Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR8288

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
01497/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR8288
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Eisen aan cassatiemiddel. Als cassatiemiddel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over schending van een bepaalde rechtsregel en/of verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur, die slechts beschouwingen van feitelijke aard behelst en een vrijwel woordelijke herhaling is van hetgeen de raadsman in zijn pleitnota voor het hof heeft aangevoerd, voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven. HR verklaart verdachte niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 105
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01497/04

Mr. Machielse

Zitting 21 december 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 12 november 2003 verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens 1. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", 2. "het medeplegen van een in één der in artikel 10 van de Coördinatiewet sociale verzekering bedoelde verplichtingen niet juist of niet volledig nakomen, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging", 3. "valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", 4. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", 5. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" en 6. "handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie".

2. Namens verdachte heeft mr. H. Grootjans, advocaat te Doetinchem, een schriftuur ingediend houdende een middel van cassatie.

3. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft afgewezen, aangezien verdachte zich met recht kan beroepen op de inkeerbepaling van artikel 69 lid 2 juncto lid 3 van de AWR, terwijl tevens geen sprake kan zijn van feitelijk leidinggeven door verdachte.

4. Het arrest van het hof houdt dienaangaande het volgende in:

"De raadsman van verdachte heeft zich met betrekking tot de ten laste gelegde belastingdelicten beroepen op de zogenaamde - in artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervatte- inkeerbepalingen. Nu verdachte de malversaties bij [A] BV zelf heeft gemeld bij de overheid, dient - zo betoogt de raadsman - het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hof verwerpt dit niet-ontvankelijkheidsverweer. Bedoelde inkeerbepaling komt erop neer dat een betrokkene zich slechts dan op deze bepaling kan beroepen als hij tijdig is overgegaan tot het alsnog indienen van een aanvullende aangifte of tot het verstrekken van aanvullende informatie, op zodanige wijze dat het voor de belastingdienst redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat de betrokkene daarmee zijn eerdere onjuiste aangifte of verstrekte informatie rectificeert (HR 22 mei 2001, nr. 02766/00 NJ 2001/699). Verdachte is weliswaar tijdig - dat wil zeggen vóórdat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de autoriteiten de onderwerpelijke onjuistheden bekend waren of zouden worden - overgegaan tot het verstrekken van aanvullende informatie, maar zulks is naar het oordeel van het hof niet geschied op zodanige wijze dat het voor de belastingdienst redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat verdachte (en [A] BV) daarmee de eerdere onjuiste aangiften rectificeerde(n)."

5. Voorafgaand aan een inhoudelijke bespreking van het middel wil ik opmerken dat blijkens de toelichting op het middel de grenzen van de cassatieprocedure enigszins uit het oog zijn verloren, daar waar de toelichting een letterlijke herhaling is van de eerste vier pagina's van de pleitnota. Kennelijk is aan de steller van het middel voorbijgegaan dat er in cassatie slechts beperkt plaats is voor de beoordeling van een feitelijk oordeel in die zin dat slechts gekeken kan worden of dat oordeel begrijpelijk is. De steller van het middel laat na de hiervoor aangehaalde overwegingen van het hof te bekritiseren, zodat mij niet duidelijk is geworden waarom het oordeel van het hof volgens de steller van het middel onjuist zou zijn.

6. Het Hof heeft in ieder geval de juiste maatstaf toegepast bij zijn beoordeling of de inkeerbepaling van art. 69 lid 3 AWR van toepassing is.(1)

7. Onder de stukken bevindt zich het proces-verbaal van het verhoor van verdachte op 16 maart 2001 door een ambtenaar van de FIOD en een ambtenaar van de opsporingsdienst van het GAK, welk proces-verbaal tevens het eerste verhoor van verdachte op 13 maart 2001 bevat, waarin verdachte een eerste verklaring heeft afgelegd omtrent de belastingfraude bij [A] BV.(2)

Ten aanzien van het eerste verhoor op 13 maart 2001 bevat het proces-verbaal als relaas van de verhorende opsporingsambtenaar onder andere het volgende (pv p.2):

"Nadat van [verdachte] mij dat verteld had heb ik hem medegedeeld dat hij door zijn functie als directeur en positie als eigenaar mogelijk betrokken zou kunnen zijn geweest bij de mogelijke gepleegde frauduleuze handelingen en op grond daarvan als verdachte zou kunnen worden aangemerkt. Daarop gaf van [verdachte] aan dat dat inderdaad mogelijk zou kunnen zijn, (hij) in dat geval de consequenties zou willen aanvaarden, in ieder (geval) schoon schip te willen maken, en desondanks toch een verklaring te willen afleggen"

8. In het aanvullende verhoor op 16 maart 2001 verklaart verdachte voorts ten aanzien van zijn redenen om tot de onthullingen over te gaan onder andere (pv p.6):

"De reden dat ik deze verklaring nu afleg, is dat ik in januari 2001 erachter ben gekomen dat er strafbare feiten, zoals valsheid in geschrifte en wapenbezit, werden gepleegd. Daar wilde ik geen deelgenoot van zijn. Daarom ben ik hier vrijwillig gekomen om melding te maken van de gepleegde strafbare feiten. Ik wens de Officier van justitie te verzoeken indien het komt tot strafvervolging dit mee te laten wegen en dat ik voor strafvermindering in aanmerking kom."

9. In het licht van deze verklaringen is 's Hofs oordeel, dat de informatieverstrekking door verdachte niet is geschied op zodanige wijze dat het voor de belastingdienst redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat verdachte (en [A] BV) daarmee de eerdere onjuiste aangiften rectificeerde(n), niet onbegrijpelijk. Verdachte wilde naar eigen zeggen immers het opstellen van de valse facturen en het vuurwapenbezit(3) aan de kaak stellen; over het mogelijk rectificeren van een onjuiste belastingaangifte rept hij niet.

10. Voorzover het middel derhalve klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie faalt het.

11. Het middel lijkt voorts nog een klacht over het met betrekking tot feit 1 bewezenverklaarde feitelijk leidinggeven in te houden. In het middel zelf lijkt de omstandigheid dat geen sprake zou kunnen zijn van feitelijk leidinggeven onderdeel uit te maken van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ik kan mij niet voorstellen dat dit zo bedoeld is en houd het erop dat deze onhandige constructie een gevolg is van het klakkeloos overnemen van hetgeen in de pleitnota op de pagina's 1 t/m 4 is aangevoerd ten aanzien van de feiten in het algemeen en feit 1 in het bijzonder.

12. Laat ik, omdat er nauwelijks van een klacht op dit punt gesproken kan worden, volstaan met te verwijzen naar de bewijsmiddelen 1, 3, 7, 8, 10, 11 en 14. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte evenals [betrokkene 1] eigenaar alsmede directeur was van [A] BV en naast [betrokkene 1] de feitelijke en dagelijkse leiding binnen de BV had. Voorts volgt eruit dat hij de zwarte uitbetaling van lonen mede organiseerde en uitvoerde.

13. Voorzover derhalve in het middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van het feitelijk leidinggeven in feit 1 faalt het.

14. Het middel faalt in alle onderdelen en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

15. Gronden waarop Uw Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie HR 22 mei 2001, NJ 2001, 699, waarnaar overigens ook het Hof verwijst.

2 Zie Proces-verbaal dossiernummer FIOD: 21108/zaaknummer: GAK 63745; dossier C: verklaringen verdachten, onder V04 [verdachte], p. 1 t/m 7.

3 Saillant detail is daarbij dat verdachte op dat moment zelf ook over een vuurwapen alsmede (niet bijpassende) munitie beschikte.