Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2005:AR7619

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2005
Datum publicatie
05-04-2005
Zaaknummer
01649/04 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AR7619
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Daderschap van een rechtspersoon. De verbodsbepaling van art. 3 Regeling technische maatregelen 2000 inzake het aanbrengen van voorzieningen aan netten die de mazen in enig deel van het net kunnen versperren of de feitelijke afmetingen daarvan kunnen verkleinen, richt zich tot een ieder. Ex art. 51 Sr kan de overtreding van dat verbod worden begaan door zowel natuurlijke personen als rechtspersonen, zoals verdachte. Verdachte kan als medepleger van die overtreding worden aangemerkt indien het feit aan haar, als medepleger, redelijkerwijze kan worden toegerekend. ’s Hofs oordeel dat het feit aan verdachte kan worden toegerekend in voormelde zin, is onjuist noch onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat (i) het uitoefenen van de zeevisserij tot de normale bedrijfsvoering van verdachte behoort en dat in dat kader anderen, bemanningsleden, ingevolge de tussen hen en verdachte bestaande rechtsverhouding m.b.v. de viskotter van verdachte en mede t.b.v. verdachte de zeevisserij (feitelijk) hebben beoefend, en (ii) op de in de bewezenverklaring genoemde dag verscheidene bemanningsleden de netten visklaar hebben gemaakt, waarbij touwtjes zijn aangebracht, alvorens de schipper heeft bevolen de netten in het water te laten zakken, welke werkwijze al gedurende de hele reis werd toegepast en welke – verboden – wijze van vissen mede de verdachte dienstig is geweest, nu het hof aannemelijk heeft geacht dat daardoor meer vis kan worden gevangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01649/04 E

Mr. Vellinga

Zitting: 7 december 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens het medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 3a, eerste lid, van de Visserijwet 1963, begaan door een rechtspersoon, tweemaal gepleegd, veroordeeld tot twee geldboetes van elk € 9000,--.

2. Namens verdachte heeft mr. ing. J.A. Hoekstra, advocaat te Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. De onderhavige zaak betreft het vissen met netten waarvan de maaswijdte aan boord van het visserschip door op zee door de bemanning aangebrachte touwen kleiner is gemaakt dan is toegestaan, de zgn. "touwtjesmethode".

4. Het eerste middel houdt in dat het Hof verdachtes beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

5. Het Hof heeft het bedoeld beroep op niet-ontvankelijkheid als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat in zaken met betrekking tot de overtredingen ter zake het vissen met "touwtjes", zoals thans telastegelegd, het openbaar ministerie het beleid hanteert, dat voor die specifieke overtreding alleen de schipper van het vaartuig aan boord waarvan de overtreding heeft plaatsgehad wordt vervolgd en dat, nu de rederij/eigenaar wordt vervolgd, het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging (zie ter nadere adstructie de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota).

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Vooropgesteld zij dat aan het openbaar ministerie wettelijk de keuze toekomt om naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek al dan niet tot vervolging van een verdachte over te gaan. De wijze waarop van deze beleidsvrijheid gebruik wordt gemaakt is in beginsel niet ter beoordeling van de strafrechter, tenzij in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde wordt gehandeld, waaronder het gelijkheidsbeginsel.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting te kennen gegeven dat er bij het openbaar ministerie geen sprake is van een beleid om in zaken betreffende het vissen met voorzieningen die de maaswijdte van de netten kunnen versperren of verkleinen de schipper van het vaartuig aan boord waarvan de overtreding heeft plaatsgehad te vervolgen, en niet de rederij of de eigenaar.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie in de zaken als de onderhavige overeenkomstig een bepaald beleid zijn vervolgingsbeslissingen neemt. Er is geen sprake van een richtlijn of anderszins gepubliceerd beleid en ook de facto is van een dergelijk beleid niet gebleken.

Nu er geen sprake is van een vervolgingsbeleid, kan het betoog van de raadsman dat in het onderhavige geval is afgeweken van dit beleid niet slagen.

Er is niet aangevoerd, noch anderszins is aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie door verdachte te vervolgen willekeurig heeft gehandeld of het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

Het openbaar ministerie heeft derhalve in het onderhavige geval in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing kunnen komen.

Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging wordt derhalve verworpen.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, daar verdachte niet als functionele dader kan worden aangemerkt (zie ter nadere adstructie de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota), overweegt het hof dat, nu het door de raadsman betoogde nimmer kan leiden tot een geslaagd beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging, het verweer reeds op die grond wordt verworpen."

6. Volgens de toelichting op het middel heeft de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van het Hof niet met zekerheid kunnen stellen noch bevestigen dat het Openbaar Ministerie een beleid ter zake van de vervolging hanteert. Daarmee, aldus de toelichting op het middel, "geeft het Openbaar Ministerie zonder enige twijfel aan dat zij het beginsel volgt dat de schipper verantwoordelijk is voor deze specifieke daad en in casu het bekennende bemanningslid heeft vervolgd." Kennelijk doelt de toelichting op het middel hier op hetgeen de Advocaat-Generaal volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof bij repliek naar voren heeft gebracht, voor zover luidende:

"Volgens mij is geen sprake van een beleid van het openbaar ministerie, zoals thans door de raadsman wordt geschetst. Ik ben van mening dat het openbaar ministerie in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om de besloten vennootschap te vervolgen. Kijkend naar het zich in het dossier bevindende proces-verbaal, dan lijkt het alsof de schipper van het bevestigen van touwtjes niets afwist en dat het een eenmansactie was van [getuige 1]. Een vervolging van de schipper ligt dan niet voor de hand."

7. Anders dan het middel wil heeft het Hof uit de uitlatingen van de Advocaat-Generaal, zoals het kennelijk heeft gedaan, kunnen afleiden dat niet aannemelijk is dat het Openbaar Ministerie bij de vervolging van delicten als de onderhavige een bepaald beleid voert, en dan wel in die zin dat ter zake van die delicten de schipper wordt vervolgd en de reder/eigenaar niet. De omstandigheid dat verdachtes raadsman ter terechtzitting een zestal gevallen heeft genoemd waarin steeds de schipper zou zijn vervolgd behoefde het Hof niet van zijn oordeel te weerhouden. Deze omstandigheid sluit immers niet uit dat het Openbaar Ministerie in andere zaken wel de reder/eigenaar heeft vervolgd. Voor het overige leent het oordeel van het Hof zich wegens zijn feitelijke aard niet voor verdere toetsing in cassatie.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel klaagt dat het Hof het verzoek tot het horen van de schipper [betrokkene 1] als getuige ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft afgewezen.

10. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft verdachtes raadsman het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] bij gelegenheid van het pleidooi als volgt gedaan en toegelicht:

"De verdediging is een beetje overvallen door de hier verschenen getuige [getuige 1].

De vraag rijst wat we met de eventuele getuige [betrokkene 1] willen. De verdediging wenst de mogelijkheid te hebben om deze getuige te horen. Als ik wist dat de advocaat-generaal de getuige [getuige 1] had opgeroepen, dan had ik de getuige [betrokkene 1] wel meegenomen."

Bij repliek heeft de raadsman daar nog aan toegevoegd:

"De getuige [getuige 1] was niet zo duidelijk in zijn verklaring. Laten we het er maar op houden dat hij geen opdracht van de schipper heeft gehad. Ik snap niet waarom de advocaat-generaal alleen de getuige [getuige 1] heeft opgeroepen en niet de schipper."

Het Hof heeft te dien aanzien overwogen:

"Het hof wijst het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] af, aangezien zodanig verhoor door het hof niet noodzakelijk wordt geacht."

11. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat - anders dan het middel wil - geen sprake is van een verzoek als bedoeld in art. 263 Sv omdat het hier gaat om een (pas) ter terechtzitting gedaan verzoek tot het horen van de getuige. Dit betekent dat het Hof bij de beoordeling van het verzoek de maatstaf diende aan te leggen of het horen van de getuige noodzakelijk is (art. 315 Sv). Door te overwegen dat het horen van de getuige [betrokkene 1] niet noodzakelijk wordt geacht heeft het Hof dus de juiste maatstaf aangelegd.

12. In het licht van de summiere toelichting op het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1], die immers alleen bestaat in de door de raadsman onduidelijk bevonden verklaring van de getuige [getuige 1] voor wat betreft de vraag of de schipper opdracht had gegeven voor het vissen volgens de "touwtjes-methode", behoefde het oordeel van het Hof dat het getuigenverhoor niet noodzakelijk is, geen nadere motivering en is het niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing van dit feitelijk oordeel is in cassatie geen plaats.

13. In de toelichting op het middel geeft de steller van het middel alsnog een uitgebreide toelichting op genoemd verzoek. Omdat deze toelichting pas is gegeven nadat het Hof zijn oordeel op het verzoek heeft gegeven moet aan deze achteraf gegeven toelichting in cassatie voorbij worden gegaan.

14. Het middel faalt.

15. Het derde middel klaagt over onjuiste uitleg van functioneel daderschap als omschreven in art. 51 Sr, en wel omdat het Hof voor de bepaling van dat daderschap een onjuiste maatstaf heeft gebezigd nu het- aldus het middel - immers gaat om de reële mogelijkheid voor de verdachte om de verboden handeling tegen te gaan.

16. Het vierde middel houdt in dat het Hof ten onrechte aannemelijk acht dat het aanbrengen van de touwtjes in de netten dienstig is geweest aan het door de verdachte uitgeoefende visserijbedrijf.

17. Het vijfde middel is gericht tegen de vaststelling van het Hof dat de opstapper [getuige 1] in dienst was van verdachte.

18. De middelen richten zich tegen hetgeen het Hof heeft overwogen over het daderschap van de verdachte en lenen zich aldus voor gezamenlijke behandeling.

19. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 12 maart 2002 op de Noordzee tezamen en in vereniging met anderen, met het vissersvaartuig [...] met sleepnetten heeft gevist, terwijl aan deze netten voorzieningen waren aangebracht die de mazen in enig deel van deze netten konden versperren en/of de feitelijke afmetingen daarvan konden verkleinen, immers waren toen aldaar in/aan de netten aan bakboordzijde van dat vaartuig en in/aan de netten aan de stuurboordzijde van dat vaartuig één of meer touwtjes bevestigd, zijnde voorzieningen die op grond van artikel 16 van de verordening nr. 850/98 niet waren toegestaan;"

20. Het Hof heeft voor het bewijs gebezigd de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de vertegenwoordigster van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 10 november 2003, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 12 maart 2002 heeft het vissersvaartuig [...] op de Noordzee gevist en heeft de bemanning touwtjes in de netten bevestigd. Normaliter wordt bij het ondertekenen van het maatschapscontract door een nieuw bemanningslid een brief aan hem voorgelezen, waarin staat dat hij zijn werk dient te verrichten conform de wettelijke bepalingen. Ik heb de opstapper [getuige 1] voor het begaan van de overtredingen van de Visserijwet 1963 nooit gesproken. Zoals gezegd heeft de besloten vennootschap een brief opgesteld, waarin staat dat men zich tijdens het werken aan de wettelijke bepalingen dient te houden. U vraagt mij of deze brief ook aan [getuige 1] is voorgelezen. [Getuige 1] was niet op de hoogte van deze brief.

2. De verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd ter terechtzitting van het hof van 10 november 2003, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

We waren op 12 maart 2002 met ongeveer vijf bemanningsleden, inclusief schipper, aan boord van het vissersvaartuig [...]. Het laten zakken van de netten in het water gebeurt in samenwerking. Met zo'n drie à vier man hebben we de netten schipklaar gemaakt. Daarna heeft de schipper de netten in het water laten zakken. U vraagt mij of ik touwtjes in de netten heb bevestigd, alvorens de netten door de schipper in het water werden gelaten.

Ik heb op 12 maart 2002 inderdaad de touwtjes in de netten bevestigd. Ik heb hiertoe van de schipper de opdracht gekregen. Deze opdracht is aan alle bemanningsleden gegeven. We hebben dus met drie à vier bemanningsleden de touwtjes in de netten bevestigd. Door het aanbrengen van de touwtjes in de netten kan er meer vis gevangen worden. Het bevestigen van de touwtjes in de netten gebeurde al de gehele reis. Dit had mede te maken met de weersomstandigheden. Bij slecht weer ontsnappen er meer vissen uit de netten.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 6593, gesloten op 13 mei 2002 en opgemaakt door G. Detmers, P. Best en A.A. Stevens, allen ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, onder meer inhoudende als relaas van één of meer van genoemde opsporingsambtenaren -zakelijk weergegeven-:

Op dinsdag 12 maart 2002, omstreeks 05.45 uur, bevonden wij, verbalisanten, ons aan boord van het inspectievaartuig "Barend Biesheuvel", zijnde een kustwachtvaartuig, onder meer belast met het visserijtoezicht op de Noordzee. Via het Vessel Monitoring System (VMS) was het ons bekend geworden dat het Nederlandse vissersvaartuig, voorzien van het letterteken en nummer [...], vermoedelijk de zogenaamde boomkorvisserij aan het uitoefenen was.

Ter controle op de juiste naleving van de bij of krachtens de Visserijwet gestelde voorschriften, begaven wij - verbalisanten - ons op dinsdag 12 maart 2002, omstreeks 06.15 uur, aan boord van het vissersvaartuig [...]. Wij zagen dat bij dit vissersvaartuig vanaf de neergelaten gieken de vislijnen het water in liepen.

Bij aankomst op de brug ontmoette ik, verbalisant Dethmers, een persoon die, nadat ik mij in mijn functie aan hem had bekend gemaakt en hem het doel van onze komst had medegedeeld, zich voorstelde als [betrokkene 1], die week de schipper van het vissersvaartuig [...]. Aan de hand van de in de brug aanwezige apparatuur zag ik dat de [...] zich op de Noordzee bevond in de positie 53.39.8 N en 004.30.3 OL (Nederlands Continentaal Plat).

Op mijn, verbalisant Dethmers, verzoek aan voornoemde schipper om de aangeslagen netten aan boord te halen gaf hij gehoor. Tijdens de gehele procedure van het aan boord halen van de netten stond verbalisant Stevens aan bakboordzijde en verbalisant Best aan stuurboordzijde van het vissersvaartuig [...], teneinde het binnenhalen van de netten aan beide zijden goed te kunnen observeren.

Tijdens het "halen" - omstreeks 06.30 uur -van de netten bevond ik, verbalisant Stevens, mij aan bakboordzijde op een plaats waar ik een goed uitzicht had op het sleepnet dat aan deze zijde werd binnengehaald. Op het moment dat het net, met behulp van de haallijn boven water werd getrokken, zag ik dat aan het sleepnet, ter hoogte van de kuil, touwtjes waren bevestigd op een wijze dat deze de mazen in het net naar elkaar toe trokken. Ik zag dat voornoemde haallijn onder deze touwtjes was doorgehaald. Ik zag vervolgens, op het moment dat er meer kracht op de haallijn werd gezet, 3 (drie) touwtjes knakken. Ik hoorde deze touwtjes ook knappen. Hierna zag ik de eigenlijke (kuil; WHV) terugvallen in het water en zag dat deze zich ontplooide.

Tijdens het "halen" - omstreeks 06.30 uur - van de netten bevond ik, verbalisant Best, mij aan stuurboordzijde van het vissersvaartuig [...] op een plaats waar ik een zeer goed uitzicht had op het sleepnet dat aan deze zijde werd binnengehaald. Op het moment dat het net, met behulp van de haallijn, boven water werd getrokken zag ik dat aan het sleepnet, ter hoogte van de kuil, touwtjes waren bevestigd op een wijze dat deze de mazen in het net naar elkaar toe trokken. Ik zag dat voornoemde haallijn onder deze touwtjes was doorgehaald. Op het moment dat het net tegen de verschansing van het vissersvaartuig [...] was getrokken verzocht ik het bemanningslid die de lier bediende om het stuurboordnet binnen te halen, zijn activiteit te staken. Ik zag dat het net met drie (3) touwtjes naar elkaar toe was gebonden. Na deze vaststelling heb ik het net scheep laten halen. Direct daarop zag en hoorde ik deze touwtjes knappen. Hierna zag ik de eigenlijke kuil terugvallen in het water en zag dat deze zich ontplooide. Voorts zag ik dat de drie touwtjes verloren gingen.

Nadat de gevangen vis uit de kuilen was verwijderd hebben wij, verbalisanten Best en Stevens, op voorgeschreven wijze een netmaatcontrole uitgevoerd. Wij zagen dat de stuurboordskuil een gemiddelde maaswijdte had van 86,6 mm en de bakboordskuil een gemiddelde maaswijdte van 82,25 mm had.

Het is ons, verbalisanten, uit ervaring bekend dat vissers veelal gebruik maken van de in de praktijk als "touwtjes-methode" aangeduide systematiek. Deze systematiek wordt toegepast met het doel om de ontsnappingskans van vis, inclusief kleine dan wel ondermaatse vis, zoveel mogelijk te beletten dan wel te belemmeren."

21. Met betrekking tot het verweer van verdachtes raadsman dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als functioneel dader heeft het Hof overwogen:

"Het hof is van oordeel dat de in de telastelegging omschreven gedraging in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend en overweegt hieromtrent het volgende.

Op 12 maart 2002 is er op het vissersvaartuig [...] zowel aan bakboordzijde als aan stuurboordzijde met sleepnetten gevist, terwijl aan deze netten voorzieningen waren aangebracht die de mazen in enig deel van deze netten konden versperren en de feitelijke afmetingen daarvan konden verkleinen.

Het hof acht het, mede op grond van de ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring van de getuige [getuige 1] , ten tijde van het plegen van het telastegelegde en bewezenverklaard feit als opstapper in dienst bij verdachte, aannemelijk dat men die dag met vijf man bemanning aan boord was en dat het visklaar maken van de aan de orde zijnde netten door meerdere bemanningsleden is geschied. Voornoemde getuige heeft voorts verklaard dat een aantal bemanningsleden de touwtjes in de netten van het vaartuig [...] heeft aangebracht, alvorens de schipper heeft bevolen de netten in het water te laten zakken.

De bemanningsleden aan boord van het vissersvaartuig [...] waren op 12 maart 2002 allen werkzaam ten behoeve van verdachte en de aan de orde zijnde gedraging (het vissen met netten) paste geheel in de normale bedrijfsvoering van verdachte.

Het aanbrengen van touwtjes in de netten aan boord van het vissersvaartuig [...] is naar het oordeel van het hof verdachte dienstig geweest in het door verdachte uitgeoefende zeevisserijbedrijf, nu het hof het aannemelijk acht dat het aanbrengen van voornoemde voorziening een grotere visvangst heeft opgeleverd, althans dat het de bedoeling van de bemanning is geweest dat er die dag meer vis werd gevangen.

Verdachte heeft niet de zorg betracht die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Daarbij geldt het volgende.

Blijkens voornoemde verklaring van getuige [getuige 1], hetgeen door de vertegenwoordiger van verdachte is bevestigd, heeft verdachte niet schriftelijk of anderszins aan deze getuige laten weten dat de visserij in het kader van de bedrijfsvoering van verdachte diende plaats te hebben binnen de gestelde wettelijke bepalingen. Verdachte had naar het oordeel van het hof, eventueel middels de schipper van het vissersvaartuig [...], aan alle bemanningsleden, dus ook de opstappers, moeten laten weten dat van de bemanning verwacht en geëist werd dat zij de visserij uitvoerden overeenkomstig de wet.

Het hof verwerpt derhalve het verweer."

22. Voor de strafbaarheid van het bewezenverklaarde zijn naast de door het Hof genoemde art. 1, 2 en 6 WED de volgende bepalingen van belang:

- art. 3a Visserijwet 1963, voor zover luidende:

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van op grond van internationale overeenkomsten of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties opgelegde verplichtingen of verleende bevoegdheden regelen worden gesteld in het belang van de visserij.

2. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, kunnen mede voorschriften worden gegeven in het belang van de naleving van de aldaar bedoelde regelen.

3. (...)

- art. 3 Regeling technische maatregelen 2000, voor zover luidende:

1. Het is verboden:

a. (...);

f. voorzieningen aan netten aan te brengen die de mazen in enig deel van het net kunnen versperren of de feitelijke afmetingen daarvan kunnen verkleinen, tenzij dit is toegestaan op grond van artikel 16 van verordening nr. 850/98.

2. (...)

- art. 16 Verordening EG 850/98, luidende:

"Het is verboden voorzieningen aan netten aan te brengen die de mazen in enig deel van het net kunnen versperren of de feitelijke afmetingen daarvan kunnen verkleinen.

Deze bepaling sluit echter niet uit dat voorzieningen worden gebruikt waarvan de lijst en de technische beschrijvingen worden vastgesteld volgens de in artikel 48 bedoelde procedure."

23. Ingevolge HR 21 oktober 2003, LJN AF7938 dient met het oog op daderschap van een rechtspersoon te worden vooropgesteld dat het in zijn algemeenheid gaat om de vraag of de (verboden(1)) gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Toegespitst op de onderhavige zaak betekent dit dat het niet gaat om de vraag of [verdachte] de reële mogelijkheid had om het vissen volgens de touwtjesmethode te kunnen beletten, maar om de vraag of het vissen volgens de touwtjesmethode aan [verdachte] kan worden toegerekend. Dàt vissen is immers de gedraging die aan de verdachte is ten laste gelegd en te haren laste is bewezenverklaard(2), en die gedraging willen de hiervoor genoemde bepalingen, gelezen in onderling verband en samenhang, verbieden. Deze bepalingen strekken immers niet tot een verbod op vissen in het algemeen maar op vissen met een zodanige voorziening aan de netten dat daardoor de mazen van de netten kunnen worden versperd of verkleind.(3)

24. Het voorgaande brengt mee dat het Hof ten onrechte overweegt dat de in het onderhavige geval aan de orde zijnde gedraging bestaat in het vissen met netten. Zoals tenlastelegging en bewezenverklaring laten zien is de aan de orde zijnde gedraging het vissen met netten met touwtjes die daarin zo waren aangebracht dat deze de mazen van de netten konden versperren en/of de feitelijke afmetingen daarvan konden verkleinen. De omstandigheid dat - zoals het Hof overweegt - het vissen met netten geheel in de bedrijfsvoering van de verdachte paste, kan dan ook niet leiden tot bewijs van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde daderschap.

25. Het Hof overweegt voorts dat het aanbrengen van touwtjes in de netten dienstig is geweest aan de verdachte in het door haar uitgeoefende bedrijf omdat het Hof aannemelijk acht dat die voorziening tot een hogere visvangst heeft geleid. Die laatste omstandigheid kan echter uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid. Uit de bewijsmiddelen kan wel worden opgemaakt, zoals het Hof als subsidiaire mogelijkheid heeft overwogen, dat het de bedoeling van de bemanning is geweest door toepassing van de touwtjesmethode op 12 maart 2002 meer vis te vangen dan zonder die voorziening het geval zou kunnen zijn geweest. Er heeft dus ten hoogste kunnen komen vaststaan dat toepassing van de touwtjesmethode verdachte in de uitoefening van haar bedrijf dienstig kan zijn geweest.

26. Bij dat laatste dient overigens te worden aangetekend dat de bewijsmiddelen niets inhouden over verdeling van de opbrengst van de gevangen vis en/of over een bedrag dat schipper en/of bemanning verdachte voor gebruik van het schip schuldig zouden zijn. Ten aanzien van [getuige 1] houden de bewijsmiddelen alleen in dat hij opstapper is. Het Hof heeft dus ten onrechte overwogen dat [getuige 1] als opstapper in dienst van verdachte was. Welke relatie [getuige 1] tot de verdachte zou hebben, blijft in het midden. Dat geldt ook voor de andere bemanningsleden. De bewijsmiddelen laten overigens ook in het midden welke relatie de verdachte heeft tot het schip waarmee is gevist. Een en ander maakt het "verdachte dienstig zijn in de uitoefening van haar bedrijf" wel erg - in mijn ogen: te - abstract.

27. Het bewijs van verdachtes daderschap leidt het Hof tenslotte mede af uit de omstandigheid dat verdachte niet de zorg heeft betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging (hier door het Hof kennelijk verstaan als: verboden gedraging) en wel omdat verdachte de opstapper [getuige 1], waarvan niet duidelijk is in welke relatie hij tot de verdachte stond, niet heeft doen of laten weten dat de visserij in het kader van verdachtes bedrijfsvoering diende te geschieden overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen. Gaat het om werk dat niet in teamverband geschiedt dan kan ik mij voorstellen dat een dergelijke nalatigheid kan bijdragen aan daderschap, zoals in een situatie waarin het eerder regel dan uitzondering is dat de wet niet wordt nageleefd wanneer daar niet uitdrukkelijk op wordt gewezen. Maar in een geval als het onderhavige waarin in teamverband wordt gewerkt, kan ik mij moeilijk voorstellen dat nalaten een enkel bemanningslid er op te wijzen dat het vissen met inachtneming van de wettelijke voorschriften dient te geschieden enige invloed heeft op het al dan niet plaatsvinden van vissen volgens de touwtjesmethode. Zou de opstapper [getuige 1] de enige zijn geweest die door de verdachte ervan op de hoogte was gesteld dat aan boord van de [...] met inachtneming van de wet diende te worden gevist, dan valt moeilijk te verwachten dat hij de schipper en zijn medebemanningsleden van vissen volgens de touwtjesmethode zou hebben kunnen weerhouden. Zo was zijn positie als opstapper aan boord niet. Zouden de schipper en de overige bemanningsleden wel op de hoogte zijn gesteld dat diende te worden gevist binnen de wet, dan valt om dezelfde reden moeilijk in te zien dat bedoelde mededeling aan de opstapper [getuige 1] de overige bemanningsleden van vissen volgens de touwtjesmethode zou hebben doen afzien. Kortom, bij gebreke van enige nadere redengeving van het Hof valt niet in te zien, waarom de door het Hof aangenomen onzorgvuldigheid van enige betekenis is geweest voor het al dan niet plaatsvinden van de onderhavige gedraging.

28. De enkele omstandigheid dat toepassing van de touwtjesmethode verdachte in de uitoefening van haar bedrijf dienstig kan zijn geweest is naar mijn mening niet voldoende om verdachte aan te merken als degene die tezamen en in vereniging met anderen volgens de touwtjesmethode heeft gevist. Daar komt nog bij dat, zoals in de toelichting op het middel wordt opgemerkt, het Hof geheel is voorbijgegaan aan verdachtes verweer dat zij de touwtjesmethode in het geheel niet kende. Onder omstandigheden kan dat gebrek aan wetenschap aan het aannemen van daderschap in een geval als het onderhavige, waarin blijkens de bewijsmiddelen de gedraging en de voorbereiding daarvan zich geheel aan het zicht van verdachte onttrekken en de sporen daarvan in zee vallen, in de weg staan.

29. Het valt op dat het Hof in zijn overweging betreffende het daderschap geen aandacht geeft aan de in de bewijsmiddelen opgenomen omstandigheid dat de schipper opdracht gaf tot het bevestigen van de touwtjes aan de netten en vervolgens tot het in het water laten van de netten. Kennelijk achtte het Hof die omstandigheid voor het bewijs van het daderschap niet van belang. Dat strookt met het oordeel van het Hof dat het horen van de schipper als getuige niet noodzakelijk was alsmede met de omstandigheid dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt in welke relatie de verdachte en de schipper tot elkaar stonden.

30. Het voorgaande brengt mee dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

31. De middelen slagen.

32. He eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

33. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Rov. 3.4. In rov. 4.5 wordt voor het in genoemd arrest berechte geval uitdrukkelijk gesproken van het toerekenen van de verboden gedraging.

2 Zie in dezelfde zin HR 14 januari 1992, NJ 1992, 413, m.nt. 'tH ( daderschap van een v.o.f. van door een (...) persoon verrichte handelingen als strafbaar gesteld in evengenoemde bepaling), HR 23 februari 1993, NJ 1993, 605, m.nt. 'tH (rov. 7.1: lozen van de schadelijke rode carcinogene vloeistof Furazolidon), HR 13 november 2001, NJ 2002, 219 (rov. 4.4.3: in zee lozen van olie, althans een oliehoudend mengsel), HR 9 maart 2004, LJN AN 9919, JM 2004, 85 m. nt. Koopmans( rov.3.6: het komt er op aan of de verdachte directe zeggenschap en verantwoordelijkheid heeft voor het (laten) weghalen van de op het platform, in strijd met het vergunningsvoorschrift aanwezige gevaarlijke stoffen). Voorts ten aanzien van functioneel daderschap van een natuurlijk persoon HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378, m.nt. B.V.A.R.(IJzerdraad-arrest; in strijd met de wet invullen van formulieren), HR 12 juni 1979, NJ 1979, 555, m.nt. G.E.M. (rov. 5.4: bewerkstelligen dat daarmee de visserij in strijd met het verbod wordt uitgeoefend)

3 Knigge (DD 1992, p. 143) meent dat de constructie van de wettelijke bepaling - is een omstandigheid bestanddeel van het delict of fait d` excuse - voor het functioneel daderschap niet van belang is. Daarbij gaat hij er in mijn ogen aan voorbij dat de wijze waarop het verbod is geformuleerd bepalend is voor de beschrijving van de gedraging in de tenlastelegging en daarom bepaalt welke gedraging aan de verdachte zou moeten worden toegerekend. Zo ging het in mijn ogen in het zgn. Nicotinezuur-arrest (HR 24 mei 1977, NJ 1978, 330) niet om de vraag of de rechtspersoon rauw gehakt ten verkoop in voorraad had maar rauw gehakt waarin meer dan 0,015% nicotinezuur zat.