Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR8210

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-03-2005
Datum publicatie
07-03-2005
Zaaknummer
R04/057HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR8210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

4 maart 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/057HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoekster], gevestigd te [vestigingsplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. A.L.C.M. Oomen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet tarieven in burgerlijke zaken 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 136
NJ 2005, 370
JWB 2005/100
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R04/057HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 10 december 2004

Conclusie inzake:

[verzoekster]

tegen

[verweerder]

In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld tegen een op de voet van art. 33 Wet tarieven in burgerlijke zaken gegeven beslissing van de voorzieningenrechter(1).

1. Feiten(2) en procesverloop

1.1 Verzoekster tot cassatie [verzoekster] heeft gedurende een bepaalde periode de belangen behartigd van verweerder in cassatie, [verweerder](3).

1.2 Bij brief van 7 mei 2001 heeft [verzoekster] op de voet van art. 32 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) de Raad van Toezicht der Orde van Advocaten Utrecht, de Raad van Toezicht, verzocht om begroting van zijn aan [verweerder] in rekening gebrachte salaris. De verzonden declaraties betroffen een totaalbedrag van ƒ 183.755,35, waarvan ƒ 163.122,57 is voldaan, zodat een bedrag van ƒ 20.632,78 resteert.

1.3 [Verweerder] heeft bij brief van 19 maart 2002 verweer gevoerd tegen de declaraties. Hij heeft daarbij gesteld dat door [verzoekster] voor de diverse werkzaamheden te veel tijd is geschreven en dat niet is afgesproken dat voor een deel van de werkzaamheden een vast honorarium zou worden berekend.

1.4 Na verdere briefwisseling (van 13 mei 2002 van [verzoekster] en van 29 mei 2002 van [verweerder]) heeft de Raad van Toezicht bij beslissing van 28 januari 2003 de verrichte werkzaamheden van [verzoekster] begroot op een bedrag van in totaal ƒ 118.093,48(4).

1.5 Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie van de rechtbank Utrecht op 18 augustus 2003(5), heeft [verzoekster] een verzoek tot nadere vaststelling als bedoeld in art. 33 Wtbz ingediend inzake drie procedures, die bij de rechtbank Utrecht bekend zijn onder de rolnummers 00-1173, 00-1453 en 70170 HA ZA 97-602(6).

Bij brief van 12 september 2003 heeft [verzoekster] de nadere gronden van het verzoek ingediend.

1.6 Bij brief van 23 oktober 2003(7) heeft de rechtbank [verzoekster] verzocht aan de voorzieningenrechter over te leggen:

- de beslissing van de Raad van 28 januari 2003,

- de urenspecificatie op grond waarvan de voorzieningenrechter dient te begroten en

- de op de betreffende procedures betrekking hebbende stukken.

Voorts is [verzoekster] verzocht om de onder aan pagina 1 van het verzoekschrift weggevallen tekst aan te vullen en deze aanvulling ook aan [verweerder] te verzenden.

[Verzoekster] heeft aan het verzoek van de voorzieningenrechter geen gehoor gegeven.

1.7 [Verweerder] heeft op 21 november 2003 een verweerschrift ingediend.

1.8 De voorzieningenrechter heeft [verzoekster] bij beschikking van 11 februari 2004 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek en hem veroordeeld in de kosten van de procedure. Voorts is de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.9 [Verzoekster] heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 21 april 2004, beroep in cassatie tegen de beschikking van de rechtbank ingesteld.

[Verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

2. Ontvankelijkheid

2.1 De uit 1843 daterende Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz)(8) voorziet in een bijzondere rechtsgang in geval van een geschil tussen een advocaat en zijn cliënt over het salaris. In een dergelijk geval wordt in art. 32 van de Wtbz de begroting van het salaris van de advocaat opgedragen aan de Raad van Toezicht in het arrondissement waarin de advocaat woonachtig is.

2.2 Aanvankelijk was in het op 9 februari 1843 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden wetsontwerp, inhoudende "Den derden Titel van het Tarief van Justitie-kosten en salarissen in burgerlijke zaken, handelende van de Advocaten"(9) in art. 1 het voorschrift opgenomen dat de bepaling van het honorarium, door advocaten aan hunne cliënten in rekening te brengen, aan hun eergevoel en bescheidenheid wordt overgelaten en in art. 2 de bepaling dat ingeval van verschil daarover de taxatie zal geschieden door de raden van toezigt en discipline.

Deze raden van toezigt en discipline werden in de toelichting als de natuurlijke en meest bevoegde beoordelaars bestempeld.

2.3 Daartegen werd echter als bedenking aangevoerd dat er "bij het tarief geene exceptionele magt behoorde te worden daargesteld, om de geschillen tusschen den advocaat en zijn cliënt over het honorarium te beslissen; maar dat dezelve voor den gewonen regter bij gewone actie ex mandato behoorden gebragt te worden."(10). Men vreesde voor partijdigheid bij de "ambtsbroeders" en wilde dan ook vasthouden aan "de Oud-Nederlandsche regtspractijk" om de zaak aan de rechter over te laten.

2.4 Vervolgens werd een gewijzigd ontwerp naar de Kamer gezonden met de volgende bepalingen:

Art. 1

De advocaten berekenen het honorarium door hunne cliënten verschuldigd, met bescheidenheid en billijkheid.

Art. 2

In geval van verschil over die berekening, geschiedt de begrooting door de raden van toezigt en discipline (...).

Art. 3

Indien de advocaat of de cliënt met de begrooting geen genoegen neemt, wordt het geschil daarover bij dagvaarding gebragt voor het regterlijk collegie, waar de zaak, waarin het honorarium berekend is, in het laatste ressort gediend heeft, of zoo die zaak voor geen regter is aanhangig geweest, alsdan voor de Arrondissements-Regtbank der woonplaats van den verweerder, en als summiere zaak afgedaan."

2.5 De Regering hield, zoals uit het gewijzigd ontwerp blijkt, vast aan begroting door de raden van toezicht vanwege het beginsel, aldus de Memorie van beantwoording, dat het begroten van het honorarium(11), zo lang zulks maar enigszins kan worden vermeden, niet door de gewone rechter moet geschieden, allereerst omdat de waardigheid van de stand meebrengt dat de bepaling van het honorarium geen onderwerp moet zijn van een contradictoire procedure en ten tweede omdat begroting van het honorarium eigenlijk alleen het werk kan zijn van de raden van toezicht, die uit de oudsten en met de praktijk meest bekende lieden zijn samengesteld. Slechts in geval partijen, aldus de Regering, met die begroting nog geen genoegen mochten kunnen nemen, dient de rechter te beslissen(12). Dit getrapte systeem van begroten en een rechterlijke beslissing gold ook onder het Franse recht.

2.6 Het gewijzigd ontwerp werd na uitvoerige beraadslagingen verworpen (39 stemmen tegen en 5 voor het wetsontwerp), voornamelijk op de grond dat slechts een gedeelte van het honorarium van de advocaat van de winnende partij ten laste van de verliezende partij werd gebracht, doch ook de begroting door de raden van toezicht speelde een rol.

2.7 Vervolgens werd bij Koninklijke boodschap van 22 november 1843 een nieuw ontwerp aangeboden, waarin voor enige werkzaamheden een beloning werd bepaald.(13).

De huidige art. 32 en 33 van de Wtbz werden daarin als art. 4 en 5 opgenomen. Deze artikelen zijn vervolgens, ondanks herhaalde bezwaren van enkele leden tegen onder meer de omslachtige procedure van begroting, nadere vaststelling door de rechter en herziening(14), aangenomen.

Met betrekking tot de mogelijkheid om herziening bij de rechtbank te vragen is slechts door de minster van Justitie opgemerkt dat de beslissing van de president van de rechtbank een voorlopige is en dat daarvan kan worden geappelleerd, zodat de eindbeslissing aan de rechtbank is(15).

2.8 Het huidige art. 40 lid 3 Wtbz is als art. 21 voorgesteld. Bij het voorlopig verslag is daarover opgemerkt dat men volstrekt niet de mogelijkheid van hoger beroep, rekest-civiel of cassatie wilde openen, omdat dit in strijd met de bedoeling zou zijn "om kort regt te geven" en men dus geen tweede geding over de kosten van een geding wilde(16).

2.9 In zijn beschikking van 26 februari 1988, NJ 1989, 28, m.nt. WHH heeft de Hoge Raad met betrekking tot de begroting door de Raad van Toezicht het volgende overwogen (rov. 3):

"Ter behandeling van geschillen "over het salaris, door den advocaat aan den client berekend" is in de derde titel van de Wet tarieven in burgelijke zaken een bijzondere rechtsgang voorzien.

(...).

Deze regeling stoelt vooral daarop dat de Raden van Toezicht bij uitstek deskundig zijn om te begroten wat advocaten -"naar mate van het belang en de moeilijkheid der zaken, mitsgaders van den tijd, welke daaraan besteed heeft moeten worden" (art. 30) - toekomt als honorarium. Daarnaast heeft een rol gespeeld de wens om procederen omtrent de hoogte van het honorarium zoveel mogelijk te beperken."

2.10 De artikelen 32-40 van de Wtbz kunnen alleen worden toegepast in geval van een geschil over de hoogte van het bedrag van de declaratie, maar niet in geschillen die niet de omvang van het gedeclareerde bedrag betreffen(17).

Ook het het Hof van Discipline heeft zich over deze ontvankelijkheidsvraag uitgelaten(18):

"Het Hof stelt voorop dat de advocaat die geen betaling van zijn declaratie ontvangt de in de artikelen 29 ev. van de Wet tarieven in burgerlijke zaken beschreven rechtsgang - de begrotingsprocedure - alleen dan kan bewandelen indien de zaak waarvoor gedeclareerd wordt kan gelden als een burgerrechtelijke zaak en de cliënt betwist dat het in rekening gebrachte bedrag juist is, dat wil zeggen in overeenstemming is met de zojuist genoemde wetsbepalingen. Wordt de verschuldigdheid van het honorarium op andere gronden betwist, dan staat de advocaat slechts de weg van een gewone procedure voor de rechter open."

2.11 Indien de Raad van Toezicht het salaris heeft begroot en de advocaat met die begroting geen genoegen neemt, zoals in de onderhavige zaak, vindt op grond van art. 33 Wtbz nadere vaststelling plaats door "den voorzitter van het collegie waar de zaak, waarin het salaris berekend is, gediend heeft, of door een der leden, daartoe door hem benoemd".

2.12 Aan een dergelijk geval (en het verdere vervolg) wordt in de literatuur over de Wtbz opvallend weinig aandacht besteed(19).

In de onderhavige zaak is de voorzieningenrechter op de voet van art. 33 Wtbz geadieerd en heeft hij bij beschikking [verzoekster] in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

2.12 De fase daarna wordt geregeld in de art. 37 e.v.

De schuldenaar kan op de voet van art. 40 verzet doen en art. 37 lid 3 Wtbz geeft als voorziening dat de advocaat herziening van de begroting kan verzoeken aan het college, "welks voorzitter of benoemd lid dezelve heeft gedaan."

Dat verzoek moet worden gedaan bij verzoekschrift, waarop volgens art. 37 "niet wordt beschikt, dan nadat de belanghebbenden voor twee commissarissen uit het collegie, daartoe benoemd, zijn opgeroepen, om in hunne belangen te worden gehoord."

2.13 [Verzoekster] heeft geen herziening bij de rechtbank Utrecht verzocht, doch beroep in cassatie ingesteld.

Ik meen dat een dergelijk beroep nimmer ontvankelijk is.

Zoals gezegd dient de advocaat herziening van de begroting te verzoeken aan de rechtbank. Deze exclusieve rechtsgang(20) dient m.i. ook te worden gevolgd in geval de voorzieningenrechter tot een niet-ontvankelijkheid is gekomen.

Daarna houdt het op. Art. 40 bepaalt uitdrukkelijk dat een verzoek om herziening niet vatbaar is voor verzet, hoger beroep of cassatie.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster tot cassatie.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ik verwijs naar de eveneens heden genomen conclusie van mijn ambtgenoot Spier in eenzelfde kwestie.

2 Zie de beslissing van de Raad van Toezicht der Orde van Advocaten Utrecht van 28 januari 2003.

3 Het betreft werkzaamheden die betrekking hadden op uit de echtscheiding van [verweerder] voortvloeiende kwesties. Daarnaast heeft [verzoekster] werkzaamheden verricht voor het bedrijf van [verweerder], Block Utrecht B.V. Laatstgenoemde was partij in de procedure bij de Raad van Toezicht en in de rechtbankprocedure. In die procedures dient onder [verweerder] tevens te worden begrepen Block Utrecht B.V.

4 Dit bedrag is inclusief de werkzaamheden waarvoor een vaste prijs was afgesproken voor zoveel de vaste prijsafspraak eventueel in rechte niet komt vast te staan, met uitzondering van het niet overgelegde dossier waarvoor een vaste prijsafspraak zou zijn gemaakt (Rechtbank Utrecht 122292/KG ZA 00-1078). De Raad heeft in die zaak niet kunnen beoordelen of de tijd die voor de werkzaamheden is opgevoerd redelijk is (zie p. 6 van de begrotingsbeslissing van de Raad).

5 Zie de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht van 11 februari 2004. In het A-dossier bevindt zich uitsluitend een verzoek dat is gedateerd 24 februari 2004.

6 [Verzoekster] heeft tevens beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht betreffende de daar aanhangige zaken. Op 24 juni 2003 heeft de rechtbank Dordrecht de begrotingsbeslissing van de Raad bekrachtigd. De beslissing van de rechtbank bevindt zich bij de stukken in het A-dossier die zijn ingediend bij het verweerschrift van [verweerder] van 21 november 2003.

7 Zie rov. 1.4 van de bestreden beschikking. Deze brief bevindt zich in geen van beide procesdossiers.

8 Toen nog het Tarief der Justitie-kosten en Salarissen in burgerlijke zaken geheten. Wet van 28 en 29 december 1843, Stb. 37, 38, 39, 40, 66 en 67. De ontstaansgeschiedenis is verzameld door J. van den Honert, 's- Gravenhage en Amsterdam, 1843. Zie ook de conclusie van A-G Biegman-Hartogh vóór HR 26 februari 1988, NJ 1989, 28.

De door de Raad voor de Rechtspraak ingestelde Commissie verbetervoorstellen civiel heeft geadviseerd de artikelen 32 tot en met 40 Wet tarieven in burgerlijke zaken, die door Brunner in zijn noot onder HR 4 april 1987, NJ 1988, 275 als obsoleet werden bestempeld, te schrappen.

9 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 3.

10 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 10-11.

11 Nadien gewijzigd in salaris.

12 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 26-27.

13 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 112 e.v.

14 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 132 e.v.

15 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 155.

16 Van den Honert, a.w., Derde Titel. p. 171.

17 HR 18 juni 1993, NJ 1994, 4, m.nt HER Zo ook A-G Biegman-Hartogh in haar conclusie vóór HR 26 februari 1988, NJ 1989, 28 onder punt 4, laatste alinea.

18 Advocatenblad, 5 januari 1990, p. 12. Zie ook E.D. Rentema, Begroten, Advocatenblad 8 juni 1990, p. 284-287.

19 Wel wordt uiteengezet welke middelen de advocaat ten dienste staan die met een onwillige cliënt te maken heeft en de mogelijkheid van verzet door de cliënt tegen het bevelschrift tot betaling. Zie hiervoor Hugenholtz/Heemskerk, p. 22, 129; E.E. Minkjan, Kosten in civiele procedures, Advocatenblad, 8 maart 2002, p. 210-215; H.J. Timman met naschrift van F.H. Kernkamp, Begroten van declaraties; een archaïsche bezigheid, Advocatenblad, 14 oktober 1988, p. 462-465; De wanbetalende cliënt, Advocatendossier, 2000.

20 Zie naast de hiervoor geschetste parlementaire geschiedenis ook B.J. Polenaar, Schets van het Nederlandsche Burgerlijk Procesrecht, Haarlem, derde druk 1906, p. 61-62.