht dat de rechtbank heeft miskend dat het - mede gelet op het impliciete verzoek van [eiser] aan EMI tot verschuiving van de ontslagdatum - op de weg van EMI had gelegen om duidelijkheid te verschaffen omtrent de datum waarop het dienstverband eindigde, aangezien EMI wist of behoorde te weten dat zij in haar administratie 1 juni 1999 had ingevoerd als datum einde dienstverband en dat dit zou leiden tot een feitelijke administratieve afwikkeling alsof [eiser] tot 1 juni 1999 in dienst zou zijn. Zoals subonderdeel 2.6 tot slot betoogt, valt niet in te zien dat EMI, toen zij besloot [eiser] administratief te behandelen alsof hij eerst per 1 juni 1999 uit dienst zou gaan, enig belang had vast te houden aan 1 maart als datum waarop het dienstverband eindigde (in welk geval zij de schadeloosstelling als bedoeld in art. 7:677 BW aan [eiser] had moeten betalen zonder dat [eiser] zijn aanspraak op de arbeidsongeschiktheidsuitkering verloor), laat staan dat [eiser] op een dergelijk belang bedacht had moeten zijn.

15. Uit het voorgaande volgt dat middelonderdeel A slaagt en dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven.

Het komt mij voor dat reeds thans kan worden geconcludeerd dat [eiser] uit de gedragingen van EMI - bestaande in het geven van een niet eenduidig antwoord op het verzoek van [eiser] om in te stemmen met opschuiven van de opzegtermijn naar 1 juni 1999 en het vervolgens overgaan tot een feitelijke en administratieve afwikkeling alsof [eiser] nog tot 1 juni 1999 in dienst was zonder [eiser] mede te delen dat zij aan de ontslagdatum van 1 maart 1999 wilde vasthouden - heeft mogen afleiden dat EMI ermee instemde de ontslagdatum te verschuiven naar 1 juni 1999. Dit zou dan leiden tot de slotsom dat de vordering van [eiser] niet is verjaard en dat de zaak in zoverre kan worden afgedaan. Verwijzing zal evenwel moeten volgen omdat alsnog moet worden beslist op de vorderingen van [eiser].

16. Nu middelonderdeel A slaagt, behoeven de overige middelonderdelen geen bespreking meer.

Volledigheidshalve merk ik nog op dat subonderdeel 4.2 terecht betoogt dat rechtsoverweging 5.13 het oordeel van de rechtbank dat de vordering is verjaard, niet zelfstandig kan dragen. De rechtbank heeft in deze overweging verklaard dat zij eraan hecht de - door haar als ten overvloede gekwalificeerde - overwegingen van de kantonrechter met betrekking tot de datum van 1 mei 1999 te onderschrijven, hoewel zij van oordeel is dat 1 maart 1999 als definitieve ontslagdatum moet worden beschouwd. Zoals gezegd, hielden deze overwegingen het volgende in. Indien men het "feitelijk" eindigen van het dienstverband dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de aanvang van de verjaringstermijn inluidt, niet zou uitleggen als "de datum waartegen het dienstverband is opgezegd", dan dient daarvoor in de plaats te komen de dag waartegen het dienstverband opgezegd had moeten worden, hetgeen in casu - gelet op de opzegging bij schrijven van 29 januari 1999 en gelet op art. 7:672 lid 2 en 4 BW - zou leiden tot een beëindiging per 1 mei 1999, zodat [eiser] ook in dat geval met het aanhangig maken van zijn vorderingen niet binnen de verjaringstermijn van zes maanden zou zijn gebleven. Deze overweging - waarin bij wijze van hypothese ervan wordt uitgegaan dat niet het feitelijk eindigen van het dienstverband de aanvang van de verjaringstermijn inluidt en waarin wordt gesproken over een aanvang op de dag waartegen het dienstverband opgezegd had moeten worden - ziet, wat er van die hypothese ook zij, klaarblijkelijk uitsluitend op het geval dat ervan moet worden uitgegaan dat sprake is geweest van een onregelmatige opzegging per 1 maart 1999 en kan derhalve het in cassatie bestreden oordeel van de rechtbank dat [eiser] niet erop mocht vertrouwen dat EMI de opzegging per 1 maart had gewijzigd in een opzegging per 1 juni 1999, niet zelfstandig dragen.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden