Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR7932

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-03-2005
Datum publicatie
11-03-2005
Zaaknummer
R04/052HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR7932
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

11 maart 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/052HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. Groen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wet op de rechterlijke organisatie 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 146
JWB 2005/103
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R04/052HR

mr. Keus

Parket, 17 december 2004

Conclusie inzake:

[verzoeker]

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] terecht is beëindigd wegens het tekortschieten van [verzoeker] in zijn verplichting aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling mee te werken.

1.2 Bij vonnis van 10 september 2001 heeft de rechtbank Amsterdam de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] uitgesproken.

1.3 Op 20 augustus 2003 heeft de rechter-commissaris een voordracht gedaan, strekkende tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 onder c en d Faillissementswet (Fw). De gronden voor de voordracht waren dat [verzoeker] niet had voldaan aan zijn inlichtingenplicht, dat hij een achterstand had in de boedelafdracht en dat hij nieuwe schulden had gemaakt bij de Gemeentelijke Sociale Dienst (hierna: GSD), bij Intrum Justitia en bij zijn podotherapeute.

1.4 De rechter-commissaris heeft in haar voordracht het volgende opgemerkt:

"[Verzoeker] heeft psychische problemen (depressies). Hij heeft in januari 2003 de behandeling bij de Riagg gestaakt en zal zijn behandeling weer aanvangen met ingang van deze maand. Ik verzoek de rechtbank in het eventueel te wijzen beëindigingsvonnis een overweging op te nemen dat het feit dat [verzoeker] niet aan zijn verplichtingen van de schuldsaneringsregeling voldoet niet zozeer te wijten is aan onwil van zijn kant, maar veeleer aan (hopelijk tijdelijke) onmacht, welke veroorzaakt wordt door zijn psychische problemen. Een dergelijke overweging zou wellicht kunnen voorkomen dat [verzoeker] bij een toekomstige tweede aanvraag om tot de wsnp te worden toegelaten de afwijzingsgrond van artikel 288, tweede lid onder a van de Faillissementswet krijgt tegengeworpen."

1.5 De rechtbank heeft de voordracht behandeld op 7 oktober 2003, 7 januari 2004, 28 januari 2004 en 25 februari 2004 (pro forma). Bij vonnis van 3 maart 2004 heeft de rechtbank vervolgens de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd en mr. Schouten te Amsterdam tot curator in het faillissement van [verzoeker] benoemd. De rechtbank heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Volgens de rechtbank is onvoldoende duidelijk dat de nieuwe schuld aan de GSD van € 1.723,77 door [verzoeker] is voldaan en heeft [verzoeker] niet kunnen aantonen hoe deze nieuwe schuld tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling kan worden ingelopen.

1.6 [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Zijn appelschrift is op 2 april 2004 in raadkamer behandeld. Bij arrest van 9 april 2004 heeft het hof de uitspraak waarvan beroep bekrachtigd.

1.7 [Verzoeker] heeft tijdig(1) beroep in cassatie van dit arrest ingesteld. Er is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel richt zich tegen rov. 2.4-2.8 van het bestreden arrest. Ik citeer de rov. 2.5-2.7:

"2.5 In hoger beroep is ten aanzien van de nieuwe schuld bij de Sociale Dienst (GSD) ad € 1723,77 het volgende gebleken.

Gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling - die op 10 september 2001 door de rechtbank Amsterdam is uitgesproken - heeft [verzoeker] maandelijks een bijstandsuitkering ontvangen. [Verzoeker] heeft in de periode van 8 april tot 8 augustus 2002 betaalde arbeid verricht bij Detamo B.V.. De GSD heeft om die reden een bedrag van € 1723,77 terzake ten onrechte betaalde bijstand teruggevorderd.

[Verzoeker] voert ten eerste hiertegen aan dat hij deze baan via de megabanenmarkt heeft gekregen en dat hij aan zijn toenmalige coach van de GSD heeft doorgegeven dat hij betaalde arbeid ging verrichten. Hij betwist dat hij de formulieren die de Sociale Dienst periodiek aan elke uitkeringsgerechtigde stuurt onjuist heeft ingevuld. Ten tweede voert [verzoeker] aan dat hij wegens een huurschuld dreigde ontruimd te worden. De verhuurder zou niet ontruimen als de huurschuld vóór 20 september 2001 zou zijn betaald. [Verzoeker] heeft toen het verschuldigde bedrag geleend en zijn verhuurder betaald. Afspraak bij de lening was dat [verzoeker] deze zo spoedig mogelijk zou terugbetalen. De inkomsten uit arbeid heeft [verzoeker] in dat kader aangewend.

Via de derdenrekening van de raadsman van [verzoeker] is er inmiddels een bedrag van € 660,- gestort ter aflossing van deze (nieuwe) schuld aan de GSD. [Verzoeker] stelt daarmee aan zijn verplichtingen voldaan te hebben omdat de GSD eerder (wegens een oude GSD-schuld) een bedrag ter grootte van het restant van de nieuwe schuld ten onrechte gedurende de schuldsanering op zijn uitkering heeft ingehouden.

2.6 Ten aanzien van de schuld aan de boedel is uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep aan de orde kwam het volgende gebleken.

Tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling is er een achterstand in de afdracht van het salaris van de bewindvoerder van in totaal € 739,02 over 2002 en 2003 ontstaan. Thans is deze schuld ingelopen tot een bedrag van € 154,94. De achterstand in de afdracht aan de boedel bedraagt thans € 1253,16,-.

2.7 Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [verzoeker] ernstig en verwijtbaar te kort is geschoten in zijn verplichting mee te werken aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Wat er ook zij van de (restant) schuld aan de GSD, [verzoeker] heeft in ieder geval verzuimd om alle inkomsten boven het vrij te laten bedrag aan de boedel af te dragen. Hij had zich bovendien moeten realiseren dat het genereren van inkomsten uit betaald werk naast het genieten van een bijstanduitkering tot een terugvorderingsactie van de GSD zou leiden."

2.2 Anders dan het middel als uitgangspunt kiest, meen ik dat de zinsnede "naar behoren" in art. 350 lid 3 onder c Fw niet impliceert dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts zou kunnen worden beëindigd indien de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij zijn verplichtingen niet nakomt. Aan de parlementaire geschiedenis valt een dergelijke uitleg mijns inziens niet te ontlenen(2). De omstandigheid dat het tekortschieten aan de schuldenaar niet valt te verwijten, kan van belang zijn bij de afweging die de rechter maakt, nu de rechter bij de toepassing van de beëindigingsgronden van art. 350 lid 3 Fw een discretionaire bevoegdheid heeft(3), maar die afweging hoeft niet in het voordeel van de schuldenaar uit te vallen.

2.3 Voor zover het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat [verzoeker] ernstig en verwijtbaar in zijn verplichtingen is tekortgeschoten, innerlijk tegenstrijdig is met de door de rechter-commissaris in haar voordracht gemaakte opmerking over de psychische problemen van [verzoeker], kan het niet tot cassatie leiden. Tegenstrijdigheid van het oordeel van het hof met de opmerking van de rechter-commissaris maakt het oordeel van het hof immers nog niet innerlijk tegenstrijdig.

2.4 Voor zover het middel klaagt dat het hof in het bestreden arrest niet op de opmerking van de rechter-commissaris over de psychische problemen van [verzoeker] is ingegaan, faalt het naar mijn mening evenzeer. Het middel klaagt niet dat het hof geen gevolg heeft gegeven aan de suggestie van de rechter-commissaris om in de uitspraak op te nemen dat het tekortschieten van [verzoeker] niet zozeer is te wijten aan onwil, maar veeleer aan onmacht, veroorzaakt door psychische problemen. Het middel beoogt kennelijk te klagen dat het hof, gezien de opmerking van de rechter-commissaris, had moeten motiveren waarom de psychische problemen van [verzoeker] niet aan beëindiging van toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg stonden. Een dergelijke eis kan echter niet worden gesteld. Ook de rechter-commissaris, die haar suggestie deed in een tot beëindiging van toepassing van de schuldsaneringsregeling strekkende voordracht, was immers niet van oordeel dat de psychische problemen van [verzoeker] aan beëindiging van toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg stonden. Voorts is [verzoeker] noch de bewindvoerder in de loop van het geding op de suggestie van de rechter-commissaris ingegaan, laat staan dat [verzoeker] zou hebben gesteld dat zijn psychische problemen aan tussentijdse beëindiging van toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zouden staan(4). Onder die omstandigheden behoefde het hof niet te motiveren waarom het ondanks de door de rechter-commissaris bedoelde psychische problemen van [verzoeker] het vonnis van de rechtbank bekrachtigde.

2.5 De volgende klacht van [verzoeker], zoals ik deze begrijp, luidt dat het onbegrijpelijk is dat het hof(5) niet heeft onderzocht of het juist is dat [verzoeker] aan zijn coach van de GSD heeft gemeld dat hij een baan had gevonden en dat hij de formulieren van de GSD niet verkeerd heeft ingevuld. Ik meen dat deze klacht niet tot cassatie kan leiden, omdat het hof zijn oordeel dat [verzoeker] ernstig en verwijtbaar is tekortgeschoten nu juist níet erop heeft gebaseerd dat hij deze baan voor de GSD verborgen zou hebben gehouden. Het hof heeft immers geoordeeld (rov. 2.7, cursivering LK):

"(...) Wat er ook zij van de (restant) schuld aan de GSD, [verzoeker] heeft in ieder geval verzuimd om alle inkomsten boven het vrij te laten bedrag aan de boedel af te dragen. Hij had zich bovendien moeten realiseren dat het genereren van inkomsten uit betaald werk naast het genieten van een bijstanduitkering tot een terugvorderingsactie van de GSD zou leiden."

2.6 Verder klaagt [verzoeker] dat niet begrijpelijk is dat in zijn geval sprake zou zijn van bovenmatige schulden, nu sprake is van bedragen die in ieder geval de € 2.000,- niet te boven gaan. Naar mijn mening faalt deze klacht, reeds omdat zij er ten onrechte van uitgaat dat het hof de uitspraak van de rechtbank dat de schuldsaneringsregeling diende te worden beëindigd, heeft bekrachtigd op de grond van art. 350 lid 3 onder d Fw ("indien de schuldenaar bovenmatige schulden doet of laat ontstaan"). Het hof heeft aan zijn oordeel slechts art. 350 lid 3 onder c Fw ("de schuldenaar een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt") ten grondslag gelegd.

2.7 Ten slotte klaagt [verzoeker] dat hij de redenering van het hof in rov. 2.6 niet kan volgen. Nu de achterstand in de afdracht van het salaris aan de bewindvoerder tot € 154,94, dus praktisch tot nul, is teruggebracht, is volgens [verzoeker] onbegrijpelijk hoe de achterstand in de afdracht aan de boedel toch nog € 1.253,16 kan bedragen, zodat het oordeel van het hof op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

Ik meen dat ook deze klacht niet tot cassatie kan leiden. Hoewel het oordeel van het hof summier is gemotiveerd, is het naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op de stukken en op hetgeen ter zitting in hoger beroep aan de orde kwam, zo blijkt uit rov. 2.6, eerste volzin.

Aan de stukken ontleen ik het volgende. Bij de behandeling in eerste aanleg van 28 januari 2004 heeft mr. Van den Boogert (de raadsman van [verzoeker]) verklaard:

"(...) Met betrekking tot het inlopen van de boedelachterstand van € 2.093,07 kan ik u het volgende meedelen. Er is nog steeds geen beslissing genomen op de aanvraag bijzondere bijstand voor het salaris van de bewindvoerder. Ik ga er van uit dat positief wordt beslist en dat het salaris van de bewindvoerder door de Sociale Dienst wordt betaald. Alsdan zal een bedrag van € 539,78 op de boedelrekening worden gestort. [verzoeker] heeft de Sociale Dienst verzocht zijn vakantiegeld vervroegd uit te betalen. Dit gaat om een bedrag van € 299,=. De derde die indertijd de ontruiming heeft voorkomen was opnieuw bereid een bedrag van € 839,91 te betalen en heeft dit bedrag gisteren naar de boedelrekening overgemaakt. Alsdan resteert nog te betalen door [verzoeker] een bedrag van circa € 400,=. De Sociale Dienst dient [verzoeker] de kosten van Financial Services (tien maanden à € 34,= per maand) te retourneren. Alsdan is de boedelachterstand nagenoeg ingelopen."

Bij brief van 24 februari 2004 heeft Van Rossen, de bewindvoerder, aan de rechtbank bericht:

"(...) Het bedrag ad € 839,91, als genoemd in het proces-verbaal, heb ik waargenomen op de boedelrekening. Dit bedrag is op 29 januari 2004 op de boedelrekening gestort, waardoor de totale achterstand aan de boedel tot en met januari 2004 thans - € 1263,16 bedraagt."

Tijdens de behandeling in hoger beroep op 2 april 2004 heeft de bewindvoerder verklaard: "U vraagt mij naar de stand van zaken met betrekking tot de boedelrekening. De achterstand bedraagt € 1253,-."(6) en: "Er is een achterstand in de afdracht van het salaris van de bewindvoerder over 2002 en 2003 ontstaan van in totaal € 739,02. Thans is deze schuld ingelopen tot een bedrag van € 154,94. De achterstand in de afdracht aan de boedel bedraagt thans € 1253,16."(7). Uit het proces-verbaal blijkt niet dat [verzoeker] of zijn advocaat deze informatie van de bewindvoerder hebben betwist. In het licht daarvan is het niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 2.6 heeft vastgesteld dat de achterstand in de afdracht van het salaris aan de bewindvoerder tot een bedrag van € 154,94 is ingelopen en dat de achterstand in de afdracht aan de boedel € 1.253,16 bedraagt.

Overigens teken ik nog aan dat een eventuele achterstand in de afdracht van (voorschotten(8) op) het salaris van de bewindvoerder niet noodzakelijkerwijs een gelijke achterstand in de afdracht aan de boedel impliceert. Tussen beide bestaat slechts in zoverre een verband dat het salaris van de bewindvoerder een schuld is van de boedel en daaruit bij voorrang wordt voldaan (art. 320 lid 7 Fw), terwijl de boedel mede wordt "gevoed" met de goederen en inkomsten die de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling verkrijgt (art. 295 leden 1 en 2 Fw) en die hij aan de boedel dient af te dragen. Als de schuldenaar met die afdracht in gebreke blijft, kan dat ertoe leiden dat de boedel onvoldoende middelen omvat voor betaling van (voorschotten op) het salaris van de bewindvoerder. Omgekeerd zal, in geval van een achterstand in de afdracht van (voorschotten op) het salaris van de bewindvoerder, de achterstand in de afdracht aan de boedel zich geenszins tot het bedrag van die eerste achterstand behoeven te beperken.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Het bestreden arrest dateert van 9 april 2004, terwijl het cassatierekest op (maandag) 19 april 2004 bij de Hoge Raad is ingekomen (art. 351 lid 2 jo art. 342 lid 3 Fw jo art. 1 lid 1 Algemene termijnenwet).

2 De memorie van toelichting is ten aanzien van art. 350 lid 3 onder c uiterst summier. Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 64: "De gronden voor beëindiging die zijn opgenomen in het derde lid, onder c, d en e, kunnen worden beschouwd als stok achter de deur voor de schuldenaar." Zie voorts de nota naar aanleiding van het eindverslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 22 969, nr. 10, p. 9: "Het geven van inlichtingen en het melden van relevante wijzigingen in betalingsverplichtingen en dergelijke, behoren tot de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van de schuldenaar. Het niet nakomen daarvan kan eventueel grond opleveren voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (vergelijk artikel 350, tweede lid, onder c)." Ten slotte komt art. 350 lid 3 onder c nog aan de orde in de nadere memorie van antwoord, Eerste Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 22 969 en 23 429, nr. 297, p. 8, zonder dat dit overigens een ander licht op de aan de orde zijnde rechtsvraag werpt.

3 Zie Polak-Wessels, Insolventierecht IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (1999), par. 9367.

4 In het appelschrift onder 11 heeft [verzoeker] weliswaar verwezen naar zijn verleden als psychiatrisch patiënt, doch slechts in het kader van het betoog dat het voor hem moeilijk is om werk te vinden. Volgens het proces-verbaal van de behandeling in appel op 2 april 2004, p. 3, heeft [verzoeker] verklaard: "U houdt mij voor dat de schuldsaneringsregeling tevens voor beëindiging is voorgedragen omdat ik de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet ben nagekomen. Ik kan hier over zeggen dat ik door ernstige psychische klachten de afgelopen tijd zware medicijnen heb moeten slikken die slecht werkten. Sinds vorig jaar gaat het veel beter met mijn psychische gezondheid, toen ben ik ook goedgekeurd om weer aan het werk te gaan door de Sociale Dienst. (...)". Ook deze opmerkingen behoefde het hof naar mijn mening niet aldus op te vatten dat [verzoeker] zich erop beriep dat zijn tekortschieten hem niet was te verwijten.

5 Het middel spreekt van de rechtbank, maar bedoelt kennelijk het hof.

6 Proces-verbaal, p. 2.

7 Proces-verbaal, p. 3.

8 In haar vonnis van 10 september 2001, houdende haar uitspraak van de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling, heeft de rechtbank voor de duur van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 320 lid 2 Fw een voorschot op het salaris van de bewindvoerder van ƒ 54,- per maand, in voorkomend geval te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzetbelasting, toegekend. Voorts heeft de rechtbank daarbij bepaald dat het voorschot op dit salaris telkens per maand uit de boedel kan worden opgenomen.