Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR8428

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2005
Datum publicatie
08-02-2005
Zaaknummer
00626/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR8428
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht. Het aanhoudingsverzoek van de raadsman om de in Duitsland gedetineerde verdachte ter terechtzitting aanwezig te laten zijn, levert een duidelijke aanwijzing op dat verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. 's Hofs afwijzing van dat verzoek is, gelet op de omstandigheden van het geval, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het hof niets heeft vastgesteld over de eventuele mogelijkheden van internationale rechtshulp en de tijd die daarmee zou zijn gemoeid, terwijl bij de bepaling van de redelijke termijn een verleend uitstel van de behandeling in beginsel voor rekening van verdachte zal komen. Daaraan doet niet af dat de raadsman op de terechtzitting uitdrukkelijk gemachtigd was (HR NJ 2004, 663) en evenmin dat verdachte het tenlastegelegde heeft bekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 83
NJ 2005, 229
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00626/04

Mr Machielse

Zitting 21 december 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zittinghoudende te Arnhem, heeft de verdachte op 10 oktober 2003 voor handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Tevens heeft het hof met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen beslist zoals in het arrest is aangegeven.

2. Mr. P.R. Hogerbrugge, advocaat te Arnhem, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het gerechtshof het aanwezigheidsrecht van verdachte, hem toegekend in artikel 6, derde lid onder c, EVRM heeft geschonden door het verzoek van de advocaat om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting opdat van de Duitse autoriteiten medewerking kon worden verkregen om verdachte aanwezig te doen zijn, af te wijzen. Het tweede middel klaagt dat het hof op een verzoek van de raadsman om het OM te gelasten een vrijgeleide aan verdachte te verlenen omdat hij ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig zou kunnen zijn, niet heeft geantwoord.

Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2003 houdt het volgende in:

"De raadsman deelt mede -zakelijk weergegeven-:

(....)

Ik verzoek het hof de zaak aan te houden teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen ter terechtzitting van het hof te verschijnen, aangezien hij een verhaal te vertellen heeft. Teneinde zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn, verzoek ik het hof om verdachte voor de dag van de zitting een vrijgeleide te verstrekken, waarbij de Duitse autoriteiten om medewerking wordt gevraagd met betrekking tot het transport van verdachte.

De voorzitter deelt mede -zakelijk weergegeven-:

Er dient rekening te worden gehouden met de vereiste voortvarendheid in deze zaak, aangezien het om een feit uit het jaar 1997 gaat. De dagvaarding in hoger beroep is juist aan verdachte betekend. De raadsman is bepaaldelijk gevolmachtigd namens verdachte het woord ter verdediging te voeren. Het hof zal op het aanhoudingsverzoek van de raadsman bij arrest beslissen."

Vervolgens is in het arrest de volgende beslissing opgenomen:

"Het hof is gebleken dat verdachte in het kader van een opgelegde gevangenisstraf verblijft in Duitsland.

De raadsman van verdachte heeft het hof verzocht, gelet op het recht van cliënt om bij zijn berechting aanwezig te kunnen zijn, de behandeling van de strafzaak van cliënt aan te houden teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen langs ambtelijke weg te verzoeken cliënt daartoe over te brengen dan wel uit te leveren naar Nederland.

Het hof wijst het verzoek van de raadsman af.

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding op juiste wijze is betekend aan verdachte. De dagvaarding is op 7 juli 2003 en 14 augustus 2003 uitgereikt aan C. Slotboom, griffier van de arrondissementsrechtbank te Arnhem, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. De dagvaarding is op 4 september 2003 uitgereikt aan A. van de Kerkhof, griffier van de arrondissementsrechtbank te Arnhem, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Daarnaast is de dagvaarding per aangetekende post verzonden naar het GBA-adres van verdachte in België: [a-straat 1], [woonplaats]. Het hof heeft hiervan tweemaal een bericht van ontvangst van PTT Post ontvangen op respectievelijk 8 augustus 2003 en 9 september 2003. Uit deze ontvangstberichten leidt het hof af dat men in België de dagvaarding niet heeft kunnen uitreiken, omdat op het GBA-adres niemand werd aangetroffen (absent Ie). Uiteindelijk heeft men in Straubing (Duitsland) de dagvaarding kunnen uitreiken aan verdachte op 16 augustus 2003. Het hof heeft hiervan een bericht van ontvangst ontvangen op 10 september 2003.

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting medegedeeld dat hij ervan uitgaat dat de dagvaarding zijn cliënt heeft bereikt, nu de dagvaarding op 16 augustus 2003 is uitgereikt aan Justizvollzuganstalt Straubing, Aussere Passauerstrasse 90, 94315 Straubing (Duitsland). De raadsman heeft voorts verklaard bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn de verdediging te voeren namens verdachte.

Het hof is van oordeel dat in het kader van de belangenafweging het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging, waaronder de afdoening binnen een redelijke termijn, het telastegelegde feit dateert immers van 3 september 1997, zwaarder dient te wegen dan het recht van verdachte op berechting in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid, mede nu verdachte het hem telastegelegde feit heeft bekend en verdachtes raadsman gevolmachtigd was om de verdediging te voeren. Het hof is onder de gegeven omstandigheden niet gehouden tot een onderzoeksplicht naar de voortduring van de detentie van verdachte, noch is het hof gehouden tot een onderzoek naar de mogelijkheid om verdachte naar Nederland over te brengen teneinde hem van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te kunnen laten maken.

Er is geen rechtsregel die er absoluut toe dwingt om een in het buitenland gedetineerde verdachte over te brengen naar Nederland teneinde hem gebruik te laten maken van zijn aanwezigheidsrecht."

3.3 Aldus heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat in dit geval het belang van de strafvordering - hetwelk omvat een afdoening binnen een redelijke termijn van de zaak welke betrekking had op feiten die ongeveer zes jaar geleden zouden zijn begaan - diende te prevaleren boven het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting aanwezig te zijn.(1)

Het hof heeft aldus het juiste criterium toegepast. De afwijzing is toereikend gemotiveerd, gelet op het feit dat verdachte met zijn raadsman in eerste aanleg was verschenen, dat ter terechtzitting in hoger beroep een gemachtigd raadsman was verschenen die het woord heeft kunnen voeren, en dat deze raadsman ter motivering van zijn verzoek om aanhouding enkel heeft verklaard dat verdachte zou willen verschijnen omdat hij een verhaal te vertellen heeft.(2)

In het voorgaande ligt ook besloten dat en waarom het hof het niet nodig oordeelde het OM te gelasten een vrijgeleide ten behoeve van verdachte af te geven opdat deze de terechtzitting in hoger beroep zou kunnen bijwonen.

Het eerste en tweede middel falen.

4.1. Het derde middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om het dossier aan te vullen met de stukken die betrekking hebben op de disciplinaire straf die verdachte tijdens zijn detentie in verband met het feit waarvoor hij thans is veroordeeld heeft ondergaan. Het vierde middel klaagt in dat verband over de straftoemeting.

Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.2. Het hof heeft in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting die afwijzing als volgt gemotiveerd:

"Het hof wijst het verzoek van de raadsman tot voeging van de stukken betrekking hebbend op de disciplinaire bestraffing die verdachte heeft ondergaan, af, nu de raadsman zelf de mogelijkheid heeft om bij zijn cliënt na te gaan waar en wanneer hij een disciplinaire straf heeft ondergaan en bedoelde stukken niet van belang kunnen zijn voor enige in onderhavige zaak door het hof te nemen beslissing. De verdediging wordt niet in haar belangen geschaad."

Volgens de steller van het middel heeft het hof aldus het verdedigingsbelang miskend dat met kennisname van deze stukken zou zijn gemoeid. Het feit dat verdachte immers al zwaar gestraft was voor hetzelfde feit zou van belang kunnen zijn voor de door het hof op te leggen straf. Dat het op de weg van de raadsman zou hebben gelegen om bij zijn cliënt na te gaan welke disciplinaire straf deze heeft ondergaan acht de steller van het middel onbegrijpelijk, aangezien dergelijke informatie de overtuigingskracht mist die officiële stukken van een penitentiaire inrichting wel zouden hebben.

4.3. In zijn arrest heeft het hof onder het hoofd "Oplegging van straf en/of maatregel" overwogen dat het geen rekening zal houden met de disciplinaire straf die verdachte heeft ondergaan als gevolg van het tenlastegelegde feit. Volgens het hof noopte geen rechtsregel ertoe bij het bepalen van de strafmaat in het strafproces met een eventueel opgelegde disciplinaire straf in het kader van de penitentiaire beginselenwet rekening te houden.

4.4. De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.(3) Het hof was dan ook niet verplicht een eventuele disciplinaire straf bij zijn straftoemetingsbeslissing te betrekken. Dat uitgangspunt heeft het hof kennelijk ook ten grondslag gelegd aan zijn beslissing om het dossier niet aan te vullen met stukken betreffende een eventuele disciplinaire bestraffing van verdachte. Het zou anders kunnen zijn indien het niet ingaan op een door de verdediging met betrekking tot de straftoemeting aangevoerd argument verbazing zou wekken. Dat is hier niet het geval.

Beide middelen falen.

5.1. Het vijfde middel stelt dat de verdediging heeft aangevoerd dat de berechting tot en met de terechtzitting in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. In dat verband zou de verdediging een beroep hebben gedaan op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie subsidiair op een strafmatiging in die zin dat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer zou moeten worden opgelegd. De steller van het middel klaagt dat het hof op dit verweer in het geheel niet is ingegaan.

5.2. Aan het verkort proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2003 is een notitie gehecht van de raadsman van verdachte. Deze notitie bevat onder het hoofd 'Strafmaat/completering stukken' geen enkele verwijzing naar een schending van de redelijke termijn.

Het middel mist dan ook feitelijke grondslag. Ten overvloede merk ik op dat het hof in zijn arrest bij de motivering van de opgelegde straf rekening heeft gehouden met het aanmerkelijke tijdsverloop sinds het plegen van het feit.

Het middel faalt.

6. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR NJ 1998, 428; HR NJ 2002, 466; HR NJ 2002, 83.

2 Vgl. HR NJ 2000, 546; HR NJ 2002, 352.

3 HR NJ 2000, 214.