Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AS2023

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2005
Datum publicatie
19-01-2005
Zaaknummer
00620/04 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS2023
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Tussenarrest inzake Belgisch uitleveringsverzoek strekkende tot strafvervolging of tenuitvoerlegging. HR heropent onderzoek omdat de overgelegde stukken onvoldoende gegevens bevatten voor de beoordeling van het verweer dat, gezien de procesgang i.c. in België geen verzet meer open staat, zodat het verstekvonnis onherroepelijk is en de uitlevering ontoelaatbaar gelet op het Nederlandse voorbehoud bij art. 7.1 van de Overeenkomst, opgesteld o.g.v. art. K.3 van het Verdrag betreffende de EU betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de EU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 44

Conclusie

Nr. 00620/04 U

Mr Jörg

Zitting 14 december 2004

Schriftelijke samenvatting:

[de opgeëiste persoon]

1. Bij tussenarrest van 15 juni 2004 heeft de Hoge Raad de vernietiging uitgesproken van de beslissing van de rechtbank te Maastricht inhoudende de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon aan het Koninkrijk België. De feitelijke behandeling van het uitleveringsverzoek is thans bepaald op 14 december 2004 te 12:00 uur, na eerder op 7 september 2004, 12 oktober 2004 en 9 november 2004 te zijn aangehouden.

2. Op het uitleveringsverzoek is, naast de Uitleveringswet (hierna: Uw), van toepassing:

- het Benelux Uitleveringsverdrag (Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, Brussel, 27 juni 1962, Trb. 1962, 97, gewijzigd 11 mei 1974, Trb. 1974, 161, hierna: Buv)

- de Uitvoeringsovereenkomst Schengen (Schengen, 19 juni 1990, Trb. 1990, 145)

- de Overeenkomst inzake uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie (Dublin, 27 september 1996).

3. Bij de stukken bevinden zich:

- gesteld in de Nederlandse taal een originele brief van de minister van Justitie te Brussel van 3 mei 2002 met het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ten behoeve van een strafvervolging ter zake van het bijgevoegde authentieke afschrift van het vonnis bij verstek van 30 januari 1996 (en een verbeterd vonnis van 11 juni 1996) van de correctionele rechtbank te Brussel;

- een authentiek afschrift van de betekening van dit arrest aan de Procureur des Konings op 5 september 1996;

- een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

- een overzicht van de toepasselijke Belgische wetsbepalingen;

- een aantal kopieën uit een - niet nader genoemd - commentaar op het Belgische recht inzake de verzetstermijn;

- een brief van de Belgische procureur-generaal A. van Oudenhove van 27 februari 2004 die erop neerkomt dat [de opgeëiste persoon] nog verzet kan instellen tegen het verstekvonnis;

- een brief van het Bureau Internationale Rechtshulp in Strafzaken (BIRS) van het Nederlandse Ministerie van Justitie van 31 augustus 2004 met daarin een verzoek om een (finaal) standpunt inzake de mogelijkheden van verzet in het licht van de zaak "[betrokkene 1]".

4. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Nederlanders worden niet ter executie van een straf aan een vreemde Staat uitgeleverd (art. 4 Uw).

5. De stukken voldoen aan het bepaalde in art. 11 Buv, alsmede aan art. 18 Uw.

6. De uitlevering is verzocht ter zake van de veroordeling bij verstek op 30 januari 1996 door de correctionele rechtbank te Brussel tot een gevangenisstraf van vijf jaar en een geldboete van tienduizend Belgische franken wegens overtreding van de Wet op de verdovende middelen (medeplegen van het afleveren van 19.900 XTC-pillen).

7. Naar Nederlands recht zijn de bedoelde feiten verboden bij art. 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet, strafbaar gesteld bij art. 10, derde lid van de Opiumwet en bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

8. De Hoge Raad heeft in zijn tussenarrest van 8 juni 2004 overwogen:

"Op grond van het vertrouwensbeginsel, dat ingevolge de tussen België en Nederland bestaande verdragsverhoudingen heeft te gelden, dient uitgegaan te worden van de juistheid van de door de verzoekende Staat gedane mededelingen. Nu uit de door de Belgische autoriteiten verstrekte informatie volgt dat de opgeëiste persoon nog verzet kan instellen tegen meergenoemd verstekvonnis en dat de omstandigheid dat hij in Nederland heeft te kennen gegeven van die mogelijkheid geen gebruik te maken daaraan niet afdoet, is het oordeel van de Rechtbank dat geen verzet meer kan worden ingesteld en dat hier sprake is van een uitlevering ter executie van de straf, opgelegd bij onherroepelijk vonnis, onbegrijpelijk."

9. In de in de uitleveringsprocedure door de Belgische autoriteiten overlegde kopieën uit een - niet nader aangeduid - handboek lees ik met betrekking tot de hier van toepassing zijnde buitengewone verzetstermijn het volgende:

"Wanneer de beslissing bij verstek niet aan de persoon van de beklaagde werd betekend, beschikt deze over een buitengewone termijn om verzet aan te tekenen tegen de veroordeling op strafgebied en ook op burgerlijk gebied. (...)

Buitengewoon verzet kan worden aangetekend tot vijftien dagen na de dag waarop de beklaagde kennis heeft gekregen van de betekening van de verstekbeslissing. (...)

Om de termijn van vijftien dagen te doen lopen is enkel kennis van de betekening vereist. Het is niet nodig dat de beklaagde kennis heeft van de inhoud van de beslissing bij verstek (Cass., 23 mei 1979, A.C., 1978-79, 1113). De kwestie van de kennis van de betekening is een feitenkwestie die op onaantastbare wijze door de rechter op verzet wordt beoordeeld (Cass., 3 januari 1989, A.C., 1988-89, nr. 256). Het is niet vereist dat de beklaagde het afschrift van de akte van betekening in handen kreeg of dat hij effectief kennis heeft genomen van de inhoud van het betekeningexploot of van de verstekbeslissing.

Verlenging van de termijn is mogelijk op grond van art. 644 Sv of ingevolge overmacht. (Als de termijn eindigt op een zaterdag, zondag of feestdag, wordt hij verlengd tot de eerstvolgende werkdag (art. 644 Sv). Ook is verlenging mogelijk wegens overmacht (Cass., 3 maart 1981, A.C., 1980-81, 738). Als overmacht werd bv. aanvaard, een vergissing of nalatigheid van de met de betekening gelaste gerechtsdeurwaarder. Bij opsluiting in een gevangenis in het buitenland zal kunnen geoordeeld worden dat hij die zich op overmacht beroept door zijn eigen toedoen aan de grondslag ligt van de toestand waarop hij de overmacht grondt. Het aannemen van overmacht is dus betwijfelbaar (zie nochtans Gent, 24 december 1982, R.W., 1983-84, 1904, noot A. Vandeplas; zie ook Vandeplas, A., "Over verzet in strafzaken", R.W., 1972-73, 1808 e.v.).) Ook is verlenging mogelijk overeenkomstig art. 55 Ger.W., als de beklaagde in België noch woonplaats, noch verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft (art. 3 K.B. van 30 maart 1936; Cass. 18 oktober 1994, P&B., 1995, 9/95)."

10. In dit laatstgenoemde arrest staat onder meer het volgende:

"Overeenkomstig het tweede lid van artikel 187 van het Wetboek van Strafvordering, indien de betekening van het verstekvonnis niet aan de beklaagde in persoon gedaan wordt, deze, wat de veroordeling tot de straf betreft, in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nummer 301 van 30 maart 1936 tot wijziging van de termijnen van rechtspleging en van de Wet van 28 juni 1889 betreffende de exploten in strafzaken, en in fiscale zaken te betekenen aan personen die niet hun woonplaats in België hebben, de buitengewone verzettermijn, bedoeld in art. 187, tweede lid van het Wetboek van strafvordering verlengd kan worden in toepassing van artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijke Wetboek de verlenging ten aanzien van de partij die in België noch woonplaats, noch verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft, 30 dagen bedraagt wanneer zij in een niet-aangrenzend Europees land, noch in Groot-Brittannië verblijft."

11. De Belgische autoriteiten hebben stukken en wetsartikelen overlegd waaruit zou moeten blijken dat de opgeëiste persoon verzet kan instellen. Echter, uit het bovenstaande zijn mijns inziens aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat, in het geval de opgeëiste persoon op de hoogte geraakt van de datum van de betekening en de verzettermijn laat verlopen, de opgeëiste persoon, eenmaal uitgeleverd aan België, niet in een door hem ingesteld verzet zal kunnen worden ontvangen.

12. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [de opgeëiste persoon] door inzage in het uitleveringsdossier op de hoogte is geraakt van de betekening van 5 september 1996 en dat derhalve de verzettermijn inmiddels ruimschoots is verlopen.

13. In de zaak [betrokkene 1] (00628-04 U), waarin een soortgelijke kwestie speelde, heeft mijn ambtgenoot Machielse bij schrijven van 6 juli 2004 de Belgische autoriteiten enkele schriftelijke vragen gesteld met betrekking tot het instellen van verzet en de in acht te nemen termijnen. Deze vragen luidden:

a) op welke wijze kan een bij verstek veroordeelde kennis krijgen van de betekening aan een ander in de zin van artikel 187 Wetboek van strafvordering? Is daarvoor een actie van de autoriteiten nodig met het doel de beklaagde van die betekening op de hoogte te stellen?

b) Kan een bij verstek veroordeelde bij voorbaat rechtsgeldig afstand doen van het recht verzet aan te tekenen?

c) Kan een beklaagde die zélf verklaart al maanden eerder van de betekening van het arrest aan een ander op de hoogte te zijn geweest toch nog in verzet ontvankelijk zijn? Deze vragen hebben betrekking op de algemene kenmerken van de verzetregeling, en vormen een inleiding op de vraag waar het uiteindelijk in de onderhavige zaak op aankomt:

d) als [betrokkene 1] aan België zou worden uitgeleverd zou hij dan door de strafrechter ontvangen worden in zijn verzet, en zo ja, hoe zou dan deze ontvankelijkheid gemotiveerd kunnen worden?

Het Belgische antwoord (in de persoon van de substituut Procureur-Generaal A.M. Gepts) luidde als volgt:

a) of de veroordeelde kennis heeft gekregen van de betekening is een feitelijke appreciatie. De veroordeelde of zijn raadsman kunnen bij wijze van voorbeeld kennis krijgen van de datum van betekening door inzage in het dossier. Een actie vanwege de autoriteiten teneinde de beklaagde van die betekening op de hoogte te stellen is niet vereist.

b) Een bij verstek veroordeelde kan bij voorbaat geen afstand doen van het recht verzet aan te tekenen. Eenmaal verzet aangetekend kan hij steeds afstand van dit rechtsmiddel doen.

c) Vermits [betrokkene 1] een schrijven van zijn raadsman van 24 juli 2002 aan mijn ambt, waarin gesteld wordt dat hij in ieder geval op 21 januari 2002 heeft kennis genomen van de betekening van 1 maart 1995 aan de Procureur des Konings van het verstekarrest van het beroep van 8 maart 1995, heeft ondertekend, lijkt het mij weinig waarschijnlijk dat zijn eventueel hoger ingesteld verzet ontvankelijk zou zijn. Mijn ambt kan evenwel niet vooruitlopen op een beslissing van de strafrechter en bepalen of een eventueel verzet van [betrokkene 1] al dan niet door de strafrechter zal worden ontvangen als hij aan België zou worden uitgeleverd. Zoals u terecht in uw schrijven van 6 juli 2004 opmerkt, heeft de opgeëiste persoon met de Nederlandse nationaliteit in uitleveringszaken er alle belang bij in de uitspraak bij verstek te berusten, zolang hij in Nederland wordt aangetroffen.

14. Bij schrijven van 20 augustus 2004 heeft de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel vervolgens laten weten dat het verstekarrest inzake [betrokkene 1] in kracht van gewijsde is getreden en het uitleveringsverzoek derhalve wordt ingetrokken.

15. Naast de door de Belgische autoriteiten overgelegde stukken zijn ook in bovengenoemde brief van substituut procureur-generaal Gepts in de zaak van [betrokkene 1] sterke aanwijzingen te vinden dat in de zaak [de opgeëiste persoon] de buitengewone termijn van verzet (15 dagen na de dag waarop de beklaagde kennis heeft gekregen van de betekening van de verstekbeslissing) is verlopen. Immers, de termijn is gaan lopen vanaf de datum dat de opgeëiste persoon, door middel van inzage in het uitleveringsdossier (augustus 2003), van de datum van de betekening kennis heeft gekregen.

16. Naar aanleiding van de zaak [betrokkene 1] heeft het Nederlandse ministerie van Justitie de Belgische autoriteiten op 31 augustus 2004 per fax verzocht om in de zaak [de opgeëiste persoon] antwoord te geven op de volgende vraag:

"De procureur-generaal van het Parket bij het Hof van Beroep te Brussel stelt in zijn brief van 27 februari 2004 dat de stukken die zijn overgelegd met betrekking tot de uitlevering, niet tot doel hebben de voorwaarden tot stand te brengen om [de opgeëiste persoon] in staat te stellen de procedure van verzet voor een Belgische rechtbank in te zetten. De procureur-generaal stelt dat betrokkene nooit in het bezit werd gesteld van het exploot van betekening, dat hem de mogelijkheid moet bieden verzet tegen het vonnis aan te tekenen. Volgens de procureur-generaal volgt hieruit dat betrokkene in België nog over de mogelijkheid beschikt rechtsgeldig verzet aan te tekenen tegen het vonnis.

In de uitleveringsprocedure tegen [betrokkene 1], kenmerk 6/34.619/E, stelt de Substituut Procureur-generaal van het Parket bij het Hof van Beroep te Antwerpen bij brief van 15 juli 2004 echter dat de wijze van kennisneming van de datum van betekening (van een verstekvonnis) een feitelijke appreciatie is, bijvoorbeeld door inzage te krijgen in het dossier waarin zich de datum van betekening bevindt. Op dat moment zou de termijn voor verzet beginnen te lopen.

Ik moge u verzoeken aan te geven welke lezing van de verstekprocedure juist is, en aan te geven of in het onderhavige geval

sprake is van een onherroepelijk vonnis.

17. Op deze brief is op 2 september 2004 het volgende antwoord gekomen:

"Met verwijzing naar uw brief dd 02.09.2004 (ik lees 31.08.2004, NJ) betreffende mijn verzoek tot uitlevering van [de opgeëiste persoon] deel ik u mede dat een antwoord uiterlijk op 03.09.2004 hoogstwaarschijnlijk niet realiseerbaar is.

Het gaat hier immers om een blijkbaar diversifiërende wetsinterpretatie gegeven door rechterlijke autoriteiten van twee verschillende rechtsgebieden van de Hoven van beroep. Vanzelfsprekend is de uitvoerende macht onbevoegd om terzake enig standpunt in te nemen."

18. Desgevraagd door het Bureau Internationale Rechtshulp in Strafzaken (BIRS) van het Ministerie van Justitie te Den Haag heeft de heer Demol van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel telefonisch medegedeeld dat een inhoudelijk antwoord ongeveer een maand kan duren.

19. Om die reden is de zaak aangehouden tot 12 oktober 2004. Omdat ook op 12 oktober en 9 november 2004, nog geen antwoord van de Belgische autoriteiten was ontvangen, en ook omdat de betekening voor die laatste datum niet rond was, is de zaak aangehouden - mede om de Belgische autoriteiten nog een keer de gelegenheid te geven met een inhoudelijke reactie te komen.

20. Op 6 december 2004 is dan toch via BIRS een schrijven van de heer Demol bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit schrijven bevat een brief van de advocaat-generaal A. Winants van het Parket van het Hof van Beroep te Brussel van 26 november 2004 gericht aan de Belgische Minister van Justitie. Hierin staat geschreven:

"Ik heb de eer U in bijlage een copij te laten geworden van een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 25 februari 1983, verschenen in het R.W. 1982-1983, 2818. Ik meen dat hieruit blijkt dat de wijze waarop een betrokkene kennis heeft gekregen van de betekening van een verstekvonnis geen belang heeft. Indien dus blijkt dat de betrokkene, op welke wijze ook, weze het door een mededeling van de buitenlandse (parket)magistraat die hem ondervraagt in het kader van een uitleveringsverzoek, kennis heeft gekregen van de betekening, komt het mij voor dat () daardoor de buitengewone termijn van verzet begint te lopen. Indien geen verzet wordt aangetekend zou derhalve het verstekvonnis definitief worden."

21. In de door de A-G Winants bijgevoegde uitspraak staat - onder andere - te lezen:

"Overwegende dat beklaagde () stelt dat de incidentele mededeling van de betekening van het arrest bij verstek, door de procureur van de Republiek te Rijsel, niet strookt met het vereiste van artikel 187 van het Wetboek van Strafvordering aangezien beklaagde aldus geen kennis kreeg van het instrumentum van de betekening en hem niet uitdrukkelijk gevraagd werd of hij kennis had van de betekening, zoals uit zijn antwoord aan de procureur blijkt;

Overwegende dat, op 2 augustus 1982, de procureur van de Republiek te Rijsel, bij monde van een tolk Engelse taal - welke taal de beklaagde steeds verklaard heeft te kennen en te bezigen - aan hem vroeg of hij op hem toepasselijk achtte het verstekarrest van 21 mei 1980 van het Hof van Beroep te Antwerpen, betekend op 18 juni 1980, en hem ook kennis gaf van de uitgesproken straffen, waarop beklaagde antwoordde te weten dat hij deze veroordeling had opgelopen, aangehouden was geweest, een jaar in Spanje had verbleven en onschuldig te zijn aan de feiten;

Overwegende dat, zo de procureur van de Republiek uitdrukkelijk de betekening en haar datum in zijn vraag vermeldde, zulks van zijnentwege geen <<incidentele>> vermelding was, onopvallend in de volzin ingebouwd, maar wel een voor de procedure onmisbare vermelding daar de betekening van het verstekarrest, dat de onmiddellijke aanhouding van de beklaagde gelastte, essentieel was voor de regelmatigheid van de rechtspleging van aanhouding en uitlevering ();

Overwegende dat artikel 187, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering als enige voorwaarde stelt dat beklaagde <<kennis>> heeft van de betekening;

dat hij geen kennis hoeft te krijgen van de bewoordingen van het exploot waarbij de betekening vastgesteld wordt;

();

Overwegende dat zijn huidig verzet laattijdig is;"

22. Op 8 augustus 2002 is ter griffie van de rechtbank de vordering ex art. 23, eerste lid, Uw binnengekomen waarbij tevens de stukken aan de rechtbank zijn overgelegd. Ingevolge art. 23, derde lid, Uw mag, nadat de stukken aan de rechtbank zijn overgelegd, de kennisneming daarvan aan de raadsman en de opgeëiste persoon niet meer worden onthouden.

23. Door in augustus 2002 inzage in het uitleveringsdossier te krijgen heeft de opgeëiste persoon kennis gekregen van de datum van de betekening van 5 september 1996.

24. Mijns inziens kan genoegzaam worden aangenomen dat de buitengewone verzetstermijn inmiddels ruimschoots is verstreken en als gevolg daarvan het verstekarrest onherroepelijk geworden.

25. Alles afwegende concludeer ik derhalve tot ontoelaatbaarverklaring van het verzoek tot vervolgingsuitlevering.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG