Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR8411

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2005
Datum publicatie
22-02-2005
Zaaknummer
01867/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR8411
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afstand aanwezigheidsrecht. In het licht van de niet-ondertekende “afstandsverklaring”, inhoudende “Wenst niet te tekenen, want betrokkene was niet op de hoogte van, dat deze zaak vandaag diende. Tevens had hij voor vandaag afgetekend voor de raadkamer: verlenging 30 dgn. Dit heeft elkaar gekruisd.” is ’s hofs oordeel dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 131
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01867/04

Mr Machielse

Zitting 21 december 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft de verdachte bij arrest van 21 april 2004 ter zake van - kort gezegd - 1. rijden onder invloed, 2. rijden tijdens een rechterlijke ontzegging van de rijbevoegdheid en 3. rijden zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven bij verstek veroordeeld tot - voor de feiten 1 en 2 - vier weken gevangenisstraf en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijftien maanden en voor feit 3 tot een week hechtenisstraf. Voorts heeft het hof een auto verbeurdverklaard.

2. Namens verdachte heeft mr A.F. van Dam, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1 Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep aanwezig te zijn.

3.2 Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof blijkt dat aan verdachte verstek is verleend nadat het hof had vastgesteld dat verdachte afstand had gedaan van zijn recht om gehoord te worden. Het middel voert aan dat deze vaststelling onbegrijpelijk is. Het stelt dat zich bij de stukken geen afstandsverklaring kan bevinden met betrekking tot de zitting van het hof op 7 april 2004.

3.3 De dagvaarding in hoger beroep, waarin verdachte wordt opgeroepen te verschijnen op de terechtzitting van 7 april 2004, is aan verdachte in persoon uitgereikt op 16 februari 2004. Hij was toen op vrije voeten. Op 7 april 2004 was verdachte uit anderen hoofde gedetineerd. Tot de gedingstukken behoort een zogenoemde 'afstandsverklaring', die op de dag van de zitting per fax is verzonden vanuit het huis van bewaring waar verdachte vastzat. Het voorgedrukte deel van deze verklaring vermeldt dat verdachte afstand doet van zijn recht te verschijnen op die zitting. De verklaring is echter niet door verdachte ondertekend. Waar hij dat had kunnen doen is door een medewerkster van het huis van bewaring de volgende tekst geschreven:

"Wenst niet te tekenen, want betrokkene was niet op de hoogte van dat deze zaak vandaag diende. Tevens had hij voor vandaag afgetekend voor de Raadkamer: verlenging 30 dgn. Dit heeft elkaar dus gekruisd."

Ook het middel spreekt van die andere zitting op 7 april 2004, namelijk een behandeling van een vordering verlenging gevangenhouding door de rechtbank Arnhem. Van zijn recht om op die vordering te worden gehoord heeft verdachte afstand gedaan, zo vermeldt ook het middel.

3.4 Het is mij niet helemaal duidelijk wat in de 'afstandverklaring' wordt bedoeld met de opmerking 'dit heeft elkaar gekruist'. Mogelijk had verdachte al eerder afstand gedaan van de zitting bij de rechtbank en is men bij het regelen van transport voor verdachte op die dag alleen daarvan uitgegaan. Het resultaat hiervan zou dan zijn geweest dat voor hem op die dag geen vervoer beschikbaar was, ook niet naar de zitting van het hof. Het is gissen.

3.5 Indien de dagvaarding van een verdachte rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter in beginsel uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dit beginsel lijdt uitzondering wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dan behoort het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog daarbij aanwezig te zijn.(1)

3.6 Het oordeel van het hof dat uit de 'afstandsverklaring' blijkt dat verdachte vrijwillig ervan heeft afgezien om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, waarin ligt besloten dat aan de stukken geen duidelijke aanwijzing kan worden ontleend dat verdachte daarbij wel aanwezig wilde zijn, is, gelet op de in 3.2 vermelde inhoud van de 'afstandsverklaring', zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.(2) Uit die verklaring blijkt ontegenzeggelijk dat verdachte de hem gestelde vraag of hij afstand wilde doen van zijn aanwezigheidsrecht ontkennend heeft beantwoord. Dat hij bij die gelegenheid eveneens heeft opgemerkt dat hij niet op de hoogte was van de zitting, hoewel de dagvaarding hem in persoon was uitgereikt, doet daaraan niet af.

3.7 Het middel is terecht voorgesteld.

4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch om de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR NJ 2002, 317.

2 Vgl. HR NJ 2002, 203; HR 29 januari 2002, nr. 00827/01.