Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR8436

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2005
Datum publicatie
05-04-2005
Zaaknummer
00948/04
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2004:AO4653
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR8436
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdachte reed terwijl zijn rijbewijs was ingehouden en klaagt in de strafzaak dat de inhouding ongeldig was want i.s.m. HR LJN AG3621 gedaan door parketsecretaris. HR: De invordering (en eventuele inhouding) van het rijbewijs is van kracht zolang het rijbewijs niet is teruggegeven. Deze veiligheidsmaatregel verliest zijn rechtskracht derhalve slechts door teruggave van het rijbewijs op grond van een daartoe strekkende beslissing van de ovj dan wel op last van de rechter n.a.v. een klaagschrift ex art. 164.8 WVW 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 199
NJ 2005, 262
Jwr 2005/49
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00948/04

Mr Machielse

Zitting 22 februari 2005

Aanvullende conclusie inzake:

[verdachte]

1. Op 23 februari 2004 heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch verdachte voor twee overtredingen van art. 9 lid 6 (oud) WVW 1994 veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf van 50 uren en tot twee ontzeggingen van de rijbevoegdheid van ieder drie maanden.

2. Mr K.D.M. Schepers, advocaat te Oss, heeft cassatie ingesteld. Op 22 april 2004 is de aanzegging als bedoeld in artikel 435, lid 1, Sv aan verdachte in persoon uitgereikt. Eerst op 10 september 2004 is een schriftuur, houdende een middel van cassatie van de hand van mr. K.D.M. Schepers, bij de Hoge Raad ontvangen. Zulks gaf mij aanleiding om op 21 december 2004 te concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. Op 5 januari 2005 heeft mr. Schepers schriftelijk op deze conclusie gereageerd. In haar reactie vestigt zij er de aandacht op dat de schriftuur in opgemelde zaak op 21 juni 2004 per fax aan de Hoge Raad is toegezonden. Uit nader onderzoek bleek dat de tijdig ingekomen schriftuur als gevolg van een administratieve vergissing niet was opgemerkt. In deze aanvullende conclusie bespreek ik daarom alsnog het in die schriftuur voorgestelde middel.

3.1 Het middel klaagt in zijn eerste onderdeel over de verwerping door het hof van het in hoger beroep gevoerde verweer dat in casu geen sprake was van een ingevorderd en niet teruggegeven rijbewijs in de zin van art. 9 lid 6 (oud) WVW 1994, omdat - kort gezegd - de beslissing tot inhouding van het rijbewijs in casu was genomen door een parketsecretaris.

3.2 Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Aan de verdachte wordt in eerste instantie bij brief van 18 februari 2002 medegedeeld dat zijn rijbewijs is ingehouden. Uit die brief kan niet blijken dat zijn rijbewijs was ingehouden en bevat een ander parketnummer dan 056098-02 en een andere invorderingsdatum dan 13 februari 2002. De herstelfax waarin het parketnummer is verbeterd bevatte echter nog steeds een foutieve invorderingsdatum.

Na tien dagen had een juiste invordering moeten plaatsvinden. De beslissing tot inhouding is bovendien genomen door een daartoe onbevoegde parketsecretaris. Er is derhalve sprake van een onjuiste c.q. onrechtmatige inhouding. Daarom kan niet worden bewezen dat de verdachte heeft gereden terwijl zijn rijbewijs was "ingevorderd", zoals aan hem is ten laste gelegd.

Het wettelijk systeem gaat er immers vanuit dat het rijbewijs rechtmatig moet zijn ingevorderd én ingehouden wil dit feit bewezen kunnen worden geacht.

Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde."

3.3 Het hof heeft, overeenkomstig de op art. 9 lid 6 (oud) WVW 1994 toegespitste tenlastelegging, bewezenverklaard dat verdachte:

"op 29 april 2002 te Oss, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, John F. Kennedylaan, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd"

en

"op 9 april 2002 te Oss, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, Heihoeksingel, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd"

3.4 Het hof heeft in zijn arrest in een bijzondere overweging omtrent het bewijs het volgende vermeld:

"Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast staan:

dat op 13 februari 2002 naar aanleiding van een overtreding van artikel 8, juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op 13 februari 2002 te Oss het op verdachtes naam gestelde rijbewijs is ingevorderd door verbalisanten Verberkt en Ter Mors van de Regiopolitie Brabant-Noord;

dat het rijbewijs op dat moment ook feitelijk is ingenomen en met het betreffende proces-verbaal onverwijld is overgedragen cq. opgestuurd naar de officier van justitie te 's-Hertogenbosch;

dat op 14 februari 2002 namens de officier van justitie ten parkette door de parketsecretaris Verheul is beslist tot inhouding van het rijbewijs tot 12 augustus 2002, zulks onder vermelding van artikel 164, lid 4 van de Wegenverkeerswet 1994;

dat het ingevorderde rijbewijs ook daadwerkelijk op 18 februari 2002 door de officier van justitie is ontvangen;

dat op 2 april 2002 ter griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch een klaagschrift als bedoeld in artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van verdachte [verdachte] is ingekomen, hetwelk in raadkamer is behandeld op 12 april 2002 en waarop is beslist op 19 april 2002, waarbij de rechtbank het beklag ongegrond heeft verklaard;

dat niet is gebleken dat het rijbewijs aan de verdachte feitelijk is teruggegeven op een tijdstip gelegen vóór 29 april 2002;

dat de inhouding aan de verdachte middels brief van 18 februari 2002 is medegedeeld, maar per abuis een verkeerd parketnummer en een verkeerde invorderingsdatum is vermeld;

dat de verdachte zowel op 9 april 2002, alsook op 29 april 2002 te Oss is geverbaliseerd ter zake van overtreding van artikel 9, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994, zoals is ten laste gelegd.

Wat er ook zij van de onjuiste vermelding van het parketnummer en de invorderingsdatum, het was de verdachte bekend dat zijn rijbewijs op 13 februari 2002 was ingevorderd en dat het hem op 9, respectievelijk 29 april 2002 nog niet was teruggegeven. Dat dit hem bekend was leidt het hof - los van de feitelijke vaststelling van de feiten waarop die conclusie zelfstandig kan worden gebaseerd- ook af uit de omstandigheid dat hij op 2 april 2002 - een datum gelegen voor de data waarop de ten laste gelegde feiten zijn begaan - een klaagschrift bij de rechtbank heeft ingediend waarbij hij zijn rijbewijs heeft teruggevraagd.

De advocaat-generaal en de raadsvrouwe hebben, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 23 september 2003, Nieuwsbrief Strafrecht 2003, no. 349, betoogd, dat, nu de beslissing tot (voortgezette) inhouding van een rijbewijs voorbehouden is aan de officier van justitie en niet vatbaar is voor mandatering, de strafwaardigheid aan de gedraging is komen te ontvallen, weshalve verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging (de advocaat-generaal) respectievelijk er sprake is van een onrechtmatig besluit tot inhouding, reden waarom de verdachte dient te worden vrijgesproken (de raadsvrouwe).

Gelet op het bepaalde in artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering zal het hof eerst het door de raadsvrouwe opgeworpen verweer behandelen.

Bij de vaststelling van de Wegenverkeerswet 1994 is het huidige artikel 9, lid 6 vastgesteld, zoals het nu nog luidt. Tijdens de parlementaire behandeling werd de invordering en de inhouding geschetst als een "veiligheidsmaatregel voor ernstige gevallen waarin onmiddellijk optreden geboden is" en iets verder als een "veiligheidsmaatregel voor bestuurders die in ernstige mate tekort zijn geschoten in hun plicht de geldende verkeersregels na te leven". (MVT, no. 22.030, nr. 3, pag. 50).

De invordering en inhouding dienen derhalve te worden gezien als een ordemaatregel in het belang van de verkeersveiligheid. Het hof stelt vast dat de invordering en gelijktijdige afgifte van het rijbewijs op 13 februari 2002 rechtmatig heeft plaatsgevonden.

Met het karakter en het belang van de maatregel is onverenigbaar dat die maatregel -in casu de (voortgezette) inhouding- zijn kracht zou verliezen door de enkele omstandigheid dat die beslissing is genomen door een daartoe niet bevoegde parketsecretaris. Naar het oordeel van het hof verliest een dergelijke beslissing eerst zijn kracht nadat die beslissing óf is vernietigd óf het rijbewijs is teruggegeven. Nu de beslissing tot inhouding niet was vernietigd en nu verdachte, wetende dat zijn rijbewijs was ingevorderd en dat het hem niet was teruggegeven, desondanks een motorrijtuig heeft bestuurd, heeft hij, handelend zoals hij gedaan heeft, gehandeld in strijd met artikel 9, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

In het licht van het hiervoor overwogene behoeft hetgeen door de advocaat-generaal naar voren is gebracht geen verdere bespreking."

3.5 Art. 9 lid 6 WVW 1994, zoals dit gold ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, luidde als volgt:

"Het is degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen."

3.6 Art. 164 WVW 1994, zoals dit gold ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, luidde - voor zover hier van belang - als volgt:

"1. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs.

(...)

4. De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. Indien bij het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde onderzoek is gebleken of, bij ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger was dan zevenhonderdvijfentachtig microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,8 milligram alcohol per milliliter bloed, indien de maximumsnelheid met zeventig kilometer of meer is overschreden, dan wel indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden, totdat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging ingaat. In het laatste geval levert de officier van justitie, na het bovenbedoelde tijdstip, het rijbewijs of de rijbewijzen in bij degene die dat bewijs of die bewijzen heeft afgegeven.

(...)

6. Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn ingevorderd of ingehouden geweest, of indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen.

(...)

8. In geval van toepassing van het eerste of vierde lid kan elke belanghebbende bij klaagschrift daartegen opkomen. Zolang in de zaak nog geen vervolging is ingesteld, wordt het klaagschrift ingediend ter griffie van de rechtbank in het arrondissement waar het in het eerste lid bedoelde feit werd begaan, en anders ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de vervolging plaatsvindt, dan wel het laatst plaatsvond. Artikel 552a, derde en vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering is verder van overeenkomstige toepassing. Het gerecht geeft zo spoedig mogelijk, na de belanghebbende, desverlangd bijgestaan door diens raadsman, te hebben gehoord, althans opgeroepen, zijn met redenen omklede beslissing, welke onverwijld aan de belanghebbende wordt betekend. Tegen de beslissing kan door het openbaar ministerie binnen veertien dagen daarna en door de belanghebbende binnen veertien dagen na de betekening beroep in cassatie worden ingesteld. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk."

3.7 In het onderhavige geval heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte als degene aan wie ingevolge artikel 164 (oud) WVW 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs is gevorderd, dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, op 9 april 2002 en op 29 april 2002 te Oss op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën, waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd. De tenlastelegging stelt slechts dat het rijbewijs van verdachte telkens is ingevorderd en nog niet is teruggegeven. De bewezenverklaring borduurt daarop voort. Meer dan in de tenlastelegging staat kan niet worden bewezenverklaard. De tenlastelegging houdt bijvoorbeeld niet in dat het rijbewijs is ingehouden door een beslissing van een officier van justitie. Als dat het geval was geweest zou die omstandigheid ook bewezen moeten worden. Evenmin rept de tenlastelegging van 'onder zich houden' waaronder, gelet op de achtergrond van art. 164 WVW 1994, dan verstaan zou dienen te worden een 'onder zich houden' als waarop art. 164 lid 4 WVW 1994 ziet. Ook als de beslissing om het rijbewijs niet terug te geven in dit geval genomen zou zijn door een daartoe niet bevoegde ambtenaar staat dat, gelet op de inhoud van de tenlastelegging, aan een bewezenverklaring niet in de weg. Het middel, dat daarover klaagt, faalt in zoverre.

Ook overigens getuigt het in de nadere bewijsoverweging vervatte oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting in aanmerking genomen het volgende.

3.8 Naast de strafbepaling van art. 9 lid 6 (oud) van de WVW 1994 is niet een apart delict voor het rijden ondanks een inhouding door de officier van justitie gecreëerd.(1) De vraag die in deze zaak rijst is hoe de toestand is wanneer een rijbewijs door een opsporingsambtenaar is ingevorderd en na 10 dagen de officier van justitie geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid het rijbewijs terug te geven, terwijl evenmin de officier van justitie rechtsgeldig een beslissing heeft genomen om het rijbewijs onder zich te houden.

De invordering door de opsporingsambtenaar is, zoals het hof terecht heeft opgemerkt, een maatregel die strekt tot bevordering van de verkeersveiligheid. Deze maatregel verliest zijn rechtskracht door een beslissing van de officier van justitie het rijbewijs onder zich te houden, met als gevolg dat een nieuwe titel aan de retentie ten grondslag wordt gelegd. Ook kan de maatregel zijn rechtskracht verliezen doordat de officier van justitie besluit tot teruggave van het rijbewijs over te gaan.(2) Het een noch het ander is hier geschied. De wet bindt de invordering zelf niet aan een termijn van geldigheid. Het moet er aldus voor worden gehouden dat de invordering gewoon is doorgelopen. Belanghebbende kan ook nog zelf de beëindiging van de invordering entameren door een klaagschrift in te dienen. De rechter kan dan aan de invordering een einde maken. De raadkamer die het klaagschrift beoordeelt zal toetsen of de invordering rechtmatig heeft plaatsgevonden en of het voortduren van de invordering gerechtvaardigd is en eventueel gelasten het rijbewijs terug te geven.(3) Tegen de beslissing van de rechtbank op het klaagschrift kan door de belanghebbende (en het openbaar ministerie) binnen veertien dagen beroep in cassatie worden ingesteld.

3.9 In de onder 3.4 weergegeven overweging ligt als 's hofs oordeel besloten dat verdachte zijn bezwaren aldus aan de rechtbank had kunnen voorleggen bij gelegenheid van de behandeling van het klaagschrift strekkende tot teruggave van het rijbewijs op de voet van art. 164 lid 8 (oud) WVW 1994 en dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken op onaanvaardbare wijze zou worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting alsnog beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de toepassing van het eerste of het vierde lid van artikel 164 WVW (oud) die aan de rechtbank hadden kunnen worden voorgelegd in het kader van de beklagprocedure.(4)

Dit onderdeel van het middel is tevergeefs voorgesteld.

3.10 Het tweede onderdeel van het middel klaagt dat verdachte niet geacht kan worden op de hoogte te zijn geweest van een geldige invordering omdat de kennisgeving van de invordering onjuiste gegevens bevatte van een zaak die al lang was afgedaan.

Hoewel ter terechtzitting in hoger beroep niet expliciet een beroep is gedaan op onbekendheid van verdachte met de invordering heeft het hof toch uit het feit dat verdachte een klaagschrift tegen invordering van zijn rijbewijs bij de rechtbank heeft ingediend één week voor de pleegdatum van het als tweede tenlastegelegde feit kunnen afleiden, dat verdachte ervan op de hoogte was dat zijn rijbewijs was ingevorderd. Niet nodig is dat vaststaat dat een verdachte ten tijde van het verweten feit precies weet om welke invordering het gaat.

Het tweede onderdeel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 A.E. Harteveld, H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 212.

2 Vgl. HR 7 december 2004, LJN AR 3728 inzake voorlopige maatregelen ingevolge art. 28 WED.

3 A.E. Harteveld, H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 301. Zie ook de beschikking van de Hoge Raad van 23 september 2003, LJN AG3621, in welke zaak de rechtbank in een beklagzaak had besloten tot teruggave van het rijbewijs aan klager, omdat de beslissing tot het onder zich houden niet door de officier van justitie maar door een secretaris was genomen.

4 HR 5 februari 2002, LJN AD7794, HR 8 januari 2001, NJ 2001, 587, HR 7 september 2004, LJN AP2257.

Nr. 00948/04

Mr Machielse

Zitting 21 december 2004

Conclusie inzake

[verdachte]

1. Op 23 februari 2004 heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch verdachte voor twee overtredingen van art. 9 lid 6 WVW 1994 veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf van 50 uren en tot twee ontzeggingen van de rijbevoegdheid van ieder drie maanden.

2. In deze zaak is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Een schriftuur houdende middelen van cassatie is eerst op 10 september 2004 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, terwijl de aanzegging ingevolge art. 435 lid 1 Sv op 22 april 2004 aan verdachte in persoon is uitgereikt. De schriftuur is dus niet binnen de in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn ingekomen.

Deze zaak hangt samen met twee andere zaken (nummers 00965/04 en 00899/04) tegen dezelfde verdachte, waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

4. Deze conclusie strekt ertoe verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden