Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR8209

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-03-2005
Datum publicatie
11-03-2005
Zaaknummer
R04/043HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR8209
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

11 maart 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/043HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [verzoekster], wonende te [woonplaats],VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. R.P. Dielbandhoesing, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen. 1. Het geding in feitelijke instantie...

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 2
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 144
JWB 2005/90
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R04/043HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 24 dec. 2004

conclusie inzake

[verzoekster]

tegen

De Staat der Nederlanden

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Inzet is de vraag of de betrokkene onder de werking van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Verdrag van 25 november 1975, Trb. 1975, 132) (TOS), zoals gewijzigd bij Protocol van 14 november 1994, Trb. 1994, 280, de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen en de Nederlandse nationaliteit heeft verloren.

2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan, treft men aan in r.o. 2.1 t/m 2.4 en 6.1 van de beschikking van de rechtbank. Zij komen op het volgende neer.

(i) Thans verzoekster van cassatie, hierna: [verzoekster], is op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats] (Suriname) geboren. Bij geboorte verkreeg zij op grond van art. 1 onder a van de Wet op het Nederlanderschap en Ingezetenschap van 1892 de Nederlandse nationaliteit.

(ii) [Verzoekster] heeft zich op 24 februari 1975 vanuit Suriname in [woonplaats] gevestigd.

(iii) Ten tijde van het onafhankelijk worden van Suriname, op 25 november 1975, verbleef [verzoekster] in Nederland, waardoor zij de Nederlandse nationaliteit behield.

(iv) Op 24 april 1978 is [verzoekster] Suriname ingereisd. Op 28 juni 1978 is zij wegens vertrek naar Suriname uitgeschreven uit de pesoonsregistratie van de gemeente 's-Gravenhage. Op 29 februari 1980 heeft [verzoekster] zich laten inschrijven in het bevolkingsregister van Paramaribo-Combe.

(v) Aan [verzoekster] is driemaal een Surinaams paspoort verstrekt, laatstelijk op 8 juni 1998 met een geldigheidsduur van vijf jaar.

(vi) Op 7 december 2001 heeft [verzoekster] zich laten inschrijven in de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente 's-Gravenhage, komende uit Suriname.

3. Bij een op 12 september 2003 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft [verzoekster] de rechtbank verzocht op de voet van art. 17 RWN vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit.

4. Nadat thans verweerder in cassatie, hierna: de Staat, bij brief van 5 november 2003 zijn standpunt kenbaar had gemaakt, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 11 december 2003. De officier van justitie had bij brief van 17 november 2003 aangegeven hij niet bij de behandeling ter zitting aanwezig zal zijn.

5. Bij beschikking van 22 januari 2004 heeft de rechtbank het verzoek van [verzoekster] afgewezen. De rechtbank kwam tot de conclusie dat [verzoekster] geacht moet worden vóór 1 januari 1986 langer dan twee jaar woonplaats dan wel verblijf te hebben gehad in Suriname en dat zij derhalve op grond van art. 5 lid 2 TOS de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen en op grond van art. 2 lid 1 de Nederlandse nationaliteit heeft verloren (r.o. 6.9).

6. [Verzoekster] is tegen de beschikking van de rechtbank (tijdig) op de voet van art. 18 lid 2 RWN in cassatie gekomen met vier middelen. De Staat heeft een verweerschrift ingediend en daarbij geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

7. Het eerste middel stelt dat de conclusie van de officier van justitie ontbreekt.

8. Voor zover het middel wil betogen dat de rechtbank het voorschrift van art. 18 lid 1 RWN niet in acht heeft genomen, faalt het wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Art. 18 lid 1 RWN schrijft voor dat de rechtbank omtrent verzoeken als bedoeld in art. 17 RWN het openbaar ministerie hoort. Uit de bestreden beschikking blijkt dat de officier van justitie zich bij brief van 17 november 2003 heeft uitgelaten. Daaruit valt op te maken dat de rechtbank de officier van justitie in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt naar voren te brengen en dat de rechtbank het openbaar ministerie in de zin van art. 18 lid 1 RWN heeft gehoord.

9. Voor zover het middel wil betogen dat het horen van het openbaar ministerie als bedoeld in art. 18 lid 1 RWN aldus dient te worden begrepen dat het openbaar ministerie zijn oordeel omtrent de toewijsbaarheid van het verzoek dient kenbaar te maken en dat, indien - zoals in het onderhavige geval - de officier van justitie te kennen geeft dat er zijnerzijds geen behoefte bestaat om te concluderen (r.o. 5.1) en dat hij evenmin ter zitting aanwezig zal zijn (r.o. 1.3), het voorschrift van art. 18 lid 1 RWN niet is nageleefd, berust het middel op een onjuiste rechtsopvatting. Blijkens de wetsgeschiedenis strekt het voorschrift van art. 18 lid 1 RWN ertoe dat het openbaar ministerie de mogelijkheid dient te worden geboden zich uit te laten omtrent het verzoek, doch niet dat het openbaar ministerie verplicht is een standpunt kenbaar te maken over de toewijsbaarheid van het verzoek. Zie Kamerstukken II 1982-1983, 16 947 (R 1181), nr. 7, blz. 33 (onderstreping toegevoegd, A-G):

"De tussenkomst van het openbaar ministerie is dwingend voorgeschreven. Daardoor is verzekerd dat - zo nodig - het oordeel van de administratie tot gelding kan komen."

Het eerste middel faalt derhalve.

10. Het tweede middel klaagt erover dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom zij de zaak niet heeft aangehouden en waarom zij geen getuigenverhoor heeft gelast. In dit verband voert het middel een aantal omstandigheden aan die zouden nopen tot aanhouding dan wel getuigenverhoor.

11. De klacht dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom zij de zaak niet heeft aangehouden, kan niet tot cassatie leiden. De beslissing om de behandeling een zaak al dan niet aan te houden staat ter vrije beoordeling van de rechtbank en behoeft door de rechtbank niet te worden gemotiveerd.

12. De klacht dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom zij geen getuigenverhoor heeft gelast, kan evenmin doel treffen.

13. Voor zover deze klacht betrekking heeft op het passeren door de rechtbank van het aanbod van [verzoekster] tot getuigenbewijs met betrekking tot haar verblijf op de Nederlandse Antillen (zie proces-verbaal van de terechtzitting van 11 december 2003, blz. 2), mist de klacht feitelijke grondslag. In r.o. 6.4 heeft de rechtbank met redenen omkleed aangegeven waarom dit bewijsaanbod naar haar oordeel niet relevant is. Voor het overige faalt de klacht, omdat uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [verzoekster] op enig ander punt getuigenbewijs heeft aangeboden en de rechter niet gehouden is te motiveren waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ambtshalve getuigenverhoor te bevelen. Zie o.m. HR 17 november 1978, NJ 1980, 484 nt. BW en HR 20 mei 1988, NJ 1988, 780.

14. Het derde middel klaagt erover dat de beschikking van de rechtbank niet gedragen wordt door de feiten als vermeld in het proces-verbaal van het ter zitting verhandelde. Het middel heeft daarbij het oog op de overweging van de rechtbank dat [verzoekster] desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat zij wel degelijk op de hoogte was van het feit dat het verkrijgen van een Surinaams paspoort impliceert dat zij in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit (r.o. 6.6), alsmede op de overweging dat [verzoekster] niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat zij in de periode van 24 april 1980 tot 7 december 2001 op enige wijze blijk heeft gegeven van enige onvrede over het bezit van de Surinaamse nationaliteit en evenmin dat zij in die periode actieve handelingen heeft verricht tot behoud van de Nederlandse nationaliteit (r.o. 6.8).

15. Het middel is tevergeefs voorgesteld. Nog daargelaten dat de rechter bij de vaststelling in zijn uitspraak van het ter zitting behandelde niet aan de inhoud van het proces-verbaal is gebonden, zodat een verschil tussen de inhoud van het proces-verbaal en de overweging van de rechter waarop de beslissing steunt, deze laatste niet zonder meer onbegrijpelijk maakt (zie o.m. HR 30 maart 1979, NJ 1979, 510 en HR 16 april 2004, NJ 2004, 425), mist de klacht dat de beschikking van de rechtbank niet gedragen wordt door de feiten als vermeld in het proces-verbaal van het ter zitting verhandelde, feitelijke grondslag. Wat de overweging in r.o. 6.6 betreft, blijkt uit het proces-verbaal dat [verzoekster] ter zitting heeft verklaard "dat zij (...) op de hoogte was van het feit dat deze paspoorten vermelden dat zij in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit" (proces-verbaal van de terechtzitting van 11 december 2003, blz. 2). Met deze verklaring is de bedoelde overweging van de rechtbank niet in tegenspraak. Wat de overweging in r.o. 6.8 betreft, is in het proces-verbaal van de terechtzitting niets gerelateerd, zodat van een discrepantie tussen de overweging en de feiten als vermeld in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting geen sprake is.

16. Het vierde middel verwijt de rechtbank in drie opzichten het recht verkeerd te hebben toegepast.

17. In de eerste plaats heeft de rechtbank volgens het middel het recht verkeerd toegepast doordat zij ervan is uitgegaan dat het paspoort uitsluitsel geeft over de vraag welke nationaliteit betrokkene heeft.

18. De klacht berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking en faalt derhalve reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft haar oordeel dat [verzoekster] de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen en de Nederlandse heeft verloren, niet gegrond op het gegeven dat aan [verzoekster] (tot drie keer toe) een Surinaams paspoort is verstrekt, maar op grond van de overweging dat [verzoekster] geacht moet worden vóór 1 januari 1986 langer dan twee jaar woonplaats dan wel verblijf te hebben gehad in Suriname, zodat zij ingevolge het bepaalde in art. 5 lid 2 TOS de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen en ingevolge art. 2 lid 1 de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. Het gegeven dat aan [verzoekster] (tot drie keer toe) een Surinaams paspoort is verstrekt, vormt voor de rechtbank slechts een aanwijzing dat [verzoekster] zich bewust moet zijn geweest van het feit dat zij de Surinaamse nationaliteit had verkregen (r.o. 6.6), dat zij ook kennelijk de wil had om deze nationaliteit te bezitten (r.o. 6.6), dat de Surinaamse autoriteiten haar als Surinaamse erkennen (r.o. 6.7), en dat zij niet actief het behoud van de Nederlandse nationaliteit heeft nagestreefd (r.o. 6.8).

19. In de tweede plaats heeft de rechtbank volgens het middel het recht verkeerd toegepast doordat zij het begrip woonplaats c.q. verblijf in de zin van de TOS verkeerd heeft uitgelegd.

20. De klacht is ongegrond. In HR 19 februari 1982, NJ 1983, 193 nt. AHJS is met betrekking tot de begrip woonplaats en werkelijk verblijf als bedoeld is art. 5 lid 2 TOS beslist dat de conclusie dat een persoon zijn woonplaats elders heeft opgegeven en deze heeft gevestigd in Suriname, dan wel aldaar zijn werkelijk verblijf heeft, alleen dan is gerechtvaardigd indien aan de wil van de betrokkene zijn tevoren bestaande woonplaats prijs te geven, in redelijkheid niet kan worden getwijfeld. Zie ook HR 1 juli 1983, NJ 1984, 229 en HR 2 maart 2001, NJ 2001, 462. Het ligt voor de hand dat deze maatstaf ook heeft te gelden in het geval, waarin de vraag aan de orde is of de betrokkene zijn woonplaats in Suriname heeft opgegeven en deze elders heeft gevestigd.

21. In het onderhavige geval heeft de rechtbank in r.o. 6.4 - onbestreden in cassatie - tot uitgangspunt genomen dat [verzoekster] op 24 april 1978 Suriname was ingereisd, dat zij haar woonplaats in Nederland had opgegeven en deze in Suriname had gevestigd. De vraag of [verzoekster] haar woonplaats in Suriname vervolgens heeft opgegeven en deze op Curaçao heeft gevestigd, doordat zij - naar eigen zeggen - in de periodes van 3 juli 1978 tot 1 februari 1980, van 23 juli 1981 tot 4 maart 1982 en van 15 december 1982 tot 2 maart 1984 op Curaçao verbleef, heeft de rechtbank in ontkennende zin beantwoord. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [verzoekster] kennelijk gedurende de door bedoelde periodes niet de bedoeling had om zich daadwerkelijk (tijdelijk) op Curaçao te vestigen en dat het enkele feit dat [verzoekster] enige tijd op Curaçao heeft verbleven niet tot de conclusie kan leiden dat Curaçao haar daadwerkelijke woonplaats was. Deze overwegingen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting: de rechtbank heeft klaarblijkelijk beslissend geoordeeld of (in redelijkheid er niet aan kan worden getwijfeld dat) [verzoekster] de wil had om haar tevoren bestaande woonplaats in Suriname prijs te geven en heeft aldus oordelende de juiste maatstaf toegepast.

22. In de derde plaats heeft de rechtbank volgens het middel het recht verkeerd toegepast doordat, naar ik begrijp, de rechtbank bij haar beslissing ten onrechte betekenis heeft toegekend aan een besluit van de Surinaamse Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 30 maart 1981 waarbij is bepaald dat [verzoekster] sedert 24 april 1980 Surinaams onderdaan is. Dit besluit zou volgens het middel naar Surinaams recht elke rechtskracht ontberen.

23. De klacht is tevergeefs aangevoerd. Nog daargelaten dat het oordeel van de rechtbank dat [verzoekster] de Surinaamse nationaliteit bezit, berust op de - in cassatie tevergeefs bestreden - overweging dat [verzoekster] onder de werking van art. 5 lid 2 TOS de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen, welke grond het oordeel van de rechtbank zelfstandig kan dragen, stuit de klacht af op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. De bepaling brengt mee dat de vaststelling van de inhoud en strekking van vreemd recht is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en dat de juistheid van diens oordeel dienaangaande in cassatie niet kan worden getoetst. De bepaling maakt daarbij - anders dan het middel kennelijk wil betogen - geen onderscheid tussen gevallen waarin de rechter vreemd recht heeft toe te passen op grond van een Nederland bindend verdrag en gevallen waarin de rechter op grond van nationaal recht gehouden is vreemd recht toe te passen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,