Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR8231

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2005
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
00817/04
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR8231
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering b.p., art. 51a.1 (oud) Sv. Wanneer gevaarzetting in het verkeer tot gevolg heeft dat een ongeval plaatsvindt waarbij zaken worden beschadigd, kan worden aangenomen dat deze schade rechtstreeks is toegebracht door de overtreding van art. 5 WVW 1994. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 00817/04

Mr. Wortel

Zitting:14 december 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Dit door verzoeker ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker wegens "overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994" is veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast heeft het Hof verzoeker de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van acht maanden.

Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij J. van Evert toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1.461,18, en verzoeker op de voet van art. 36f Sr, ten behoeve van de benadeelde partij, de verplichting opgelegd aan de Staat hetzelfde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 dagen hechtenis. Het Hof heeft daarbij bepaald dat elk van de opgelegde betalingsverplichtingen zal vervallen voor zover aan de andere zal zijn voldaan.

2. Namens verzoeker heeft mr. E. Everhard, advocaat te Dordrecht, één cassatiemiddel voorgesteld.

Daarin wordt er over geklaagd dat de vordering van de benadeelde partij ten onrechte is toegewezen.

3. Blijkens de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen heeft verzoeker gevaar op de weg veroorzaakt door - kort gezegd - de auto van de benadeelde partij, na die auto te hebben ingehaald, te snijden en vervolgens krachtig te remmen. De benadeelde partij heeft, om verzoekers auto te ontwijken, een manoeuvre gemaakt waarbij hij de macht over het stuur is verloren. Diens auto is van de weg geraakt en over de kop geslagen.

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verzoeker dit wangedrag heeft vertoond uit irritatie, omdat hij heeft moeten inhouden voor de auto van de benadeelde partij, toen deze zelf inhaalde.

4. Uit de bestreden uitspraak en de overige stukken van het geding blijkt dat de gestelde en door het Hof aannemelijk geachte schade bestaat uit de dagwaarde van de "total loss" verklaarde auto van de benadeelde partij, de waarde van bij het ongeval vernielde kledingstukken en kosten van reparatie van een bij het ongeval beschadigde bril, en de prijs van treinkaartjes, die de benadeelde partij en diens vriendin, die bij hem in de auto zat, hebben moeten kopen om thuis te komen.

5. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat de schade het rechtstreeks gevolg is van verzoekers bewezenverklaarde handelen, aangezien verzoeker heeft gehandeld in strijd met art. 5 WVW 1994, welke bepaling strekt tot bescherming van de verkeersveiligheid; de beschadiging van goederen een inbreuk vormt op het ongestoorde bezit van die goederen, en zulk ongestoord bezit niet behoort tot de door art. 5 WVW 1994 beschermde belangen.

6. Dit betoog kan niet worden gevolgd. In geval handelen in strijd met het in art. 5 WVW 1994 - in het belang van de doorstroming en de veiligheid van het wegverkeer gegeven - verbod daadwerkelijk gevaar voor andere weggebruikers doet ontstaan, en die gevaarzetting tot gevolg heeft dat een ongeval plaatsvindt waarbij zaken worden beschadigd, kan worden aangenomen dat die schade in rechtstreeks verband staat met het strafbare feit, als bedoeld in art. 51a Sv.

7. Het middel faalt derhalve. Het leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,